Digitale Versie van de Schatkamer der Nederlandse Oudheden van Ludolph Smids
Geproduceerd door Louis Strous

0000-0003-2110-7248/2020/1

1 Inleiding

Hieronder staat de tekst uit de Schatkamer der Nederlandsse oudheden uit 1711 door Ludolph Smids, gebaseerd op scans (verzameld in een PDF-document) en ongecorrigeerde OCR-resultaten van de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren. Die PDF en ruwe OCR-resultaten vond ik (in oktober 2019) op https://www.dbnl.org/tekst/smid001scha01_01/. Ik heb de OCR-resultaten sterk verbeterd, en heb bovendien sommige duidelijke spelfouten in de originele tekst verholpen (en die gevallen aangegeven met voetnoten).

Zie http://www.historischetopografie.nl/dehaen/schatkamer2.pdf voor meer details over het originele boek.

1.1 Lange s

In het origineel (de Schatkamer) komt de letter "lange s" vaak voor, een ouderwetse variant van de kleine letter s. Die lange s wordt in deze tekst weergegeven als ſ. Verwar hem niet de de letter f waar hij veel op lijkt. Sommige applicaties waarmee je dit document kunt lezen snappen dat een ſ een variant van een s is en vinden daarom ook een ſ als je zoekt naar een s.

1.2 Romeinse cijfers

Het origineel bevat veel Romeinse cijfers, letters die een getal uitdrukken, zoals III voor het getal 3. In Unicode zijn er aparte tekens voor letters gebruikt als Romeins cijfer. Bijvoorbeeld, voor de Romeinse 3 is er het teken Ⅲ. Maar als ik Romeinse cijfers in de vorm van zulke aparte tekens opneem dan zijn ze misschien moeilijker te vinden. Hoe tik je een Ⅲ in in een zoekbalk?

Daarom zijn in deze tekst Romeinse cijfers opgenomen als gewone letters, behalve als het Romeinse cijfer niet gelijk is aan een gewone letter. Bijvoorbeeld, er komt in het origneel een gespiegelde letter C voor als onderdeel van een Romeins cijfer dat het getal 1000 aangeeft. Die gespiegelde letter C wordt in deze tekst opgenomen met het daarvoor bedoeld Unicode-teken Ↄ.

1.3 Grieks

Op sommige plekken in het origineel staat Griekse tekst met tekens (ligaturen) die niet standaard Grieks zijn. In William H. Ingram: The Ligatures of Early Printed Greek vond ik een nuttige omschrijving van Griekse ligaturen. Hier is een overzicht, met een beschrijving hoe ik deze probleemgevallen heb opgelost.

  1. in BATAVIE, "het Griekſe βáτ[?]" waarin [?] staat voor een letterteken dat lijkt op een grote O met een staartje naar rechts, en met een G erin. Met Ingrams document identificeer ik dit als een ligatuur van de letters omicron en sigma (ος) en die afzonderlijke letters heb ik voor die ligatuur hieronder in de lopende tekst gezet ― dus "βáτος".
  2. In EGMOND, "las ik in het Grieks ΑΓΙΟϹ ΠΗΤΡΟϹ. de heilige Pieter", met tweemaal een letter die precies lijkt op de Romeinse C maar niet voorkomt in het standaard-Grieks. Ik identificeer dit als Unicode-teken U+03F9, "GREEK CAPITAL LUNATE SIGMA SYMBOL" en heb het zo weergegeven.
  3. In KELTEN, "noemtſe [?]πò τῶν κελἡτων, van de rypaarden; als ſynde deeſe volkeren goede ruiteren, κελητ[?], en by verkortinge, κελτ[?]."

    De eerste [?] staat voor een letterteken dat lijkt op een λ maar met een extra been naar linksonder parallel aan de eerste, en met een tonos-accent erop. Met Ingrams document identificeer ik dit als een alfa (α), dus "άπò τῶν κελἡτων".

    De tweede en derde [?] lijken in het document op een ligatuur van een o en een u waarvan de rechterpoot sterk naar beneden verlengd is, en er staat een varia-accent op. Met Ingrams document identificeer ik dit als een ligatuur van een alfa en een iota met varia (αì), dus "κεληταì" en "κελταì".

1.4 Cursieve tekst

Cursieve tekst temidden van gewone (rechtop) tekst wordt weergegeven als dit.

1.5 Kleinkapitalen

In het origineel komen kleinkapitalen voor, hoofdletters die kleiner gezet zijn dan gewone hoofdletters. In onderstaande tekst wordt dat onderscheid niet gemaakt en worden dan gewone hoofdletters gebruikt.

1.6 Bronnen

Het origineel vermeldt regelmatig een of meer bronnen voor de gegeven informatie. Die bronnen zijn in het origineel meestal cursief weergegeven, met uitzondering van leestekens, cijfers, en de tekst "&c" voor "enzovoort". Hier wordt alles hetzelfde behandeld als de letters ― dus allemaal cursief weergegeven.

1.7 Accolade-regels

Het origineel bevat hier en daar accolades { of } waar aan de ene kant één regel en aan de andere kant meerdere regels staan, om aan te geven dat die ene regel van toepassing is op elk van de andere regels. Vanwege technische redenen heb ik hieronder de accolades verwijderd en herhaal ik steeds de mindervoorkomende regel. Ik heb zulke gevallen gemarkeerd met een voetnoot.

1.8 Onduidelijke tekst

Als de originele tekst niet goed leesbaar is dan wordt de voorgestelde lezing weegegeven tussen rechte haken, zoals [dit].

1.9 Woordafbrekingen, regelafbrekingen, gedichten

In de delen van de tekst die ogenschijnlijk als gedicht bedoeld zijn is de originele regelafbreking grotendeels behouden. Zulke regels worden getoond zoals

Lopende tekst met een klein stuk uitgelicht.

In het origineel is die lopende tekst vaak cursief gedrukt en is de uitgelichte tekst juist rechtop.

Woordafbrekingen zijn uit de lopende tekst verwijderd. Dit maakt het gemakkelijker om woorden te vinden ook als ze in het origineel afgebroken waren.

De lopende tekst is opnieuw uitgelijnd.

1.10 Bladzijden

De plek in de tekst waar in het origneel een nieuwe bladzijde begint wordt weergegeven als <blz A | B>, waarin A staat voor het logische bladzijdenummer en B voor het fysieke bladzijdenummer, of <blz A> als de bladzijde geen fysiek nummer heeft. Het logische bladzijdenummer is het volgnummer van de bladzijde in het digitale document. Dat nummer telt op vanaf 1 voor de eerste bladzijde. Het fysieke bladzijdenummer is het bladzijdenummer dat op de bladzijde gedrukt is. Niet elke bladzijde heeft een fysiek bladzijdenummer.

Soms eindigt een bladzijde middenin een woord. In dat geval wordt in deze versie de <blz>-aanduiding net vóór dat woord geschreven.

Bovenaan sommige bladzijden staat een regel met koptekst, meestal een bladzijdenummer en de eerste letters van de naam van een of meer onderwerpen die op die bladzijde behandeld worden. Die koptekst is hieronder weggelaten.

In het originele document hebben sommige bladzijden onderaan een aanduiding (de staarttekst) die geen verband houdt met de lopende tekst op de bladzijde en vermoedelijk voor de boekbinder van belang zal zijn geweest.

Deze staartteksten van de inleidende bladzijden staan in onderstaande tabel, samen met hun logische bladzijdenummer. Deze inleidende bladzijden hebben geen fysiek bladzijdenummer.

logisch staarttekst
4 * 4
6 * 5
14 **

De bladzijden die volgen op de inleidende bladzijden krijgen op meestal regelmatige wijze wel of geen staarttekst. Uit elke groep van 16 bladzijden (katernen) krijgen de eerste vijf met een logisch bladzijdenummer dat even is een staarttekst, en de rest niet. De eerste bladzijde uit de groep heeft een logisch even bladzijdenummer. Logische bladzijde 18 heeft fysiek bladzijdenummer 1.

Die staarttekst bestaat uit een of twee letters (de eerste is een hoofdletter, de eventuele tweede een kleine letter), gevolgd door een spatie en een volgnummer oplopend van 1 tot 5, behalve dat het volgnummer 1 niet geschreven wordt.

Het letterdeel van de staarttekst is gelijk aan A voor de eerste groep (de A-groep), en gaat dan door de rest van het alfabet, behalve dat de J, de U en de W worden overgeslagen. De groep na de Z-groep is de Aa-groep, gevolgd door Bb, Cc en Dd.

De bladzijden waar je op grond van dit patroon de staarttekst I of R 4 verwacht hebben geen staarttekst. Onderstaande tabel toont de overeenkomsten voor een paar bladzijden.

fysiek logisch staarttekst
1 18 A
3 20 A 2
5 22 A 3
7 24 A 4
9 26 A 5
17 34 B
19 36 B 2
21 38 B 3
23 40 B 4
25 42 B 5
385 402 Bb
387 404 Bb 2
389 406 Bb 3
391 408 Bb 4
393 410 Bb 5
401 418 Cc
  420 Cc 2
  422 Cc 3
  424 Cc 4
  426 Cc 5
  434 Dd
  436 Dd 2
  438 Dd 3
  440 Dd 4

1.11 Hoofdstukken

Voor het gemak zijn toepasselijke hoofdstukaanduidingen ingevoegd.

1.12 Afbeeldingen

De PDF van DBNL bevat precies één afbeelding, beneden aangegeven met <Afbeelding>. De tekst van de Schatkamer geeft aan dat er ca. 50 afbeeldingen van kastelen en huizen zijn, maar in de PDF van DBNL zijn die niet te vinden. Afbeeldingen gemaakt door de vaakgenoemde Roeland Rochman zijn te vinden op de website van de Nederlandse Kastelenstichting.

1.13 Verwijzingen

De originele tekst verwijst vaak naar andere delen van diezelfde tekst. Daarvoor heb ik koppelingen toegevoegd, zodat de lezer snel naar dat andere deel kan gaan. Soms heb ik moeten gokken naar het doel van de verwijzing. Ook heb ik hier en daar koppelingen naar relevante externe documenten toegevoegd.

2 Tekst

Hieronder in dit hoofdstuk staat de tekst van de Schatkamer. De drukfouten die aan het eind van die tekst beschreven staan heb ik in de voorgaande tekst al verbeterd, en aangegeven met een voetnoot. Bovendien heb ik enkele andere duidelijke fouten verbeterd, en aangegeven met een voetnoot.

2.1 Verklaaringe Der Titelprent

<blz 1>

VERKLAARINGE der TITELPRENT.

Hiſtoriekunde, die het pit en merg der zaaken, Genoopt door naarſtigheid, ons kenbaar weet te maaken, Beſlaat den voorgrond; wat gy verder by hen ziet Heeft zyn betrekking op 't geen voortyds is geſchied. Graaf Arnoud ſchenkt zyn zoon, (wel eer, in arren moede, Zyn hof en land ontzegd,) het ad'lyk Brederoede. Dies Sifrid 's vorſten gunſt ſtaaft met een dieren eed; Waar op zyn vader al het ongelyk vergeet, Door hoofſche vleyers hem ontydig aangedraagen. Een ſleep van Ridderen aanſchouwt dit met behaagen, Van Baanderheeren en van Knaapen, weits in pracht, Verzeld, en noodig by deez' plechtigheid geacht. Den top der zetel toont u Claudius, een Vader Van 't Vaderland, een held wiens leevensloop veel nad[er] Deed blyken aan de magt van Romens dwinglandy Dat zich geen Batavier ooit vleid tot ſlaaverny. De marm're beelden , die uw oogen voorts beſchouwen, Zyn oude Graven, of gewettigde Landsvrouwen, Wier Willekeuren en Gunſtbrieven tot beſcheid En richtſnoer ſtrekken aan het ampt der Achtbaarheid. De Wapenſchilden, die hun ſtam te kennen geeven, Zyn van vyf Vorſten, tot die waardigheid verheeven; Als Aquitanië, voorts Henegouwen, thans Volgt Bei'ren en Bourgonje, een ſtamhuis dat den glans, Van 't ſchitt'rend graaflyk goud in 't oog niet koſt verdraagen; Wat lei Filips de Goede aan vrouw Jacoba laagen, Eer hy die Ryksvorſtin haar wettig erf ontroofd'! Hier na volgt Ooſtenryk, dien 't cierſel glydt van 't hoofd: Deez dacht dit Land gelyk een wingeweſt te ſtieren. Neen, Dwingelanden der beroemde Batavieren, Hoe menigmaal hebt gy hun dapperheid gevoeld, Doch nooit uw heerſchzucht naar uw luſt met haar gekoeld! Aloudheids minnaars, 't geen 'er nu noch reſt te ontvouwen Is in de ronden, die twee trotſche Hofgebouwen, Ten deele reeds geſloopt, door bitſche woede en nyd, In 't Kaas en Broodſpel, of door de alverſlinb're Tyd.   Pr. VAN LOO.

2.2 Titelprent

<blz 2>

LUD. SMIDS, M. D.   SCHATKAMER DER NEDERLANDSSE OUDHEDEN; OF WOORDENBOEK, Behelſende NEDERLANDS   Steden en Dorpen, Kaſteelen, Sloten en Heeren Huyſen, Oude Volkeren, Rievieren, Vermaarde Luyden in Staat en Oorlogh, Oudheden, Gewoontens en Lands wyſen.   Vercierd met LX Verbeeldingen, van ſoo geheele als vervallene Heeren Huyſen, Sloten en Kaſteelen, meerendeels geteekend door ROELAND ROCHMAN.   Nevens een Bladwyſer, in de gedaante van een Land-Chronyk.   <Afbeelding>   T' AMSTERDAM,   By PIETER DE COUP, Boekverkoper in de Kalverſtraat, in Cicero, 1711.

2.3 Opdraght

<blz 3>

<blz 4>

Aan den HEER CHRISTIAAN van HOEK, OP DE JAARGETYDE VAN SYN E. GEBOORTEDAGH, den 13 Junii, MDCCXI.

Myn Junius, 'k ſtaa ſtill; hoe ſal ik het verlangen Uitdrukken, en de vreugd, met heden u te ontfangen In ſulk een friſſe lucht, aan Vechtſtrooms groene boord! Dagh, die my 't allermeeſt in uwe maand bekoord, Waar in ik magh VAN HOEK, en ook my ſelf, verjaaren. Waar ſagh men ooit een knecht dus met ſyn meeſter paaren! Wat vriendelyker ſter verſcheen toch op deeſe uir? Geen Mars, geen (a) Chronius; maar Venus of Merkuir,

(a) Chronius, Anders Saturnus; even als Mars een treurige en ongelukkige geboorte ſterre; daar, in het tegendeel de ſterren van Venus en Mercurius geluk en vreugde mededeelen.

<blz 5>

Of beide; op wiens verſoek de (b) Spinſters aangedreven, Al ſingende de draad begonnen van ons leven. Terwyl ſy Atropos van beider levens draad, Uit Jovis hooge laſt, voorſchreeven haare maat. Heer CHRISTIAAN, ik kan myn blydſchap niet betoomen, Myn boeſem is te vol; ik voelſe al overſtroomen; Wat ſegh ik heden op het feeſt van uw Geboort? Het lof van OUDER HOEK is meer als eens gehoord, En meer als eens heb ik dat heerlyk buiten leven, Te Loenen aan de Vecht, ten hemel opgeheven. Als ik Heer CHRISTIAAN en Heer ANTONI vond My tegenkoomende, in een lieven avondſtond, Ontrent de Waterkom, en by de ſpartelviſſen; By wien ik Amſteldam kan ſonder hertſeer miſſen:

(b) Spinſters, Daar ſyn 3 Suſteren, de Spinſters, ſegt men, over het menſlyk leven; Klotho woeld de ſtoffe om de ſpinrokken, Lacheſis is aan het ſpinnen, en Atropos komt, met de knipſchaar, de draad afkorten.

<blz 6>

Ja, meer als eens deede ik u, door de Lindelaan, Met uw (c) Brood-draager, naar den graagen Kerper gaan. 'K bekroonde, ook meer als eens, uw Jaargety met wenſſen, En ſtelde uw Buitenruſt voor 't woelen veeler menſſen, Die, nooit vernoegd, aan geen uitſpanning leenen 't oor, Maar, als (d) Ixion, ſyn geklonken aan 't kantoor. Wel aan! 'k min de Oudheid ſoo der Grieken als van Romen; Daar plag, op 't jaargety, geen leêge hand te koomen; Daar moeſt men offren; daar quam neefen boeſemvrind Met giften kampen; elk ſocht meeſt te ſyn bemind. Myn Heer! Verjaargenoot! Mecenas! gun my heden, In 't overoude ſpoor, van dit gebruik te treden, Staa toe dat ik u dan verjaar, op OUDER HOEK,

(c) Brood-drager, Een hond, gewend, een mandje vol wittebrood naar den vyver te draagen, om de kerpers te ſpyſen.

(d) Ixion, Eene der verweeſene zielen in de helle der oude Dichteren; wegens ſyn bedrevene boeve-ſtukken, aan een al tyd omdraayend rad gebonden.

<blz 7>

Met goud? och, ſoek dit by geen Schryver! met een Boek; Een Boek vol Oudheên, dat ik, met uw welbehaagen, Op onſe jaardagh, u eerbiedigh op kom draagen. 'T raakt Holland en het Sticht: haar Huyſen, Sloten, Steên, Met Frieſlands ruime naam bepaald in 't algemeen. Trek toch geen hand te rugh; wil deeſe gift niet laaken; 'K hoop, myn SCHATKAMER ſal u leeren en vermaaken: Het ſchrift vermaaken; met gevallen van ons land, En 't printwerk leeren, dat'er niets blyft in ſyn ſtand.   Lud. Smids. M. D. DUM TERIMUR, SPLENDEMUS.

2.4 Voor-Bericht

<blz 8>

VOOR-BERICHT.

O WREEDE NOOD-DWANG, MET GEEN REDEN TE VERSETTEN, VERMOEYME TOCH NIET MEER; SET EENS MYN PEN EEN PERK! WAAROM MYN SCHRYFLUST, LANG VERSTOMPT, OP NIEUWS TE WETTEN? VOLDEEDE IK ROME EN EIST NU NEERLAND ANDER WERK? WEL AAN; WY WILLEN GRAAGH ONS AAN HAAR ROEM VERSLAAVEN, DE KEISERS PAARENDE MET HAAR ROEMRUCHTE GRAVEN.

Daar1 ſal, daar moet dan iets weder geſchreven worden; want dat is, gelyk het blykt, in my en veel andere, een noodlottige dwaasheid, ja een onafkeerlyke raſerny en dulligheid. Hoe? is dat hard in uw ooren, ſoo luiſter naar onſen Weſterbaan, ſpreekende op deeſe manier, in ſyn deftigh Lof der Sotheid:

Sy ſyn van 't eigen deegh, die boeken uit doen gaan, Om dat ſy naar een Naam, die nooit en ſterve, ſtaan; En meenen dat te ſyn de wegh naar 't eeuwigh leven. Aan alle deeſen heb ik vry al veel gegeven, Maar allermeeſt aan die, die, vol van 't malle vier, Met enkle beuſelen beſmeeren het papier: Want die geleerdelyk iet ſchryven wil of maaken, Dat maar aan weinige Geleerde mooge ſmaaken, Waar over hy het oogh van niemanden en vrees; Het ſy dat Perſius of Lelius het lees,

<blz 9>

Sou 'k eer beklaagens waard als voor gelukkigh achten, Om dat hy altyd heeft een kruis in ſyn gedachten: Want deeſe hebben ſtaagh de pen en hand gereed. Hier diend wat af te ſyn, en daar wat aangeſmeed, Dit moet wat ſyn verſteld, en dat heel weghgenoomen; Dit diend hier wel van daan, daar ſou het beeter koomen: En als 't nu honderd maal de vrienden is vertoond, En als men 't thien jaar lang heeft van de Pers verſchoond, Soo vinden ſy haar ſelf noch niet voldaan naar wenſſen. Dus ſtaad een ydel loon (de lof van weinigh menſſen,) Hen dapper dier. Hierom is ſoo gewaakt, gebraakt, En ſoo veel ſlaaps gemiſt (die meeſt den mens vermaakt) Hierom ontſienſe'er niet te ſitten klappertanden; En lyden ongemak aan voeten en aan handen; Dit koſt haar ſoo veel tyd en ſoo veel kruis en ſweet, Soo veele quellingen en allerhande leet, Verlies van ſchoonheid en van haar geſonde leeven; Hier aan ſoo hebben ſy haar leep en blind geſchreeven; Dit heeft hen arm gemaakt, van alle luſt geſpeend, In nier en blaas verwekt een pynelyk geſteent; Dit heeft hen ouderdom, lang voor den tyd, gegeeven En, aan een vroege dood, doen wiſſelen hun leeven: Voegh hier noch verder by, 't geen ik niet ſeggen kan.

Dit wegens de nimmer ſatte ſchryfluſt.

Maar ontrent de ſtoffe? ik heb het reeds geſegt; welk anders als NEERLANDS OUDHEDEN; aangeſien die van Rome en Griekenland in myne OVIDIUS, KEISERS en KEISERINNEN, GALLERY, &c. volkoomen haar beurten hebben gehad.

Maar wederom, de ſtoffe ſal die weeſen, of algemeen, of byſonder? als by voorbeeld,

Van de VOLKEREN?

Neen; dat is ons genoegſaam geopenbaard en opgegeven, door Kluverius, in ſyn Vetus Germania; door <blz 10> Kirchmayer, over Tacitus, de Germanorum Moribus; door Schildius de Cauchis, Oudenhoeve van de Cimbers, Junius, &c.

Van haare SEDEN en GEWOONTENS?

Neen; want wie ſchreef beter als gemelde Kirchmayer? wie toch beter als Scedius? deeſe over de Godsdienſt en de voorige over Staat en Oorlogh.

Van de STEDEN, DORPEN, VLEKKEN en CASTEELEN?

Ook niet; immers wie is hier nauwkeuriger als Boxhorn, onder onſe vaderlandſſe, en wie opmerkender als Guicciardin, onder de vreemde en buitenlandſſe Aanteekenaars? om nu niet te reppen van de Mengelingen in het Stedeboek van W. Blaeuw, en de byſondere Schryvers over byſondere Steden, Ampzing, Balen, Bleiswyk, Orlers, &c.

Of eindlyk van de REGEERDERS?

Maar, geenſins; nademaal wy de Levens der Biskoppen van Uitrecht ſeer uitvoerigh beſchreven vinden, by Beka en Heda; en wat aangaat de Graven van Holland; vol ſyn we, tot aan de keel, met de Vertellingen van Melis Stoke, Veldenaar, de Gouwenaar, Wachtendorp, Scriverius, Goudhoeve, &c.

Wat is 'er dan voor den nieuwsgierigen Leeſer, ſonder eenige walging te verwekken, by u op te diſſen? Altoos niets Nieuws, maar alles uit de gemelde Schryvers getrokken, en, in de gedaante van een Dictionarium, of WOORDENBOEK, tot een lichaam gebracht: doch eenigſins opgehelderd met eenige nieuwigheden, my van Lieden van aanſien en kennis (ſoo door geletterde Sendbrieven, als door een uitpluiſende zamenſpraak) by geſet.

In dit Woordenboek dan, gelyk gy ſiet, met den titel van SCHATKAMER opgepronkt, ſal de Leeſer, volgens de rang van A. B. C. konnen vinden veel <blz 11> oude Volkeren, die Neerland hebben aangedaan en daar in geneſteld; allerhande Steden, echter meeſt Hollandſſe, nevens haare Stichtingen, Oudheden en Wiſſelvalligheden; verſcheidene Gewoontens van Trouwen, Lykplichten, Gaſtmaalen, Oorloogen; alle de Graven van Holland, ja mede ſommige krygsoverſten van het Oude Rome, &c. maar (en die wel het grootſte deel van deeſe SCHATKAMER uitmaaken) de oud-adelyke en ridderlyke Heeren Huiſen, Sloten en Kaſteelen; ten deele noch in haar geheel; maar ook ten deele vervallen, geſleeten, verwoeſt en uitgeroeid.

Ondertuſſen heb ik alleen by deeſe de Printkonſt willen voegen.

I. Om het Oogh met die Verbeeldingen te verluſtigen, terwyl het Oor met de Beſchryvingen, wegens dit Huis of dat Kaſteel, word geſtreeld.

II. Om gemelde Heeren Huyſen, ſoo verre onſe krachten konnen reiken, te vereeuwigen; want indien wy deſelve niet in Print vertoonden, en op ſulk een wyſe derſelver Gedachtenis bewaarden, wat ſou de naaneef anders hebben als onnutte droomen, en onnatuirlyke denkbeelden?

Maar, ontrent de Printverbeeldingen hebbenwe weder twee ſaaken waargenoomen.

I. De ſtand is neerſtlyk aangeweeſen, het ſy ter rechter, het ſy ter ſlinkerhand. Immers, by de Uitgevers van Geſichten, word hier dikwyls mis gegrepen. By voorbeeld; men brengt een Gebouw, met de naald, op het koper, met een poort op de rechterzyde; het afdrukſel vertoond deeſe poort op de ſlinker ſyde; dit afdrukſel word weder op een plaat gebracht, en, gelyk men ſpreekt, gecopieerd: ſoo ſullen eindlyk u de veelvoudige copyen misleiden, ontrent den rechten ſtand. Begeerje dit beweeſen te hebben? Siet het Oude Rome, en ſiet meeſt alle de <blz 12> Geſichten der Luſthoven van Van Kall, noch onlangs uitgegeven.

II. Is hier meerendeels het jaar geſet, in welken ſich deeſe of geene ſtand of wel eer vertoonde, of noch op heden ſich doet ſien. Want, let eens! Hadriaan Junius ſchreef ſyn doorgeleerd Batavie, ontrent den jaare 1575; maar let, ſeg ik, eens wat onſe Geſichten, byſonderlyk van de ruïnen, van ſyne Beſchryvingen verſchillen. By voorbeeld, ſie Velſen, 18 cap. 524 pag. Oud-Haarlem, 17 cap. 425 pag. en Heemskerk, 18 cap. 517 pag.

Denk ondertuſſen eens, hoe veel onſe Vertooningen, over anderhalf honderd jaaren, van den tegenwoordigen opſtand ſullen verſchillen. Want ſeekerlyk gemelde Heeren Huiſen ſullen of door den Tyd (ik heb het noch voor weinige dagen, den 30 May, aan het HUIS TER AA geſien) geheelyk worden wegh geſloopt, of, op ſyn beſt, gelyk BERKENRODE en MEERESTEIN, door de laatere beſitters geheel vernieuwd.

Maar, wat hebt ge toch, ſal iemand vraagen, aan deeſe Afbeeldingen van onkennelyke ruïnen.

Ik ſeg, het vermaaktme die ruïnen te ſien; niet enkelyk, maar nevens een erinneringe van Staat- en Oorlogsgevallen, die ontrent deeſe Slooten ſyn geſchiet. Want, wat ſegt Ovidius? Klaagbrieven, 3 lib. 4 eleg.

Ante oculos errat domus, urbs & forma locorum Succedunt que ſuis ſingula facta locis.

Dat is: Het huis, de ſtad en de gedaante der plaatſen ſwerven voor myn oogen, en ieder bedryf komt my op haar plaats te binnen.

Het is ondertuſſen wel waar, dat ons de nydige Tyd veel afgeſtormde Huiſen, Slooten en Kafteelen doet ſien in haare puinhoopen, van welke gebouwen wy ſyn geheelyk ſonder beſcheid. Doch dat is2 ook waar, dat wy Hollanders meer Slooten met haar Hiſtorien konnen opſchikken, als die van Braband; alwaar noch ſeer veele (ſiet de uitgegevene <blz 13> Konſtplaaten) met haar rompen overeind ſtaan, die niets Hiſtoriſch ontrent haar hebben.

Voeg hier by, dat deeſe Afbeeldingen my een indruk geven van verganglykheid; konnende ſelf tot Emblemaas of Sinnebeelden gebruikt worden, met deeſe of wel diergelyke Byſchriften: En alta muri decora congeſti jacent, of Quid non longa dies, quid non conſumitis, anni? of Miremur periiſſe homines? monumenta fatiſcunt. Mors etiam ſaxis nominibuſque venit.

Eer ik aftrede, van de Geſichten tot het Geſchrift, moet ik den Leeſer onderrechten, dat de meeſte Huiſen en Kaſteelen ſyn van Roeland Rochman, ontrent het jaar 1646, uitgeteekend; welke in het koper te brengen my is vergund (gelyk ik ook weder beneden, 206 bl. betuige) van den Heer, CHRISTIAAN VAN HOEK, beſitter van deeſe uitmuntende Teeken-ſchat.

Tot ſoo verre van de Konſtplaaten; koome nu tot myn geſchrevene Aanmerkingen.

Voor eerſt ſy dit myn grondſlagh, dat de Aloudheden van ons Nederland tweeſins moeten worden aangemerkt, ten opſicht haarer Beſchryveren.

Immers ſyn die of Romeinſſe, of Inlandſſe: de Romeinen waaren onſe doodvyanden; welke deſwegen juiſt niet al te getrouwlyk de waarheid aanhangende, veele voordeelen van de onſe op hen hebben verſweegen, en hunne nederlagen achter gehouden.

Soo ſpreeken Beda en Grotius, nevens Pars en Pikart.

En, wat de Inlandſſe aangaat; de onſe ſyn ſeer laat tot de Letteroefening geraakt; ſich alleenlyk met de legertogten bemoeyende, en de gedachtenis hunner oorlogsbedryven de Prieſteren, die deſelve in liederen en lofſangen begreepen, (ſie beneden, 269 bl.) beveelende.

<blz 14>

Dit, weder, behalven Pars en Pikard, met de woorden van Gabbema in de voorrede van het leven van S. Wilebrord.

Immers moeten de Neerlanders bekennen dta ſy de alleroudſte Gedenkſchriften, de monikken van EGMOND (ſie weder beneden, 77 bl.) alleenlyk ſyn verſchuldigd.

De ſtyl is naar de tyd; want terwyl deeſe Schatkamer uit enkele Invallende Gedachten beſtaat, ſoo ſal de Leeſer ook gemaklyk konnen achterhaalen, waar my de Schryf-luſt of traager en ſomberder, of raſſer en vrolyker heeft aangenoopt. En op diergelyke wyſe meen ik mede myn veranderende taal en ongelyke ſpelling vry te ſpreeken.

Vorders heb ik, in het aanhaalen der Schryveren, ſelden haare text of eigen woorden gebruikt. Dit is het kunsje van die groote boeken willen uitleveren; gelyk Van Leeuwen, die ſomwylen geheele paginaas of bladſyden uitſchryft, en tuſſen ſyn eigen woorden inflanſt: of als Gabbema, die, van een en deſelve ſaak, 3 of 4 texten van verſcheide ſchryveren malkanderen laat volgen. Neen! dit is van myn ſmaak ganslyk niet. By voorbeeld, ik verhaal, met de woorden ſelfs van Veldenaar, het vermoorden van graaf Floris de V; waar toe ſal ik daar nevens voegen de woorden van het Goudſſe Chronykje, van Goudhoeve of van Scriverius? Doch ieder ſyn ſinlykheid; men magh myn wyſe van doen of goed keuren of beriſpen, ik heb, in alle myn Werkjes getoond, dat ik de kortheid bemin, en geen wateremmer aanhaal, daar ik ſlechts een vingerhoetje behoefte gebruiken.

Maar ondertuſſen vraagt gy, welke Schryveren ik al heb gebruikt? en waarom u by dit werk, van deſelve niet een Lyſt is overgegeven? hoe? die ſal ik hier haaſt konnen opnoemen, en met groote letteren u voor oogen ſtellen: ALTING, MATHEUS, <blz 15> SCRIVERIUS, GOUDHOEVEN, VAN LEEUWEN, ALKEMADE. Deeſe ſyn de voornaamſte meeſters, van wiens onderrechting geduirigh ik my heb bediend.

Ontrent de topographie of plaatsbeſchryvinge heb ik wat nieuws. Aangeſien, by de Neerlandſſe tydſchryveren de Naamen van verſcheidene Burgen en Heeren Huiſen, ook wel de Stichteren der ſelve, mitsgaders de juiſte tyd haarer grondlegginge my wel ontmoeten, maar nergens vind ik haare topographie of geſtaltbeſchryvinge.

Een ſaak, daar wy ſoo wel aan vaſt ſyn3 als de Grieken en Romeinen; welke meerendeels hunne Tempelen, Schouburgen en Renkringen op de Gedenkpenningen deeden aanſchouwen, ſchoon ſy niet veel in ſchrift van den opſtal naalieten.

De Chronologie of Tydreekening ſal hier eenigſins om verſchooning ſmeeken; want terwyl ik verſchillende Schryvers moet volgen, is de nettigheid my ondoenlyk geweeſt voornaamlyk in de Bladwyſer, dat ik in de gedaante van een Jaar-regiſter, u meededeel; beginnende met het jaar 500, en ſluitende by dat van 1600. En waarom niet verder? om dat ons die eeuwe een overvloed van welgeſchikte Jaar-regiſters uitleverd.

Maar nu het loon van deeſen arbeid; van ſoo veel Tydſch[r]yvers op te ſlaan, en derſelver hoofdſtukken en bladſyden naa te ſien en aan te teekenen? VENIAM PRO LAUDE, Voor lof, verlof; volgens onderſchryving van onſen ſoetvloeyende Heemskerk; aangeſien het ſlechts is een pover kleedtje om het Printwerk, van allerhande lappen aan een gehecht.

Voor Nyd en Afgunſt heb ik niets te vreeſen, als ſynde zedert myn allereerſte ſchryven dit geſelſchap wel gewent. Getuigen ſulks niet de Byſchriften? VULNERE PULCRIOR; ſchooner door haar wond: <blz 16> en, DUM TERIMUR, SPLENDEMUS; wy glinſteren terwyl wy ſlyten; nevens de verbeeldſelen van gepikeerd leer of de 3 Hoefyſers van myn ſtam, welk Wapenſchildtje ontrent myn Werkjes ſomwylen is gebruikt. Ook is dit alle ſoo mindere als meerdere Letterkundige opgelegt; nademaal te willen ſchryven en niet benyd te willen ſyn, is ſoo veel als te wenſchen in de ſon te gaan en geen ſchaduwe van ſich te werpen.

Maar laatenwe dit Voorbericht met den Afgunſt beſluiten, en den goeden Leeſer, aan de deur van deeſen SCHATKAMER, in ſyn ongeduld te gemoet koomen, verwachtende van hem, in het weder uitgaan, te hooren, dat hy ſyn ledige uiren, aan deeſe Verhandelingen met genoegen heeft verſpild; terwyl ik den weghgaanden aanſpreek, met de volgende regelen van den vroomen Kats (wiens heilſaame Schriften ongetwyfeld langer ons ſullen byblyven, als van die geene, die, in 'er onkunde, aan ſyn gebeentens durven knabbelen) my in de mond gegeven:

Hier is wat plomps; hier is wat ſcherps! Hier is wat lafs; hier is wat ſerps! Hier is wat kroms; hier is wat rechts! Hier is wat goeds; hier is wat ſlechts! Hier is wat van de middelmaat: Weet, dat het ſoo met Boeken gaat!

2.5 Aan den Heere Smids

<blz 17>

Aan den Heere LUDOLF SMIDS. M. D. Uitgevende zyne Nederlandze Oudheden.

's Lands Oudheids-kèten, SMIDS, geſmeed door uw verſtand, En, vol ſieraden, aan het keurig oog verſcheenen, Braveerd, in zyn waardy, een Vorſtelyk karkand, Volkonſtig uitgewrocht, van goud en edle ſteenen.   Gebouwen, als gy toond, vergaan in puin en ſtof; Maar nooit ſal uwe Naam, verliezen haaren lof.

Aan den ſelven,   My vereerd hebbende zyne afbeeldinge, door P. Schenk, in ſwarte konſt gebragt.

Ik heb, geleerde man, uw beeltenis ontfangen, En ben, voor dat geſchenk, u dankbaar op het meeſt Myn oog blyft onverzaad aan 't braave konſt-ſtuk hangen, Gelyk myn ziel aan 't ſchoon van uw verheeve geeſt.   't Is wel getroffen; maar, had ik het moogen cieren, Uw hand droeg Febus luit, uw hoofd zyn lauwerieren.   JAN DE REGT.

2.6 A

<blz 18 | 1>

LUDOLPH SMIDS SCHATKAMER DER NEERLANDSE OUDHEDEN.   A.

2.6.1 AA

AA; een ſeer oude Naam van verſcheidene rieviertjes en waterbeeken, in Frieſland, Weſtfalen, en ſelf buiten deeſe landſchappen, in Braband, Flaendere en elders. J. Pikardt, Drentſſ Oudheden, 16. H. 80. bl. het ſelve ook ſeggende van de E en I. J. Huyninga, in de beſchryving van Groningen, geplaatſt in het Stedeboek van W. Blaauw. Mens. Alting, Deſcript. Friſiæ, 1 pag. Jakob van Royen, over de Neerlandſe Oudheden van Richart Verſtege, 5. H. 159. bl. Sie mede myn Poëſye, in haar Aanteekeningen, 6 bl. Alwaarom, indien ik by de Latynſe Schoolgeleerden my ſoo verre mogt uitlaaten, ik gaaren ſou ſeggen, dat Hadria, Albula, Viſtula, Moſa, Moſella, Garumna, Sala, Arola, en andere rievieren van Naam, ſulk een terminatie of uitgang deswegen hebben bekoomen.

Maar, ſiet hier eenige van dusdaanige benaaminge.4

  1. Aa; in het Sticht van Uitrecht, by het Huis ter Aa, ontrent de Nieuwerſluis.
  2. Oude en Wyde Aa; by Leiden.
  3. Havelter Aa; ontrent Beilen en Meppel.
  4. Vrieſſe Aa; ontrent Almeloo, tuſſen Wyrden en het Blanke Meer.
  5. Aa; ontrent Borken, in Weſtfalen, in den Yſſel loopende.
  6. Aa; by Boekholt.
  7. Aa; tuſſen Benthem en Burgſteinfurt.
  8. Aa; van Aahuis loopende naar Goor.
  9. Aa; tegen over Emsbuiren, loopende in den Eems.

    <blz 19 | 2>

  10. Aa; door Munſter, mede loopende in den Eems.
  11. Aa; by Steenwyk.
  12. Olde Aa; by Blokzyl.
  13. Olde of Pekel-Aa; boven Blyham.
  14. Moſſel-Aa; by Wedde, vallende in de Ruiten-Aa.
  15. Ruiten-Aa; by de Bourtange, in den Dollaart lopende.
  16. Aa; door Groningen lopende, tot aan Aadorp.
  17. Aa; lopende uit de Peele, door Helmond, naar 's Hertogenboſch.
  18. Aa; by Turnhout.
  19. Aa; by Grevelinge.
  20. Aa; lopende door St. Omer, &c.

Voorts ſult gy alle deeſe beekjes en rieviertjes vinden in de XVII. Provincien van Nicolaas Viſſcher; wiens nette en keurige Landkaarten die van onſe dagelykſche voddevaars en nakrabbelaars ten eenemaal verbluffen.

Soo tart het ſchitt'rend goud de mindere metaalen, En brand hen de oogen uit, die op haar luiſter ſmaalen.

2.6.2 HUIS TER AA

HUIS TER AA; ſtaande tuſſen Nieuwerſluis en Breukelen. A. 1704, den 20 van April, het eens aandachtelyk willende opneemen, vertoonde ſich my een ontoeganglyk plein, hebbende noch ter rechterhand haar ringmuir; en van vooren, aan de ſlinker ſyde, een ſtuk muirs, op de helft: maar aan de ſlinkerhand, op ſy, was gemelde ringmuir by naar geheelyk om ver gevallen.

Op het einde, naar Breukelen of naar de ſlinkerhand, was een noch overend ſtaande helft of doorſnede van een achtkantigen Tooren, aan de ſyde naar het plein, met ſes doorgaande venſteren: ſynde, van binnen, beneden aan de grond, noch eenige uithoeken van een laag gewelf.

Vorders is van deeſen Tooren, met een gracht, heden von ruigte, geſcheiden een vierkante Burg; van vooren opgeſcheurd, doch aan de and're drie ſyden geheel en toegeſlooten. Byſonderheden van mindere opmerkenheit ſal ik niet aanhaalen, maar liever, ſoo als ik het geſien heb, i[n] Print u doen aanſchouwen.

Ondertuſſen is het van Roeland Rochman (in de jaaren, 1646, 1647, &c. teekenende) volkomener, met twee gevels afgebeeld. En daarom is ook de ruïne, wel eer door J. Goeree uitgeteekend, by Van Royen te ſien, (Neerlands Oudh. 159 bl.) ruymer en uitgeſtrekter.

<blz 20 | 3>

Wat nu de ſtichter van dit Huys aangaat; deeſe was Heer Walter of Wouther, welke ontrent A. 1159. leefde. Dit is alles, wat wy ontrent de gevallen van haar konnen weeten. Alleenlyk kan ik u ſeggen, dat het ſelve A. 1672, van de moedwillige Franſchen, als toen in het Sticht van Uitrecht neſtelende, is vernield en in brand geſtooken.

Eindlyk meen ik de eigenaaren der Kaſteelen en Heeren-huyſen (deeſe ruïne behoord aan den Heer van Bonenge, een Gentenaar) nergens veel aan te wyſen; nademaal dagelyks, by verſterf, hier in verandering komt voor te vallen.

Sie mede, dit Huis gedenkende, Martin. Schook, Belg. Fœderat. 14. Lib. 11. cap.

2.6.3 OUD-AA

OUD-AA; boven Breukelen aan de Vecht, by het Sandpad; rondſom in het water; van vooren aan een hangend Torentje, tuſſen twee gevels, kennelyk.

Bovengenoemde Rochman teekende het van achteren, ontrent de Brug en ingang van het Heeren Huis.

Ik beſag het ſelve, van onder en boven, van binnen en van buiten, A. 1707, en weder A. 1708, in de maand April; alswanneer ik hoorde, dat het nu was een Huirplaats, eigen aan gemelde Heer van Bonenge, wegens ſyn vrouw; de ſuſter van de drie Heeren van Oud-AA; van welke de laatſte was, Heer Jacob van der Burgh.

2.6.4 AAGHTENDYK

AAGHTENDYK; of S. Aaghten-wegh, van graaf Floris de V. gelegt, om het zeewater, by tyde van onweder uit te keeren. Hendrik Soeteboom, Vroonen, in XII. 144. bl. Loopt, buiten de Beverwyk, langs het Monnikke veld, verby het landhuis Adrichem. Ik ſegge, het is de dyk, in het algemeen, Waterland inſluitende en tot aan de Helder ſich uitbreidende. Deſelve Soeteboom, Saanland. Arkad. in XII. 77. bl.

2.6.5 AAGHTENKIRCH

AAGHTENKIRCH , anders geſegt de Beverwyk; naar S. Agatha, op haren dag (den 5 Februari) alhier gevierd, en van de vrome pelgrims beſocht. Parival, Vermaak van Holland 170. bl. Wil. Procurator, Chron. op A. 1204, by Ant. Matheus, Analector. 4. Tom. 67. pag. Mens. Alting. Friſiæ, 4. pag.

Deeſe S. Agatha ſtierf maagd en martelareſſe onder den keiſer Decius, binnen Katana, een ſtad in Sicilie. Baronius, Chron. op A. 254. Doch van dezen heilig is niet meer in weeſen als beî de prammen, welke binnen genoemde <blz 21 | 4> Katana ſorgvuldig worden bewaard en kerk-plechtelyk geëerd. [Ge]orge Leti, in het Leven des Hertogs van Oſſuna, 2 Tom. [8]2. pag. by Ant. Mathëus, in de Kerk-Fundatien tot Uitrecht, [3]72. pag.

Die van de ſtad Beverwyk meer wil weten leeſe Box[horn], Toneel der Steden, 345. bl. die in een brief van Heer W[il]lem, biſcop van Uitrecht gefchreven, A. 1063, u doet [ſie]n de naam van Agatenkirch; terwyl gy5 de Naamreden van [Bev]erwyk, wegens de beevaarden der vreemdelingen naar [S.] Agatha, kont vinden, en by gemelden Boxhorn, en by [Soete]boom, Saanl. Arkad. 2. B. 78. bl. doch ook, wegens de [n]aam van Aaghtenkirch, aantrekkende Heda, in Wilh. 133. [p]ag.

2.6.6 AARDRYK

AARDRYK; bewyſende dat Holland, of Batavie, of [Frie]sland (hoe het u ook luſt te noemen) alle veranderin[gen] en geſtalt verwiſſelingen heeft uitgeſtaan; en van ge[lyken] dat, in deeſen landſtreek, allerhande Volkeren, en voornaamlyk de krygsſuchtige Romeinen, hebben gehuisveſt.

Te weeten, met nu en dan opgegravene of anderſins ont[dek]te.

  1. Boomen; eike of andere: niet alleen haare worte[len], maar ook haare ſchachten, ſtammen en takken. Bene[den], in B.
  2. Der ſelver vruchten; nooten &c. Junius, Batav. 32. [pa]g. Stalpart, Aanmerking. 359. bl. Mart. Schook, in de ver[???]d van de Turf, en Pikardt, in de Chron, van Kovorden, [??] my, in de Aanmerkingen, onder die van Dr. St. Blankart ge[men]gd, 6 Hondert. 86 Aanmerking. en 8 Hondert. 3. Aanmerking.
  3. Schelpen. Sim. Schynvoet, in de Aanteek. over den Am[boin]ſſen Rariteitkamer, 317. bl. doch ook beneden, in S.
  4. Tanden, hoornen en andere lichaams-deelen van hier niet bekende dieren. Pikardt, Drenth. 41. en 298. bl.
  5. Groote ſteenen en ſware keyen. Beneden in S.
  6. Veen; onder weggegravene duynen. Oudenhove, Haar[lem], 111. bl.
  7. Steene vloer van eenige oude timmeragie; onder de binnen duynen, Deſelve, Haarlem, 112. bl.
  8. Lykbuſſen en potten, vol aſſe en beenderen van geſtorv[e]ne en naar 's landswyſe verbrande menſſen. Pikard, Drenth. 45 bl. &c. Beneden, in S.

    <blz 22 | 5>

  9. Lampen; beſchreven marmerſteen of tichelwerk; [al]lerhande potjes; allerhande yſer- en koperwerk; allerhande glas, &c. Beneden, in R.
  10. Eindelyk, goude, ſilvere en kopere Munten en [Ge]denk-penningen der Romeinen; ja ſomwylen vreemde Land[s]luiden. Weder, beneden, in R.

2.6.7 AARTSBERGEN

't Huys Heer-AARTSBERGEN, in Suyd-Holland; onder Bergambacht in 't Hoefland, tuſſen Ammers en Lekkerkerk, ontrent de Lek. Heden vernieuwd en verbeterd, door Heer Alexander, van den Capelle, &c. volgens Oudenhove, Suyd-Holland 376 en 411. bl.

2.6.8 SLOT TE ABKOUDE

SLOT TE ABKOUDE. Abbekowde, of, volgens [ou]de Brieven, Abekewalda &c. tuſſen de dorpen, Abkoude [en] Baambrugge.

A. 1705, den 29. van Auguſtus, beyond ik het ſelve [te] ſtaan op een moeraſſige grond, naar de ſyde van Baa[m]brugge hebbende twee ronde Torens, met een geſch[eurd] muirwerk aan een gebonden. In tegendeel naar de ſy[de] van Abkoude, ſag ik een vierkante Toren, nevens eenige overgeblevene brokken van een tweede vierkante, in het m[id]den van omvergevallen muiragien. Vorder belette my [de] ontoeganglykheid tot den binnenſten omtrek over te [ſtap]pen.

Is meermaalen afgebeeld; als door gemelden Rochman, &c, ſelf door Nicolaas Viſſcher, A. 1617, in het kleen ui[t]geven; op welken wyſe wy u ook dit Slot alhier d[oen] ſien.

Was al in weeſen, A. 1268; aangeſien het, in dat jaar, den Biſcop toehoorende en nu ſlechts een leen van H[eer] Gysbrecht van Abkoude, door Heer Gysbrecht van Amſtel, het beleg van Vreeland hebbende opgebrooken, is verbr[and] en verwoeft. Goudhoeve, 327. bl. Scotanus, Frieſſe Geſch[ied]. 143. en 171. bl.

A. 1328, is het door Sweer, of Heer Aſſuerus v[an] Suylen, hertimmerd. Jean Petit, Hiſtor. de Hollande, [1]. Tom. 71. bl.

A. 13456, is het weder belegerd en ingenoomen, do[or] biſcop Jan van Arkel; om dat gemelde Sweer hulptroup[en] graaf Willem had toegeſonden. Goudhoeve, 380. bl.

A. 1448, wierd Jakob van Gaasbeek, Heere van A[b]koude, binnen Uitrecht, gevangen van biſcop Rudo[lf,] hem dwingende het Slot af te ſtaan; alleen het <blz 23 | 6> vru[cht]gebruik overlaatende. Heda, in Rudolph, de 51 Bisk. 287. pag. Ant. Matheus, de Jure Glad. 24. cap. 400. pag. Meurs, XVII Provinc. in Wyk te Duerſtede, 370. bl. Bokkenberg. Pontif. Ultraject. 41. pag.

Van dit ſlot gewaagen verder Voſſius, Hiſt. 173. pag. Junius, Batav. 559. pag. Kemp, Gorkom, 70. bl. Slichtenhorſt, Gelder. Geſchied. 55. bl. A. Math. in Not. ad Gerard. Noviomag Analector. 1. Tom. 302. pag. Mart. Schook, Fœder. Belg. 14. lib. 11 cap. Scriverius, in Graaf Floris de V. 235. bl, Jacob van Royen, over Verſtegen, nevens een Konſtplaatje, 160 bl.

A. 1527, quamen eenige Stichtſſe ſtroopers, de Gelderſſe toegedaan, naar dit Slot, waar op de biſcop, weinig te vooren eenig volk had doen leggen. Het wapengerucht brocht de boeren in 't geweer. Dit dede deſe ſtruikrovers ſich aan de beſettelingen liever overgeven, als in der boeren ongenade te vervallen.

A. 1672, in den voorigen Franſſen oorlog, liet de Prins van Oranje hier, onder Graaf Maurits, poſt vatten; als wanneer 500 Franſſe met trekſchuiten, den 7. November tot Abkoude quamen. De boeren vloden veldewaarts. De vyand ſtak het dorp in brand, op verſcheidene plaatſen en hy ſou het geheelyk in koolen hebben gelegt, hadden de boeren uit Weeſop, nevens eenige ſoldaten, het niet belet. Maar ſy quamen, voor den tweedenmaal, den 30. November, om het behoudene deel van het dorp in aſſen te leggen. Wat geſchiet 'er? die van dit Slot daar op uitvallende, hebben, den vyand te rugge dryvende, deze moetwilligheit belet. Dit uit de Aanteekeningen van myn naauwkeurigen Lettergenoot en oude Taalkenner, Kornelis Kooten van Bloemſwaart.

Ondertuſſen vervalt heden dit Slot dagelyks; ſoo door verſuim en de alvernielende tyd, als door de ſtormwinden van den 8. van December, A. 1703. omver geworpen. Ja, ſoo ik heb gehoord, begon men al de ſteenen weg te ſleepen, om de zeedyken daar mede te onderſchragen; het geene echter, uit order van hooger hand, is naagelaaten.

2.6.9 ABSPOEL

ABSPOEL; ook in de Teekeningen van Rochman te vinden, is, ſoo veel ik naaſpeure, A. 1458, onder Oeſtgeeſt, getimmerd, aan het Warmonder Hek. wel eer van den abt van Egmond, Willem van Mathenes, gebouwd. de Saanl. Arkad. 6. bl. A. 1574, ontrent het beleg van Leiden, <blz 24 | 7> is het door de woede des oorloghs, met het vuir verwoeſt; doch daar naa weder opgebouwd, by den Heer Foy van Broukhoven, ſchout van Leiden, en baljuw van Rhynland, A. 1610. overleden. Goudhoeve, Byvoegſ. 81. bl. Sim. van Leeuwen, Inleid. van Rhynl. 35. bl.

2.6.10 ADA

ADA; van ſommige overgeſlagen en onder de Graven niet geſteld. Joach. Oudaan gewaagd van haar aldus, in ſyne krachtige en ſinryke Byſchriften.

Vrouw Ada, die de ſon van haare lente dagen So droef ſag ondergaan, viel 't leet te ſwaar om dragen; Dien erf en land ontſegt, aan Teſſels dorre ſtrand, Te vroege dood den oom inruimde erf en land. O moeder, uwe moed, verlekkerd op regeeren, Sag, laas, te weinig om naar gunſt van volk en Heeren; Met reden draagtge uw deel; daar ſoo veel ongevals Den graaf van Loon te plots ſtort over ſynen hals.

Sy was de dochter van graaf Diederik de VII en Alyt van Kleef; met recht, in 's Lands Jaar-regiſters, de ongelukkige gravin geheeten. Sy had geen vrede in haare dagen. Sy was getrouwd aan Lodewyk, de graaf van Loon tegens de wille en raad der ridderen en ſtaaten deeſes lands, doch met des moeders, (een argliſtig wyfs) goedvinden, 17 jaaren oud. Noch meer; de bruiloft wierd gehouden, daar noch de geſtorvene vader niet was uitgedragen. Hier uit reeſ een eedgeſpan tegen haar, en voor Prins Willem, 's vaders broeder. Na eenige wiſſelvalligheden wierd ſy, op den Leidſſen Burg gevlucht, door Egmond met ſyn Kennemers belegerd, en met een hongersnood tot den overgaaf gedwongen. Maar eindlyk heeft men haar op het eiland Teſſel gebannen, alwaar de mismoedigheid haar dood verhaaſtede binnen 't jaar van 's vaders overlyden, A. 1204. maakende haar afſterven plaats, in het graafſchap, voor haar oom, Willem de I. de graaf van Ooſt-Friesland.

Sy ſtaat, ſeer konſtelyk afgebeeld onder de groote tronien der Graven van Petr. Scriverius, maar, wel met meerder waarheid, onder geheele ſtandbeelden (de Stadhuys-zaal van Haarlem ontleend) uitgegeven door den grooten kenner onſer Oudheden, na gemelde Scriverius, den Rotterdamſſen Korn. van Alkemade; en eindlyk, met een vriendlyke ſchryftrant, by Heemskerk, Batav. Arkad. 188. bl.

<blz 25 | 8>

Sie meerder van deeſe gravin, reedsgemelde Scriverius, Heemskerk en Alkemade, de Goudſſe Chronyk, Veldenaar, Goudhoeve, Wachtendorp, Soeteboom, La Court, en alle die naderhand van deeſe brave ſchryvers ſich hebben bediend.

2.6.11 ADEGEEST

ADEGEEST; een aadlyk Stam-Huis aan het ooſt-einde van Voorſchoten, al lang vervallen en verſtorven. Is dan ſlechts een gemeen boeren huis, by V. Leeuwen, Rhynl. Inleid. 32. bl.

2.6.12 ADRICHEM

ADRICHEM; anders Arkum, een Huis, aan den Aaghtendyk buiten Beverwyk, ter zyde van de rywegh; wel eer op den oever van Swaans-meer, tegenwoordigh drooge landen.

Rochman vertoond het in drie Teekeningen; een huys (gelyk ik het ſag, den 15 Auguſt. A. 1707.) met twee vleugelen in het water ſtaande, voor met een muir geſloten en ter ſlinker ſyde met een kennelyk Toorentje op een uitſtek.

Van dit ſeer oude ſlot (heden het Landhuys van den Heer Blocquery) ſpreekt Theofried, den abt van Epternach, in ſyn Chronyk, by Ampzing, Haarlems Beſchryv. 23. bl. over een komende met deeſe woorden van Heda, in biſcop Willebrord, 27. pag. Carolus quoque ejus (Pipini) filius, Major Domus, avus Caroli Magni, apud Treviros conſiſtens, quarto idus May, integram villam Adrichaim dictam, in Friſiis pago Kinhem (Velſen) ſuper fluvium Veliſena, ubi mare fluit in parte altera, ſitam, regio donavit teſtamento. Karel Martel, ſegt Heda, de ſoone van Hofmeeſter Pipyn, te Trier ſynde, ſchonk Adrichem, gelegen in Friesland, te Velſen op de rieviere Velſen, &c. te weeten ontrent A. 730.

Was wel eer een fraei Kaſteel; doch wierd, door de Kleene Frieſen, ter gronde toe vernield. Op haar ruïnen heeft Heer Antoni van der Burg (van dit Kaſteel, van 's moeders wegen, erfgenaam) een Landhuys geſticht.

Ondertuſſen ſyn deefes laatſte erfgenaamen geweeſt de Heeren, Pieter en Freryk Ruyſch; die, naa haar ooms overlyden, benevens Meereſtein, dit Adrichem hebben geërfd. Junius, Batav. 518. pag. Soeteboom, Saanl. Arkad. 81. bl. en S. v. Leeuwen, Batav. Illuſtr. 827 bl. alwaar u ſal ontmoeten, dat de Heeren van Adrichem ſprooten uit der Brederoden Stamhuys, te weeten ontrent A. 1086. het geen hy haalde uit Goudhoeve, Byvoegſel, 79. bl.

2.6.13 AKERSLOOT

<blz 26 | 9>

AKERSLOOT ; een ſeer oud Hoofd-dorp in Kennemerland, t[u]ſſen Limmen en Uitgeeſt. Heeft een Kerk S. Jakob toegewyd, en had wel eer een ſterk Kaſteel, nu al lang door hoogen ouderdom vergaan. Van der Woude, Alkmaar, Beſchryving. 128. bl. Soeteboom, Saanl. Arkad. 474. bl.

Is beroemd wegens een treffen, ontrent Uitgeeſt en dit dorp voorgevallen, tot der Frieſen naadeel; volgens deſelve Arkad. 475. bl.

Voorts heeftſe haare naam van de akeren, ja ſelf akerboſſen, met welke dit dorp omheinigd is geweeſt, en wiens wortelen, nu en dan, hier worden opgegraven; behalven dat in de ſchilden, wimpelen en banieren der oud-Heeren van Akerſloot drie akeren ſyn afgebeeld geweeſt. Defelve Soeteboom, 478. bl. verſcheidene ſchildknaapen optellende, die, onder de graven tegen de Kleene Frieſen, ontrent A. 900. A. 1157, en A. 1235, hebben gediend. Behalven dat ook die van Akerſloot, in het uitruſten der heirkoggen, op 32 riemen ſtonden. Noch eens deſelve, 441. en 481. bl. En eindlyk, nevens die van Uitgeeſt en andere Kennemer dorpen, het met Vrouw Jakoba en haar Hoekſſen hielden, in het landverdervend woeden met de Kabeljauwſche. Weder Soeteboom, uit Goudhoeve, 483. bl.

2.6.14 ALBRECHT (Kruisgeſant)

ALBRECHT; of Adelbertus, een vermaard Kruisgeſant in Kennemerland; nevens Wilebrord, Wigbert, Ewald, en andere, A. 690, uit Engeland, van biſcop Egbert afgeſonden: ſelfs deſe naalatende het koningryk van Jork, ſyn vaderlyk erfgoed. Vorders Wilebrord naar Rome trekkende, bleef hy in Frieſland de Heere Chriſtus verkondigen. Maar Wilebrord, gekeerd ſynde, ſond deſe hem met den titel van Artsdiaken naar Kennemerland; alwaar hy is geſtorven en tot Egmond (toen geheeten Hallem) begraven; ſynde hy naderhand in het getal der Heiligen geſteld: wiens vierdag is, naar men my bericht, den 15 Juny. Broer Jan van Leiden, in de Egmonder Chronyk, door A. Matheus. uitgegeven, 1. & 2. cap. Buchelius over Heda, 10. & 30. pag. Saanl. Arkad. 110 & 136. bl.

Sie deſen Heilig, naar de konſt en niet naar de waarheit, te ſamen met S. Olof, S. Egbert, S. Engelmond, S. Jeroen, S. Willebrord en S. Bonifaas, &c. afgebeeld by Soutman, in Eccleſia, militante in Fœderato Belgio; A. 1650. uitgegeven.

2.6.15 ALBRECHT (graaf van Holland)

<blz 27 | 10>

ALBRECHT; graaf van Holland, door bovengenoemden Oudaan, op deſe wyſe beſchreven:

Treed, Albrecht, in voogdy uws ſinnelooſen broeders; Van uwen heuſſen aart tuigt niemand iets verwoeders Als Delff, daarſe in het puin van muir en poorten treur: Doch dubbel boete gy 't aan recht en willekeur. Nu, Landsheer, boet uw luſt, met ryen en hoveeren Maar pas op 't ſtuk, men kan een grave-goed verteeren. Wat ſegt Vrouw Griet hier toe? te veel in praal verquiſt Legt dikmaal in het eind den ſleutel op de kiſt.

Hy was de broeder van graaf Willem de V., vervolgens ook de ſoon van keiſerin Margriet. Overleed, oud 74 jaaren, A. 1404. Scriverius, in de Graven, in VIII. 384. bl.

Hy wierd, als voogd deſer landen, aangenoomen; ſynde Willem ſyner ſinne byſter geworden, na dat hy uit Engeland was gekeerd. Goudhoeve, 393. bl.

A. 1359. Delf, de Hoekſe ſyde aanklevende, deê groote moedwil, in Albrechts afweeſen; verbrandende de Huyſen, Polanen en Binkhorſt. Maar, hoe is dit afgeloopen? Albrecht quam voor Delf; Albrecht dwong haar tot den overgaaf; Albrecht ſloeg haar in een boete van eenig geld en het ſloopen van Toorens en Muiren. Jan van Leiden, Brederod. 33. H. by Ant. Matheus, Analector. 2. Tom. 328. bl.

A. 1377. Syn broeder in Henegouw ſtervende, is hy geworden graaf van Holland, &c.

A. 1392. Wierd Alyt van Poelgeeſt, ſyn boelinne, in den Hage by nacht vermoord. Siet beneden in Alyt. Waar op hy de moorders vervolgde, en belegerde op het Kaſteel van Altena. Doch de ſaak is bygelegt en verdragen. Siet Alkemade, en alle die wy, by de Gravinne Ada, hebben opgeteld; ſynde ook ſyn tronie naar de konſt, en ſyn ſtandbeeld naar waarheid, by deſelve te vinden.

2.6.16 ALBRECHTS-BERG

ALBRECHTS-BERG; of het Huys te Bloemendaal, achter in het duin gelegen, naar de Sand-poort, al wat verre van de Bloemendaler Kerk; ontrent een Rhyn-tak.

A. 1706. den 29. Auguſtus heb ik het weeſen beſien; bevindende 't ſelve te ſyn een ſamenſtel van oud en nieuw: want, in de middelſte muir bevond ik den ingang gemaakt tot het woonhuis; in de ſlinkervleugel, van een ongemeene dikte, <blz 28 | 11> een deur om in den bogaard te gaan; en aan de rechter ſyde 't Kapelletje van S. Petronell.

Meergenoemde Rochman teekende de ruïn van dit Huis, uit de bogaard op ſy; beter als ik, die het van vooren op de Plaats afſchetſte.

De bouwer van Albrechts-Berg was graaf Floris de II, anders de Vette geſegt; overleden, gelyk we beneden ook ſullen aanwyſen, A. 1122. De Saanl. Arkad. 62. bl.

A. 1132, Wierd het ſelve verbrand door des Vetten ſoon, graaf Floris de Swarte, beoorloogende ſyn broeder Diederik.

Ampzing, Haarl. uit de Ongenoemde Klerk, 15. bl.

Dat nu dit Huis ook S. Alberts-Berg wierd geheeten, beveſtigen genoegſaam de Verſegelde Brieven van graaf Floris de V. der jaaren, 1284, 1288, 1291, 1292, &c. en wederom van graaf Jan de II. van A. 1313. ſynde hier der graven Hof en ſchatkamer geweeſt. En dit hebben de bewooners van het vertimmerde naderhand willen betuigen, in den Bogaard, naa de muir, op hardſteen, deſe woorden ſtellende

HIC QUONDAM HOLLANDIÆ CURIA.

De Saanl. Arkad. weder, 237. bl. Junius, Batav. 47. & 111. pag.

2.6.17 ALFEN

ALFEN, een ſeer oud dorp, aan den Rhyn, onder Leiden. Voerd haar naam, mynes oordeels, eerder van een Roomſch krygsoverſte, Alphenus Varus (Tacitus ſpreekt van deeſe 2 Hiſt. 29 H. &c.) als wel van eenen Albinus. Scriverius, Oud. Batav. 29. bl. Junius, Batav. 448. pag. Orlers, Leiden, 22. bl. Pars, Catw. 37. bl. De vertaalde Kluverius7, Rhyns uitgang. 2 B. 30. bl. V. Leeuwen, Leiden. 369. bl. en Oudaan, Room. Mogenh. Inleid. 20. bl. ſpreekende van Roomſſe Geldmunten, aldaar ontdekt, en in de metſelwerken gevonden. Een ontwyfelbaar bewys (behalven de verſengde terwe alhier opgegraven, volgens deſelve Oudaan, 18. bl.) dat Alfen een Roomſch Kaſteel en met eene een Horreum8 (magaſyn ſou men nu ſeggen) is geweeſt; te meer, nademaal niet alleenlyk hier kopere en ſilvere Penningen maar ook veel andere oudheden, beſchreven Steenen &c. ſyn uit de grond gehaald. Boxhorn. Stedeboek. 216. bl.

2.6.18 ALYT

<blz 29 | 12>

ALYT van Poelgeeſt, een edele Dochter, ſchoon en verſtandigh, de byſit van den ouden graaf Albert; A. 1392, in den Hage, nevens den hofmeeſter, Willem Kuſer, die haar wilde beſchermen, by nacht vermoord. Jan van Leiden, Brederod. 38. H. by Ant. Mathëus, 2 Tom. 333. bl. Wachtendorp. Rym Chron. 7. B. met deeſe woorden:

Aletta, jonge maagd, van Poelgeeſt edel Joffer, Des hertogs eigen vreugd, en lekkernys ſchatkoffer, Werd in des Gravenhaag vermoord en omgebracht, Daar ook des Kuſers Soon, Wilm Kuſer, werd verkracht, Is oorſaak van de vlucht van veele vrome Heeren, &c.

De plaats van het ombrengen, op het Buiten-Hof, by de Gevangen-poort, wierd naderhand met een blaauw ſteentje geteekend. Goudhoeve, 405. bl. Kemp, Gorkom, 130. bl.

De oorſaak van deeſe moord was Heer Jan van Arkel, die de vader tegens ſyn kind ophitſte: 't geen ook was de val van dit doorluchtig Stamhuys. Deſelve Kemp, 130. bl. Terwyl echter eindlyk de goede graaf Albert en Willem ſyn ſoon weder ſyn verſoend. Soeteboom, in ſyn Soetſtemmende Swaan, 93. bl. Scotanus, Frieſſe Geſch., 196. en 215. bl. Bekaas vervolg, op A. 1392.

Doch, ik ſou wel de reden van dit ombrengen vergeeten. Dat vriendlyke Aaltje, beſittende het hert van haar meeſter, beſtierde ten hove alles tot haarer vrienden voordeel. Dit ontſtak de haat veeler Edelen, en ſelf gemelde Willem. Siet, voor alle andere, Alkemade, in de bedryven van graaf Albrecht.

2.6.19 ALKEMADE (Oud-Alkemade)

ALKEMADE, of Oud-Alkemade, te Warmond niet verre van Abspoel gelegen, het rechte Stamhuys der Ridderen van Alkemade; vervallen, weder opgebouwd en echter heden niet als oude muiren en ingeſtorte gewelfſelen; gelyk die door Rochman, met geboomte omheiningd, ſyn afgebeeld. Goudhoeven, 81. bl. V. Leeuwen, Rhynl. Inleid. 35. bl. en Leid. 582. bl. doch de Geſlacht-lyſt ſie by hem, Batav. Illuſtr. 833. bl.

2.6.20 ALKEMADE (Poelgeeſt)

ALKEMADE; met twee kennelyke toorentjens van Rochman geteekend, is het rechte Poelgeeſt, waar van de Ridderen Poelgeeſt de naam ſyn draagende. V. Leeuwen, Leiden, 582. bl. en Rhynl. Inleid. 35. bl.

2.6.21 ALKMAAR

ALKMAAR, naa Haarlem, de tweede Stad der <blz 30 | 13> Kennemers. Saanl. Arkad. 66. bl. Ondertuſſen de beuſel-praat van der Frieſen koning Adgildus, en de Naamreden van Altena verbyſtappende, hou ik het met die geene, ſtellende Alkmaars naam af te daalen van alle de meeren, waar mede die Stad is omringd. De Saanl. Arkad. 200. bl. Guicciardyns Byvoegſel, 3. D. 121. pag. en Konſtantyn Huygens, in de Lofdichten der Steden Van Holland en Weſt-Friesland, in deeſer voegen:

't Was all' meer daar ik ſtaa, en nu is 't vry al meer; Soo haaſt Verone viel, be-ërfden ik haar eer, En groeiden uit haar as, tot dat ik ook een as werd, En wederom verrees, en dubbel wel te pas werd. Sint ſegt de vreemdeling, die9 op myn waarde let, Waar is'er eene meer ſoo ſuiver en ſoo vet? Dat ſag de Spaanſſe wolf, die naar myn ad'ren dorſte, Doe noch het Haarlems bloed ſyn aderen uitborſte, Maar, eere ſy de God, die 't hooge boos verworpt, Hy week en had het meer geſpogen dan geſlorpt.

Voorts ſie van haar Oorlogsgevallen, in de jaaren, 1270, &c. 1492, 1517, en 1574. Corn. van der Woude, in ſyn Beſchryv. en Boxhorn. Stedeboek 349. bl. en daar op van andere Parival, Vermaaklykheden van Holl. 171. bl. Junius, Batav. 470. pag. aldaar gewagende van het Tafereel, in haare Kerk opgehangen; hebbende een Tydregiſter van A. 600 tot aan A. 1475; te leeſen onder de Neerlandſe Opſchriften, by Phileleutherus Timaretes (ongetwyfeld een verdichte naam) A. 1684, in VIII uitgegeven, 362. en 363. bl.

Eindlyk behooren ook onder Alkmaar,
Nieuwburg. Sie beneden in N.
Torenburg. Sie beneden in T.
Verona of Vroonen. Sie beneden in V.
Schermer. Sie beneden in S.
Bergen. Sie beneden in B.
Koulſter. Sie beneden in K.
Heyloo. Sie beneden in H.
Schagen. Sie beneden in S.
Egmond. Sie beneden in E.

2.6.22 ALMSTEIN

<blz 31 | 14>

ALMSTEIN; een Slot onder Eem, in de Groote Waart (waarden ſyn ſtroom-eilanden ſegt de Saanl. Arkad. 187. bl.) van Suyd-Holland, A. 1421, op S. Elysbetten-nacht, met veele andere Heeren Huyfen en ruim 72 dorpen vergaan. Goudhoeve, 78 bl. Oudenhove, Suyd-Holl. 411. bl. en Kemp, Arkel, 216. bl.

2.6.23 ALST

ALST; of Aelſt, is een ruïn van een oud Kaſteel, noch over hebbende eenig gebrooken muirwerk en drie ronde toornen; in de Neder-Betuwe, of liever tuſſen Pudroyen en Breuchem, in de Bommeler-waart. Oudenhove, voor de Graven van Scriverius, in IV. 53. bl. Goudhoeve, 86 bl. ſpreekende van Jonkheer Turk. Staat ook afgeteekend in de Annales Genealogique de la Maiſon de Lynde.

2.6.24 ALTENA (lande van Arkel en Altena)

ALTENA; of Outhena, in den lande van Arkel en Altena, by Workom. Rochman geeft ons haar afbeeldinge; te weeten alleenlyk een oude Tooren op een heuvel ſtaande, in het geſicht van het dorp Almkerk.

A. 1395, leed het de ſwaare belegering van graaf Albrecht, vervolgende de aanhangelingen van ſyn ſoon, de moorders van mooy Aaltje van Poelgeeſt (van welke boven) op dit Huis beſet. De graaf het winnende, heeft het ſelve, uitgenoomen twee Toorens, geheelyk afgebrooken. Goudhoeve, 90 en 407 bl. Scotanus, Frieſſe Geſchied. 215 bl. en Oudenhove, voor de Graven, 54 bl.

2.6.25 ALTENA (op den oever van de Suider-Zee)

ALTENA; anders Hulkeſtein, op den oever van de Suider-Zee, en dus ook al te naa aan die van Holland en het Sticht van Uitrecht. Kend Karel, hertog van Gelderland, voor haar bouwmeeſter. Is A. 1517, door Felix van Ooſtenryk ſtormenderhand ingenoomen en geruïneerd; naderhand hertimmerd en echter weder afgebrooken. Slichtenhorſt, Gelderſſe Geſchied. 107. bl.

2.6.26 ALTENA (by Delf)

ALTENA; een Heeren-Huis, by Delf; A. 1573, in den Spaanſſen Oorlog, door die van de ſtad in brand geſtooken en vernietigd. Junius, Batav. 525 pag. Goudhoeve, 80 bl. en Bleiswyk, beſchryv. van Delff, 36. bl. In Rochmans Teekening ſiet gy dit Huis geheel; te weeten, door den Heer de Bie, Treſorier Generaal der Vereenigde Nederlanden weder opgetimmerd. Sie de genoemde Bleiswyk.

2.6.27 AMEIDE

AMEIDE, of het Huis ter Meiden; tuſſen Vianen en Nieuwpoort, op de Lek; wel eer onder de ſteden gereekend en nu ſlechts een vervallen Huis. Dus kan 't verkeeren. Oudenhove10, Suid-Holl. 366. bl. en voor de Graven van <blz 32 | 15> Scriverius in IV. 58. bl. Junius, Batav. 517. bl. Men ziet 'er af twee gezichten onder die van Rochman.

Ondertuſſen Ameide beſchouwende, door die van Uitrecht, een ontmantelde ſtad en een open vlek geworden, A. 1547; ſo vallen my deſe regelen in, uit het 15 B. der Geſtaltverwiſſelingen van Ovidius, volgens Vondels overſettinge:

So ſienwe tyden van hun ſtreeken ſtaag verdwaalen, De volken klimmen en opkoomen; wederom Neêrdaalen. So was Troje een magtig koningdom, En ſtorte ſo veel bloeds, ten tyd van vyfpaar jaaren, Nu ligt het plat, en, in een puinhoop heen gevaaren, Vertoond, in ſteê van ſchat, alleen der oud'ren graf. Micene en Sparte, groot van fame, namen af, Voorheene groote ſteên; ook Cekrops ſtad, Athenen, Amfions Thebe, Sparte is heel en al verdweenen, En nu een effen veld. Micene ligt ter neêr. Wat's Edips Thebe? een klucht, een fabel en niets meer.

Voorts is Ameide (ſiet het in de Kaart, tegen over Jaarsveld, by Thienhoven) bekend by Hortenſius, Uitregtſe Saak. 3. B. 145. bl.

Het word van Goudhoeve, (78. bl.) geheeten het Huis te Haarlaar, ontrent A. 1312. te weeten, dit ſynde ſyn tweede naam, volgens Paul. Voet. Oorſprong der Brederoden, 149. bl. Sie verder, Boxhorn. Stedeb. 94. bl. bovengenoemde Oudenhove, ook 412. bl. Meurs, XVII. Provinc. 455. bl.

Eindelyk weete men, dat Haarlaar ook is een oud Kaſteel in Braband, ontrent s'Hertogenboſch; ſo dat de Heeren van Haarlaar, Heeren van dit Huis ter Meide, en van oorſprong Brabanders, ſyn geweeſt. Wat meer? het is onder deeſe Heeren aldereerſt een leen geworden; nademaal A. 1312, Dirk van Haarlaar, knape, dit Slot te leen ontfing van Guido, de 42ſte biſſchop van Uitrecht, na dat hy te vooren het ſelve gemelden biſſchop had opgedragen. Oudenhove, Suid-Holl. 366. bl.

2.6.28 AMELESTEIN

AMELESTEIN; een kleen doch cierlyk Kaſteeltje, of Heeren-huys, midden in het Boſch van Vianen; door den Heer Henrik van Brederode gebouwd, ter liefde ſyner Echtgenoot, Amelia van Nyenaar. Deeſe Heer is overleden, A. 1568. Goudhoeve, 93 bl. Paul. Voet, Oorſprong en voortgang der <blz 33 | 16> Brederoden, 111. bl. V. Leeuwen, Batav. Illuſtrat. 891. bl. in de Brederodens. Ik heb het ook, gemeld bofchje doorwandelende, geſien, en het quam my voor als gelykende het Huys te Man-padt, buiten Haarlem; met een wyde gracht omvangen, den 27. Juny, A. 1706.

2.6.29 AMERONGEN

AMERONGEN; van Rochman uitgeteekend; gelegen beneden Rheenen, ontrent den ouden Rhyn, nevens de gebuirige Heeren-Huyſen; Wayeſtein, Zuileſtein, Lievendale, Berkeſtein en Natewis. Ontrent de Hiſtorie vind ik van dit Huys niemendal by de Schryveren.

2.6.30 AMISFORT

AMISFORT; of liever Emisfoort, op den Eem (mogelyk een Rhynſprankel) wit de Veluwe komende en vallende in de ſoo genoemde Suyder-Zee.

Onderdeeſe ſtad hebt gy
Het Huys te Eem. van welke beneden, in E.
Rambroek. van welke beneden, in R.
Heiligenbergh. van welke beneden, in H.

Wat nu haar ſelf aangaat, ſy is de tweede van het Sticht van Uitrecht; in de Jaarboeken al bekend ontrent A. 1006, hoe wel echter de bouwer en de tyd van de bouwinge blyven onbekend. Reisboek door de Vereenigde Provincien, 240. bl.

Leê mede veel oorlogsrampen; met de wapenen ſynde aangetaſt, A. 1280, &c. door de Hollanderen. A. 1417. &c. door de Gelderſſe, en A. 1280, &c. door de Uiterſſe Biskoppen, A. 1543. door Marten van Roſſum: door de keiſerſſe, onder Monte-kukuli. A. 1629. en door de H. H. Staaten Generaal. A. 1572. Theodor. Verhoeven, een ſchoolmeeſter uit de Grave; nevens een Ongenoemden, in hunne Amisfortſſe Aanteekeningen: beide uitgegeven door gemelden, maar wegens ſyn nutte arbeidſaamheid nooit genoegh geroemden, Heer Anton. Matheus, Prof. &c. behalven Junius, Batav. 233 bl. en Guicciardyn, nevens ſyn Vermeerderaar, XVII. Provincien, 206 bl. doch haar lof moet gy opſoeken in den Amersfoorder Nachtegaal; om nu niet te reppen van het voortreffelyk Gedicht van Laurens Baak, Heer van Wulverhorſt, of het Amersfortſſe Tempe van J. Bremer. C. F.

2.6.31 AMSTEL

AMSTEL; word in de Landkaarten, met de plaatſen aldus vervolgd: Amſtelmonde; alwaar de twee wateren, de Drecht en de Kromme-Mydrecht ſamenvloejen. Hier op den <blz 34 | 17> Uithoorn, de Nes, Ouwerkerk, 't Kalfje, 't Molentje, den Omval en endlyk Amſteldam.

Of ik nu ben genoodſaakt de Amſtel voor een rievier aan te neemen, of liever voor een Rhyntak, of anders een aflekkinge uit de veenen, ſal beneden in R. wat verder worden uitgebreid; alwaar een geheele lyſt van inlandſe rieviertjes en loopende ſtroomtjes, ô nieuws-gierige Leeſer, u word medegedeeld.

Vermaak u ondertuſſen, by deeſe gelegenheid, met den Amſtelſtroom, een keurich proefſtukje der Dichtkunde van Dan. Willink.

2.6.32 AMSTELDAM

AMSTELDAM; van deeſe ſtad meen ik alleen te ſeggen het geene Salluſtius, wegens Karthago (een plaats, in ſyn Jugurthynſen Oorlogh, 19 H. van andere meermalen toegepaſt) is ſchryvende; de Carthagine ſilere melius puto, quam parum dicere: het geene van meergenoemde Huygens op deeſe wyſe word uitgebreid.

Gemeen verwonderen betaamt myn wondren niet, De Vreemdeling behoort te ſwymen, die my ſiet. Swym, Vreemdeling, en ſeg, hoe komen all' de magten Van all dat magtigh is, beſloten in uw grachten. Hoe komt gy, gulde veen, aan 's Hemels overdaad? Pakhuys van Ooſt en Weſt! heel waater en heel ſtraat! Tweemaal Venetie! waar 's 't einde van uw wallen? Seg meer, ſeg, Vreemdeling! ſeg liever niet met allen! Roem Rome! prys Atheen! kraay Kayroos heerlykheid11! Die ſchriklykſt van my ſwygt, heeft allerbeſt geſeit.

Niet te min moet 'er iets, en by manier van bloemleeſinge uit de Beſchryvers van deeſe ſtad, Montanus, Domſelaar, Dapper, Kommelyn, &c. hier worden ingelaſcht. Te weeten,

I. Dat ook Amſtel wel eer is geweeſt een ſlot, binnen de ſtad, by de Oude Brugge, weſtwaarts. Goudhoeven, 82 bl. Beſchryvinge van Amſteld. 2 D. 160 bl. alwaar mede van een tweede Heeren Huys word geſproken, quanſuis in Ouwerkerk aan den Amſtel gelegen. Doch hier af beneden, in R. op Reigershoek12.

II. Dat uit de viſſers van Wormer, Jiſp en andere dorpen van Waterland de eerſte volk plantinge van Amſteldam heeft beſtaan: dat ook de naakomelingen der Wormers aldaar hooge ſtaaten hebben bekleed. de Saanlandſſe Arkad. uit de Opdragt van Waſſenaars Hiſtorien, 4 B. 462 bl.

<blz 35 | 18>

III. Dat ſy, naa de dood van gr. Floris de V is vernield; van Heer Gysbrecht van Amſtel vernieuwd; wederom door de Kennemers (waar onder die van Haarlem) Waterlanders en Frieſen (ten onrecht waanende Gysbrecht aan 's graven ombrengen ſchuldigh te ſyn) verbrand, verwoeſt en afgebrooken: Gysbrecht ſyn aangevangen arbeid verlaatende en met ſyn weerelooſe boeren weghvluchtende, A. 1300, Beſchryv. van Amſteld. 2 B. 148 bl. Een ſtoffe, die vader Vondel, waarlyk ſoo overgeeſtigh, met de verwoeſting van Trojen heeft geſchakeerd, dat men ſou mogen twyfelen wat men van Trojen of van Amſteldam behoorde geloof te geven. Trouwens, ſelve belyd hy 't ook aldus:

Het nieuw Tooneel drie eeuwen ſpringt te rugh, Om Amſtels veſten te verſtooren En bouwd de wreedheid eene brugh. 't Aloude Troje word herbooren, En gaat te gronde in 't gloejende Amſteldam, onſe Amſel ſal een Xanthus ſtrekken, Geverwd van bloed; de Kermerlandſſe vlam, Als 't Griekſe vuir de daaken lekken, &c.

IV. Dat ſy, naderhand als een Fenix, uit haar aſſen herbooren, weder is vernieuwd, vergroot en bemuurd door die van de Regeering, A. 1481 en 1482. De Beſchryvinge, 2 B. 213 bl. Wederom uitgebreid, A. 1585. Deſelve, 238 bl. Noch vergroot, A. 1593. Deſelve, 240 bl. Noch, A. 1612. Deſelve, 145 bl. en ſoo voorts, by gedeeltens, A. 1631, 1644, 1650, en 1658; in welk jaar, de laatſte uitlegginge is aangevangen. Deſelve, 253, en volgende bladeren.

V. Dat aldaar een bleekerye heette Lieſdelle; nu de Nieſel. Kommelyn, in de Byvoegſelen der Beſchryv. van Amſteldam, 195 bl. gelyk Bentwyk was een ſtreek in de Kalverſtraat, tot aan de Beggyne-gracht, en de Nieuwe-ſyds voorburgwal; ſoo dat het Beggynhof was gelegen in Bentwyk. Deſelve, uit oude Brieven, van A. 1406, ja vroegere, 617 bl.

VI. En ten laatſten, dat in de Nieuwe Kerk op het Hooge Altaar, in een looden buſſe, plag te leggen het gebeente van S. Katryn (te Alexandrye, in Egipte onder Maxentius, gemarteliſeerd en wordende, den 25 Novemb. geviert) met een parkement daarom, waar op ſtont; Dit is 't gebeente van S. Katharina. Weder deſelve Kommelyn, ut Waluck Sieuwerſe, 445 bl.

<blz 36 | 19>

Ondertuſſen ſie van Amſteldam, behalven de volkomene Beſchryvinge, Scotanus Frieſſe G. 253 bl. van haar geringe beginſelen en verwoeſtinge, onder Heer Gysbrecht van Amſtel. Junius Batav. 454 bl. van haare benaaminge, te weeten van den Amſtelſtroom. Boxhorn. Stedeb. 211 bl. Guicciardyn, XVII Provinc. 3 D. 110 pag en Parivall, Verm. van Holland, 1 D. 9 H. alle meldende de gevallen ontrent deeſe ſtad in, de jaaren, 1204, 1300, 1342, 1482, 1488, 1612, &c.

2.6.33 ANGSTEL

ANGSTEL; ook den krommen Angſtel geheeten, loopt in het Sticht van Uitrecht van den Oudkoper-molen naar der Aa; alwaar ſy met een ſteenen dam is afgeſchut: maar de rechten Angſtel, anders de Vaart, gaat recht uit naar den Nieuwe-Sluis. Sie Looſdrechts Nieuwe Kaart, of die van het Sticht, beide van boven gepreeſene Nik. Viſſcher.

2.6.34 ARENDER-HOUT

ARENDER-HOUT; buiten Haarlem, ter ſyden Overveen; voor een jaar of ſes (ik ſchryf dit, A. 1710.) van haar Houd beroofd; ſynde de laanen geraſeerd, alle boomen, uitgeſegt eenige weinige, weghgekapt, en ſoo alle vermaak hier (gelyk ook heden achter gemeld Overveen) de menſſen en vogelen ontweldigd. Ondertuſſen is noch haar naam in weeſen gebleven by den koddigen Roemer Viſſcher, in den eerſten Schock van ſyn Rommelſoo, 57 D. 114 bl. op deeſe wyſe:

Adieu, Aaerdenhout en Overveen! Adieu, jagthonden, groot en kleen! Adieu, duynen, daar ik op plag te jagen! Adieu, haaſen, konynen! gy ſult niet meer klagen Over my, adieu ſeg ik, voor een half jaar, &c.

2.6.35 ARKEL (Gornichem)

ARKEL; een ſterk ſlot binnen de ſtad Gornichem; A. 1412, afgebrooken door hert. Willem van Beyere, die een andere aldaar ſtichte, op de Merwe; doch ook afgebrooken, A. 1578. Goudhoeve, 85 bl. Kemp. Beſchryv. van Gornichem, 310 bl. ja ten gronde toe, A. 1600. Hebbende het ſelve dan geſtaan, geheel met ſyn ſwaare toorens en dikke muiren van A. 1461. tot A. 1578, en weder ſtuksgewys, gelyk is gemeld, tot A. 1600. Deſelve, op het reeds genoemde bl.

2.6.36 ARKEL (aan de Linge)

ARKEL; een dorpje, of liever gehucht, aan de Linge, niet verre van Gorkom. ſiet Hollands Nieuws Kaart van Viſſcher. Hier is een heerlykheid, heden door den Heer van Twaal bewoond; het gebou echter niets anders vertoonende als een fraai boeren huys. Vorders hebt gy het dorpjen in print, onder de Landgeſichtjes, by de Liefhebbers.

2.6.37 ARKEL (Stamhuys)

<blz 37 | 20>

ARKEL; het Stamhuys der Heeren van Arkel is oud en roemruchtig; oud ſeg ik, en des wegen met kinderſpreukjes en beuſelachtige verdichtſeltjes overſchaduwd. De van Arkels ſprooten, ſegt de eene, uit den Duitſen Herkules; neen, ſegt een ander, ſy ſyn van de Trojaanen afkomſtigh; of van de Herulers ten minſten. Maar een derde onderrecht beter, ons beduydende deeſe af te daalen van Ritſaard, eene der vier Heems of Aimyns-kinderen. En begeert ge bewys te hebben? Die vier broederen, op hunnen Rosbayerd ſittende, ſyn immers in een groote ſchildery te ſien op het oude Huys te Heukelom. Van Leeuwen, Leid. 286 bl. uit de aangetrokkene Abrah. Kemp, 3 bl.

Vorders ſal ik alle de Heeren van Arkel geenſins optellen; maar alleen, uit de gemelde Kemp, eenige ſtaaltjes, goede Leeſer, u opdiſſen, op dat gy moogt ſien op welken wyſe ſy, door het los en ongegrond aanteekenen der eerſten ſchryveren van Neerlands Oudheden, ſomwylen word miſleid.

I. Sy is aanmerkelyk, dat heer Jan de Tweede uit Vrankryk is gekoomen tot in de Alme, en aan het onbewoonde land van Arkel; een blanke ſwaan (ô welke een fraaye vindinge!) dien ridder geleidende en ſyn ſchepen in het water voorgaande. Kemp, 4 bl. Junius, Batav. 549 pag. Slichtenhorſt. Gelderl. 36 bl.

II. Ook dat Jonker Jan de XII; de VIII by V. Leeuwen, Batav. Ill. 84 bl. was ſeer ſterk en geweldigh; een balk omvattende en, met toegeneepen beenen, ſyn paard van de grond lichtende. Kemp, 39 bl. Gelooft gy dit? Noch meer dan. Hy vatte een ſterk paard by de keel, ſette het tegen een muir, het ſelve ſoo perſende, dat hy van benauwdheid de tong uitſtak. Behalven Kemp, V. Leeuwen, Leid. 288 bl.

III. Siet het ſeldſaam ongeval van Heer Jan de XIV. (de X, by V. Leeuwen, ook 848 bl.) Komen, een jongen met de mars loopende, eiſt van deeſen jonker eenigh onderſtand. Men geeft het hem mildelyk. Komen vaart voort met ſyn koopmanſchap, van land tot land reiſende. Ondertuſſen gaat Heer Jan naar Jeruſalem. Wederkeerende, word hy geplonderd en uitgeſchuld, ontrent Genua; wat raad? arm en ontbloot, begeeft hy ſich naar de kerk. Midderwylen gaan ſyn dienaaren ſtraat op, ſtraat neer. Vinden Arkels13 wapen voor ſeker huys. Hier woonde Komen, die met het wapenſchild van ſyn weldoender den gevel had vercierd. En toen? ſy vinden Komen, en brengen hem by haar heer, in de kerk. <blz 38 | 21> Komen ontfangt dien Heer van Arkel. Komen, nu een voornaam koopman, ſchiet geld. Arkel komt weder in ſyn vaderland, en beſteld dat Komen het verſchoten geld weder word ter hand geſteld. Kemp, 49 en 51 bl.

IV. Eindelyk, neem acht op de ondergangh van het edel doch ook hooghmoedigh ſtamhuys van Arkel, in jonker Willem, de ſoon van Heer Jan de XII, volgens V. Leeuwen, 849 bl. Te weeten, hy binnen Gorkom, in de Krytſtraat (een naam uit het deerlyk krygsgeſchal oorſprongkelyk) ſneuvelende in het gevecht tegens die van Vrouw Jakoba, A. 1417. Siet het Neerlands Treurſpel van den welbekenden krygsman en puikpoëet Paffenrode; welken ik alleen de volgende veerſen heb afgeleend.

In 't leſt wierd Arkel meê tot meermaal toe gewond, En ſchoon hy ſtruikelde, rees telkens weêr en ſtond Noch leunende op ſyn ſchild, waar in de roode Baaren, Door 't afgeſypeld bloed, nu niet meer kenbaar waaren.   Nu, mannen, 't is nu tyd dat ieder van u toond Wat onverſaagtheid dat in uwen boeſem woond. Nooit kan een eerlyk man roemwaarder dood verwerven, Als voor ſyn vrienden, ſtad en vaderland te ſterven.   Dus ſprak de jonge Heer, en gaf de ſyne moed, Tot dat hy nederſeeg, nu wit en flaauw gebloed.

Maar ik heb u boven van de vier Heems kinderen geſprooken. Deeſe waaren Ritſaard, Writſaart, Adelaart en Reinout. Ritſaart was de vader van Heer Jan van Arkel, ſoo men opgeeft, al A. 618, overleden. V. Leeuwen, Leid. 286. en Batav. Ill. 847 bl. behalven Kemp, Kornelius Aurelius en Pont. Heuterus.

2.6.38 ARNHEM

ARNHEM; het Arenacum van Tacitus, Hiſt. 5 B. 20 H. hoewel andere deeſe Latynſſe naam toeſchryven aan Arrichem, by Buiren. Is de hoofdſtad van de Veluwe, gelegen in het hert van Gelderland aan den Rhyn.

Niets ontmoet ons boven maaten opmerkelyk in deeſe ſtad, als dat hier is te vinden het huys van Marten van Roſſem, van welke beneden, in de Letter M. en dat u in haar hoofdkerk word vertoond de albaſte grafſtede van den eertyds onruſtigen hertogh, Karel van Gelder. Slichtenhorſt, Geld. 97 bl. Meurs, XVII Provinc. 413 bl. behalven Guicciardyn, nevens de Uitfchryveren van den eerſt genoemden.

2.6.39 ARNOUD

<blz 39 | 22>

ARNOUD, Hollands derde graaf, ook wel Arnulfus geheeten, de ſoon van graaf Diderik de II; van welken onſe Oudaan aldus:

Sou 't ingekrompen erf van vaders heerſchappyen (Daar ſich, met kleener deel, een jonge ſoon moet lyen) Niet wel den oorſprong ſyn, en oorſaak meer als waar, Die my de naam geeft van Arnulf de Gentenaar? Dat namentlyk, myn wieg uit Diederik geſprooten, Met een der Aquitaans, maar oude Gentſe looten, Ik ruymer erven ſocht, de naagebuir te naa; Des, waar myn doodbed viel, wyſt Winkel, tot myn ſchaa.

Hy is aan de regeeringe geraakt, A. 988. teugelde de Frieſen, doch deeſe weder uit de band geſprongen ſynde, is hy, A. 993, tegens haar optrekkende in Weſt-Friesland, den 1 Octob. geſneuveld in een veldſlagh, door een pyl getroffen; ontrent het dorp Winkel; by de zee, tuſſen Medenblik en Kolhorn gelegen. Siet alle de bovengenoemde, der Graven bedryven aanteekenende, Scriverius, Barlandus, Goudhoeve, &c.

2.6.40 ASSENDELFT

ASSENDELFT; met de Krommeny in eene linie ſtaande, is een ſeer vermaard dorp in Kennemerland; in de oude Brieven geheeten Aſmannedilf (Alting, Notit. 2 D. 13 pag.) of Eſcmundelf. Was geen gering cieraad der Kaninefaaten; volgens de Saanl. Arkad. 95 bl. hebbende ook wel eer gehad een ſlot, van wiens ruiinen en vaſte muiren, Junius, Batav. 551 pag. Voerd een hengſt in haar wapenſchild, om dat (ſeggen de vertellingjes) de dorpelingen een paard, toen een onbekend beeſt by haar, gewapenderhand hadden omgebrocht. De ſelve Arkad. 97 bl. en de Soetſtemmende Swane, 35 bl. Eindlyk, wat haar Naamreden aangaat, mogelyk komt die van het overoude (en nu verdweenen) dorp Aſſum, tuſſen Heemskerk en Uitgeeſt in weeſen hebbende geweeſt. De bovengenoemde Arkad. ook op het 95 bl.

2.6.41 ASSUMBURG

ASSUMBURG, door Rochman in drie grootſe geſichten afgebeeld, is heden het Landhuys van den heer Deutz, heere van Aſſendelft &c. een deftigh ſaamengeſtel van oud en nieuw. Het heeft vyf torentjens (ik ſagh het aan alle kanten van buiten, den 10 Junii, A. 1705.) eene naar het Aſſumer Hek en vier naar Beverwyk. Van deeſe ſyn twee met tranſſen, vierkant.

Van haar oudheid heb ik geheel geen beſcheid; alleenlyk vind men by Junius (Batav, 551 pag.) dat het de vader van den heer Niklaas van Aſſendelft meermaalen had beroud, dat <blz 40 | 23> hy dit huys op de ſeer vaſte en ſlerke ruiinen van het huys Oud-Haarlem niet had geplaatſt. Sie dit ook in de Saanl. Arkad. 102 bl.

2.6.42 ASPEREN

ASPEREN; een oud ſlot (by Rochman in een afbeeldinge) binnen de ſtad van deſelve naam; op het welke de heer Rutger van den Boetſelaar, A. 1461, van eenen Arnoud Pik, is doodgeſchoten. Boxhorn. Stedeb. 305 bl. en Goudhoeve, 86 bl. het ſelve is, ook gewonnen en tot den gronde vernield, door den graaf van Holland, Willem, de I. Vronens Onderg. 109 bl.

De ſtad, aan de Linge, hier de Liefde genaamd, gelegen, heeft, A. 1516, een bitter lot gehad, wegens de droevige moord, aldaar door de Gelderſſen aangerecht. Oudenhove, voor de nieuwe Scriverius, in Q. 26 bl. Ondertuſſen valt hier niet anders aan te teekenen als dat ſy was eertyds een leen der Heeren van Arkel; en naderhand van de Boetſelaaren als een aangebracht huwlyks goed, is beſeeten geweeſt. Guicciardin. Belg. 3 Part. 127 pag. Meurs, XVII Provinc. 762 bl. De Handveſt Chronyk, 6 B. 225 bl.

2.6.43 AURINA

AURINA, of Aurinia, by Tacitus (Duyts. Seden, 8 H.) en Alyrumna, by Jornandes (Getic. 103 pag.) was een Duitſſe godheid. Junius, Batav. 384 bl. Scedius de Germ. diis, 2 Syntagm. 431 pag. of liever een oude toveres, al fluiſterende en ſachjes prevelende, tegens de onderaardſſe geeſten; of een poëteſſe, de heldedaaden van voornaame krygslieden opſingende. Doch dewyl de keurige Lettergiſpers, over het woord Aurinia by Tacitus, verſchilligh, niet weeten wat leeſinge ſy uit haar oude en halfverrotte handſchriften willen aanneemen, is ontrent deeſe ſaak niet ſekers te beſluiten. Siet Kirchmayer, over Tacit. 144 pag.

Maar laat 'er ons echter dit noch achtervoegen. Ik, noch een jongen ſynde, heb onder myne medeburgers meermaalen gehoord, dat Alruina of alruintjen, was een piſdiefjen; dat het piſdiefjen, onder galgen, by het geluid van trommelen, (want ſyn kryten is het menſlyk oor naadeeligh) wierd uit de grond gehaald; en dat eindlyk deeſe piſdiefjes waaren de mandragoraas (uit die wortel geſneden en gebootſeerd) die ſe voorgaven dat ſommige ryken by haar hadden, en wel moeſten beſorgen, wilden ſy, met haar weghloopen, ook niet ſchielyk van haar ſamengeſchraapte goederen beroofd worden. Voeg'er noch by dat ik ſe, in een Kermis, heb geſien, in een doosje netjes in het wit gebakerd Ieggende, in de Speel kraamen. <blz 41 | 24> Sie Pikart, Drenth. 66 bl. hier op ook ſchynende te doelen; behalven Thom. Bartholin. in eene ſyner Genees- en Natuirkundige Aanmerkingen.

2.6.44 AUSTRASIE

AUSTRASIE, ſoo wierd wel eer geheeten de landſtreek met de Rhyn ende Saar bepaald; binnen ſich begrypende de ſteden, Trier, Mentz, Tweebruggen, Saarbruggen, &c.

Buno over Kluver. 3 lib. 9 cap. en Boxhorn. Stedeb. 7 bl. deeſe het ſelve tot aan de Seine en de Noordzee verbreidende. En dus was Mets de hoofdplaats van Auſtraſie, gelyk Parys van Neuſtria. Cellarius, Hiſt. Univers. de reb. Sæculi Vii, 8 pag.

2.7 B

B

2.7.1 BAARN

BAARN; tuſſen Soeſt en Emenes, in het Sticht van Uitrecht, wel eer een ſtad en nu een dorp. Siet welk een droevige veranderinge! Matheus, de Nobilitate, 3 lib. 821 pag. Immers, ſoo wel als Bunſchoten, Eembrugge, 't Gein en Vredeland. Deſelve, 821 pag. Synde haar het ſtadrecht en vryheid geſchonken, door Sweer, anders Aſſuerus van Kuilenburg, de 52 ſte biskop van Uitrecht; volgens ſyn Giftbrief van A. 1426, by den genoemden Matheus, op de genoemde pag.

2.7.2 BAKENES

BAKENES; is geenſins het oude Haarlem, maar alleenlyk, met haare kerk, een ſeer oud gedeelte deeſer ſtad. Die hier den Griekſen Bacchus inhaalen, ſoeken u wat op de mouw te ſpelden. Oudenhov. Haarl. Wieg. 18 bl. Ampzing, 21 bl. Boxhorn. Stedeb. 121 bl.

Wat de Bakeneſſe kerk aangaat; ten deele is ſy tot burger woningen hervormd, en ten deele tot de Chriſtelyken godsdienſt bewaard. Oudenhov. 20 bl.

De naam meentmen te konnen afhaalen van baken; om dat op deeſe plaats, de eerſte aanlegh van de ſtad, de viſſers, alhier neergeſeten, een baken, op de nes hadden. Deſelve 20 en 21 bl. de Saanl. Arkad. 107 bl.

2.7.3 BAKKUM

BAKKUM; ook hier wederom de naamreden van den wyngod af te trekken, is van onſe ſmaak geenſins. Wy laaten dat over aan onſe beuſelſchryvertjes. Dit is echter een dorp of liever oude buirt, aan de duynen, tuſſen Egmond en Kaſtrikum. Was wel eerſt onder het graafſchap van Egmond, maar naderhand is het by koop gekomen aan den Heer Kornelis van der Mylen &c. De bovengenoemde Arkad. 106 bl.

2.7.4 BANJAART

<blz 42 | 25>

BANJAART; van dit Heeren Huys gewaagd Antonides, in ſyn edelen Y ſtroom, 4 B. 104 bl. van den Y god ſpreekende

Nu weent hy op 't geſicht der afgeſtormde ſloten, Die hy voorheenen 't hoofd ſagh aan de wolken ſtoten. 't Geweldig MERESTEIN en BANJAART, wyd ontſien Vryſloten van beroemde Oudhollandſſe edellien. Door vier en ſwaard vernield, met torens en rondeelen, Te gronde weghgerukt, in 't barnen der krakkeelen: Het ſtamhuys van HEER LEM, de wyk van Kermerland, Een wonder van die eeuw, om ſyn gebied en ſtand, Nu deerelyk getrapt, gerekt uit al ſyn leden, En 't grof gebeente met het kouter doorgeſneden: 't Huys HEEMSKERK, erfgebied van 't adelyk geſlacht, En BREDERO werwoeſt, toen 't gantſſe land verkracht, Van burger oorlogh, al de magt der baanderheeren En edelen in 't veld elkandre ſagh braveeren, Den ſtamboom ſnoeyen der geſlachten en den Soon De Moeder vliegen in haar graaffelyke kroon.

Het is heden alleen een blote grondſlag, in het duin, van het ſand overſtoven, tuſſen Beverwyk en Kaſtrikum; of liever tuſſen Breeſaap en genoemde ſtad, achter Weſterhout, de luſtplaats van Mevr. Bernaarts. Luſt u derwaars te wandelen; de Naarder wegh inſlaande, gaa verby de ſes wegh en de herberg Rome; hou de ſlinkerhand, tredende door een hek. Siet van Baniaart onſen Heems-kerk, in de Aanteekeningen over ſyn Batav. Arkad. uit Goudhoeve, 191 bl. alwaar gy ook ſult hooren, hoe het A. 1203, wierd in de brand geſtooken. Voeg by Heemſkerk, Korn. vander Woude, Alkm. Beſchr. 128. bl.

2.7.5 BATAVIE

BATAVIE; hier ontrent moeten verſcheidene ſaaklykheden verhandeld worden. 1. Van de Naamreden; en't geen hier uit is vloeydende. 2. Van Bato. 3. Van 's lands omtrek, en eindlyk 4. Van de benaamingen hier af voortgekomen, Batavorum urbs, Batenburg, Bateſtein en Batavodurum.

I. De Naamreeden trek ik dan (immers elk heb ſyn oordeel vry) niet van de verdichte Prins der Heſſen, Bato, als of Batavie quanſuis was Batoos have; niet van het Griekſe βάτος14, als of dit was een diepe landſtreek; maar van ons eigen woorden, Baat-ouwe, betere grond; gelyk de Veel-ouwe, in tegendeel van de Betuwe, beteekend een dorder en ſlechter <blz 43 | 26> landſtreek. Handveſt Chronyk, 1 B. 1 bl. V. Leeuwen, Leid, 11 bl. &c. Batav. Illuſtr. 1 D. 1 H. 44 bl, ſynde daar met my in eens boven gemelde V. Rooyen, in ſyn Aanteekeningen, 65 bl.

Wat nu BATO betreft, der Chatten of Heſſen opperhoofd, van de Dichteren, Hoofd en Vondel, ons ſoo konſtigh afgebeeld; ik weet wel wat ontelbaare Schrvvers, Bokkenberg, Guicciardyn, Kluverius, Junius, Heemſkerk, &c. van hem vertellen; ik weet ook wat Ger. Brand, in ſyn uitneemende Aanteekeningen over Batoos Vertooningen, 286 bl.) is gelovende, welke meent uit een enkele overleveringe den optogt van Bato te konnen ſtaande houden; Niet te min begee[f] ik my aan de ſyde van Douſa, in ſeeker veers, by Flud. à Ghilde, over Kluverius, 56 bl. Scriverius (Nader verklaring 3 bl.) en Van Leeuwen (Batav. Ill. 44 bl.) deeſe Bato, en ſyn bruid Richeldin, en ſyn ſtiefmoer Penta nergens vindende en vervolgens afkeurende.

Wel is waar dat ons twee Batoos voorkomen by Dio (55 lib. Hiſt.) doch een Delmater, en een Pannonier, derhalven hier in geenen deele haar roll hebbende. Sie Junius, Batav. 27 pag. en de vertaalde Kluverius, 53 bl.

Maar ſyn de Katten of Chatten, anders Heſſen, dan nooit naar deeſe landen opgetoogen? Gewiſlyk ja; doch, met een latere veldtogt; te weeten onder den keiſer Nero; toen ſy, wegens de ſoutpannen, uit haar landen gejaagd, hier ſyn aangekomen. Tacitus, 13 B. der Hiſt. 57 H. by Scriverius, Nader verklar. 2 bl. en Junius wederom, 25 pag.

Want de Batavi, uit de Katten of Hefſen geſprooten, (Saanl. Arkad. 10 bl.) hebben, ſelfs al voor de tyd van Julius Ceſar, in dit onbewoond landſchap, ſich ter neer geſlagen. Ceſar, Gall. Oorl. 4 B. 10 H. van de Maas redeneerende, behalven Scriverius, in genoemd werkje, 3 bl. en hier meê ſluit ik, niet konnende gedoogen die geene, welke ſtellen dat de Katten de naam van Batavie hebben mede gebracht.

Komende dan nu tot 's Lands of 's eilands omtrek, begin ik by Lobek en Schenkenſchans, aan den Rhyn, en ga ſoo langs de Maas, Waal en Merwe, tot aan den Oceaan; maakende dus een driehoek met de monden der genoemde rievieren, Noord-Ooſt. Junius, Batav. 30 en 41 pag. uit Plinius, N. H. 4 lib. 15 cap. en de vertaalde Kluverius, 51 en 71 bl.

Soo dat Batavie (ſchoon het V. Leeuwen ontkent, Batav Ill. <blz 44 | 27> 37 bl.) eigentlyk, en in ſyn uiterſte bepaalingen genoomen, is geenſins Holland, volgens de nieuwerwetſe Schryveren, maar ſekerlyk de Betuwe, het hoogſte deel van Gelderland. Ceſar, Gall. Oorl. 4 B. 2 H. Plinius, N. H. 55 lib. 17 H. en Slichtenhorſt Gelders. Geſchied. 6 en 8 bl.

Eindlyk, om ook een woordje van het volk te ſpreeken, de Batavieren15 waaren te Romen onder den keiſerlyken lyfwacht. Dio, 55 lib. Martialis, 6 lib. 82 epigr. by Scriverius. Junius, Batav. 80 pag. Alle brave ruiteren. De vertaalde Kluverius, uit Dio, 96 bl. en de ſelve Junius, 77 pag.

2.7.6 BATAVORUM URBS

BATAVORUM URBS; is nergens. Lees ter degen de plaats van Tacitus, (Hiſt. 5 B. 19 H.) volgens Rykius, (Animadv. 465 pag.) Non [t]amen auſus oppida Batavoram armis tueri, raptis quæ ferri poterant, cæteris injecto igni, in inſulam conceſſit. Segt hier die braave en keurige Schryver, dat Civilis, gedenkende achterwaarts te deinſen, een of meerder ſteden van Batavie in brand heeft geſtooken? neen, maar wel ſaaken die hy niet kon mede voeren, ſwaare pakkagie, &c. Daar leggen nu Pontanus en Kluverius, Smetius en Slichtenhorſt! Daar verdwynen nu de gedachten van die Thiel, Leiden, Batenburg, Wyk te Duirſtede en eindelyk Nimmegen, willen noemen het rechte en waare Oppidum Batavorum! Sie, lang leve de Critici, of ſoo wy ſeggen, Letterſifters! wiens lof ik elders verder ſal verkondigen.

2.7.7 BATENBURG

BATENBURG; een ſeer oud ſlot tuſſen Maas en Waal, of wel tuſſen Megen en Raveſtein, aan de Maas, gelegen. Heemſkerk over ſyn Arkad. 96 bl. uit Junius.

Kluverius maakt van dit ſlot Batavorum oppidum (in de Vertaaling. 2 D. 51 bl.) het geen met recht van Flud. à Ghilde word tegengeſproken, ſoo in ſyn Voorrede als in ſyn Aantekeningen, 57 bl. en Rykius, over Tacitus, 465 bl. V. Leeuwen, Batav. Illuſtr. 177 bl.

Was eertyds bemuird, en beſit noch ſtadsvryheden; hoewel ſe op de vergaderingen, nevens de Gelderſſe ſteden nooit is beſchreven. Heeft ook het recht van te munten. Haar burg of ſlot is ook ſeer aanmerkelyk, wiens bouwing de gewaande Bato al meê word toegeſchreven.

De Heeren van Batenburg ſyn in de jaarboeken bekend, ontrent, A. 1162, 1188 en 1190, doch A. 1272, is deeſe heerlykheid, met een huwelyk, aan der Bronkhorſten ſtamhuys verknocht16. Slichtenhorſt, Geld. Geſchied. 1 B. 50 bl.

2.7.8 BATESTEIN

BATESTEIN; is het Kaſteel van Vianen. Heemskerk, <blz 45 | 28> doch met een verkeerde Naamreden, uit Goudhoeve en Vander Houve, in de Aanteekeningen, over ſyn eigene Arkad. 96 bl. Immers geeft de waare Naamreden, Paul. Voet, Oorſpr. der Brederoden, 148 bl. te weeten die brengende op Beatrix (dus ſoud gy 't konnen heeten Beatrix-ſtein) of Bate van Egmond, de dochter van Jan de IX, Heer van Egmond, de vrouw van Heer Gysbrecht V ten Goye, Heer van Vianen.

Maar de tooren, nevens de ſelve geplaatſt, word gemeenlyk geheeten Simpol, of, om dat fe ſoo laagh in het water is ſtaande, Sinkpoel, by verdervinge van de naam van S. Paul. Want ſy is geboud (ſonder lichten ſynde en van binnen ſonder woningen) A. 1372, van gemelden Heer Gysbrecht, met bet randſoengeld van de ſoon des graafs van S. Paul (een plaats in Artoois) in den ſtryd tuſſen Eduard, hertog van Gelderland en Wenceſlaus, hertog van Braband, gevangen in Gulikerland, A. 137117. Boxhorn. Stedeb. 301 bl. Junius, Batav. 495 en 517 pag. Matheus, Kerk fundatien, 610 bl. Joh. à Leidis, in Bredero. by den ſelven, Analector. 11 Tom. 408 bl. ende Origines Culenburg. weder by den felven, Analector. VI Tom. 265 bl.

Ik ſagh deeſen onbeſuyſden en onnutten Toren, den 27 van Junii, A. 1700; deſelve nu ſonder kap bevindende; vergeleekſe ook met het printje van Kaſp. Specht. A. 1702, ſeer ſlecht verkooſen.

Wat nu verder betreft het Kaſteel (dagelyk vervallende en echter noch bewoond van de gravin van Stirum, by vergunninge van der graaf van der Lip, haar bloedverwant) ſoo ſommige willen, al A. 1290, geſticht, ik vinde by Boxhorn (Stedeb. 301 bl.) dat het, nevens de ſtad, A. 1481, in de geſchillen tuſſen Holland en Uitrecht, is overgegeven aan de Uiterſſe.

Doch, die van het ſlot Bateſtein en de toorn Simpol, meer wil weeten, ſie de Annales Ultrajectin. op A. 1481, by Matheus, Analector. 2 Tom. 76 bl. alwaar u ſal voorkomen, hoe men ſelf van deeſe toorn die van Uitrecht heeft beſchoten.

2.7.9 BATAVODURUM

BATAVODURUM; eenige geven deeſe naam aan de voornoemde Batenburg; doch de meeſte paſſenſe op Wyk te Duirſtede. Slickenhorſt, Geld. Geſchied. 1 B. 50 bl. immers voegt haar deeſe naam ruim ſoo wel als Batavorum oppidum. Maar hier af ſpreeken we boven en van Wyk te Duirſtede ſal, beneden in de letter V, verder geſprooken worden.

2.7.10 BEK-SNYDEN

<blz 46 | 29>

BEK-SNYDEN; hier ſienwe geenſins op brooddronke pl[a]ggen, of wilde ſtraatſchendery, maar alleenlyk op het aloude ſnywerk by de boeren, in de Kermiſſen hier te lande. Te weeten met een mes ſonder punt en op juyſte voorwaarden. Immers is deeſe gewoonte ſoo vere gegaan in het Sticht van Uitrecht, dat het jonge vrouwvolk van een bruigom walgde, die geen ſchram of litteekens in ſyn tronie kon laaten ſien. Slichtenhorſt, Gelderl. G. 14 bl. en Parival, Vermaak van Holl. 92 bl. ook aldaar meldende, hoe men als uitdaagende het mes, ſoo binnens kamers als buiten de deur, gewoon was op te hangen. Maar het ſal de Leeſer ondertuſſen niet moeyelyk vallen, ſiende weer een Grieks aloudheidtjes hier onderloopen.

Ik vinde by Cicero (van de Plichten, 2 B. 7 H.) dat Alexander, geſegt de Fereër, bang en rondſom voor hinderlaagen vreeſende, met de bloote degen voor hem dede gaan, barbarum & eum quidem compuctum notis Threjiciis: een woeſte vent, op kaak en wangen braaf geteekend: want dat de Thraciers, ſelfs onder den beker, wel van leer wilden trekken, beveſtigd Horatius, 1 B. 27 Lierd.

2.7.11 BELGIUM

BELGIUM; Neerland, volgens de gemeene man. Maar, gelyk Holland eigentlyk geen Batavie mach worden geſegt, ſoo konnen ook gewiſſelyk noch Belgium voor Nederland, noch de Belgæ voor de Neerlanders genoomen worden. Dit moet eens ten minſten, met weinigh woorden, worden aangeweeſen. Want waar om hier altyd ſoo gedwaald? Belgium was de ſitplaats der Bellovaci (Beauvoſin) in Gallie. I. Flud. a Ghilde, in ſyn Reden voor Kluverius; Ceſar, Guicciardyn en Ortelius, in een ſendbrief aan Merkator, als getuigen aanhaalende.

Maar wat nu de Vertellinckjes van de oude ſtad Belgis en van haare koningskens, aangaat, die laat ik aan den ſchryver, Markus van Vaernewyk; als te ſot en te buitenſporigh om geloof te verdienen. Ik heb voor, niet als gegronde en beweeſen waarheden, ſoo veel doenlyk is, op het papier te ſtellen.

2.7.12 BELLESTEIN

BELLESTEIN; een oud-aadlyk doch vervallen Huys in Waſſenaar, heden tot een hofſtede gemaakt. Is beſeeten by de Hr. Jak. van Kyfhoek, &c. en namaals by de Hr. Amelis van der Boukhorſt, Heere van Wimmemum, &c. welke laatſte noch onlangs (ſegt V. Leeuwen, Koſtuym. 29 bl.) de grondſlaagen van het oude Huys heeft doen uitgraven.

2.7.13 BENTHEM

BENTHEM; is een oude ſterkte van de Tubantes, <blz 47 | 30> tuſſen Drenth en Overyſſel, op een berg gelegen, van welke eenige gedeeltens ſekerlyk ſyn Romeins, eenige Frankiſch en van een nieuwer gebouw.

Hier heeft men de Droes-ſtoel en Droes-kuſſen (twee groote keyen op malkaar leggende) welke de inwooners volgens een overoude lands-dwaalinge, Druſus, het Roomſch legerhoofd als de duivel vreeſende en voor den ſelven aanſiende) duivels ſtoel en duivels kuſſen verkeerdelyk noemen. Pikard Drenth. 96 bl.

Ondertuſſen valt my hier in, dat men een kinderlyk dreigement in deeſe landen gebruikte: de droes ſal u18 haalen of weghvoeren; dat is, Druſus, of een Romeinſſe ſoldaat van Druſus, ſal u naar Rome ſleepen. Hennin. over de 6 ſte Reiſbrief van Tollius, 251 bl.

Doch ſoo bang als onſe kinderen voor den droes waaren, ſoo, ſchrikten de Romeinen weder voor een Bataviſch aanſicht; ook genoomen het waar alleenlyk een mombakkes. Martialis; 14 lib. 176 epigr.

Sum figuli luſus, rufi perſona Batavi: Quæ tu derides, [h]æc timet ora pater.

dat is. Ik ben het masker van een roſſe Batavier, een pottebakkers bootſeerſel; maar die tronie, die jy belacht, is aan uw vader verſchriklyk.

2.7.14 BEERENDRECHT

BEERENDRECHT; een Huys in Rhynland, aan den Laagen Rhyndyk, ontrent het Schouw van Leyerdorp. Goudhoeve, Chron. Byvoegſ. 82 bl. De Beerendrechten woonen tot Leiden. V. Leeuwen, Koſtuym. Inleid. 52 bl.

2.7.15 BERGEN

BERGEN; een oud dorp, onder Alkmaar, ontrent het Rampenboſch, toen ter tyd gelegen ten weſten de Rhyn. De Giftbrief van gr. Arnoud, A. 988 overleden. Goudhoeve, 84 bl. Verones Onderg. 1 B. 4 H. 20 bl. en J. Flud à Ghilde, in de Aanteekening. over Kluverius, 1 D. 232 bl. ſtaande weleer onder de grave van Schouwenburg en by aankoop naderhand onder de Heere Zurk. Saanl. Arkad. 515 bl. alwaar u meer van de Rhyn, in deeſe landſtreek uitwaterende, ſal ontmoeten.

2.7.16 BERGENDAAL

BERGENDAAL; een oud aadlyk Huys en hofſtede geleegen in Voorhout, niet verre van s'Graavendam, achter het Huys te Teilingen. V. Leeuwen, Rhynl. Koſtuym. 33 bl.

2.7.17 BERKENRODE

BERKENRODE, van buiten een geheel nieuw gebouw; ontrent Haarlem, tuſſen de Heeren Wegh en de <blz 48 | 31> Leidſe Vaart, van vooren met een hooge en breede laan toeganglyk.

A. 1705, den 14 April, ging ik eens deeſe hier ingelyfde Afbeeldinge met het hedendaagſſe Huis vergelyken; maar, welk een onderſcheid! ondertuſſen heeft het Rochman ook, onder ſyn keurige Teekeningen.

Wel eer was het ſtuk land, of de grond deeſer wooninge door gr. Floris de V, gegeven aan Jan van Haarlem, een edele ſchildknaap; te weeten, A. 1284. Goudhoeve, Chron. 80 bl. Ampzing, Haarlem, 17 en 89; noch een ander Geſicht van Saanredam daar nevens voegende. V. Leeuwen, Batav. Illuſt. 895 bl.

Is heden de luſtplaats en heerlykheid van Benjamin Poelje, ridder en Heer van Berkenrode, en Schepen binnen Amſteldam. Doch het geſlacht der Heeren Berkenroden is, volgens Screvelius (Haarl. 268 bl.) uitgeſtorven en te niet gegaan.

2.7.18 BERNE

BERNE; een Slot onder Heuſden; en namaals een abdy; door den alverdelgende kryg vernield. Oudenhove, voor Scriver. Grav., 43 bl.

2.7.19 BESOYE

BESOYE; een ruiin van een Slot of Huys, al overlange jaaren vervallen; by Waelwyk, niet verre van Heuſden. in Suyd-Holland. Goudhoeve, 78 bl. Oudenhove, S. Holl. 411 bl. Boxhorn. Stedeb. 94 bl. en Meurs, XVII Provinc. 456 bl. toebehoorende de Heeren van Aſſendelft. Hanveſt Chron. 121 bl. en gemelde Goudhoeve.

2.7.20 BEVERWAART

BEVERWAART; tuſſen Rhynauwen en Schonauwen, aan den krommen Rhyn, boven Odyk, in het Sticht van Uitrecht gelegen; volgens Rochmans Teekening, met ſwaare torens geſterkt. A. 1698, is dit Huys, door19 Vianen, voor K. Specht, in een printje gebracht.

Wierd, A. 1527, door de Biſkopſſe ingenoomen; volgens de Annales van de abdiſſ. Henrike van Erp, by meermalen (alſoo hy ſeer nodigh is) aangehaalden Matheus, Analector. 1 Tom. 157 bl.

2.7.21 BEVERWIJK

BEVERWYK; ſiet S. Agathenkirch, boven in de A. gelyk men ook deeſe laatſte naam ſal vinden in de ſeer uitmuntende Kaarten van meergemelde Burgemeeſter, Mens. Alting, de VIII Tab. van het 11 Part.

2.7.22 BEUSELPRAAT

BEUSELPRAAT; het is niet te ontkennen dat onſe Landchronyken ſyn opgepropt met hondert malle praatjes en belaglyke vertellingkjes. Maar, ſouden deeſe de luiſter van het overige onderdrukken? Dat ſy verre! Ondertuſſen, ſie daar eenige weinige ſtaaltjes.

<blz 49 | 32>

  1. 't Geroep in de lucht, vliet! vliet! in het ſlaan ontrent Heiloo20. Vronen, Onderg. 2 B. 2 H. 74 bl. behalven de Toets op het Goudſſe Chronykjen, 229 bl. Goudhoeve, in Didr. de III21, 253 bl. &c.
  2. Het koſtelyke graf, in Frieſland gevonden, en aan koning Willem getoond. Vronen, 125 bl. behalven Goudhoeven, uit Scriverius, het ſelve een klucht noemende, 319 bl. &c.
  3. De looſe putten van gr. Floris de I, in Suyd-Holland, de vyanden by duyſenden miſleidende en verſmoorende. De Toetſteen van Scriverius, op den Gouwenaar, 235 bl. Siet hem ook, in het leven van dien graaf.
  4. De oude Fries, gevangen door gr. Floris, te Hoogwoude; wyſende hem het graaf van ſyn vader, koning Willem; Vronen, 135 bl behalven Goudhoeve, 327 en 333 bl. &c.
  5. Het ſaagſchip der Haarlemieten, voor Damiata. Goudhoeve, uit Scriverius, Chron. 300 bl. en Alting, Friſiæ, 31 bl. Beneden, in D.
  6. De ſtad Verone, haar welſtand en verwoeſtinge. Beneden, in V.
  7. Vrouwe kracht van gr. Floris de V. Beneden, in V.
  8. 't Spykervat van Gerrit van Velſen. Beneden, in V.
  9. Halsrecht, onder gr. Willem de Goede, over de geſtolen koe. Beneden, in H. behalven de Toets op de Gouwenaar, 269 bl.
  10. Halsrecht van gr. Karel den Stouten, over vrouwekracht. Beneden, in H.
  11. De kinderen van vrouw Magteld, gedoopt te Looſduinen. Beneden, in L. behalven de Toets op de Gouwenaar, 254 bl.
  12. De boomſtortinge, op het gebed van biskop Wilebrord. Beneden, in B.
  13. 't Woud ſonder Genaden, tuſſen Leiden en Alfen. V. Leeuwen, Leid. 10 en 161 bl. &c. Beneden, in B.
  14. 't Vrouwe Sand, wegens het weêlige Vrouwtje van Stavoren; de Medea van Medenblik; de verdreven Bato; de reus Finard, de vier Heemskinderen; de Belgen in Flandere; de Wilten, in het Sticht, en ſoo voorts; want met alle deeſe kinderſpreukjes ſlechts op een regiſter te brengen ſou ik het geheele boek beſlaan.

2.7.23 BIER

BIER; gelyk ieder weet, een drank uit koorn; maar deeſen te kooken en te bereiden, is al vroegh by de Duitſſers en andere Noord-mannen bekend geweeft. Plinius, H. N. 22 <blz 50 | 33> lib22. 25 cap. behalven Herodotus, Xenofon, Atheneus en Suidas. Weder, Tacitus, Germ. 23 H. by Slichtenhorſt, Geld. G. 5 bl. Junius, Batav. 357 pag. en ſie mede Kirchmayer, over gemelde plaats van Tacitus. Boxhorn. over een plaats van Florus (2. B. 18 H.) in een brief aan Nic. Blankard. Epiſtolar. 219 pag. Dit heeft W. vander Velde, in ſyn Hoftapyt (6 bl.) ook waargenoomen, ſpreekende van het gaſtmaal van Civilis, in een heiligh offerwoud:

Daar hielt men hoogen raad des lands en in't beſlechten Der ſaaken, vreugdendiſch, met ouden eeuwsgerechten23. Een eigen drank gemaakt, geen versgewaſſen wyn, Maar water, opgekookt met graan, dêe vrolyk ſyn.

Voorts word deeſe drank der Duitſers en, gelyk ik ſeg, verdere Noorder volkeren, by Reineſius (Variar. 3 lib. 1 cap.) uit een Oud Geſchrift, geheeten braſium: gelyk Scaliger deſelve birra is heetende; de Subtil. 87 Exercit. gelyk ſekere Onbekende, by Jan van Leiden, Chron. 1 D. 11 H. het drinken noemt braxare.

2.7.24 BILEMMERMEIR

BILEMMERMEIR, in de oude Schriften geheeten, Bendelmerbruk, by Heda, in Godfried, de 28ſte biſk. 176 pag. opgedroogt en bedykt, A. 1631: maar in het Noodweer van A. 1702, met water wederom overſtroomd. Beneden, by de Meiren, in M.

2.7.25 BILT (Sticht)

BILT; een vruchtbaar ſtuk lands, in het Sticht van Uitrecht, tuſſen deeſe Stad en het dorp Seiſt. Sie de Nieuwſte Landkaart van het Sticht, door bovengenoemde Nic. Viſſcher uitgegeven.

Hier geſchiede de manſlacht van den baſtard, Walraven van Brederode; A. 1457, buiten ſyn vaders weeten, doodende twee Haarlemmers, welke hem beletteden, te Sandvoort, een geſtrand ſchip met wolle naar ſich te trekken. Jan V. Leiden, in de Brederod. 55 H. 363 bl. het geene naderhand ſyn gevangene vader onder het pynigen wierde opgelegt, als met ſyn kennis uitgevoerd. Deſelve, 61 H. 378 bl. behalven Bokkenberg, &c.

2.7.26 BILT (Frieſland)

Maar, in Frieſland, is het een ſtuk aangewaſſen lands, dubbel bedykt, aan de watten, tuſſen Dokkom en Harlingen. Soeteboom, Staverens Opg. en Onderg. 167. bl.

2.7.27 BINKHORST

BINKHORST; of wel Binnenhorſt, gelegen op de Ooſtſyde van den Leydſſen Vaart, tuſſen Voorburg en Ryswyk; ontrent A. 1076, al vermaard. Goudhoeve, 98 en 397 bl. <blz 51 | 34> V. Leeuwen, Rhynl. Koſtuym. 26 bl. Handveſt Chronyk, 1 D. 125 bl. A. 1359, is het geruineert, nevens het Huys Polanen, door die van Delft, tegens gr. en hert. Albrecht ſich opſtellende. Junius, Batav. 524. pag. Kemp, in Arkel, 88 bl. Scotanus, Frieſſe Geſch. 196 bl. Goudhoeve, in Albrecht, 397 bl. en hunne na ſchryveren.

Van dit Heeren Huys geeft ons Rochman een Teekening, en ſeekere N. een Lofdicht, onder de naam van het Lof des Gelukſaligh en Geruſtmoedigen Landlevens; aan Jakob Snoukaart, Heere van Binkhorſt; uitgegeven, A. 1613.

2.7.28 BISCOPPEN

BISCOPPEN; van welke binnen Uitrecht, de eerſte was Wilebrord, overleden, A. 736: de 61ſte en de laatſte, Frederik de V; bygenaamd Schenk van Toetenburg, overleden, A. 1560. Beka, Heda en Bokkenberg, in hunne Levens. doch ſie de lyſt in de Handveſt Chronyk, 2 D. 283 bl.

Van deeſe 61 Biskoppen waaren 18 met ſtaf en miter te vreden; ſchuw van ſtaatſucht, met de Godsdienſt alleenlyk ſich bemoeyende, binnen de tyd van ontrent 300 jaaren.

Maar, ſie daar Adelbold, den 19 de biskop! trekkende allereerſt de wapenen aan, A. 1018, en oorlogvoerende tegens Didrik de III, de vierde gr. van Holland. Heemskerk over ſyn Arkad. 187 bl. Van Leeuwen, Leid. 444 bl. en Goudhoeve, in Didr. 253 bl.

De 26ſte; Herbert van Beren, 't harnas opvattende tegen gr. Didrik VI; die hem belegerde binnen Uitrecht; A. 1138. Bokkenb. 19 pag. Scriverius, by Goudhoeve, 277 bl.

De 28ſte; Govert van Rhenen, A. 1165, in een wapenſtryd tegens gr. Floris de III. Bokkenb. 20. pag. Goudhoeve, 283 bl.

De 31ſte; Didrik van der Aare; A. 1202 geſlagen door gr. Didrik de VII en gr. Otto van Gelder. Bokkenb.24 22 pag. Goudhoeve, 292 bl.

De 34ſte; Otto van der Lip, ſneuvelende voor Kovorden, A. 1227. Bokkenb. 24 pag. in het gevecht met heer Rudolf van Kovorden, en maarſchalk van Drenthe. Pikard, Drents. Chron. 188 bl. Beſchryv. van Amſteldam, 2 B. 36 en 37 bl.

De 39ſte; Jan de I, van Naſſau, in oorlogh tegens de Heeren, Gysbrecht van Amſtel, en Harmen van Woerden, weegens het ſlot Vreeland. Bokkenberg. 27 pag. Goudhoeve, 327 bl. Amſteldam. Beſchr. deeſen oorlogh Jan de II, van Sirk, toevoegende, 2. B. 51 bl.

De 42ſte; Guido van Henegouw, in een ſlagh gevangen, <blz 52 | 35> en by verwiſſeling gerantſonneerd voor Guido, de gr. van. Vlaendere. Heda, 230 pag. Bokkenberg, 29 pag.

De 47ſte; Jan van Arkel, een dapper krygſman, in geſchil met gr. Willem den V, by genaamd den Dollen. Bokkenb. 33 pag. Goudhoeve, 383 bl.

En ſoo mede de 48ſte, Jan de V, van Varneburg; de 50ſte, Floris van Wevelikhove, de 51ſte, Frederik de III, van Blankenheim; de 52ſte, Rudolf van Diepholt, de 53ſte, Sweer van Kuilenburg; en de meeſte volgende; welkers bedryven (want deeſe naamlyſt my allang verveelde) gy kond naarſien by de voorgenoemde, Beka, Heda en Bokkenberg; welke laatſte beknoptelyk en naauwkeurigh deeſe geeſtlyke Heeren beſchryft.

Maar ondertuſſen, bygelegenheid van deeſe biskoppen, vallen myn gedachten op een printje van Godfried, (op het jaar 1195, van ſyn Chronyk, 705 bl.) alwaar het kuraſſ van den verwonnen en gevangenen biskop van Beauvais word gebracht voor den Paus Celeſtinus, den III, met de woorden (Geneſis, 37 H. 32 vers) van Joſefs broederen, tot hunnen vader Jakob: Deeſen hebben wy gevonden, bekent doch of deeſe uwes ſoons rok ſy, ofte niet.

2.7.29 BLYDEN

BLYDEN; ſtormtuygen, ſteene[-]klooten uitwerpende. Beneden, by het Oorlogtuygh, in O. Ondertuſſen voerd het geſlacht der BLYENBURGEN (van welke Van Leeuwen, Batav. Illuſtr. 871 bl.) haar naam van deeſe blyden; volgens Oudenhov. Oud. Holl. 320 bl.

2.7.30 BLYKENBURG

BLYKENBURG; door Rochman geteekent, gelegen in het Sticht van Uitrecht, by Keersbergen, tuſſen Seiſt en Driebergen. Vind hier af niets in onſe Jaarboeken; maar wel de naam in Viſſers Landkaart.

2.7.31 BLOEMENDAAL

Huis te BLOEMENDAAL; waar af boven, in A; op de naam van Albertsberg.

2.7.32 BLOEMESTEIN

BLOEMESTEIN; een oud ſlot aan de Lek, A. 1390, gewonnen door Heer Otto van Arkel, die het dede nederwerpen. Ondertuſſen leggen noch veele van den ſelfs ſteenen onder de ſtads muiren van Kuilenborg. De Origines Culenburgicæ, by Matheus, Analector. VI. Tom. 271 pag.

2.7.33 Te BLOOT

Te BLOOT; by 's Gravenhage, te Ryſwyk; eertyds het Huys der Rynſſen. Goudhoeve, 99 bl. anders ook geheeten Hodenpyl. Hanveſt. Chronyk, 124 bl.

2.7.34 BOEKEL

BOEKEL; een ſlot tuſſen Alkmaar, en Heiloô; lang vergaan; niet te min een buirte noch bewaarende des ſels <blz 53 | 36> gedachtenis. Van Woude, Alkm. 129 bl. en Oudenhove, voor Scriver. Graven. 37 bl.

2.7.35 BOEKESTEIN

BOEKESTEIN; een Heeren Huys in Delfſland, of om beter te ſeggen, Maaſland, in de Kralinger polder, by het dorp Lier; heden niets anders als een bogaard, met oude en wyde grachten omringt. Bleiswyk, Delf, in de Naareden, onder de Letter B.

2.7.36 BOEKHORST

BOEKHORST; by Voorhout, in het Noordwyker Hout; of van den bok, Bokhorſt; of wel van den beukeboom, Beukhorſt geheeten. Junius, Batav. 563 bl. Handveſt Chron. 1 D. 133 bl. Goudhoev. 81 bl. en Van Leeuwen, Rhynd. Koſtuim. 34 bl. welke ook, 33 bl. een BOEKENBERG in Voorhout neerplant. Van dit huys is een Teekening by Rochman.

2.7.37 BOOMEN

BOOMEN; dat van ouds Europa, en wel byſonderlyk voor het ſtedenbouwen en het dorpſtichten, ſeer boomryk en vol ſwaare boſſen is geweeſt, kan men ſonder moeite bewyſen, alleenlyk met het Hercynia Sylva, of het Swarte wald; volgens Ceſar (Gall. oorl. 6 B. 25. H.) beginnende op de grenſpalen van Switſerland, en loopende Ooſtlyk, langs de Donau, naar de Daciërs, en Noordlyk door Duitſland tot aan de volkeren ontrent de Belt. Ceſar, by Van Royen, Oudh. 146 bl.

Maar laaten we liever, onſe reiſe in krimpende, in Holland blyven; alwaar we vinden dat Noord-Holland in de alleroudſte tyden was enkel boſch en meir. Soo, dat ook de veelvoudige boſſen en wouden de naamen aan de dorpen hebben gegeven; naamen ſeg ik, eindigende in wouw of woude, als; Hoogh-woude, Ooſt- Weſt- Suyer- en Noord-wouden, Oude en Nieuwebux-woude, &c. Saanl. Arkad. 383 bl.

Het ſelve ſeg ik van Suid-Holland, het Sticht van Uitrecht, Rhynland, Teſſel en de geheele Noordwyker ſtrand. Boxhorn. Stedeb. 32 bl. ſpreekende van Holtland; by ſommige de rechte benaaminge van Holland.

En ſtap ik tot in Friesland over en Groningen; aldaar weder het ſelve. Daar dragen ook de Dorpen noch een litteeken van de nu allang verdweene wolden en boſſchagien; Krops-wolde, Schil-wolde, Pater-wolde, Eelder-wolde, Garmer-wolde, &c. gelyk ik verder toonde in de Aanteekeningen op Groningens Waternood, van den 22 Nov. A. 1686; te vinden of in myn Poeſye, 7 bl. of in de Neerlandſſe Watervloeden van Sim. Abbes Gabbema, met de Aanteekeningen van myn hooghgeachte neef, Tobias Gutberleth, verrykt.

<blz 54 | 37>

Nu beſpeur ik verder van deeſe boſſen en wouden een dubbel gebruik; ik ſegge, een geeſtlyk en een wereldlyk betrêen der ſelver.

Wegens het geeſtelyke, onderrecht ons Tacitus (Germ. 9 H.) ſpreekende van onſe voorvaderen: lucos ac nemora conſecrant. Sy wyden wouden en boſchagien. Het geen onſe Hoofd in ſyn grootſſe Bato heeft overgebracht; alwaar hy, in het 2de Bedr. de Druïde Segemond deeſe woorden doet uitboeſemen:

Ook ſyn wy ongewoon, 't geen dat ſich niet begrypen Van al de wereld laat, in tempels te benypen: Maar wyen wel, tot eer der heilighêen, in 't woudt, Een levendige kerk van ongekorven hout, 't Welk, met ſyn telgen breed en hemelhooge toppen, Het dartelmakend licht beſtaat de wegh te ſtoppen, En ſtelt van binnen toe een' akelygen dagh Die 's menſſen hert beſtelpt, met ootmoed en ontſagh.

Maar dit is een hooftſtuk het geene ſeer uytſtekend is behandeld van Kirchmayer, over gemelde plaats van Tacitus. Kluverius, Germ. Antiq. 34 B. Scedius, Germ. Deor. 2 Part. 23 cap. G. Brand, over Batoos vertooningen, 313 bl. en eindelyk Flud. à Ghilde, over Kluverius, 2 D. 58 bl.

Sodaanigen woud was het lucus Baduhennæ, by Tacitus (4 Jaarb. 72 H.) mogelyk (want het ſyn maar giſſingen, en deeſe veeltyds miſſingen) van eene Paduenna een Lar vialis, of wegengod; ſtellende Rykius dit woud heden in de Sevenwouden, maar Alting het ſelve by Holtpade, ontrent Padeſlo; beide in Frieſland: ondertuſſen ſetten Andere het by Wannepervenne, in het landſchap Drenthe; en weder Andere, te Bedum of Beêm, in Groningerland.

Soodaanige was het nemus Sacrum, weder by Tacitus, 4 Jaarb. 14 H. in het welke Civilis ſyn gaſtmaal had aangeſteld. Beneden ſal hier af geſprooken worden.

Dit Sacrum Nemus is nu by 's Gravenhage, by de hedendaagſſe Verklaarders der Roomſſe ſchriften, nu by ter Tolen, nu by Nimmegen, nu by Kuilenborg, nu by Alkmaar en nu weder elders. Siet Bokkenberg. in Klaud. Civilis. 13 pag. Smetius, Oppid. Batav. 3 H. Kluverius, Rynſtr. 16 H. 51 bl. Pars, in de Voorrede van Catw. 17 bl. Handveſt Chron. 2 D. 51 bl. V. Leeuwen, Batav. 155 bl. Matheus, Analector. VI Tom. 105 bl. &c.

<blz 55 | 38>

Andere, als Merula, willen dat ſacrum hier niet heilig beteekend, maar liever onheiligh en vervioekt; als of dit woud, wegens ſyn onveilige toeganglykheid, wierd verfoeid. Gemelde Kluverius, 52 bl. van het 2 D. en daarom het Woud ſonder Genade. Gouwenaars Toetsſteen. 204 bl.

Wat my aangaat, ik verwerp het Schakenboſch van deeſe Schryveren en geloof dat Civilis, onverſchilligh en ſonder keur, tot ſyn avondmaal, het allernaaſte en veiligſte woud heeft uitgekoſen.

Dit ſoo verre; maar in het algemeen deeſe boſſen beſchouwende, merk ik dat de oude, ook de Romeinen en Grieken, byſonderlyk den eikeboom onder alle andere hebben geëerd en uitgekipt. Cicero, 2 lib. van de Wetten, 1 cap. gewagende van de ſtad Arpinum. Plinius, H. N. 16 lib. 44 cap. Lukaan, Pharſal. 3 lib. Silius, Pun. Bell. 3 lib. &c ja dit liep ſoo verre, dat de Celten, onder de benaaminge van Jupiter, een eik hebben aangebeden. Maxim. Tyrius, 38 Diſſert. by Scedius, 2 part. 24 cap.

Hier had ik nu wel een open veld om te ſpreeken van de plechtigheden in deeſe wouden, van der Duitſen (in het breede genoomen) ſeldſaame Godheden, en van hunne Bardes en Druyden; maar dit ſou te langen ſop worden en u, myn goede Leeſer, verdrietelyk. Sie dan liever beneden in P. en R.

Ga dan over tot het wereldlyke gebruik der ſelver. Dit waaren landsdagen en hageſpraken der grooten, onder den blooten hemel, of over een keur van opperhoofden, of over de belangens van ſtaat en oorlogh.

Hier toe gebruikte gemelde Civilis het naaſte en veiligſte nemus, de grooten nevens het gemeen over tafel, in ſyn nachtbanket, aanmoedigende om der Romeinen overlaſt en moetwil, ontrent het preſſen van het Batavis manſchap, in te toomen. Handveſt Chronyk, 2 D. 1 H. 51 bl. Somerens Batav. 12 H. 306 bl. en Junius, Batav. 12 cap. 249 pag. behalven Bokkenberg, &c.

Hier toe wierden gebruikt het hout by Blaſdal en Staleke, in het ſticht van Bremen. Schildius, de Chaucis, 12 cap. 90 en 91 pag.

Hier toe, het Groller-hout in Drenthe, Pikard, Drentſ. Chronyk, 154 bl.

Hier toe, 't Engelander-hout, by Arhnem. J. de Laat, XVII25 Provinc. vertaald, 79 bl.

<blz 56 | 39>

Hier toe, de eike en lindeboom, ontrent 's Grevenhof, ſelv' binnen de ſtad Zutfen. Slichtenhorſt, Geld. Geſchied. 1 B. 67 bl. ſpreekende van het uitwyſen der leenſaaken.

Eindlyk hier toe de Op- of Upſtallesboom, of de 3 eiken, in een open veld, ſtaande by Aurik in Ooſ-Frieſland. Pikard, in de aangetogene Chron. 164 bl. Alting, Friſiæ, 191 pag. Matheus, over J. van Leidens Egmonder Chron. 218 bl. over Emo, Analector. III Tom. op A. 1232. 85 pag. en Beneden, in O.

2.7.38 BOOMSTORTINGE

BOOMSTORTINGE; doch dit moet wederom eenigſins worden uitgebreid. Ontrent Abkoude en Ouwerkerk, by Woerden en Oudewater, te Kamerik en in de Looſdrecht; ja ſelv ook in de zee (ik ſpreek nu van geen landſchappen, buiten Holland) ontrent de ſtranden, worden ſomwylen opgedolven en uitgegraven ſtammen van boomen, alle ſwart en hard; ſchoon hout om te timmeren en daaken te leggen. Kommelyn, in de Byvoegſelen op Amſteldam, ſpreekende van het Reigersbos, 2 B. 17 H. 139 bl. Saanl. Arkad. 317 en 320 bl. van de opgegravene in het Weſtſaaner veld en by de Vaart van het Kattegat. en ik, by Blankard, Jaarregiſter, 8 Honderdt. 8 Aanm. Junius, Batav. 296 pag. Boxhorn. Stedeb. 2 bl. Parivall, Verm. van Holl. 2 bl. alle drie van Teſſel ſpreekende en Holland Holtland noemende.

Deeſe Boomſtortinge nu is geſchied door het bidden van biskop Wilebrord, quanſuis deeſe heidenſe bedeplaatſen vervloekende en dus omverrukkende. Eindius, Zeeland. Chron. 1 B. 1 H. 6 bl. by Pars, Katw. 74 bl. Gabbema, Neerl. Watervloed. 18 bl. Boxhorn, Stedeb. 32 bl. G. Brand, over Batoos vertoon. 294 bl. &c.

Andere daar en tegen ſtellen dat een yſlyk onweer alle boſſen in Holland ſou hebben neergeveld. Buchelius, over Heda, in biſk. Hungerus, 59 pag. Wachtendorp, Chron. 4 B. ſpreekende van het woud van Ongenâa. Merula, Tydtreſoor, op A. 857, by V. Someren, Batav. 4 H. 28 bl. V. Royen, over Verſtege, 18 bl. Slichtenhorſt, Gelderl. 1 B. 10 bl. Junius, Batav. 297 pag. Parival. Verm. van Holl. 16 bl. behalven Bokkenberg, Hortenſius, Douſa, Veldenaar, &c.

Maar, wanneer ſou dit onweer over deeſe landſtreek ſyn voorgevallen? A. 857, of A. 867, 700, 1170 of 1173. Sie welke onſekerheden in de tydrekening! Oudenhove, Suyd Holl. 3 H. 17 bl. behalven Junius, Gabbêma en Guthberleth, &c.

Alwaar om ook ſommige dit ongeval geheel verdacht <blz 57 | 40> houden. Gouwenaars Toetſteen van Scriverius, 208 bl. en weder deeſe in ſyn Batavie, 37 bl. en liever willen gelooven, dat de boomen uit andere landen of hier ſyn komen aandryven, of (maar dit is by my geenſins aanneemlyk) ſelve hier in het aardryke ſyn gegroeid. Matheus, de Nobilitate 1 lib. 12 cap. Eindius, Zeel. 1 B. 3 H. 7 en 8 bl. en Martin. Schook, de Turfis, in de Befchryv. van Amſteldam, 2 B. 163 bl. O alte fyne Natuirkundige!

2.7.39 BOONEN

BOONEN, door welke de Overheden te verkieſen, al by de Grieken een gewoonlyke plechtigheid is geweeſt. Plutarchus, de educandis liberis. Scholiaſtes Demoſthenis, by Oyzelius over Gellius, 4 lib. 11 cap.

Dit is noch heden in een gebruik, in verſcheidene plaatſen van Nederland. Wiltge een voorbeeld? te Groningen ſyn 5 ſwarte onder 24 boonen. Die worden in een hoed geworpen en omgehutſeld; op den Keurdag, den 8 Febr. Die de 5 ſwarte trekken, doen de Keur. Handveſtchronyk, 1 B. 75 bl.

2.7.40 BORN

BORN; een waterje, weleer in zee loopende, tuſſen de eilanden, Ameland en Ter Schelling. Blyken hier af ſyn 'er noch heden in weeſen; te weeten het Borndiep en het Bornrif; rift is een ſandplaat of zeebank. Gabbema, Leeuward. 9 bl. Scotan. Frieſſe Geſch. 506 bl. Siet, M. Altings, 1, 2, 7 en 9 Tab. van ſyn Friſia, of 2 D. van de Notitia Germ. inf. en beneden in R.

2.7.41 FRANK VAN BORSELE

FRANK VAN BORSELE; ſtadhouder van Holland, ridder van het vlies en graaf van Oſtervant, doch eerſt een geringh ridder; ſonder kinderen overleden, A. 1470. Goudhoeve, 492 bl. Kemp. Arkel. 351 bl.

Onderfteunde met ſyn geld de jonge gravin, Jacoba, ſynde, by ſeker geval, in een groote verlegenheid, toen de vrekke Jan van Montfort verſocht te ſyn verſchoond. Goudhoeve, 456 bl.

Doch hier uit rees liefde, welken by haar (op een maaltyd te S. Martens-dyk ondekte, door de letteren, D. D, met willige takken omvlochten; het geen op het nederigſt en met ſchroom wilde te kennen geven: Dyn willige dienaar! Spaan, uit Goudhoeve, Rotterd. beſchryv. 5 H. 118 bl.

Sy trouwen dan heimelyk. Maar Filip van Burgondie ontbied Van Borſele. Send hem, gevangen ſynde, naar Rupelmonde, en beveelt aldaar hem te onthoofden. Doch, wat geſchiet 'er eindlyk? Jakoba verloſt haar waarde man, <blz 58 | 41> onder voorwaarden; te weeten, haar heerſchappyen aan gemelden hertogh afſtaande. En wat volgt hier op? Sy trouwen in het openbaar; de getrouwde brengen haar leven in ruſt en vrede ten einde; en vrouw Jakoba (eertyds gravin en nu ſlechts houtveſterin en duinbewaarſter) ſiek van ſielverdriet, overlyd, op het Slot te Teilingen, A. 1436. Barlandus, in de Graven van Holl. Heemskerk, Batav. Arkad. 570 bl. Iſaac. Voſſius, Annal. Holland. 20 lib.

Van bovengemelde minneliſt gewaagd ſelf Jakoba, ſpreekende met 'er Vertrouwde, Vrouw Baerte van Brederode, by Droſte, in ſyn Treurſpel Jakoba, 2 Bedr. 1 Toneel.

Vrouw Baarte, heugt u noch hoe dat hy wand en ſaal Deê ſpreeken van ſyn min een nieuw gevonde taal. Door menig gulde D, gemengt met Wilge ryſen, Wiſt hy behendelyk ſyn liefde te bewyſen; Die meeſter leerde hem, om ſonder ſtem of hand, Te melden aan myn hert verklaaring van ſyn brand. Ik wiſt alleen de ſin van 't raatſel uit te leggen Dat het wou heimelyk Dyn will'gen Dienaar ſeggen, En kon die letteren wel ſonder hulp verſtaan; Mits ik in 't ſelve ſchool had van de Min gegaan.

2.7.42 TEN BOS

TEN BOS; een Heeren Huys der Yſſelſteinen in het Gooy, ontrent Weeſop aan de Vecht; A. 1672, tot de grond toe, door den Franſſen oorlog geraſeerd. Van Leeuwen, Batav. 1284 bl. Handveſt chron. 1 D. 138 bl.

2.7.43 BOSCH

BOSCH; dat Holland wel eer is bosryk geweeſt, toondenwe boven, op het woord Boomen.

2.7.44 BOSHUYSEN

BOSHUYSEN; onder Soeterwoude, dicht onder Leiden, buiten de Witte poort. Dit Huys is, in het belegh van de ſtad (A. 1573) verbrand, vernietigd en nooit weder opgebouwd. Goudhoeve, 82 bl. Van Leeuwen, Rhynl. Koſtuim. 38 bl. Handveſt Chron. 1 D. 133 bl.

Doch een andere BOSHUYSEN, hebt ge by Sprang, in Suyd-Holland. Oudenhove, Suyd-Holl. 411 bl.

2.7.45 BOUQUET

BOUQUET; een Heeren Huys, by Henrick Uden (ſoo heette de bedyker) ambacht; A. 1572, verbrand, doch namaals wêer vernieuwd. Deſelve 236 en 411 bl.

2.7.46 BRAKEL

BRAKEL; een Huys in de Bommeler waart, niet verre van Loeveſtein en Poeroyen. Deſelve, voor de Graven van Scriverus, 53 bl.

2.7.47 BRASPENNING

<blz 59 | 42>

BRASPENNING; beneden in de Munten, op M.

2.7.48 BREDERODE (Suyd-Holland)

BREDERODE; het Stamhuys der Heeren Brederoden, in Suyd-Holland, welke hier alle haar goederen en geene hadden in Kennemerland. Lagh in de Abblaſſer-waard en is heden onder het water bedolven. Oudenhove, 219 bl.

Alwaar hy ook opteld alle landeryen, welke de Heeren Brederoden in den Abblaſſerwaart beſeten hebben. Dat in Kermerland is dan geen ſtamhuys maar alleenlyk een wooning en een luſthuys geweeſt, even als het Huys te Kleve, Velſen en Rynechom. Paul. Voet, Oorſpr. der Brederoden, 28 en 37 bl. te meer, aangeſien de graven van Brederode alleenlyk ook waaren baljuwen van Kennemerland. Deſelve Voet, 36 bl.

2.7.49 BREDERODE (Kennemerland)

BREDERODE; in Kennemerland buiten Haarlem ontrent de Sandpoort gelegen, duinwaarts. Van Royen, over Verſtegen, 192 bl. A. 1705, den 12 van April, ging ik, nevens eenige myner Vrienden, deeſe ruiine beſien, en het groote gevaarte aan myn Teekeningen toetſen. Let dat ik toen ter tyd de 3 Geſichten van Rochman niet heb gekend.

Ik merkte dan aan een hoogte met een gracht omringd. Hier op eerſt een poortje, ſtaande nevens een boere woningje, op het ſelfde plein. Dan quam ons het grootſte lichaam te vooren, waar achter een kleender gevaarte volgde. Aan de ſlinker ſyde na de rywegh van Haarlem, waaren voor en achter ronde kelders, boven gedekt, het overſchot, naar het geleek, van 2 ronde toornen.

Dus heb ik ook het ſelve tweemaal hier in print doen brengen. Het eerſte geſicht is vlak van vooren; hebbende ik geſtaan aan de ſlinker ſyde van het Heeren Huys. Het tweede vertoond de groote brok van achteren; ſittende ik met myn afſchetſinge ter rechter ſyde, naar de gemelde ryweg.

Wat nu den ſtichter aangaat, het Huys is aangevangen door Arnoud, de derde graaf van Holland, ontrent A. 990: doch voltrokken door ſyn ſoon Sikko, Sifried, of Siewert, welke allereerſt de benaaminge van Brederode van gemelde graaf ontfing. Bokkenberg, Brederod. 3 pag. Scriverius, by Goudhoeve, 249 bl. boven genoemde Voet, 23 bl. Ampzing, Haarlem, 17 bl. en Junius, Batav. 19 cap. 545 pag. Saanl. Arkad. 88 bl. Boxhorn. Stedeb. 121 bl.

Maar, A. 1302, is het door gr. Lodewyk van Loon (de man van gravin Ada, gelyk boven is aangeteekend) en Didrik, de 31ſte biskop van Uitrecht, gewonnen, verbrand en verwoeſt. Goudhoeve, 296 bl.

<blz 60 | 43>

Wederom is het ſelve, A. 1436, door de Kabeljauſſe Haarlemiiten om verre geworpen. Jan van Leiden, de Orig. & reb. geſt. Brederod. by Matheus, Analector. 11 Tom. 341 en 343 bl. behalven onſen Antonides, op de plaats, boven geſet nevens Banjaart.

Niet te min is dit Huys, weder vernieuwd ſynde, in ſtant gebleven tot A. 1472; na welken tyd de geleerde Junius (18 cap. 515 pag.) het ſelve, door verwaarlooſinge der voorſchreven edelen, de koſten van het vertimmeren mydende (eindelyk ook het mannelyk oir in dit geſlacht ontbreekende,) meent te ſyn vervallen. Maar dit klinkt beter. De Brederodes, ontrent A. 1418, Vianen behylykende, onthielden ſich op het Huys Bateſtein. Toen bleef hier Brederode leggen; allenskens door den tyd en den krygh vervallen. Handveſt. chron. 1 D. 122 bl. Goudhoeve, 9 bl. en Oudenhoven, Haarlems Wieg, 32 Bedenk. en 119 bl.

Doch eer ik van deeſe ruiin, in een grootſe aanſienlykheid by weinige te gelyken, aftreede, dien ik u ook te onderrechten, dat dit een tolhuys der Heeren Brederoden is geweeſt, aan den Rhyn gelegen; welke, met de naam van Kinhem, verby dit Huys, S. Albrechtsberg, het Huys Velſen, &c. heeft geloopen; gelyk, beneden in K en R verder ſal worden aangeweeſen.

Eindelyk, een woordtje noch van dit geſlacht (het edelſte, gelyk van Waſſenaar de oudſte en van Egmond de rykſte) te vinden by V. Leeuwen, Batav. 884 bl. De laatſte, aangaande 't manlyk oir, was Heer Wolfaart van Brederode, A. 1679, den 21 Junii overleden; ſynde ook des wegen, den 14 Auguſt te Vianen, het aadlyk wapen, nevens het lyk, in de graf-ſtede gelegt. Hollandſſe Merkuir van A. 1679. behalven de voorgenoemde Van Leeuwen.

Van het vangen der 3 Heeren van Brederode; Gysbrecht de domprooſt, ſyn broeder Reinoud en deeſe ſyn baſtard ſoon WaIraven, nevens het mishandelen der ſelver, ſullen we ſpreeken (om beneden ook wat ſchryfſtoffe26 te hebben) in de letter W. op het woord, Wyk te Duirſtede.

2.7.50 BREUKELEN

BREUKELEN; in oudere Schriften geheeten Broklede, Broekenlandia, en Brakola; is een vermaard dorp in het Sticht van Uitrecht, gelegen aan de Vecht tuſſen Maarſſen en Loenen.

Is aan de Kerk van Uitrecht gefchonken, door graaf Rotgar, A. 838; volgens Alting, Notit. 2 Part. 28 pag.

<blz 61 | 44>

Van haar gewagen Heda en Beka, op A. 1204 en 1428; behalven Melis Stoke, &c. maar ik meen wat anders te ſeggen.

A. 1705, wanneer men, den 16, 17, 18 en 19 Meert, te Breukelen, voor een nieuwen tooren een grondſlagh maakte, ſoo wierden, onder het graven, ondekt verſcheidene duyfſteenen tombes, 8, 10, ſomwylen 12 voeten lang en onder ſonder bodem. Sy lagen 5 of 6 voet onder de grond, met het voeteinde gekeerd naar het Ooſten. De ſteenen, 2 voet lang en 1 voet breed, waaren ongemetſeld, in ſeer vaſte kley, aan malkanderen geſet. De beenderen eindlyk, daar onder leggende; waaren als van de allergrootſte menſſen deeſer tyd. Dit weder uit de Aanteekeningen van Kornelis Kooten van Bloemſwaart.

2.7.51 BRIEL

BRIEL; gelegen in Vooren en Putten aan Helium, het derde en Suyder gat des Rhyns; als of gy woud ſeggen de Breê-hell. Boxhorn. Stedeb. 211 bl. Flud à Ghilde, over Kluver. 1 D. 37 en 42 bl. Junius, Batav. 493 pag. Guicciardin. Byvoegſel. 3 D. 142 bl. Parivall, Verm. van Holl. 140 bl. Handveſt Chron. 2 D. 14 bl. Slichtenhorſt, Gelders. G. 6 bl. De naam van deeſe uitwateringe vindge by Plinius, H. N. 4 lib. 15 cap. Siet ook Helium, beneden in H.

2.7.52 BRINIO

BRINIO; der Kaninefaten veldheer, Heer Bruin geheeten in de Saanl. Arkad. 44 bl. van deeſen gewaagd Tacitus. Hiſt. 4 B. 15 H. by de vertaalde Kluverius (Rhyns uitg. 1 D. 242 bl.) en de Handveſt Chronyk (2 D. 43 en 51 bl.) op deeſe wyſe: Onder de Kaninefaten (de Kennemers) was eenen ſtoute en malle dullaart, genaamt Brinio (dit is de vertaalinge van Van der Houven) maar hoog van geboorte. Synen vader had inſgelyks veel vyandige daaden beſtaan, vrymoedelyk beſpot de dwaaſe krygstogten van den keiſer Kaligula, ſonder ſtraffe. Hy dan van aart een vyand der Romeinen ſynde, hebben hier over de Kaninefaten een welgevallen in hem ſcheppende, hem opgeheven in een ſchild en hulde gedaan naar de maniere van die tyd; en hem gekooren tot hoofdman, &c. Siet ook Bokkenberg. in Civilis, 15 pag. en Van Someren, Batav. 10 H. 167 en 308 bl.

Dit opheffen in een ſchild ſiet ge in een print by Kluverius, in Germania Ant. en Kirchmeyer, over Tacitus, Germ. 12 cap. aanhaalende eenige Franſſe Schryvers; ſpreekende van Sigebertus, Chlodoveus en Gundebaldus, met de ſelve plechtigheid, op een ſchild geſet en voor Koningen uitgeroepen; behalven Caſſiodorus, Variar. 10 lib. in ſcripto regis Vitigis.

<blz 62 | 45>

Maar, ik ſou van deeſe Brinio wel gaan ſcheiden ſonder u ſyn portret mede te deelen. Sacht, vrienden! ſchoon het heden een algemeene dwaasheid is, de Gedenk-ſchriften met ydele en gewaande tronien en afbeeldingen op te proppen; geloof geene Brinio, geloof geene Civilis, geloof ook geene Arminius; hoe over konſtigh deeſe laatſte krygs-overſte, door ſekere Geleerde, op een medalie is gebracht.

2.7.53 Huys TE BRITTEN

Huys TE BRITTEN; in de verſtoppinge des Rhyns, by Katwyk, onder de duynen geraakt27, licht heden verdronken en is niet te ſien, als met een aflandige ſtormwind, uit den Weſten of Suyd-weſten28; de zee wegſtuwende en deeſe ruiinen ontblootende. Handveſt Chron. 1 D. 125 bl. Pars, Katw. 89 bl.

Het is, ſegh ik, aan den uitloop des Rhyns, Weſtwaard van Katwyk gelegen; ontrent de 300 roeden of 1600 ſchreden; ſynde net vierkant en hebbende aan yder ſyde 240 voeten. Scriverius, Batav. 11 bl.

Voorts, ſoo veel ik in de Schriften van onſen Landſtreek achterhaal, is het A. 1520, ontrent Kerſdag, met een ſtormwind, W. Z. W. ondekt en 2 dagen bloot gebleven; als wanneer men het ſelve by naar van 8 voeten hoogte ſagh in ſyn driedubbeld muirwerk, en 7 groote ſteenen, met Latynſſe opſchriften, daar uithaalde. Gemelde Pars, 89 en 93 bl.

A. 1552, op de dag van S. Pontiaan, heeft dit ſlot weder 2 voet hoog bloot gelegen; en toen is het, volgens de boven genoemde meetinge, vierhoekigh gevonden. Guiccardin. XVII Provinc. 3 Part. 140 pag. en daar ſyn ook ſwaare ſteenen uitgehaald. Junius, Batav. 10 cap. 202 pag.

A. 1562, bleef het meer als 20 dagen ſichtbaar leggen. Maar toen ging het op een plonderen. Deeſe kreeg fraaye penningen en deeſe aanmerkelyke ſteenen en wêer een andere ſeer ſchoon vaatwerk; in afbeeldingen te ſien by reedsgenoemde Scriverius, Junius, Pars en Guicciardin.

A. 1570, quam het, den 23 Januar. weder te voorſchyn; en men vond penningen, ſo ſilvere als kopere, van Severus, Karakalla, &c. by de aangetogene Schryvers afgebeeld.

Het ſelve ſou ik konnen ſeggen van A. 1588. 1662. 1666. 1672. 1696. &c. de Hollandſe Merkuir, &c. in welk laatſte jaar weder penningen van Sept. Severus, en Alexand. Severus, &c. ſyn opgegaard. Pars, Katw. 123 bl.

Soo verre van deeſe ruiine; nu wegens haar opſtand. Wiens werk is het geweeſt? wie de ſtichter? de Keiſer Severus; en <blz 63 | 46> heeft die ſyn armamentarium, oorlogstuyghuys of magaſyn, hier gehad? ik meene te konnen toonen (beneden in R. op Roomburg) dat die marmere voorhoofdſteen, waar uit dit moeſt worden beweeſen, te Roomburg, en niet hier is opgedolven.

Was het dan een blokhuys van den keiſer Klaudius? 't ſou 'er naar gelyken, en het ſyn de gedachten van Boxhorn. Stedeb. 219 bl.

Of ſoud ge 't ſyn voorſaat, dien gekken Kaligula, konnen toeſchryven? immers men weet wat gewoel 'er is onder de Latynſſe Geletterde, ontrent de plaats van Suetonius, in Caligula, 46 cap. Doch aldaar word niet geſprooken van de Hollandſe, maar van de Vlaamſſe zeeſtrand; op welke, ontrent Bologne, deeſe keiſer een tooren (noch te ſien en by de lieden aldaar the Oldman geheeten) heeft opgerecht. Soo willen Torrentius, Schildius, Pitiskus &c. ſchryvende over Suetonius: maar let, wat ik van Kalla terſtond u ſal mededeelen.

Eindlyk, waarom is het niet liever eene der 50 Kaſteelen van den veldheer Druſus, op de binnenboort des Rhyns geſet; volgens Florus, Rooms. Hiſt. 4 B. 12 H. Kluverius, Rhynmond. 1 D. 300 bl. by Van Leeuwen, Leid. 456 bl. en dit ſelve ſal ik ſoo lang blyven geloven, tot dat my daar voor van de Schoolgeleerde iets beters in de hand worde geſtopt.

Maar ondertuſſen verwondere u niet over de giſſingen ontrent de ſtichter; ſelf de naamreden is oorſaak van veelerhande kibbelingen.

Meergenoemde Van Leeuwen (Batav. 48 bl. en Leiden, 454 bl.) tegens Kamdenus ſtrydende, is van gedachten, dat dit ſlot al lang de naam heeft gehad van Brittenburg, eer dat het eiland Albion wierde geheeten Brittanje.

Pontanus geloofd by Flud à Ghilde (over Kluverius, 1 D. 306 bl.) dat de naam is voortgekomen van het herba Brittannica, op de Frieſſe bodem groeyende, naar de getuygenis van Plinius, H. N. 25 lib. 3 cap. Merk hier in het verbygaan aan, het waare herba Brittannica geen lepel-blad te ſyn; gelyk gy daar in klaarlyk word onderrecht, van Abrah. Munting, lib. de Herb. Brittannica.

Maar de Naamreden daalt van het woordeken brit. Doch ſie gemelde Munting, van brit en briten, britſe en britſen, brik, &c, alles buiten myn kraam; en dieshalven wys ik de liefhebbers van het woordeknabbelen naar die geene, welke <blz 64 | 47> hedendaags de Nederduytſſe Letterkunde geloven in 'er handen te hebben, en alſoo de lapis van onſe Taalregelen alleen te beſitten.

Wat nu eindelyk een afteekeninge van dit Huys betreft; tot noch toe vindenwe geene als by Scriverius, Van der Houven, Soeteboom, Junius, Guicciardyn, en Pars, &c. doch alle ſynde naar het ſelve voorbeeld. Siet hier dan een opſtand, in een overgeefligh Geſichtje, naar den omtrek van het geſeide voorbeeld, op myn begeerte en aanhouden, uitgevonden, door J. Goeree.

Hoe? kan ik hier dan niet afſcheiden! en is me dit ſoo een bekoorlyk voorwerp? Oudaan weerhoud my, toonende dat Brittenburg niet op den uiterſten oever des Rhyns heeft geſtaan; nademaal, buiten deſelve, nu wel een half myl in zee, ook een toren is geweeſt, met geboomte omringd. Eiſt ge bewys? de viſſers getuygen dat ſy ſomtyds aldaar, met haaken en ſchuifbomen, op een ryſend muirwerk ſtoten en aan de oude ſtronken van boomen haare netten in ſtukken ſcheuren. Oudaan. Room. Moogenh. Inleid. 19 bl. Ja, de zeeluyden en gemelde viſſers noemen deeſe plaats Kalla; ſeggende ſy te dryven op en over de toren van Kalla; dat quanſuis dan, by verkortinge ſou weeſen, Kaligula. Deſelve, op het ſelve bl. ſyner Inleydinge. Ondertuſſen kunt gy van dit Krygsgebouw, behalven de aangetogene ook naaſien, Buchelius, over Heda, 55 en 61 pag. Parivall. Verm. van Holland, 86 bl. G. Brand, over Batoos Vertoningen, 296 bl. Pighius, in Hercule Prodic. 45 pag. behalven Ortelius, Douſa, Wachtendorp, Goudhoeve, Van Spaan, en noch meer andere.

En hier ſullenwe de redenvoering over deeſe Roomſſe ſterkte ſluyten; doch echter nevens de woorden uit Vader Vondels geſprek met de Rhynſtroom.

Al is uw eene keel verſand, Die 't Huys te Britten plag te ſchaven, Dat nu verdronken leit op ſtrand, De Lek en Yſſel (doorgegraven) Vergelden dubbel deeſe ſchâa, En leiden u, met hooge dykken, In zee, op dat uw ongenaa De vlakke beemden niet kom ſtryken, Met magt van regen en gewelt Van ſneeuw, dat in de ſonne ſmelt.

2.7.54 BROEKHUYSEN

<blz 65 | 48>

BROEKHUYSEN; anders Darthuyſen, gelegen tuſſen Doorn en Leerſſum, in het ſticht van Uitrecht; van welke niets van eenigh belangen. Ik ſou het ook dies wegen hebben overgeſlagen, indien ik de Afbeeldinge van dit Heeren Huys onder die van Rochman niet had gevonden.

2.7.55 BROUWERSHAVEN

BROUWERSHAVEN; een ſtad in Zeeland, op het eiland Schouwen, ſiende naar het land van Goeree; die ik mede gaaren ſou verby gaan (gelyk geene of weinige Zeeuwſſe ſteden hier ſullen worden aangeroerd) maar ik gebruikfe alleenlyk wegens de vermaarde veldſlagh, tuſſen den hertogh van Gloceſter, broeder van koning Henrik de V, de derde man van Vrouw Jakoba en hertog Filip van Burgondie; A. 1426. alwaar Filip, wel 3000 Engelſſe verſlaande, verwinnaar bleef van de ongelukkige Jakoba. Smalleganges Chronyk van Zeeland, 1 D. 5 B. 2 H. 608 bl. Hadrian. Hofferus, in een Latyns Lofd. Oudenhove, voor Scriverius, 412. bl. Scotanus, Fries. Geſchied. 298 bl. Batav. Arkad. 213 bl. Goudhoeve, 450 bl, Balen, Dortſſe Chron. 772 bl. &c.

2.7.56 BRUCTERI

BRUCTERI; Duitſſe volkeren; doch waar toch neergeſeeten? by Weſel, in het graafſch.29 Sutfen, ſegt Van Leeuwen, Batav. 91 bl. in Munſterland, ontrent de Lippe, ſegt weder Junius, aanhaalende Strabo (7 lib. Geogr.) Batav. 600 pag. en met hem is Kirchmeyer, over Tacitus (Germ. 33 cap. 362 pag.) gebruikende Pontanus, Limneus en Berneccerus, &c. Alting (Notit. 1 Tom. 19 pag.) verdeeltſe in Kleene en Groote; en plaatſtſe van de oorſprongen van Lippe en Eems tot aan den Rhyn en de Druſiaanſſe gracht. Siet ſyn 5de Landkaard. Ja, volgens Klaudianus (in het lofd. over het 4de burgermeeſterſchap. van Hon.) ſoudenſe ſelf Hercynia Sylva, anders het Swarte Waldt, ten deele beſlaan.

2.7.57 BRUIDEN

BRUIDEN; van deeſe en het afkoopen van het eerſte nachtje, ſal men handelen in de Letter T. onder het woordtje, Trouwen.

2.7.58 BUIREN

BUIREN; in haar eigen graafſchap, tuſſen Tiel en Kuilenburg, in Gelderland, aan de Meule-gracht, ontrent de Lingeſtroom.

Heeft een ſchoone burg (gelyk men ſiet in de Teekeningen van Rochman) met 4 torens en 3 grachten. Was al in weeſen ontrent A. 1145, doch A. 1463, is hertog Arend van Gelder door ſyn ſoon Adolf alhier opgeſlooten. Kemp, Gorkom, 318 bl. Junius, Batav. 235 bl. Slichtenhorſt, Gelder. Geſch. 51 bl. by wien het wel is te pyne waard te gaan leeſen, <blz 66 | 49> hoe onverwacht deeſe eenige ſoon, op het ſlot te Grave, op het einde van een vrolyk nacht banket, ſyn vader gevangen nam; hoe hy den ſelven, pas half gekleed, naar Lobek voerde, en eindlyk alhier, voor wel 6 jaaren, verſekerde; hy ſelf nu ſynde hertog gehuldigd. Siet ook Bokkenberg. in Dynaſt. Egmond. 115 bl. en Goudhoeve, 474 bl.

2.7.59 BULGERSTEIN

BULGERSTEIN; wel eer een ſwaare ſterkte; doch wiens geheugenis heden is verſmolten in den omtrek van de ſtad Rotterdam. A. 1573, kon men van deſelve noch eenige ruiinen bekennen op een ſandplaat, in de Maaſe. Van Spaan, Rotterd. 225 bl. Junius, Batav. 523 pag. maakende ook wegens ſeekere Bulgaar een naam reeden, maar die my niet kan behaagen. Goudhoeve, 83 bl.

2.7.60 BUNSCHOTEN

BUNSCHOTEN; in het Sticht van Uitrecht, ten aanſien van Naarden, aan geen ſyde de Eem, beneden Amisfort, wel eer Hegenſchooten genaamt.

Was een ſtedeken, ten tyde onſer voorouderen, A. 1428, van muiren ontbloot en tot een open vIek gemaakt; te weeten door die van Uitrecht, om datſe, in den opgereeſen oorlogh, hertogh Filip aanhingen. Matheus, de Nobilitate, 3 lib. 819 pag. en in de Notæ over Amisfurt, uit een Neerduyts geſchrifte, 292, pag. Theodor. Verhoeven, beſchr. van Amisf. 34, 35 en 292 bl.

Hier geſchiede, A. 1355, een gevecht, tegens de Hollanders (in den veldtogt van gr. Willem de V, tegens den bisk. van Uitrecht, Jan van Arkel) in welke 70 Bunſchoters wierden ter neder gehakt. Kemp, Arkel, 85 bl. en Goudhoeve, 391 bl.

2.8 C

C

2.8.1 CHIMELOFARA

CHIMELOFARA; een watertjen, in Frieſland, of eigentlyk een langwerpigh meirtje, de Fluyſſen heden geheeten, of de Hemelummer Vaart, by Stavoren. Siet het beneden, in R. by de Rieviertjes.

Het word in een Vergunſchrift, van A. 986, ſoo geheeten by den Hr. Alting, Notit. 2 Part. 36 pag. en hy toont het in de 9 Landkaart; nevens Chimelum, een ſeer oud dorp, nu bekend met de naam van Hemelum.

2.8.2 CHRISTENDOM

CHRISTENDOM; deeſe poſt wil ik graag de Geeſtelyken overgeven, en te liever om ook niemand in eenige geſindheid te benaadeelen. Alleenlyk luſt me maar te ſeggen dat de allereerſte Kruisgeſanten in Frieſland ſyn geweeſt:

<blz 67 | 50>

Eligius, onder de koningen van Frankryk, Chlotarius, Dagobert en Clodoveus de II. Matheus, de Nobilitate, 2 lib. 180 pag.

Wilfrid; onder de Frieſſe kon. Adalgiſus. Deſelve Matheus, uit ſeer oude Schryvers, 182 pag.

Vorders Wikbert, Adelbert, Egbert, Woltram, Wilebrord, Bonifaas, &c. Deſelve, uit Heda en andere oude, 182 bl. nevens V. Leeuwen, Batav. 10 H. 387 bl. Oudenhove, Suyd Holl. 427 bl. Pars, Katw. 269 bl. Van Royen. over Verſtegen, 158 bl. Gabbema, in de Levens van Wilebrord, Bonifaas en Aalberik; behalven de Kerkelyke Hiſtorien, van Jak. Baſelius, Georg. Hornius, &c.

2.8.3 CLAUDIUS CIVILIS

CLAUDIUS CIVILIS; een Batavier van Koninglyken bloede; hebbende maar eene oogh; doch die ſyn dapperheid, tegens het geweld der Romeinen, in verſcheidene veldſlagen, genoegſaam heeft getoond. Bokkenbergh, uit Tacitus, u ſyn geſlacht, en daaden omſtandelyk ophaalende. Junius, Batav. 12 cap. 240 pag. Handveſt-Chronyk, 2 D. 4 B. 1 H. 50 bl. V. Someren Batav. 12 H. 306 bl. Kluverius, Rhynm. 1 D. 51. bl.

Siet hier nevens eenige ſtaaltjes, ſelf uit de gemelde Hiſtorien van Tacitus.

Hy was, van een Koninglyk geſlacht ende broeder van Julius Paulus. Hiſt. 4 B. 13 H. Roept ſyne landſluyden by een in het geheiligdwoud. 14 H.

Vecht tegens de Roomſſe legerhoofd, Labeo. 4 B. 66 H. Stryd tegen Cerealis. 5 B. 15 H. Wint Santen. 4 B. 60 H. Neemt Gelduba. 36 H. Maakt een verbond met Klaſſicus, Tutor en Sabinus. 55 H. Spreekt, met Cerealis op de afgebrooken brug. 26 H. en terwylen, na dit Hoofdſtuk van Tacitus, het overige is verlooren, ſoo konnenwe verder niet ſeggen, welke de uitſlagh van ſyn leven is geweeſt.

2.8.4 CYS

Het Huys CYS; anders Berendrecht, in Rhynland, aan de Vliet, by Lammen, in de ambachte van Soeterwoude. V. Leeuwen, Rhynl. Koſtuym. Inleid. 37 bl.

2.9 D

D

2.9.1 DAMIATA

DAMIATA, een zeeſtad in Egipte, aan eene der 7 uitgangen van den Nyl. Naar het algemeen ſeggen, van Kluverius &c. ſou dit het oude Peluſium weeſen: maar Cellarius, Geogr. noſtri Temp. 26 H. 391 pag.) bewyſt het <blz 68 | 51> binnen en niet buiten de delta, dat is, den driehoek van de Nyl gelegen te hebben.

A. 1219, ſouden hier de Haarlemmers, in de vloot der Chriſtenen uitmuntende, een yſere keeten, met een ſaag gebrooken en ſoo de toegeſlooten haven geopend hebben.

Dit geloofde noch onlangs by naar de geheele wereld. Hoor ſelf Anto[n]ides deeſe daad uitfchreeuwen, Yſtroom, 4 B. 106 bl. daar hy van het Sparen is ſpreekende:

Nu wil hy ſich alleen de braave heldedaaden Erinneren, hy kan ſyn luſten niet verſaaden Wanneer hy ſich verbeeld, hoe 't Sparen, trots van moet De ſaag30 klinkt voor den boeg en barſtende in den vloed, Ten bitteren verwyt der Chriſt'nen uitgelaaten, De havenketen ſcheurt van 't machtigh Damiaten, Streeft over over ſchakels en draaiboom van den Nyl. Gelyk Hippolite met de Amazoonſſe byl Den ſnellen Termodon, gewelft met marm're vloeren, Plach op te byten, en haar leger door te voeren. Aldus hangt Haarlem noch het Graaffelyk geweer In 't midden van 't geſternt, tot onverwelkbaare eer.

Aan dit gevoelen ſteken hun ſegel Wachtendorp, Rymchron. 6 B. Ampzing, Haarl. 155 bl. Vondel, in den Opdragt van Joh. den Boetgeſant. Parival, Vermaak van Holl. 118 bl. Scotanus Frieſſe G. 98 bl. Oudenhove, Haarl. Wiege 23 H. 81 bl.

Maar heden ſiet men verder. De Hiſtorie moet haar bewys hebben of het is een koud praatjen en een onnoſel vertellingje. Wat is dat? ja gewiſlyk, gy word miſleid, van die onbedachtelyk verwarren en onder een mengen, het veroveren van het Syriſſe Akon of Ptolemais, A. 1191; en het beleg van het Egiptiſſe Damiata. Buchelius, over Beka, in Balduino, 29 epiſc. 75 pag. en Heda in [c]od. 181 pag. Scriverius (van geboorte een Haarlemmer,) in gr. Willem de I, by Goudhoeve, 299 bl. M. Alting, Friſiæ, 2 T. 81 pag. J. Flud à. Ghilde, over Kluverius. 2 B. 188 bl. en allerbeſt Van Leeuwen, Leiden 332 bl.

Evenwel is het ſpreukjen niet alleenlyk over oud; maar word ook van het gemeen te Haarlem, voor een vaſt gegronde waarheid aangenoomen: ja, ſoo ſeer, dat aldaar de jongens jaarlyks, op den 1. Januar. ter gedachtenis door de ſtad, <blz 69 | 52> ſcheepjes plachten om te dragen. Screvelius, Haarlems Beſchryv. 278 bl. Junius, Batav. 434 bl. Hegenitz. I[ti]n.31 Friſio-Hollandic. 86 pag. Kemp, Gornich. 26 bl. en Flud à Ghilde, over Kluverius, 2. D. 190 bl.

Uit welke gewoonte ook aldaar een ſpreekwoord is oorſprongkelyk, ontrent een ſchoone jongen: 't is een manneken om op een praauw te ſetten; dat is, het is een mooy knechtje, waardigh om uit gekipt en in den ommegang op de praauwen, by de ſaag-ſcheepjes, gebruikt te worden. Sie de genoemde Screvelius.

2.9.2 DEKKLEEDEN

DEKKLEEDEN, dit ſtel ik alleenlyk hier ter neder, om dat boven genoemde Korn. van Alkemade een aanmerkinge maakt ontrent de Graaffelyke Munten; te weeten, dat de paarden aldaar cierlyk afwaayende dekkleden hebben, ſedert Willem van Dampiere, de ſoon van Willem van Dampiere en vrouw Margareta van Konſtantinopolen. Sie Vredius, Sigill. Comitum Flandr. 39 pag. by hem, in gr. Jan de II, 66 bl.

Met duſdaanige dekkleden ſie ik de paarden opgeſchikt in de tornooiſpelen of het lancie-breeken; door keiſer Henrik, in Saxen, ontrent A. 934, ingeſteld. Munſterus, Coſmographiæ, 3 lib. 744 pag. daar nevens voegende 12 Voorwaarden; van welke was de allerlaatſte, dat die in het ſpel wilde treden, moeſt bewyſen dat hy uit edele ouderen was gebooren, en dat hy uit 4 grootvaderen ſyn adelyk huys bewees. Ja, dit ging ſoo verre, dat geen edelman mogt komen tornooyen, indien hy mogelyk aan een boerin of burgers dochter was getrouwd; welk verbod ſelf tot in het derde lit ſich uitſtrekte.

Ondertuſſen geeft ons ook gemelde Munſterus een lyſt van 36 tornooiſpelen; tuſſen A. 934 en A. 1487; onder verſcheidene hertogen, graven en marquiſen, in Frankenland, Saxen, Swaben en Beyere.

Deeſe ſteekſpelen ſyn eindelyk buiten gewoonte geraakt; eenſdeels om dat den adel ontaarde, ſoo in de kracht des lichaams, als in de gaven des gemoeds. Behalven dat ook het gevaar dit moeylyk tyd verdryf verſchriklyk maakte. Siet alleenlyk Henrik de II, koning van Vrankryk? hoe bequam hem het rydſpel A. 1559; te Parys? hy had nu verſcheidene lancien met een behendigheid, gebrooken; maar hy moeſt noch eens, en wel voor het laatſt, een proef van ſyn krachten neemen? en hoe viel dit uit? hy ſteekt tegens den gr. van <blz 70 | 53> Montgomery, met een open helm. De lans van de graaf breekt op het koninglyk borſtwapen, en de graaf ſtoot hem, in die vaart, met het behouden ſtuk boven de winkbrauw van het rechter oog. Dit geſchiede den 30 Junii, en koning Henrik overleed, ſonder naa de val ſyn kennis en ſpraak weder te krygen, den 10 Julii. Mezeray, in Henr. de II, 316 bl. nevens ſeekere Franſſe Medalie, van koning Francis de II; hebbende, rondſom een gebrooken lancie, deeſe woorden: HINC DOLOR, LACRIMÆ HINC. Hier uit hertſeer! hier uit traanen!

2.9.3 DELF (Fivela)

DELF; anders ook de Fivela, het watertje by Wierum, in Groningerland; met een opgravinge vernieud, en eindigende, by Delfſyl, in den Dollaart; na dat het te vooren by de ſoo genaamde Embderhaven, door ſlip en modder was verſtopt en in een vette brok lands verſchept.

Heden noemt men aldaar de ſaamgevoegde ſluyſen de 3 Delfſylen, van welke de bekendſte Dorpſterſyl. M. Alting, Notit. 2 Part. 43 pag.

2.9.4 DELF (Holland)

DELF; hoor u deeſe ſtad, de derde van Holland, ſelf aanſpreeken, by mêer aangehaalde Konſtant. Huygens.

'K ben tweemaal dat ik ben, ſints dat ik 't eenmaal was. En eens myn muiren heb ſien wentelen in de aſſ: Maar dank heb 't vagevuir, ik ben 'er door gereeſen, My ſelven dubbel waard; het overkoolde weeſen En komt my niet van daar, ſoo moet de kuipe ſien Die vriend en vreemdeling moet laven en beſien. 'K heb groote Wilm gehuyſt ſoo lang 't de moorder doogde, Die my en myn gebuirt verraderlyk ontvoogde; Maar, Spanje, 't baat u niet; ik heb de ſchâa geboett, En voor een ſulken vâar een ſulken ſoon gevoed.

Ontrent Delff ſyn aan te merken, de naamreden, de ſtichter, de krygsgevallen, het watertje de Vliet, en het klooſter Koningsveld.

De naam neemt ſyn oorſprong van delven, graven en ſpitten; te weeten van de gracht van het Roomſſe legerhoofd Korbulo, van deeſe ſtad tot in de Maas geleid. Bleiswyk, Beſchr. van Delf. 42 bl. en in de Nareden, in het begin.

De ſtichter was (haar naam is echter veel ouder) Govaart met de Bult, de graaf van Holland, de ſelve met een muir beſluytende en met een ſlot verſterkende, ontrent A. 1075; na dat hy, <blz 71 | 54> ſteunende op Willem, de 21ſte biskop van Uitrecht, Robbert de Vries (de voogd van Diderik, ſoon van graaf Floris den I) ſyn geheele heerſchappye hadde ontweldigd. Boxhorn. Stedeb. 123 bl. Van deeſe Bultenaar ſal men ſpreeken in de letter G.

De Vliet is, ſoo nu de meeſte gevoelen, de gracht van Korbulo; van welken in de letter K.

Wat de krygsgevallen betreft; ſy is, van graaf Albrecht van Beyere belegerd, en na den overgaaf van kaſteel en muiren wêer ontbloot; gelyk wy boven aanteekenden, in den letter A, op Albrecht.

Maar A. 1536, is de ſtad, by ſeeker toeval, ten eenemaalen afgebrand; het geen ook Huygens boven aanroerde. Boxhorn. 158 bl. en Bleiswyk, 128 bl. behalven Guicciardin, Parivall, Junius, en andere beſchryvers onſer Steden, boven reeds genoemd.

A. 1584, wierd hier Willem de I. prins van Oranje, moorddadigh doodgeſchoten volgens het bovengeſtelde Klinckdicht, behalven Hoofd, Meteren en alle onſe Vaderlandſe Hiſtoriſchryvers.

Van Koningsveld beloven wy te ſpreeken, in de letter K.

2.9.5 DELFSHAVEN

DELFSHAVEN; gelegen onder de ſtad Delff, tuſſen Rotterdam en Schiedam, aan de Maas. Bleiswyk, Delff, 66 bl. Junius, Batav, 437 bl. Boxhorn. Stedeb, 343 bl. Parivall, Oudenhove, voor Scriverius, &c.

Is, met bewilliging van graaf Albrecht, A. 1404, door die van Delff aangelegt; doch A. 1488, door de Hoekſſe ballingen, onder Heer François van Brederode, verbrand. Bleiswyk, 66 bl. en reedsgenoemde Boxhorn.

2.9.6 DEENEN

DEENEN; welke, gelyk veel andere volkeren, uit het Noorden tot in onſe landſtreeken ſyn nedergedaald, en ook eenigen tyd ſich hier hebben opgehouden. De ſchryvers toonen ons haar nagelaatene voetſtappen en overblyfſelen; de Dennewegh in 's Gravenhage, het Deenen huys ontrent Breda en Demmerick in Amſtelland. Sie de Saanl. Arkad. uit Junius, en andere, 273 bl. Junius, Batav. 324 pag. uit Regino. Boxhorn. Stedeb. 5 en 6 bl. Oudaan, Rooms. Mogenh. 17 bl. Slichtenhorſt, Geld. Geſchied. 11 bl. Buchelius, over Heda, uit Sigebertus en der Franken Jaarboeken, 31 pag. Oudenhove, Inleiding tot de Graven, 1 bl. Van Leeuwen, Pontanus, &c.

De tyt van deeſe optogt der Deenen naar Nederland, blyft <blz 72 | 55> geheel twyfelachtigh; eenige die ſettende op A. 682, maar andere, op A. 837; weder andere, op A. 884. Gemelde Boxhorn. 5 bl. het houdende met de laatſte ſtelling, als ſynde van Regino.

2.9.7 DEVELSTEIN

DEVELSTEIN; van welke Rochman ons 2 geſichten mededeeld. Was wel eer gelegen in Suyd-Holland, in Swyndrecht, aan den Devel, op een hooge werf; volgens de grondſlagen, van ſeer dikke muiren. Is, A. 1572, door de Spaanſſen, op het inneemen van den Briel, verlaaten en afgebrand; doch, A. 1594, by den Heer Willem de Beveren, &c. weder geſuivert, vernieuwd en verbeterd. Oudenhove, S. Holl. 233 en 412 bl. Boxhorn. Stedeb. 95 bl. Goudhoeve, 78 bl, Meurs, XVII Provinc. &c.

2.9.8 DEVER

DEVER; een ridderlyk Stamhuys in Rhynland, by het dorp Liſſe, al lang verdweenen; doch wanneer de Liſſer poel wierde bedykt, vondmen in de ringſloot noch de ruiine van een achtkantige tooren; helaas! het eenigſte overſchot van een wel eer bloeyend Huys te Dever. Van Leeuwen, Rhynl. Koſtuym. Inleid. 34 bl.

2.9.9 DIDERIK de Eerſte

DIDERIK de Eerſte; op deeſe wyſe ſpreekende, by meergenoemde Oudaan:

'K ben de eerſte Diderik; wie ſal my 't huys geleiden? 0 Roomſſe en Duitſſe vorſt! twee Kaarels! wie van beiden Of ik, als leenman, 't leen verheergewaden moet? Die Deenen 't zee ſagh gaan te mond van de Eggervloed. Wie kan te recht myn eind van ryk en leven weeten? Is ſeeker diens gebied niet wyd en ongemeeten, Die aanvang van geſlacht, noch overheer, noch end Noch paal van heerſchappy, noch wet van heerſſen kent?

Deeſe graaf is ontrent ſyn geflacht en overlyden onbekend en mogelyk geheel verdicht. Scriverius, by Goudhoeve, 239 bl. Eindius, Chron. Zeland. 2 lib. 156 pag. Matheus, de Nobilitate, 1 lib. 30 cap. en over het Egmonds Chron. 172 pag.

Dus valt dan in duygen de Donatie of gifbrief, van A. 863, waar mede, koning Karel Kaalkop of liever Karel de Simpele, deeſe landen (waar aan hy geen eigendom had en niet het minſte recht) aan den ingebeelden landbeſtierder ſou hebben opgedragen; quanſuys toen de Deenen en Noordmannen Friesland quamen overſtroomen. Boxhorn. Stedeb. 59 bl. Scriverius, by Goudhoeve, 236 bl. Van Leeuwen, Leiden, 37 bl.

<blz 73 | 56>

Voorts geven ſy aan hem een regeering van ontrent 40 jaaren; een vader, Sigebert, hertog van Aquitanie of graaf Gerolt liever; een vrouw, Gena, Pipyns dochter, ſoo ſe ſeggen en niet konnen bewyſen; ſtellende ſyn overlyden op A. 903. 't Goudſſe Chronykje, 18 bl. Boxhorn. Stedeb. 61 bl.

Immers de grootſte bewysreden van die de Donatie verwerpen, beſtaat hier in, datſe toonen, in Holland en in Zeeland, voor deeſen Diderik al graven te ſyn geweeſt. Matheus, de Nobilit. 1 lib. 29 cap. ex Annalibus à Pithæo editis, ad A. 836. Annal. Bertinianis, ad A. 850.

Eindlyk kontge ſyn Afbeeldinge naar konſt en naar waarheid, vinden by de meergenoemde Scriverius en de Melis Stoke van Alkemade; die ik niet verder hier ſal aanhaalen, als vertoonende ook alle de volgende Graven.

2.9.10 DIDERIK de Tweede

DIDERIK de Tweede; ſeekerlyk een geheel verdichte graaf, en deswegen ook wel 85 jaaren regeerende. V. Leeuwen, Batav. 1370 bl. en Leiden, 383 bl. Eindius, Zeland. Chron. 156 bl. Scotanus, Frieſſe G. 77 bl.

Voorts worden hem, van Oudaan, deeſe woorden in de mond gegeven:

Noch ſwankend tuſſen twêen, ik Diderik de Tweede, Uit welke ſtam ik hier de mogenheid bekleede, Beneemt men my de roem der Frieſſe veldſlag niet, Daar in ſint Laurens eer ik 't Kerkje ſtichten liet Te Rhynsburg op het hof: die te Egmond ſteenen wanden Om 't houte wykhuys lei, daar eerſt den Noorman lande; Toen was 't een mon'ken hof, dat geinſters weeren kon. Wat uchtendtydgenoot ſag 't dalen van myn ſon?

Deeſe Diderik, des eerſten ſoon, liet te Egmond, ſyn vaders houte Klooſter, door de Frieſen vernield, met ſteen weder optimmeren. Scriverius, by Goudhoeve, 244 bl. Melis Stoke, 15 bl. &c.

Oorlogde met de Frieſen, weigerende hem te erkennen. Sloeg de ſelve en dwong ſe tot ootmoed en ontſagh, haar opleggende aan haar huyſen laage deuren te maaken, op dat ſy in den ingang bukkende dachten onderdaanen te ſyn van hun wettigen heer. Alkmaars. Beſchryv. 11 bl. Vronens opg. en onderg. 70 bl. behalven Scriverius en Goudhoeve.

Hy ſloeg ook de Frieſen by Rhynsburg, ontrent Leiden, en deede, na de verwinninge op het ſlagveld ſetten een Kerk voor <blz 74 | 57> S. Laurens; naderhand, door gravin Petronella in een nonnekonvent of klooſter verſchept. De Gouwenaar, 20 bl. buiten de reeds genoemde.

Hy ſtierf, ſeer hoog van jaaren; gelyk boven is aangeweeſen. Maar Van Leeuwen ſpot met die lieve rekenmeeſters (Leiden, 384 bl.) die ſich in de tydrekeningen meerendeels ſoo gekkelyk miſgrypen.

2.9.11 DIDERIK de DERDE

DIDERIK de DERDE; van welken Oudaan aldus:

Nu word het keiſertwiſt 't geen voormaals myters raakte, Toen derden Diderik ſyn veld en ſterkte maakte Op Thuresſoverdrecht, daar jagt en viſſery Met Herbert, Adelbolt gebruikte, vrank en vry. Hy wil uw moogenheid, maar niet als leenman, kennen, 0 Henrik, die hem praamt met Govert van Ardennen. Hoe een geharnaſt man te ontginnen, hoe in 't riet Een laag; leert Goverts boey en 't woord: vliet ! Heeren, vliet!

Hy was de 4de graaf van Holland, Arnouts ſoon. De Weſt Frieſen weigerden hem te erkennen. En hier uit rees een oorlogh. Gelyk 'er mede een tweeden opſtond tegens Adelbold, de eerſte onder de vechtende biſcoppen (ſiet boven, in Biſchoppen) die de Frieſen had aangehitſt. A. 1018, ſloegh by deeſen Adelbold tuſſen Swammerdam en Bodengrave, en weder eenige weeken daar aan, ontrent deſelve plaats, ving hy hem in een tweeden veldſlagh. Toen keerde hy ſich tot de Ooſt-frieſen, en onder het ſlaan verhief ſich een ſtem; vliet! vliet! vliet! welke de Hollanders deede vluchten. Doch de graaf hervatte ſyn krachten, ſloeg de Frieſen by Heyloo, en verwonſe; rovende en brandende daar op hun dorpen en huyſen. Toen ging hy naar Jeruſalem om het heiligh Graf te beſoeken. Gekeerd ſynde, brocht hy in ruſt ſyn dagen door, ſtervende, A. 1039, in het 46 jaar ſyner regeering. Melis Stoke, 25 bl. De Gouwenaar, 26 bl. &c. behalven Boxhorn. Stedeb. 62 bl. ook van veel onſeekerheden in de tyden onder deeſen Diderik meldende; gelyk mede Eindius, Zeland. Chron. 2 lib. 157 pag. &c.

2.9.12 DIDERIK de Vierde

DIDERIK de Vierde was de ſoon van graaf Diderik den Derden. Als 'er A. 1018, te Luik een tornooy of ſteekſpel was beroepen, verſcheen hy mede daar. Doch ſiet hier een geval; hy doorſteekt de broeder van den biskop van Luik en Keulen. De grooten ſtaken hunne hoofden ſamen. Diderik ontweek de wraak en vertrok met de ſyne, in het heimelyk. Binnen Dordrecht ſynde, verbrande hy de ſchepen <blz 75 | 58> van Luik en Keulen. Nam veel kooplieden gevangen. Syn vyanden vervolgden hem en quamen, onder de markgraaf van Brandenburg, voor de ſtad. Noch meer, met verraad raakten ſy binnen. Doch de graaf ook, en men vocht ſelf in de nacht. Hy won en de Overlanders liepen wegh of ſe verſtaken ſich. 'S morgens wilde Diderik ſich wat vertreden, maar onder het wandelen word hy, in een nauw ſtraatje, in ſyn heup gequetſt, met een pyl, ergens uit een venſter komende; A. 1048, na 9 jaaren regeerens. Het ſtraatje heet noch heden het Grave-ſtraatje. Oudaan, in deeſer voegen:

Des biſſchops ban en 't veld behouden hecht en heldigh By vader, brengt weer af den keiſer ruim ſoo weldigh, Hy neem vry Fladirting; graaf Didrik werd vermaard In watermagt en ſlaat den vyand in den ſtaart. En werd myn Thuredrecht door troubreuk overrompeld, Dat 's voor een kleene tyd. Word hier een pyl gedompeld In 's vierden Didriks bloed, dat brokt my de oude veet Die van de manſlacht niet van 's biſſchops broeder weet.

Maar hier is een maar! Hermanus Contractus (een goed ſchryver) verhaald dat hy in een fellen winter, door 3 biskoppen aangerand, in een veldſlagh ſneuvelde, in het land van Flardingen. Sie hem, by Scotanus, Frieſe G. 84 bl. alwaar ook Diderik geen graaf van Holland maar markgraaf van Flardinge word genoemd.

Niet te min men houd ſich aan het algemeen gevoelen; gelyk voornaamlyk Balen, Dordr. 699 bl. nevens een onbeſuyſde en wilde konſtplaat, vol onwaarheden, van Romein de Hooge; behalven Melis Stoke, Scriverius, Goudhoeve, de Gouwenaar, en andere meer als eenmaal aangetogen, en Samuel van Hoogſtraten, in ſyn Treurfpel, Dieryk en Dorothée ofde Verloſſinge van Dordrecht, A. 1666 uitgegeven.

Maar eer ik aftree van deeſen Diderik, ſiet hier noch een uitgeleſen aanmerkinge, meergenoemde Alkemade ontleend.

  1. Alle de graven, op de Stads-huys ſaal van Haarlem, die door Alkemade nevens Melis Stoke ſyn geplaatſt, ruſtende op haare ſwaarden, ſyn ook geruſtelyk op haar bed geſtorven; als de Diderikken, de I, II, III, V, VI, en VII, &c.
  2. Die in het harnas ſich vertoonen, met opgeheven ſwaarde, ſyn in den oorlogh of gewaapenderhand geſneuveld; als Arnout, Floris de I, Willem de II, Floris de V, &c.
  3. Floris de IV heeft over ſyn aanſicht een toegeſloten helm; om dat hy in een ſteekſpel is omgekoomen.

    <blz 76 | 59>

  4. De Bultenaar is de eenigſte met een ſpiets gewaapend; om dat hy, op de heimelykheid ſittende, met ſoodanig geweer is doorregen.
  5. Jan de I is de eenigſte onder de graven, ongewapend; om dat hy, geen ridder geſlaagen, ſonder ridders naam is overleden.
  6. Willem de VI word geſien blootbeens, om dat hy van een windhond gebeeten, aan een quaad been is geſtorven.
  7. En dus houd deeſe graaf Diderik (doch by de Gouwenaar, niet by Stoke) een pyl in ſyn rechterhand; om dat hy door een verraderlyke pyl is aan ſyn dood geraakt.

2.9.13 DIDERIK de Vyfde

DIDERIK de Vyfde; van welken dus Oudaan.

De Trechtſſe myterdrigh, op 't ſlot van Yſſelmonde, Dat met ſyn nederlaag ſtort plotſeling te gronde, My opent dus de poort, en een geruyme baan, Om ſegepralende eens myn vaders erv' te ontfâan. Veel ſlagen uitgeſtaan leert harden, het verlieſen Verwonnen ſtreeld de ſmaak des vyfden Dirks. ô Frieſen! Uw' wederſpannigheid wierd eindlyk, met veel bloed En ſilver, na 't beleg van Stavoren geboet.

Deeſe is de tiende graaf en wel de allereerſte, die den titel van Graaf van Holland heeft aangenoomen. Douſa, 10 lib. Annal. Scriverius, by Goudhoeve, 268 bl. Vronens opg. en onderg. 2 B. 36 bl. Matheus, ad Egmondens. Chron. 189 pag.

De ſoon van graaf Floris de I en vrouw Geertruid van Saxen, naderhand aan Robbert de Fries hertroud.

Onder ſyn daaden munt uit het belegh van Yſſelmonde, A. 1076, gebeeten op Koenraad, de 22ſte biskop van Uitrecht, quam hy, met Robbert ſyn ſtiefvader, voor dit ſlot, De biskop riep om byſtand. Daar quamen hulptroupen uit het Sticht. Daar wierd gevochten. Ieder dêe ſyn beſt, doch de Stichtſe weeken. Hier op ging men 't ſlot te keer. Maar Koenraad gaf ſich aan Diderik over, en de graaf ſond den gevangenen biskop weder naar Uitrecht. Melis Stoke, 39 bl. noch daar by voegende, dat Diderik noch eens met Koenraad op de Merve een ſcheepſtryd heeft ingegaan; het geen, buiten hem, niemand anders is ſchryvende. Scriverius, by Goudhoeven, 265 bl.

Van Yſſelmonde ſiet verder, in de letter I. Voegh hier by ſyn optogt tegens de Frieſen, hem weigerende te erkennen. Niet alleen verſloeg hy deeſe, maar hy dwong hen ook, door een belegh, de ſtad Stavoren aan hem over te geven. En ſoo wierd hy ook heer van Frieſland. Eindlyk ſtierf hy, A. 1092; <blz 77 | 60> naa een regeering van 30 jaaren, ſedert ſyn vaders overlyden. De Gouwenaar, 38 bl. behalven Goudhoeve, en andere, welke, ſiende op het ongelooflyk getal der dooden, deeſe Frieſſen oorlog verdacht houden.

2.9.14 DIDERIK de Seſde

DIDERIK de Seſde; de ſoon van graaf Floris de Vette en vrouw Petronella van Saxen.

Deeſe twiſte met ſyn broeder, Swarte Floris, die, uit Holland wykkende, ſich by de Frieſen begaf. Doch de keiſer Lotharius, de tweedracht van ſyn ſuſters kinderen verveelende, dêe de broederen vrede maaken; het geen (behalven de Gouwenaar) Oudaan ook aanroerd:

De broedertwiſt geſuſt met Diderik de Seſte, Die naar Jeruſalems eerbied de Roomſſe veſten En (Egmond monkenhof) en Rhynsburg (nonnentuin) Der vadren eigendom, opdraagt de myterkruin: Die hier met was geſterkt aan bullen en prebenden, Als God en Roomſſe ſtoel, nooit overhoofd meer kenden; Dies weet van nu voortaan de heilge grond vry dank Nu datſe Dirk, en naa ooit graaffelyk ontfangk.

Deeſe kreeg ook moeite met Herbert van Bierum, de 26ſte biskop van Uitrecht, A. 1138; wegens graaf Otto van Benthem, ſyn wyfs broeder. Quam voor Uitrecht. Benauwde de ſtad. Dreigdeſe te vuir en te ſwaarde. Maar de biskop quam buiten en wierp ſich voor 's graven voeten. Diderik ontroerde dit. Veranderde van opſet. Wierp ſyn wapenen neder. Viel ter aarden, blootshoofds en begeerde genade. Dus had de kryg een einde. Sy wierden en bleven vrienden. Scriverius, by Goudhoeve, 277 bl. Melis Stoke, 47 bl. &c.

Deeſe graaf reisde, A. 1138; of ſoo gy wilt, A. 1140, in pelgrimagie naar Jeruſalem; keerde 's jaars daar aan door Italie, ſprak de paus, Innocentius den II; gaf hem de klooſteren van Egmond en Rhynsburg; doch eindlyk is deeſe ſtrydbaare en deugdſaame graaf overleden, A. 1157, of, gelyk andere, A. 1153. Melis Stoke, 48 bl. De Gouwenaar, 45 bl.

2.9.15 DIDERIK de Sevende

DIDERIK de Sevende; de ſoon van graaf Floris de III, en Ada, Henriks dochter, koning van Schot-land. Leer hem kennen uit het byſchrift van Oudaan:

<blz 78 | 61>

Hoe nauwe ſoekt de dood op 't geene dat de levende Nauw klaadboek waardigh acht; des Diderik de Sevende Vol wroegens, om de veet met Willem opgevat, Wel gaarn de broedertrouw van nieuws beſtendigt had: Maar Aliit met het hoofd vol heerſchappy en ſtaaten Belet het goede werk. Des Ada blyft verlaaten; Verlaaten! maar, ô ſmaat, de bruiloft, bly te moê, Word hier gevierd; daar ſlaat men s' vaders lykkiſt toe.

Diderik, 5 jaaren in ruſt geſeeten hebbende, wierd daar in geſtoord, door Willem, ſyn jongere broeder. Deeſe, A 1195, van het Heilige land, dat hy beſocht had, weder gekeerd, had het oogh op de graaffelyke regeering. Dus moeſt hy het land ruymen. Willem begaf ſich dan onder de Drechter Frieſen, woonende ontrent Enkhuyſen. Met deeſe liep hy af, al ſtropende, het platte land der Kennemers en Hollanders. Ondertuſſen wierd ook, Zeeland, door Boudewyn, de graaf van Vlaandere, in troebel water ſoekende te viſſen, aangetaſt. Wat raad nu? Diderik brocht 2 legers te velde, ſtellende over het eene Adelheidis, de gravin, tot opperhoofd. Hy won ook aan wederſyden en ſegepraalde, op eenen dagh, hier over de Frieſen en ginder over de Vlamingen. Doch de ſaak der broederen is, te Haarlem, door Boudewyn van Holland, de 29ſt biskop van Uitrecht, ter neder gelegt.

Behalven deeſe voerde hy noch andere oorloogen, buiten noodſaaklykheid, ſich ſelve bedervende en de ſyne uitputtende, tot dat hy binnen Dordrecht is overleden, A. 1203, naa een derthienjaarige regeeringe. Balen, Dordr. 711 bl. behalven de ſoo dikwyls genoemde Melis Stoke, Scriverius, Goudhoeve, &c.

Syn Vrouw was de boven genoemde Adelheidis, of Alyt, de dochter van Dirk, de graaf van Kleef, een heerſſuchtige vrouw; gelyk ſe gaf te kennen met haar dochter Ada, tegens aller dank, uit te huwen aan Lodewyk, de graaf van Loon, binnen Dordrecht; de bruiloft houdende in het ſterfhuys, eer noch de vader was uitgedragen. Sie boven, in Ada; behalven gemelde Balen, Medlis Stoke, &c.

2.9.16 DYKKEN

DYKKEN; Moet voor eerſt worden aangemerkt, dat de dykken, in de vroegere tyden onbekend ſyn geweeſt, en dat de landeryen nu bloot en nu weer onder water lagen, na dat de rievieren opſwollen of in haar boeſemen laager liepen. Scotanus, Frieſſe G. 21 bl.

<blz 79 | 62>

Maar de allereerſte bedykinge in Holland, geſchiede, ontrent naa 't gevoelen van Spiegel, A. 37. by Ger. Brand, over Batoos Vertooning. 308 bl. of liever, A. 1180. Oudenhove, S. Holl. 21 bl. uit Meyeri Chronic.

En wel in het laage deel van Rhynland, ontrent Leiden. Bewys hier af? De hooge ſtukken van een Rhyndyk van 's Grave-ſande af, dwers door het Weſtland, door Naaldyk, Poeldyk en Honſlardyk. Van Leeuwen, Batav. 153 bl.

Maar toen noch het dykken was onbekend, hoe bergde ſich het volk voor het aandringende water, by geval van noodweer? met gemaakte heuvelen en aarde hoogtens, die men noemde terpen. Deſelve Scotanus 1 B. 2 bl. en de Saanl. Arkad. 204 bl. deſelve vliebergen en vluchtplaatſen heetende. Hoe? ſie ſelver Plinius, H. N. 16 Lib. 1 cap. in de Handveſt Chron. 3 bl. 28 bl. Verſtege, by Van Royen, 1 H. 9 H. en eindelyk Pikart, Drenthe, 30 H. 115 bl. het woordeken dorp van deeſe gegravene terpen af haalende.

2.9.17 DOES

DOES; is een Rhyntak; gelyk de Zyl en de Maaren binnen en om Leiden. De laatſte is echter de alleroudſte en, met die naam, al over 800 jaaren, in de Gifbrieven (waar uit we meeſt onſe oudheid haalen) bekend. Van Leeuwen, Batav. 96 bl. Beneden, in de Rieviertjes, op letter R.

2.9.18 DOESHOF

DOESHOF of het Huys Ter Does, over den Rhyn, ontrent het Huys te Swieten; aan den Does; noch geheel, volgens Rochmans Teekening. Staat in Rhynland, en is ten minſten over de 300 jaaren al in weeſen geweeſt. Junius, Batav. 110 en 524 bl. Goudhoeve, 81 bl. Boxhorn. Stedeb. 219 bl, Van Spaan, Rotterd. 137 bl. Van Leeuwen, Rhynl. Koſluym. Inleid. 52 bl.

2.9.19 DOOD

DOOD; ontrent welke in Holland noch eenige gewoontens in weeſen blyven, ons mogelyk van de Romeinen, ſeekerlyk van de Heidenen, nagelaaten; Als,

I. Men maakt de lykken mooi, dit is onſe ſpreekwyſe. Sy worden in het wit gekleed, met bloemtjes gekroond, met groente en lovertjes overſtrooit; doch in welke plechtigheid, in plaatſe van cypreſſe takken, de roſmaryn word gebruikt. Alles uit Rome. Sie van het kleeden, Apulejus, Metamorph. 10 lib. Van het kroonen, Plinius, H. N. 21 lib. 3 cap. Van het beſtrooyen, Virgilius, in het 5 B. van den Eneis; hoewel eigentlyk aldaar en by Tibullus (3 lib. 4 eleg.) van het ſtrooyen op de graven word geſprooken.

II. Op de begraafdagh; te weeten van een kindtje, word <blz 80 | 63> de drager van het kiſtje, door een jonge dochter, met groente beſtrooid. Parivall Vermaak van Holl. 201 bl. ja, te Uitrecht ſagh ik (A. 1709, aldaar ſynde) een aanſpreeker voor het lyk gaande, en een ſwaare lauriertak in ſyn hand houdende. Is weder Roomſch; teweeten ſpruytende uit het dragen van cypreſſe takken aldaar, en of het plaatſen van die boom ontrent de deur en den hout ſtapel. Siet myne Aanteekeningen over Ovidius, het 10de B. der Herſcheppingen, 279 bl.

Dit tot een proefje; want ging ik van ſtad tot ſtad, en van dorp tot dorp, ik ſou een geheel boek konnen opſlaan van het aangemerkte by de burgers en onder de boeren, ontrent de wyſe van uitdraagen, met of ſonder baaren; ontrent het wederkeeren en het dapper wyn ſtorten onder de aangeſprookene; en eindlyk ontrent de doodmaalen, uitigſten geſegt ten platten lande, buiten Groeningen. Maar hier is noch iets dat ik niet kan laaten paſſeeren.

Te Amſteldam is, noch voor weinige jaaren, ontrent het overlyden van kinderen, het volgende in gebruik geweeſt. Men ſteekt een bedſtok uit, ontrent de deur, met palm gecierd. Aan het einde word een neus-doek, aan de vier tippen met ſtrikjes opgedaan, over een hoep gehangen. Midden op de gemelde doek word een waſſe popje (nu jongetje nu meisje) op een kuſſentje ſittende, vaſt gemaakt. Deeſe opſchik, naar der ouderen geringer of ryker ſtand, ſlechter of opſichtelyker, haaldemen van de Vercierſters uit de Roſmarynſteegh.

2.9.20 DOORN

't Huys te DOORN; in het Sticht van Uitrecht, boven Driebergen, aan het Amisforter gebergt, ontrent het dorp van deſelve naam. Is mede door Rochman uitgeteekend. Ik heb 'er niets, dat op merkens waardig was, gevonden.

2.9.21 DOOREWAART

't Huys te DOOREWAART; een ruim ſlot; met een konſtigen tooren, in het Sticht van Uitrecht, op de Veluwſoom, tuſſen Aarnhem en Wageningen. Slichtenhorſt, Geldr. G. 111 bl.

2.9.22 DONK

't Huys te DONK; hebbende vier toornen; is gelegen in de Ablaſſerwaart, ontrent Brandwyk en Bleskenſgraaf.

A. 1575, is het van de Spaanjaarden in genoomen en afgebrand; doch, A. 1616, weder vernieuwd en naamaals noch verbeterd. Oudenhove, S. Holl. 252, en 412, bl.

2.9.23 DORDRECHT

DORDRECHT; maar hoor eerſt Huygens, eer gy, ô myn Leeſer, u keert tot myn Aanmerkingen.

<blz 81 | 64>

In myns gelyken ſchaar, beſit ik 't eerſte woord; All waar 't myn waarde niet, dat geeft me myn geboort, En 't planten van de kroon op onſer voogden hoeden. Doen ſat ik in de kley, die ook myn buiren voeden: Sint heeft my eene nacht Venetie gemaakt, En al myn wandeling in handeling geſtaakt, Maar of de Spaanſſe keel haar myne ſtapelmoſten, Naar myn Munt dorſten dorſt, het ſou haar 't ſwemmen koſten, Dat 's menigh natten voet en water in haar wyn; Is 't niet de landſchâa waard ſo veil begracht te ſyn?

Ontrent deeſe ſtad voel ik me 932 ſaaken van aangelegenheid te gemoet te koomen. Naamelyk

I. De Naamreden. Dour, is water by de Thuringers; ende dus Dordrecht, Dourdrecht of Thuridrecht, in de oude Giftſchriften. Drecht, is een merkt; gelyk Trecht, een overvaart. Junius Batav. 414 bl. Oudenhove, S. Holl. 5. H. 43 bl. Maar ik, alle dat woordeſiften overſlaande, geef me aan de ſyde van Janus Rutgerſius, welke (by Boxhorn. Stedeb. 74 bl. en Balen, Dordr. 79 bl.) geloofd die ſtad haar naam van het rieviertje Dorta te hebben. Soo wil ook Bertius, German. 3 lib. 272 pag.

II. Haar Oudheid; A. 1064, word ſy allereerſt genoemt; met de naam van Thuredrecht, in een Gunſtbrief van keiſer Henrik de IV. Alting. Notit. 2 Part. 173 bl. Immers was 'er voor de tweede eeuw van deeſe ſtad niets ſeekers; en Oudenh. (Dordr. 145 bl.) is wel verre van het ſpoor, gelovende dat Lambertus Schafnaburgenſis, A. 1049, Dort met de naam van Flerdingen heeft gemeend.

III. De Stapel van wolle, ontrent A. 1232, uit Engeland ontfangen, en door Floris de V en verdere Hollandſſe graven bekrachtigd. Balen, Dordr. 75 bl. Van wyn, A. 1342, ontfangen van graaf Willem van Henegou. Boxhorn. 80 bl.

IV. De graaflyke Munt, A. 1064, haar gegeven door keiſer Henrik de IV. Balen, Dordr. 678 bl. uit de Handveſt Chron. van Vander Houve.

V. De Brêeſtraat; alwaar, A. 1048, de ſlagh geſchiede tuſſen graaf Diderik de IV, en de Luikenaars. Balen, Dordr. 68 bl.

VI. Het Graveſtraatje, ſoo geheeten ter geheugenis van de moord van graaf Diderik. Balen, Dordr. 699 bl. Sie mede boven, in Didrik.

<blz 82 | 65>

VII. Het Schoutſchap van 8 dagen; gebeurende het overleveren der roede van Juſtitie, op den 5den Junii, aan den baljuw van de Merwede; en het herſtellen, op den 13den deeſer maand, aan de regeerende burgemeeſteren. Balen, Dordr. in den Almanak, 634 bl.

VIII. Lysbeths Waternood. Beneden, in de letter W. op Water.

IX. Het Huys te Merwe. Beneden in M. op Merwe. Die vorders de byſonderheden begeert te weeten, doorloop de Beſchryvingen deeſer ſtad van Balen, Beverwyk, Oudenhove, Boxhorn, Guicciardyn, Junius, Parivall, &c.

2.9.24 DORDSMONDE

DORDSMONDE; aan de Dorda of Dorta, een tak van de Merwe, in Suyd-Holland; verdweenen, nevens andere Heeren Huyſen, in die deerlyke waternood van A. 1421, of van S. Eliſabeth. Oudenhove, S. Holl. 155 bl. Kemp, Gornich. 216 bl.

2.9.25 DORP

't Huys de DORP of Uiterlier, door Rochman afgeteekend, is gelegen in Delffſland, tuſſen Lier en Schipluy; voor ruym 200 Jaaren bekend. Goudhoeve, 80 bl. Handveſt Chron. 2 B. 124 bl. Bleiswyk, Delfs B. 36 bl. en Van Leeuwen, Batav. 1286 bl.

2.9.26 DRINKEN

DRINKEN; Dit word de Germaanen, en onder deeſe Naam begreepene volkeren, als een ſeer afſchuwlyk miſdryf van veel ſchryvers voorgeworpen.

Maar dit gebrek word verſchoond met de Drinkluſt der Parthen, Gallen en Grieken; der hedendaagſſe Perſiaanen en Ruſſen, Polakken, Engelſſe en Franſſe; door Kirchmeyer, in Tacit. Germ. 4 cap. 78 pag. Plantinus, Helvetiæ, Deſcript. 20 cap. 158 pag. en Kramer, Vindic. Nominis Germ. 20 pag.

Sie nu van het Bierdrinken onſer voorvaderen; boven in Bier.

Van het drinken uit de Hoornen der wildedieren; beneden in Hoornen.

En eindlyk van de ſinte Geerten dronk, onder de Graven, ook beneden, by S. Geertruyd.

2.9.27 DRUKKONST

DRUKKONST; A. 1420, of 1428, uitgevonden, te Haarlem, door eene Laurens Koſter. Scriverius, in ſyn Lauwerkrans, gedrukt achter Ampſings Befchryv. van Haarlem. Een man van aanſien en vermogen, by ſeekere gelegenheid, in het naaſtgelegen Hout, de beuke ſchorſſen tot letters ſnydende, en een voor een daar mede drukkende. Sie, welk een gering begin! hy gaat al verder, van Thomas Pieterſſen, <blz 83 | 66> ſyn ſchoon-ſoon geholpen, bedacht men een dikker inkt, dat de gemeene vloeide. Om kort te gaan, daar quam een werk uit, op de eene ſyde gedrukt, te weeten; Spiegel onſer Behoudeniſſe. Ondertuſſen wierden de bladeren tegens malkanderen geplakt, om dat de ledigheid in het leeſen niet ſou hinderen. /Boxhorn. Stedeb. 104 bl. uit Junius, Batav. 17 H. 427 pag. en in ſyn Hiſtor. Univerſ. 946 pag./

Maar ſoo ſpreeken de Nederlanders, als buiten de genoemde, Slichtenhorſt, Geld. G. 7 B. 148 bl. Parivall. Vermaak van Holl. 119 bl. Pars, Katw. Oudh. 284 bl. Oudenhove, Haarl. Wiege, 22 H. 68 bl.

Laaten wy ons nu tot Mentz eens keeren, die Haarlem de kroon van 't hoofd poogt te trekken. Bucholzerus, op A. 1440. (Indic. Chron. 388 pag.) en Mallinkroſius, by Boxhorn. Hiſt. Univ. 947 pag. ſeggen, dat de Drukkonſt is uitgevonden door Joh. Gutenberg van Strasburg, binnen deeſe ſtad, die daar na deſelve binnen Ments heeft voltrokken. &c. Soo mede Sebaſt. Munſterus (Germaniæ, 3 lib. 488 pag.) Godfried (Chron. 830 bl.) Polydor. Virgilius (Rer. Invent. 2 lib. 6 cap.) en Chytreus, behalven ontelbaare andere Duitſers, houdende het op de ſelve wyſe met hunnen Duitſers.

Wel aan. Wy blyven hertnekkelyk aan de ſyde van Haarlem, en ſpreeken met Antonides (Yſtrooms 4 B. 106 bl.) de Drukkonſt aan, in deeſer voegen.

O Drukkonſt! die alleen de wysheid in den nood Van ſchipbreuk hebt gered, geherbergt in uw ſchoot, Geveiligd voor den ſtorm der woeſtheid en barbaaren Nu reeds met onbeſcheid haar in de kroon gevaaren, Wat blyft de wereld aan uw nutten vond verplicht?

Gemelde Dichter had van Haarlem, weinig te vooren dit geſegt:

Geen minder glorie heeft de Drukkonſt haar gegeven, Toen Koſter, wandelende in breede beukedreven, De letter-formen ſneet in 't ſachte beukenhout, En vond de weetenſchap, die 't alles voed en bout, Dat letterhelden, lang verſtorven en verſlonden Door ongenaa des tyds, doorluchtigh ondervonden; Die, als hun grafkruik barſt in ſcherven en de wind De ſtuyvende aſſ verſtrooit, noch leven, en bemint In volgende eeuwen, op des naaneefs dankbre tongen, En pennen ſweven, van geweld noch graf gedwongen.

<blz 84 | 67>

Eindlyk is de Drukkonſt allenskens te Strasburg aangegroeid, door J. Mentel; te Napels, door Sixtus Ruſinger; te Rome, door Udalricus Haan. Bucholzer. op de boven aangetogene plaats, uit Wimpfelingius.

Ondertuſſen kan een liefhebber van portretten Koſters tronie vinden by Scriverius, in ſyn gemelde Lauwerkrans; en brengt u eens het geval te Haarlem, ontrent het Sand of de Merkt, gy ſiet ſyn ſtokbeeld in den gevel van ſyn woning; gelyk Boxhorn u ook daar na toe is wyſende.

2.9.28 DRUSUS

Nero Klaudius DRUSUS; de broeder van den keiſer Tiberius, vader van den keiſer Klaudius en groot-vader van den keiſer Kajus, toegenaamd Kaligula. Verdiende door ſyn gelukkige oorlogstogten, ontrent den Eems, en Lippe, Rhyn, Weſer en Elbe, gedaan, voor hem en alle ſyn naaſaaten, de bynaam van Germanikus. Boude veel ſterktens aan genoemde rivieren; doch quam, in het keeren naar Rome, jammerlyk aan ſyn einde, met ſyn paard ſtruykelende. Sie verder myn Aanteekeningen, uit Livius en Eutropius, op de Roomſſe Keiſerinnen, A. 1688, uitgegeven, 14 bl.

Syn beeldtenis vind gy by de Uitgevers der keiſerlyke Gedenkpenningen, en in de meeſte Munte kabinetten.

Van ſyn gracht, de DRUSIANA Foſſa geheeten, heden een deel van de Yſſel, meenen wy te ſpreeken in de letter I, op Yſſel.

2.9.29 DUBBELDAM

DUBBELDAM, aan den Dubbel, of den Devel, by Dordrecht. Is door Rochman geteekend. Oudenhove, S. Holland, 167 bl.

2.9.30 DUELL

DUELL, of Lyfgevecht; een heilloos, dol en verwoed middel om geſchillen by te leggen. Is niet te min ſeer oud. Want wie kent niet het lyfgevecht van Hektor en Achilles, by Homerus? of dat van Eneas en Turnus, by Virgilius. Siet Henr. Salmuth, in Guid. Pancirollum, Deperditor. 2 part. 20 tit. Alkemade, van het Kamprecht der Hollanderen, uit Gregor. Karaffa, 28 H. 78 bl.

Seer oud ſeg ik, niet alleenlyk by de Grieken in de helden eeuw; maar ook by onſe voortplanteren, de Noordſſe volkeren, ontrent de Belt. Siet Krantzius, Saxoniæ, 9 lib. 8 cap. de lege Agilulphi, regis Longobard. Saxo, Hiſtor. Danic. 5 lib. de regis Frothonis lege, apud Camerarium, Subceſivar. 2 centur. 19, 20, & 21 cap. en gemelde Caraffa de Monomachia, by Alkemade, 66 H. 187 bl. doch ſie mede deeſes 26 H. 74 bl.

<blz 85 | 68>

Maar hier vocht me lyf om lyf, in een beſloten perk, niet ſonder toeſtel en voorbereidingen, om een goede ſaak te verdedigen en een vals opgenoomene vry te pleiten.

Niet, gelyk heden, het lichtgeraakt adeIdom, om een gering en ſomwylen qualyk begrepen ſmaad-woord. Parivall, Vermaak van Holl. 206 en 207 bl.

Ondertuſſen vind ik hier gelegenheid om u noch eenige byſonderheden, ontrent dit vechten, uit Alkemade, toe te voegen. Als;

  1. Dat de krytwaarder, dat is, de bode of 's gravendienaar, met kryt, het Kampveld omtrok, en daarom de vechtplaats het Kryt ſomwylen word genoemd. 217 bl.
  2. Dat het kampveld met riemen of lange ſeelen, van leer, of met touwen dikwyls was afgebakend. 217 bl.
  3. Dat het vaſte Kampveld, vechtbodem of krythoeve, was in 's Gravenhage op de Kneuterdyk; te Leiden, ontrent. S. Pieters kerk; te Delff, ontrent het Noord-weſten, beneden aan de wal; en ſelver te Egmond, tuſſen de kerk en het dorp. 123 bl.
  4. Dat de klager eerſt in de vechtplaatſe trat; dat de wapenen gemeenlyk beſtonden in een ſwaard, of ook wel in een beukelaar en kleppel; dat ſe bloots-hoofds en bloots-beens, in een linnen of leeren overtrekſel, met handſchoenen vochten, &c. &c. 158 en 160 bl.
  5. Eindlyk, dat deeſe gewapende rechtspleginge wierde geheeten kampfwik, werdink of wehading. 39 bl.

2.9.31 DUIRSTEDE

DUIRSTEDE; of Wyk te Duirſtede, een ſeer oude ſtad aan de Lek. De Aanmerkingen, voornaamlyk ontrent haar ſlot, meenenwe te plaatſen in de Letter W. op Wyk.

2.9.32 DUIN

't Huys ter DUIN; is gelegen in Schieland, te Sevenhuyſen, in een kleene boſchagie. Oudenhove, voor Scriverius, 21 bl. Goudhoeve, 83 bl. Junius, Batav. 519 pag. Van Spaan, Rotterd. 427 bl. Van Leeuwen, Batav. 1297 bl.

2.9.33 DUYNEN

DUYNEN; hier doet ſich op een vraagh, ſeer gewichtigh en vol knoopen; of deeſe duynen op de boord van Holland altyd ſyn geweeſt? Eenige hakken het geſchil aan ſtukken met een dubbeld antwoord, voorgevende dat de Buitenduyn, voor 's menſſen geheugen, Holland altyd heeft omringt; maar dat een verwoede ſtorm deſelve binnen het land verſpreide en op die wyſe maakte het Binnenduyn. Deeſe nu of verſtuyfd, alwaar geen helm is groeyende, gelyk de Blinkert achter Overveen; of ſy word dagelyks wegh gegraven: <blz 86 | 69> aangeſien men onder deſelve goed weyland is vindende, wanneer het ſand, door den Dieper, vaartmaaker of ſand haaler, is wegh gevoerd. G. Brand; over Batoos Vertooningen, 225 bl.

Ik ſegge, het duyn verſtuyft, en het ſou noch meer verſtuyven, wierd het niet door het planten van helm, of het ſteeken van ſtroo, bewaard. Junius, Batav. 45 pag.

Ik ſegge, daar is goed land onder de duynen en dus worden de afgegraavene duynen ſchoone weiden. Dit ſienwe dagelyks. Het ſand word met ſchuyten wegh gehaald, ſullende verſtrekken voor ballaſt. De eigenaar krygt een ſtuiver van ieder ſchuyte ſands, en wint noch geduirigh aan ontrent ſyn land.

Soo is Overveen, buiten Haarlem, een geheelyk overſtoven veen; alſoo, voor 70 jaaren, de Blinkert wel eens ſoo hoog is geweeſt. Om deeſe reden vind men ook, in het duin, veel hooge geboomtens van hofſteden, door den tyd overſtoven en daar op verlaaten. Ondertuſſen is het gebeurd, dat door gemelde Diepers, voor eenigen tyd, ſyn opgegraven een ouwerwets hoefyſer, en het been van een groote viſch.

Wat nu de Binnenduynen aangaat, die heb ik ſelf geſien diep in het land en veele uiren van de zee, ontrent Seiſt; ja midden op de heide, in het hooge en drooge deel van het landſchap Drenthe.

Syn deeſe nu niet voortgekoomen uit de Cimberſſe ſundvloed? Oudenhove, Haarl. Wiegh, 31 Bedenk. 111 bl. en van de Cimbers, 27 bl.

Hoe? ſou iemand het durven tegen ſpreeken, dat de duynen, op ſommige plaatſen, voor het geweld der golven en winden wykende, de laage landen bracht onder een watervloed, die alles verdelgde en de duynſanden voortrolde, gelyk ik boven ſeide, naar Drenthe; en ſelf Weſtfalen, Gelderland ende Veluwe, Braband en de Peel, tot onder Tongeren33? Oudenhove, S. Holl. 15. bl.

Is deeſe ſtelling niet vaſt te ſetten door de ſchelpen, ontrent de gemelde plaatſen, in de binnenſte ingewanden des aardryks gevonden? Siet Eyndius, Zeland. Chron. 3 cap. 17 pag. De Ray, Werelds B. en E. 2 B. 4 H. 220 bl. en den grooten Liefhebber aller keurigheden, Sim. Schynvoet, over den Amboinſſen Rariteit kamer, 317 bl.

Maar de Buitenduynen, (ook eer deeſe landen van menſſen waaren bevvoond) als een ringmuir de zeekuſten en laage landen dekkende, ſyn aan malkanderen gehecht en blyven ook onafgeſcheiden van de Hoofden af tot aan het Schager Riff.

<blz 87 | 70>

Hadden ook alleenlyk de uitgangen van Maas en Rhyn, Eems, Weſer en Elbe; ſynde daar in de mindere uitvloeyingen met menſſe handen gemaakt: te weeten, keiſer Ottoos Hond, S. Olofs gat, de Hunſingo, en het gat van Itſegadam, by de Butjadigers.

Eindlyk verneem ik dat van de Duynen allereerſt word gewagh gemaakt in Annalib. Bertinianis, A. 839; alwaar men van een water vloed verteld. Matheus, de Nobilitate, 2 lib. 176 pag. & ad Egmond. Chron. 170 pag. & Analector. VI Tom. 3 bl. doch ſiet ook Parivall, Vermaak van Holl. 15 bl. Pars, Katw. Oudh. 85 bl. de Vertaalde Kluverius, Rhynmond. 2 D. 244 bl. Merula, Introduct. Coſmograph. 1 part. 3 lib. 227 pag. & lib. de Maribus, 1 cap. 231 pag. Lipſius, in Tacitum, 1 lib. Annal. 70 cap. echter, myns oordeeIs, geweldigh miſtaſtende, 69 pag.

Maar hier is van Duynen geſprooken; en de Leeſer ſou ook graag de naamreeden willen weeten. Wel aan. Duin is een oud-Celtis woord en beteekend een heuvel of berg. Hier of komt dan Lug-dun, Uxello dun, Viro-dun, Lupo-dun, Eburo-dun, Novio-dun, &c. Merula, in de aangetoogene Introductio, 228 pag. Boxhorn. Stedeb. 169 bl. en andere, ſchryvende over de Latynſſe benaaminge der ſtad Leiden.

2.9.34 DUYTSCHE TAAL

DUYTSCHE TAAL; maar, ſal ik hier wel derven aan koomen? ſal myn reukelooſe pen op deeſe klip ſich niet aan ſtukken ſtooten? genaade, eerwaarde prieſteren van des Taalkundes voor weinige genaakbaare tempel; genaade en ſoo ſal ik het kort maaken.

I34. Ik geloof als een gewiſſe waarheid, dat de Neerlandſſe Taale is geſprooten uit de Duytſſe, gelyk het Duytſſe weder uit de Scytiſſe, of Celtiſſe. By voorbeeId: mark (is een paard) berg, hart, man, rix, of rik, land, &c. Rupertus, over Beſoldi Synops. Hiſtor. ex epiſt. Busbequii, 18 pag. Bodinus, Method. Hiſtoriar. 9 cap. 383 pag.

Lees ſoo verder Boxhorn (epiſt. ad Blancardum, 220 pag.) van de woorden; ſchat, miter, ſkiar, ſchauw, &c. alle oud Perſiſſe.

Denſelven Boxhorn (epiſt. ad Salmaſium 69 pag.) over het Scytiſſe of Turkſſe ſu; dat is, water.

Busbeecq (epiſt. 4. 323 pag.) over dit Turks; broe, brood; plut, bloed, hus, huys; bruder, ſchweſter, &c.

Kamdeen (Britann. Deſcript epitom. 18 pag.) over burrouw, berry, ham, ſtet, fort, torp, wich, &c. Engelſſe naamwoorden.

<blz 88 | 71>

Matheus (de Nobilit. 2 lib. 358 pag.) over leeken, ouwel, en oblie, prieſter, letter, prooſt, kelder, ſluis, wyn, lantaarn, papier, &c. alle de Latynen ontleend.

Van Leeuwen eindlyk (Batav. van 65 tot 70 bl.) geheele lyſten van oude naamwoorden u meede deelende.

II. Ik vind in verſcheidene benaamingen van menſſen of plaatſen de woordekens; buttel, brink, knokke, donk, drecht of trecht, fort, gaſt, geeſt, gart, goo, horſt, hage, hude, heim, ônk, loo, maar, broek, nes, rode, ſtein, torp, wolde, waart, weert en wert, wyk, &c. Van welke gy een Index ſult vinden, by Alting, achter 2 part. Notit. Germ. Inf. Schildius, de Chaucis, 8 cap. 59 pag. ſie ook de Aanteekeninge over myn Gallery, A 1690. uitgegeven, 26 bl. onder Genoveva.

III. Ik meen onſe ſelfſtandige en ongemengde moedertaal naaſt de Hebreeuwſſe te komen in aloudheid. Slichtenhorſt, Geldr. G. 1 B. 23 bl. Maar geenſins ouder, volgens den beuſelaar, Goropius Bekanus. Luſt het u oud Duyts te leeſen, gy ſult het vinden by Ger. Brand, Aanmerk. op Batoos Verton. 260 bl. genomen uit de Hooghduytſſe Mengeldichten van M. Opitzius; of een brok van een Euangelie van Otfrid, by Saubertus, de Sacrificiis, 5 cap. of in den eed van Ludewyk, uit de hiſtorie van Nithardus, by Lipſius, 3 centur. ad Belgas, 44 epiſt,

2.9.35 DUIVENVOORDE

DUIVENVOORDE; een ſeer oud Huys, in Rhynland, aan de wegh van Delf op Leiden, by Voorſchoten. Het is in een Teekening by Rochmans, en gaat uit in print van C. Elands. Goudenhoeve, 81 bl. Van Leeuwen, Rhynl. Koſtuym. Inleid. 31 bl.

2.9.36 DUIVESTEIN

DUIVESTEIN; gelegen in Suyd-Holland, by Laar en Poelwyk, in de Verdronken Waart. Oudenhove, S. Holl. 412 bl. Het kleen Duyvenvoorde, in Rhynland, op het ooſt einde des ambachts van Voorburgh, heet men ook wel Duyveſtein. En al hier ſyn eens, ontrent een hoogen ſandheuvel, de Elsberg geheeten, Roomſſe penningen opgegraven. Van Leeuwen, Rhynl. Koſtuym. 28. bl.

2.9.37 DULLENBERG

DULLENBERG een kaſteel, in de Neder Betuwe gelegen. A. 1318, is dit ten deele verbrand, door die van Lynden. Goudhoeve, 369 bl. en uit hem Kemp, Gornich. 63 bl.

2.9.38 DUMMEL

DUMMEL; een rieviertje, in Braband; met den Aa ſaamenloopende by 's Hertogenboſch. M. Alting, Notit. Germ. Inf. 2 part. 33 bl. Beneden in Rieviertjes.

2.9.39 DUNGE

DUNGE; een watertje by Geertruydenberg. Beneden in Rieviertje.

2.9.40 DURLEDE

<blz 89 | 72>

DURLEDE, of de Oude Hark, een water tuſſen Vlaardingen en Schiedam. Beneden, in Rieviertjes.

2.9.41 Ter DUSSEN

Ter DUSSEN; een Huys in Suyd-Holland, uit het water opgehaald. is door den oorlogh vernield, doch naderhand wêer vernieuwd. Oudenhove, S. Hol. 412 bl.

2.10 E

E.

2.10.1 EBBE

EBBE; ontrent welke is waar te neemen, dat ſy, in de tyden van den ſtrydbaaren Macedoner, Alexander de Groot, niet is bekend geweeſt. Aangeſien deeſe koning den Indus afſakkende, en in de mond (men meent het de boght van Kambaja te ſyn) een ſeer lagen ebbe ontmoetende, geloofde dat eenige vergramde godheden ſyne ſchepen op het drooge ſtelden. Bern. Varenius, Geograph. General. 1 lib. 14 propoſit. 192 pag. ſiende op Kurtius, 9 bl. H.

Maar datſe ten tyden van de redenaar Cicero, al bekend geweeſt, blykt uit ſyn woorden, de Natura Deor. 2 lib. 322 pag. en alſoo vind ik ook een, groot ongemak, ontrent de ſchepen, uit deeſe ontſtaande, by Florus, 3 B. 10 H. in den Galliſchen Oorl. en weder by Tacitus, Jaarb. 1 B. 70 H. ſpreekende van Publ. Vitellius, en de Roomſſe keurbenden, onder Germanikus.

Ondertuſſen bevind men heden deeſe ebbe en vloed, meerder en minder, op de kuſten van Spanje, Vrankryk, Flaendere, Engeland, Zeeland, Holland, Frieſland, &c. ontrent de monden van den Eems, Weſer, Elbe, &c. Celeſtinus, Meteorologiæ Philoph. Politic. 5 quæſt. 173 pag.

Doch geene of ſeer geringe, in de Middelandſſe-zee, Archipel, de Swarte-zee, de Kaſpiſche, de Meoot, ja ſeif de Belt en de zee boven Engeland tuſſen Groenland en Noorwegen. &c. Celeſtinus, 175 pag. en boven genoemde Varenius, 194 pag.

Maar, wat is nu de waare reden van dit op en af vloeyen van de zee? wie de werkende oorſaak? ongetwyfeld, de Maan. Hartſoeker, Begin der Natuirkund. 8 H. 143 bl. Maar, al verder; hoe werkt dan hier de Maan? dit niet weetende ſtap ik 'er uit, hoorende my in het oor luyſteren: Lappertje, blyf toch by uw leeſt!

Ondertuſſen leeſt gy Karteſius, by de aangetogene Varenius, 180 bl. Hartſoeker. 144 bl. Van Leeuwen, Batav. 152 bl. Joh. Jonſton, Thaumatographiæ Natural. 2, Claſſ. 6 cap. 5 artic. ik <blz 90 | 73> meen by de Hiſtorie en Oudheid enkelyk my op te houden. Scheide dan, doch met het ſeer ſeldſaamen geval, ontrent onſe ſtranden voorgevallen.

A. 1672, hadden de Engelſſe in den ſin ontrent Teſſel te landen; maar, ſiet hunne toelegh op een wonderbaare wyſe belet! Sy ten dage daar toe beraamd op de vloed wachtende, om met kleen vaartuigh naar land te ſeilen, bleef de Ebbe, tegens haare natuirlyke order, twaalf uiren duiren. Een ſeldſaamheid, met reeden, van de Teſſelſſe zeeluyden aangemerkt. G. Brand, in het leven van de Ruiter, 697 bl.

2.10.2 EDAM

EDAM; het geen ik ontrent deeſe ſtad heb aangemerkt, ſal ik, in deeſer voegen, met den Heer Huygens beginnen:

De Dam, die 't Suyder diep het binnen Y onthiel, Gaf my de /Ydam/​mer naam, dien ik niet langer hiel Dan tot het vet gerucht van myn gewilde kaaſen De wereld had gevult, en naar myn aas doers raaſen: Sints noemden ſy 't Eetdam, daar ſoo veel etens groeit; Maar dat men myner melt ſoo verr het ebt en vloeit, Is elders opgeveſt. Hoor, Hollander, de wielen Van uw victorikoets ſyn uw beſielde kielen; Dat ſyn de myne meeſt. Behoort niet meeſt de dank Den radenmaker toe van 's wagens gladde gangk?

I. Sy heet dan, naar het Ye, Ydam. Boxhorn. Stedeb. 367 bl. behalven Antonides, aldus ſingende, Yſtrooms, 4 B. 136 bl.

Het ſuivelryk Edam beveſtigt 't geen wy ſongen; Dat, door het dier verſoek des ryken Vloeds, gedwongen De naam van Ydam heeft verwiſſelt in Edam.

II. Sy is wegens haar kaaſen wyd vermaard. Vronens. Onderg. 4 bl. 236 bl. en even genoemde Antonides, 4 B. 107 bl.

III. Sy voerd een ſtier in haar wapen; wegens de ſtier, die de Edammers een plaats aanwees, waarſe aller bequaamſt een kerk ſouden ſetten. Doch dit ſal licht een quak ſyn; ſoo ſpreekt de Soetſtemmende Swaan van Waterland, 3 H. 9 bl.

IV. Sy is, A. 1426, ingenoomen door die van Kennemerland. Boxhorn. Stedeb. 367 bl.

V. en ten laatſten. Sy is berucht door de Hiſtorie van het zeewyfje. Naa een ſwaar tempeeſt, ſegt Snoy[us], 8 bl. ſyner Verhandelingen, by Boxhorn, A. 1430, vertoonde ſich een <blz 91 | 74> watervrouwe, in de modder aan de Edammer meisjes, die met een ſchuitjen over de Purmer quamen vaaren, om de koeyen te melken. Wat gebeurt 'er ? ſy wierd uit het water gehaald; ſy wierde te Edam geſuiverd en gekleed. Men leerde haar ook ſpinnen. Men voerde haar eindlyk naar Haarlem, alwaar ſy noch eenige jaaren heeft geleefd. Gelooft gy dit niet, daar het u alle Hollandſſe Chronyken vertellen? ſie Wachtendorp, Rymchron. 8 B. Buchelius, over Heda, 283 pag. Junius, Batav. 504 pag. Goudhoeve, 414 bl. Scotanus, Frieſſe G. 263 bl. Vroonens Onderg. 229 bl. Soetſtemmende Swaan. 97 bl. Parivall, Verm. van Holland, 178 bl. en wie niet al?

2.10.3 EECHTROP

EECHTROP; een voornaam Huys der Poelenburgen, in Kennemerland, onder Alkmaar, tuſſen Bergen en Schorel; heeft heden geen overblyfſel als de bloote naam. Vander Woude, beſchryv. 128 bl.

2.10.4 EE

EE of Ea; een oud watertje in Frieſland, van Leeuwarden loopende naar Dokkum. Het heeft ontrent 100 jaaren droog gelegen, maar is opgegraven en weder vaarbaar gemaakt, A. 1503. Gabbema, Leeuward. 247 bl.

Merk ondertuſſen aan dat E ſoo wel als A (van welken omſtandelyk boven) water beteekend en dat 'er ook al eenige van die naam ſyn bekent. Siet Huyninga, by Blaeuw, ook boven aangehaald.

2.10.5 EEM (water)

EEM; is een water, koomende uit de Rhynſſe veenen, en loopende door Emis- of Amisfort. Sie boven, Amisfort in de letter A. Ongetwyfeld een takje, ſpruytende uit den Rhyn. Het geeft de naamreden aan Eembrugge, Emenes, &c. uit de Aanteekeningen van Kornelis Kooten.

2.10.6 EEM (ſlot)

EEM; een ſlot aan den Eem, in het dorp van die naam of Eembrugge, beneden Amisfort, in het Sticht van Uitrecht, door de wiſſelvalligheden des oorlogs ſomwylen verwoeſt en ſomwylen weder opgemaakt. Matheus, Eccles. Fundat. 526 pag. behalven Heda, A. 1481. 295 pag. Hortenſius, Goudhoeve, &c.

A. 1364, heeft het dorp een ſtads recht verkregen van biskop Jan van Arkel. Matheus, de Nobilitat. 3 lib. 837 pag.

A. 1252, verkocht Jan van Woudenburg het ſlot aan Gysbrecht van Abkoude en Wyk te Duirſtede. Scotanus, Frieſſe G. 185 bl.

A. 1358, is het ingenoomen door die van Uitrecht, twiſtende met die van Amisfort.

<blz 92 | 75>

A. 1393, is het, nevens Vreeland, Horſt en Stoutenburgh, vergroot en verſterkt door Floris van Wevelichoven, de 50ſte biskop van Uitrecht.

A. 1481, is het door de Uitrechtſſe weder ingenoomen, verbrand en afgebrooken.

A. 1527, is het, weder ſynde vernieuwd, van de Gelderſſe met groote moeiten overheerd.

A. 1552, hebben die Amisforders van Karel de V deeſes ſloopinge verſocht; en het is ook, op 's keiſers bevelen, om de krygs koſten te ſpaaren, uit gevoerd. Verhoeve, uit Gysbr. Lappius, in de Aanteekeningen over Lamb. Hortenſius, 36 pag.

Ondertuſſen ſyn onlangs haare ruiinen, beſtaande uit ſeer grove ſteenen, en hebbende ſwaare gewelven en diepe kelders, ſoo men my bericht, gekocht door een bakker van Amisfort, om te ſlyten. Wel magh men hier dan uit roepen, met Lukanus (Pharſal. 9 lib. alwaar hy ſpreekt van Trojen) etiam periere ruinæ!

Bouvallighêen ſyn ſelf vergaan; Wat ſou toch eeuwig blyven ſtaan?

2.10.7 EMENES

EMENES; of ſoo men heden ſegt, Immenes, binnen en buiten dyks; ſeer vermaaklyk in het doorryen. Is in het ſticht van Uitrecht gelegen, tuſſen Laren en Blarikom en den Eem.

Van dit oude dorp gewaagt Barlandus, Comit. Brabant. in Maximilan. I. 142. pag. apud Theod. Verhoeve, Amisfurt. 36 pag.

A. 1348, viel 'er een treffen voor op Lapers, een groen veld by Emenes, in het welke de Hollanders te kort ſchooten, tegens Jan van Arkel, de 47ſte biskop, die haar de oude naam van Emenes weer dwong aan te neemen; verlaatende de nieuwe van Ooſt-Holland. Goudhoeve, 383 bl. en ſyn uitſchryver, Kemp, Gornich. 74 bl.

2.10.8 EEMISFORT

EEMISFORT. Boven, in de letter A, Amisfoort.

2.10.9 EENIGENBURG

EENIGENBURG; in Noord-Holland, tuſſen Krabbendam en S. Marten; door de Frieſen, ontrent A. 1297, nevens het ſlot Wydeneſſe, vermeeſterd en afgebroken. Saanl. Arkad. 258 bl. aan de Vaart het ſelve ſettende, tegen Scorel over. Vroonens Onderg. 150 bl. Oudenhove, voor Scriverius, 236 en 247 bl. Beda, in Willem van Mechelen, 101 pag.

Heden word aldaar de buirt noch den Burgh geheeten. Vander Woude, Alkm. 127 bl.

2.10.10 EGELENBURG

<blz 93 | 76>

EGELENBURG; een cierlyk Huys gelegen in Kennemerland, Z. O. van Heyloo; geboud en voltrokken door de Bardeſien, heeren van Warmenhuyſen. Vander Woude, Alkm. 130 bl.

2.10.11 EG

EG; wel eer een watertje of Rhynſprankel in Kennemerland; doch nu al verdroogd en35 geheel verdweenen. Immers het behaagt my veel beter, de Egmonden naar dit watertje te noemen, als naar de ſegen van S. Albrecht: Gratia Deo, jam hæc loca munda! God ſy gedankt, nu ſyn deeſe plaatſen rein. Saanl. Arkad. 110 bl. Junius, Batav. 46 pag. Van Royen, over Verſtegen, 176 bl. behalven Scriverius, de Annales Egmondani, by Matheus, Oudenhove, Boxhorn, Pars, &c.

Maar wat ſegt men by Slichtenhorſt? Men wil (Gelders G. 8 bl.) dat de middelſte tak des Rhyns niet in zee geloopen heeft by Katwyk en het Huys te Britten, beneden Leiden; maar eer by Egmond in Kennemerland. En met die meeninge ſou dan hier ſyn geweeſt des Rhyns Eng-moud, in vergelykinge van den Briel, Brêe-hiel of breede-keel. 'T is een mooy ſtukje en nieuw; doch, ik ſeg het noch eens, onſe ſaaken ſyn vol giſſingen en veeltyds gepaard met miſſingen.

2.10.12 EGMOND

EGMOND; in dit edel dorp, (gelegen in het Noord-weſter deel van Kennemerland, ontrent Alkmaar, en geſegt Egmond binnen, tot onderſcheid van Egmond op zee) ſullen we eerſt de ABDY en daar aan eens het KASTEEL op gaan neemen.

A. 1706, den 11 Septemb. beſag ik de ruiine van kerk en klooſter; bevindende alleen 2 hooge torens, van welke de Noorder, A. 1596, al ten deele was nedergeſtort. Saanl. Arkad. 128 bl.

Tuſſen die torens ſagh ik een open poortje, waar boven S. Pieter, in hartſteen was uitgehouwen, tuſſen gr. Didrik de VI en ſyn moeder, Petronella, weduwe van gr. Floris de II. knielende.

Aan wêerſyden van S. Pieter las ik in het Grieks; ΑΓΙΟϹ ΠΗΤΡΟϹ36. de heilige Pieter. en boven hem, uit de eene hoek van de boog tot den anderen, deeſe Latynſſe regelen:

JANITOR Ô COELI TIBI PRONUM MENTE FIDELI, INTROMITTE GREGEM SUPERUM PLACANS SIBI REGEM,

Dat is; ô deurwaarder des Hemels, laat binnen deeſen hoop. ſich nêerwerpende met een trouw gemoed, den koning der Hemelingen met haar verſoenende.

<blz 94 | 77>

Ontrent de knielende beelden waaren deeſe woorden:

HIC DIDRICUS ORAT. OPUS HOC PETRONELLA DECORAT.

Wil ſeggen; hier bid Diderik. Pieternel verſierd dit werk. Maar ondertuſſen was het al een kunsje dit alles wel te leeſen. De letteren waaren hier en daar vreemd en door een geſtrengeld. Dus beken ik het leeſen van dit oude ſchrift te hebben ontfangen uit Alkmaar, te weeten van den Heer, Geerard Kempher.

Deeſe abdy geeft ons Rochman in 2 Teekeningen, eerſt geheel en daar op haar overſchot; beide ook eenigſins van de myne verſchillende; dus of ik ſe u hier beide in print ſal brengen, kan ik noch niet weeten.

Sy was der Benedictyneren, dat is, der monikken levende volgens de order van S. Benedictus (men vierd deeſen den 21ſten Maart) volgens Junius, Batav. 566 pag. Parivall. Verm. van Holland. 183 bl.

Ja, Leeſer, de Nêerlander is ontrent de alleroudſte37 Gedenk-ſchriften, onſe geweſten raakende, aan deeſe monikken verſchuldigd. En het is ook bekend dat Beka (ſchryvende A. 1246) alles uit de ryke Boekſaal (ſie van deeſe Junius, Batav. 515 pag.) van het Egmonder klooſter heeft gehaald. Voſſius, de Hiſtoric. Latinis, 3 lib. 1 cap.

Ook is38 Willhelmus Procurator (A. 1300, onſe Landſaaken op papier ſtellende) een Egmonder monik en de allereerſte onſer ſchryveren geweeſt. Pars, Naamrol. 29 bl. Beneden in Procurator, op de letter, P.

Ondertuſſen, weet ook, dat dit klooſter, voor de Benediktyner nonnen, van hout allereerſt is getimmerd, door Didrik de I, gr. van Holland. Annales Egmondani, by Ant. Matheus, 7 cap. 7 pag. en weder, 10 cap. 9 pag. behalven Scriverius, by Goudhoeve, 239 bl. de Gouwenaar, 18 bl. &c.

Doch naderhand vernieuwd en van ſteen gemaakt, door gr. Didrik de II, des eerſten ſoon; ten dienſt der monikken, verſendende de nonnen naar Bennebroek, buiten Haarlem. Deſelve Annales, 11 cap.39 9 pag. en wederom, Scriverius, by Goudhoeve, 244 bl. Stoke, Rym-chron. 15 bl. &c.

Voorts, is ook dit klooſter geweeſt de begraafſtede der meeſte Graven; doch is, hoewel de grootſte, de rykſte en oudſte van geheel Holland, A. 1567, nevens haar Boeke-kamer, door de Spaanſſe in aſſen gelegt. Saanl. Arkad. 126 bl. blyvende niets over, als het geen u hier in een cierlyk printje word vertoond. Sie mede Junius, Batav. 567 bl.

<blz 95 | 78>

Wat nu de Abten van dit klooſter aangaat, de 1ſte is geweeſt Wonebolt, in het ſelve geſet, ontrent A. 910; maar den 39ſte en de laatſte, Govert van Mierloo, een Dominikaner, de tweede biskop van Haarlem, eindlyk noch te Deventer overleden, A. 1587. Bokkenberg, Antiſtit. Egmondanor. 49 & 81 pag. Joh. à Leidis, of Jan van Leiden, Annal. Egmondan. cum obſervation. A. Mathæi, 12 cap. 9 pag. behalven Antoni Hovius, Egmond. Monnik, in ſyn Chron. Saanl. Arkad. 128 bl.

Onder deeſe was Lubbert, de 16de abt, de broeder van Arnoud, Heer van Egmond. In wiens regeeringe, ſoo men geloofd, dit volgende geval ſou ſyn geſchied. Een oyevaar, op de abdykerk neſtelende, had ſyn been gebrooken. Sekere daghwerker, in de abdye arbeidende, ſiet dien vogel. Brengt hem by ſyn môer, een ſchamel wyfjen. Deeſe ſpalkt en verbint het gebrooken been, terwyl de jongen loopt om daaglyk aas; kikkers, aal en andere viſſen. De vogel word geneſen. Begeeft ſich weder naar ſyn neſt, by ſyn jongkens. Daar op vertrekt hy. Keert weder op ſyn tyd. Komt voor het vroutje ſtaan. Laat een ſteen uit de bek vallen en vliegt ſo weder naar boven, op de abdy. Deeſe ſteen word Lubbertus vertoond. Ook word de ſaak verhaald. Men bevind het een dierbaare karbonkel te ſyn. Lubbert ſegt het aan ſyn broeder, Heer Wouter. Sy word in een goude plaat gegrepen en op het hoog altaar geſet, terwyl het vrouken met de ſoon voor al haar leven ryklyk worden beſorgd. Saanl. Arkad. 2 B. 120 bl.

Hugo van Aſſendelft, de 26ſte abt; was in geſchil met Heer Jan van Egmond, ſoo dat hy ſchuylende in verdrukkinge is overleden, A. 1367. Bokkenberg. 65 pag. Jan van Leiden, 58 cap. 70 bl.

Op deſelve wyſe was Willem van Mathenes, de 30ſte abt, ongelukkigh, ook onderdrukt van gemelden Heer Jan. Deeſe timmerde Abſpoel, by Leiden en overleed, A. 1458. Bokkenberg, 70 pag. Jan van Leiden, 72 cap. 97 pag. en Saanl. Arkad. 133 bl.

Maar word het niet al tyd om eens tot de ruiine van het SLOT over te ſtappen? heeft niet de Abdye alſoo vry wat ruymtjes haar deel gehad? ſal ſy het ſlot, of het ſlot haar overſchreeuwen? Wel aan.

A. 1676, den 4 Julii, heb ik het allereerſt geſien, doch als een kind en ſonder opmerkinge, als toen noch niet hebbende geſmaakt de ſoetheid der Vaderlandſſe aloudheden.

A. 1706, den 11 Septemb. quam ik met printen en <blz 96 | 79> teekeningen voor den dagh, ontrent deeſe ſterkte; en wel voornaamlyk, met een print, A. 1617, uitgegeven door Fr. de Wit: daar ik mede pronkte, ſoo lang my de geſichten van Rochman waaren onbekend.

Maar wat vond ik ongemeene veranderingen. De brugh was verdweenen en verwiſſeld in een hoogen puinhoop. De torens waaren beroofd van haare ſpitſe kappen. De ringmuir aan de rechter ſyde mede geſlecht. Men ging'er in, niet van vooren, maar, over een plank, naar de ſyde van het dorp.

Nu van het opbouwen. A. 1307, is het meerendeels getimmerd door Heer Arend van Egmond en Yſſelſtein: doch de allereerſte beginſelen ſyn van A. 1140, van Heer Beerewoud de II van Egmond, overleden, A. 1193. Junius, Batav. 544 pag. Bokkenberg. Dynaſtar. Egmond. 8 bl.

Is eindlyk voltrokken, door Heer Dodo de III, van Egmond; overleden, A. 1200. Deſelve Bokkenb. 21 pag.

Weder opgeboud, van Heer Wouter, of Gualtherus de I, van Egmond, overleden, A. 1208; na dat het door gr. Lodewyk van Loon was verbrand. Bokkenb. 25 pag.

Noch eens vernieuwd door Heer Jan de I, van Egmond; overleden, A. 1370. Bokkenb. 54 bl.

A. 1517, toen het geheele dorp van Egmond verbrande, is het kaſteel bewaard door Heer Jan van Waſſenaar. Soetſingende Swaan, 154 bl.

Ontrent welken tyd, het door het volk van Sonoy, in de woedende oorloogs orkaanen, allenskens tot een ruiineuſe romp is gemaakt. Saanl. Arkad. 116 bl. Goudhoeve, 15 bl. Korn. vander Woude, Alkm. 126 bl. Junius, Batav. 514 & 544 pag. Boxhorn. Stedeb. 46 bl. behalven Heda en Beka, Wachtendorp, Guicciardin, Meurs, Pars, Van Spaan, Van Royen, en mogelyk honderd andere.

Eindlyk gelyk Rochman en Sieuwert vander Meulen de Abdy in het geheel vertoonen, ſoo geven ſy ook het Slot van Egmond ongeſchend: maar beide in ſommige waarneemingen verſchillende.

Ook ſeg ik boven, de allereerſte beginſelen van dit ſlot te ſyn van Heer Beerewoud de II, en ſchryft gy ſe toe aan koning Radboud de II, de 4de Heer van Egmond, het kan my even ſeer behaagen.

Maar ſou ik ſoo van Egmond moeten vertrekken, ſonder een woord van haar Heeren te ſeggen? Hoe ſou ik dat voor myn goede Leeſer konnen verantwoorden? Wel aan dan.

<blz 97 | 80>

Radboud, de ſoon van Adgildus, der Frieſen koning, was de eerſten Heer van Egmond, een vreedſaam en deugdlyk man; A. 791, overleden, na dat ſeker toeval hem van fyn paard dêe vallen. Bokkenberg. Dynaſtar. Egmondanor. 1 cap. 1 pag.

Wollebrand is geweeſt den derden Heer van Egmond, nevens de Heeren, Arkel en Waſſenaar, beſittend geheel Holland, onder hen gedeeld. A. 868, is deeſe, by nacht, op ſyn bed vermoord. Bokkenberg. Dynaſtar. 3 pag.

Wallinger de I; de 6de Heer van Egmond. Het dorp, Egmond op zee, heeft van hem haar aanvang gekreegen. Bokkenberg, Dynnaſt. 6 pag. Hy, Pieter van Reneſſe, een edel man, by ſyn vrouw Katryn (dochter van hert. van Gloceſter) te bed vindende, doorſtakſe beide, A. 1004. En hy ſtierf A. 1036. Saanl. Arkad. 118 pag.

Dodo de II, de 7de Heer van Egmond. A. 1021, quamen de Frieſen hem moeyelyk vallen; maar Helena, ſyn moeder (de dochter van de mark gr. van Brandenburg) ſteeg in manne gewaad te paarde, voegde ſich nevens Dodo, en ontmoete den vyand by Heyloo. Men wierd hand gemeen en vrouw Helena won den ſtryd. Dodo ſtierf, A. 1074. Het Chronykje van Egmond, de vierde Druk, te Alkmaar; A. 1646.

Wouter de I, de 12de Heer, gemeenlyk de Quade Wouter geheeten, dewyl hy de Abten van Egmond in haare voorrechten benadeelde. Ving vrouw Ada en dreef de graaf van Loon uit Holland. Naderhand is hy ook gevangen en op het Huys te Heemskerk verſekerd; doch, door ſeekere 4 broeders, met geweld daar weder uitgehaald. Stierf, A. 1208. Bokkenberg. Dynaſt. 25 pag. Saanl. Arkad. 119 bl.

Willem de II, de Heer, een lieveling van gr. Floris de V; des wegens oock deeſes omkoomen ſelf wreekende op de Huyſen, Muyden en Kroonenburg. Overleed, A. 1304. Bokkenberg. Dynaſt. 42. pag.

Jan de II, de 20ſte Heer, toegenaamt Jan met de Bellen, om dat hy te velde trekkende, ſilvere bellen op ſyn gordel droeg. Was verdacht by gr. Willem, Albrechts ſoon, die hem verſond in ballingſchap. Wint Yſſelſtein, na des graven dood. A. 1417, wierd hy gevangen, toen Willem van Arkel binnen Gornichem ſneuvelde. Is overleden, A. 1451. Bokkenberg. Dynaſt. 67 pag.

Jan de III, de 22ſte Heer en graaf van Egmond. A. 1455, maakte hy eenen Jan Melis (een vry gemaakte ſlaaf, op een <blz 98 | 81> galey gekocht) ſchout van Egmond; om dat deeſe hem, van Jeruſalem keerende en ſieklyk ſynde, eenige mylen had op ſyn ſchouderen gedragen; teweeten, na dat hy van alle ſyn dienaaren in ſyn tegenſpoeden was verlaaten. Bokkenberg. Dynaſt. 143 pag. Kemp, Gorkom, 319 bl.

Word ook, by kleenachtinge, Manke Jan geheeten; want met die titel ſprak hem de burgemeeſter aan, toen hy, A. 1481, Dordrecht met ſyn 2 ryſſchepen argliſtelyk verraſte. Balen, Dord. 793 bl. behalven Bokkenberg.

Overleed, A. 1516, 77 jaaren oud, naalaatende ſyn vrouw Magdalena van Waardenburg, by wien hy 15 kinderen had verwekt. Van welke en van beider kopere tombe, wy meer ſullen ſeggen in de letter W, op Waardenburg.

Lamoraal, de 25ſte Heer en 4de graaf van Egmond, A. 1522, gebooren. Had, A. 1557, een groot deel in de verwinninge, ſlaande de Franſſen by S. Quintyn. A. 1559 ſloeg hy deſelve wederom, op den oever by Grevelingen. Maar, het loon van deeſe verdienſten? Die leeſt nooit Neerland, ſonder traanen40! A. 1567 is hy onverhoeds gevangen, en 1568, te Bruſſel, op het merktveld, nevens den gr. van Hoorn, onthoofd; na hem blyvende vrouw Sabina, ſyn weduwe, met 11 levende kinderen; die naderhand te Antwerpen is overleden, A. 1578. Hoofd, 4 B. 168 bl. Grotius, Annal. 2 lib. 40 pag. Van Meteren, 3 B. 58 bl. Strada, 1 Decad. 7 lib, Eremund. Belgie. Tumult. 212 pag. en verder alle de Beſchryvers van den bloedigen en langduirigen Oorlogh met Spanje.

En hier neem ik nu myn afſcheid van het aadlyk Egmond; haar ruiinen aanſpreekende met deeſe trooſtreden, uit Antonides, Yſtroom, 4 B. 135 bl.

                                Niets met recht Sich d'eeuwigheid beloofd. Het trots Kartage leght Gedolven onder zee; en Rome, in top gewaſſen Als 's aardryks monarchin, begraven in haar aſſen Door 't woeden van den Tyd;

2.10.13 S. ELISABETHS

S. ELISABETHS vloed; doch eer ik aan het water kom, is het hoognodigh, ontrent die Heilige u een weinigh te onderrechten.

Sy was een vroome weduwe; te weeten van Lodewyk, land gr. van Heſſen en Thuringen, dochter van Andreas, koning van Hongaryen; tegens de armen ſeer milddaadig en des <blz 99 | 82> wegen, door paus Gregoor de IX, in de naamlyſt der Heiligen geſet; na dat ſe was overleden, A. 1231. De vierdagh valt op den 19den van Novemb. G. Brand, Daghwyſer, 608 bl. uit Kalviſius, &c.

Nu tot de Watervloed. A. 1421, op S. Eliſabeth nacht, verkeerde de Dortſſe Waart, hebbende 72 dorpen, en ſynde een ſeer ſchoone en weeldrige landſtreek, in een groote waterplas. Balen, Dordr. 769 bl. nevens een Konſtplaat van Romein de Hooge.

Maar nu ſeggen ſommige, dat een nydige boer, om ſyn buiren te bederven, het water had ingelaaten; ſommige weder dat de Gunſtbrief van gr. Willem, aan die van Wieldrecht, in het handelen met ſekere zyl en watergang naar hun welgevallen, daar toe oorſaak heeft gegeven. Oudenhove. S. Holland, 185 bl. Gabbema, Watervloed 147 bl uit Veldenaar, Junius, Math. Voſſius, Boxhorn. &c. Schokius, de Inundat. 1 Diſp. 35 art. die noch van Gabbema, in ſyn gemelde Watervloeden, noch van myn Neef Guthberleth, ooit is aangetoogen. De eerſte beging ongetwyfeld crimen plagii, diefſtal; maar de laatſte heeft, weinigen tyd voor ſyn overlyden, my verſeekerd dat hy het werkje van Schokius nergens als by my had hooren noemen. Ondertuſſen ſal ik beneden in de letter W, op Watervloeden, noch een bundel Schryvers aanhaalen.

2.10.14 ENDEGEEST

ENDEGEEST; een Rhynlands Huys, in Ooſtgeeſt, een achterleen van den Huyſe van Waſſenaar; onlangs tot de grond toe geraſeerd, en van nieuws weder opgeboud. So ſpreekt Van Leeuwen, Rhynl. Koſtuym. Inleid. 36 bl. Goudhoeve, 81 bl.

2.10.15 ENG

't Huys den ENG; gelegen weſtwaart van Uitrecht, by Vleuten. Is onder de Geſichten van Kaſp. Specht, van A. 1697. Vinde hier ontrent niets gedenkens waardigh.

2.10.16 ENGELEN

ENGELEN, of Angelen; waaren oude Hooghduitſchers, ontrent de Eems, Weſer en Elbe; happige zeerovers en ſnedige vrybuiters op der Frieſen zeekuſten. Mengden ſich onder de Saxen. Hielden ſich op, nevens deſelve, in Frieſland. Sulks getuigd immers de oude Frieſſe taal, voornaamlyk onder die van Molquerum.

A. 449 deeden ſy hunne overtogt naar Britanje. Van Leeuwen, Batav. 49 bl. uit Beda, en uit Tempel, over de VII Provincien.

2.10.17 ENGELAND

ENGELAND; dit welbekende landſchap (het geen ik maar aanroere voor ſoo veel het diene, tot onſe aloudheden) heette, voor de komſt der Engel-Saxen niet Britannia maar Brithtania.

<blz 100 | 83>

Tania is ſoo veel als landſchap; gelyk in deeſe woorden; Aquitania, Luſitania, Mauretania.

Brith (in de oude taal van dat eiland) beteekend geſchilderd; nademaal de oude Britten haar naakte lyf hemels-blauw plachten te ſchilderen, met glaſtum of woad. Ceſar, Gall. Oorl. 5 B. 14 H. Plinius, 22 lib. 1 cap. Mela, 3 lib. 6 cap. maar hier ſyn die Letterklovers het ſpoor mis, uit een oude lap ſchrifts, ſeer qualyk ultro leeſende daar die Wereldbeſchryver deeſe woad Vitrum is noemende. Mogelyk was dit noch een ander kruid by hen als de Iſatis; van welke Plinius, 20 lib. 7 cap. Iſaac. Voſſius over Mela 254 pag. uit Turnebus.

2.10.18 ENGELANDER HOLT

ENGELANDER HOLT; van de Raads vergadering onder deſelve is geſprooken, in de letter B. 38 bl.

2.10.19 ENKHUYSEN

ENKHUYSEN; als of gy woud ſeggen, Enkel-huyſen, gelyk ook van Huygens deeſe naamreden word aangenoomen, in de volgende regelen:

Van enkle huyſen is groot Romen opgegroeit, En ik van enkele. Groot Romen heeft gegloeid, En ik ben plat gebrand. Groot Romen is herbooren, En ik van nieuws herbouwd; bei beter dan te vooren: Groot Romen41 heeft haar juk den Spanjaard opgedrukt, Ik heb myn vryen hals het Spaanſſe juk ontrukt. Noord-Holland, heb uw deel in d'eere van uw vryheid, Maar, weet dat d'eerſte ſteen van 't groote werk in my leit. En quam de heele buirt te deinſen tot den val, Weet dat ik daar toe nooit den laatſten leggen ſal.

Heeft binnen haar geen aloudheden; nademaal ook allereerſt van deeſe ſtad gewagh word gemaakt op A. 1279, in welke ſy is verbrand door Jan van Arkel en Klaas van Putten, afgeſonden om de wederſpannige Frieſen gedwee te maaken. Boxhorn. Stedeb. 365 bl.

A. 1426, is Enkhuyſen onder magt der Kennemers geraakt, en in 't ſelve jaar, de ſoldaten van vrouw Jakoba daar binnen tredende, ſyn 100 voornaame burgers, over tafel ſittende, op de middagh, dood geſlagen.

A. 1537, meenden de Gelderſſe by verraſſinge deeſe ſtad te vermeeſteren, met eenige ſchepen in de vroege morgen voor haar haven te brengen. Maar het werd door een vrouw, juiſt over de muir leggende, ontdekt. Dus kapten ſy haar <blz 101 | 84> ankers en gingen weer heene. Ondertuſſen ſyn gemelde ankers, ter eeuwiger geheugen, aan de Engelſſe tooren opgehangen. De Hiſtorie van Enkhuyſen, A. 1660, door G. Brand, ſoo men ſegt, uitgegeven, in Octavo; naderhand met veel vermeerderingen tot een Quarto gebracht. Doch ſie mede Junius, Guicciardin, Parival, &c.

2.10.20 EVERSTEIN

EVERSTEIN; niet verre van Hageſtein, in den lande van Arkel, tuſſen Vianen en Kuylenburg; ontrent de Lek.

A. 1363, wierd dit Huys weder opgemaakt; gelyk ook Hageſtein op nieuw geſterkt, door Otto van Arkel. Goudhoeve, 399 bl. en Kemp, uit hem, Gornich. 94 bl.

A. 1406, is het van gr. Willem de VI, (met de biskop van Uitrecht hebbende ſich verbonden, om Arkels hoogmoet te ſtraffen) tot overgave, door hongerſnood, gedwongen; daar op verbrand en geſlecht. Synde ook reeds de ruiinen van de Lekke wegh geſleept. Goudhoeve, 420 bl. Matheus, Analector. VI Tom. 331 pag. behalven Paffenrode, in Arkels Treurſpel; doende de geeſt van Jan ſyn ſoon Willem, in het allereerſte tooneel, aldus aanſpreeken.

Heer Jan die maakt verdragh. Men wil dat ik ſal moeten, Tot ſoen van myne breuk, my werpen aan de voeten Van Albrecht en ſyn ſoon, en dat de Beyervaan Sal een geheelen dagh op onſen toren ſtaan. Twee dingen, die myn ſiel en ingewand doorſneden; Maar daar de nood gebied, daar ſwygen alle reden.   Nu docht ik dat hy eens ſyn gal had uit gebraakt; Maar ſyn verbitterd hert haaſt weer aan hollen raakt, Laſt Hageſtein en ook Gaſparnen aan te randen, En tot de grondſlag toe geſaamen te verbranden; Het ſlot van EVERSTEIN, dat in gantſch Nederlandt, Van ſterke tegenweer, geen ſyns gelyken vant, Naar dat het, langen tyd, had hond en kat gegeeten, Sagh ook ſyn ſwaar gebouw ten grond toe neergeſmeeten En over hoop geſtort.

Siet ook, nevens deeſe, Heda, in Frederik van Blankenhem, de 51ſte biskop. 267 pag. en Scotanus, Frieſſe Geſch. 263 bl. ook Everſtein voegende by Hageſtein; gelyk als Binkhorſt nevens Polaanen, haar rampgenoot, geplaatſt. Sie boven, Binkhorſt, in de letter 2.7.

2.11 F

<blz 102 | 85>

F.

2.11.1 FETNA

FETNA; of, gelyk de Heer Alting (Notit. part. alter. 55 pag.) liever wil leeſen Fechta, word meerendeels geheeten Wiltenburg. Hierom ſal ik de redenvoering over deeſe plaats verſchuyven, tot op den letter W.

2.11.2 FLARDINGEN

FLARDINGEN; ander Flerdlinc Fleedingen en Phladirtinga, een ſeer oude plaats in Schieland; van welke te ſpreeken wy mede uitſtellen en u wyfen naar den letter V, Vlaardingen.

2.11.3 FLEVUM (eiland)

FLEVUM; of Flevo, een eiland wat meerder inwaars gelegen als het tegenwoordige Flieland; in het Flevo of het meir, door den Yſſel verwekt; heden geheeten de Suyder-zee. Mela, 3 lib. 2 cap.

Andere willen door Flevum verſtaan het Breede-ſand42 en daar ontrent leggende droogtens. Kluverius, Rhynm. 2 D. 217 en 259 bl. Siet ook Junius, Batav. 3 cap. 63, 150 en 514 pag. Van Leeuwen, Batav. 47 bl. &c.

2.11.4 FLEVUM (kaſteel)

FLEVUM; dit was een kaſteel, het geen heden ſommige plaatſen op het eiland Ter Schelling, by de toren van S. Bernard en geenſins te Flodorp in Groningerland; gelyk Ortelius begeerde. Kluverius, 2 D. 252 en 258 bl.

Doch van Alting (Notit. part. prim. 62 pag.) word het evenwel geſet by Visvliet of by Fliedorp, mede in Groningerland; gelyk deeſe Heer ook brengt het eiland Flevo tuſſen Ens en Vrk. Haar naam ſultge vinden by Tacitus, 4 Jaarb. 72 H. Plinius, H. N. 4 lib. 15 cap. Ptolemeus, Geogr. 24 pag. alwaar ſe ſeer qualyk Phileum leeſen, en noch met een veel grover miſſlagh, die naam de ſtad Groningen toevoegen.

Maar, ſie daar noch een gevoelen van Rykius, over de aangetoogene plaats van Tacitus (Animadverſ. 101 pag.) Flevo noemende Vlieland en ook de Rhyn of Yſſel gevende de naam van Flevo.

Merk ondertuſſen aan dat de Rhyn onder de benaamingen van de Sala, de Druſiana Foſſa en de Flevus aan de rechterſyde van Holland in zee loopt, volgens de vyfde kaart van Altings Notit. part. prior.

2.11.5 FLORIS de I

FLORIS de I, de ſeſde graaf van Holland, de broeder van Didrik of Dirk de IV, ſonder kinderen overleden, in deeſer voegen van Oudaan ingevoerd:

<blz 103 | 86>

My Floris, jonger ſoon, quam de eerſten uit de Graven En de eerſte van die naam, 't beſit van ſulk een have; Die myne vyanden voor myne voeten ſie, En Brabands heerſchap dus in myn geweld: maar die De ſon op 't ſchoonſte ſiet, denkt niet hoe haaſt het ſchemert. Daar in myn middagſlaap de wilgeboom te Hemert My lieflyk overſchaauwd, word ſy myn lykcypreſſ, Die, door quâa toeſicht, val myn vyand in het mes.

Geraakte in oorlogh met de nabuirige biskoppen en vorſten, op Hollands aanwas nydigh en aangehitſt door de voogden van den minderjaarigen keiſer, de Frieſen tot hulp neemende, ſchoon ſyner voorſaaten vyanden. Scriverius, by Goudhoeve, 259 bl.

Dus komt men, A. 1058, aan wêer ſyden in het veld. De graaf bediend ſich van een krygſliſt. Sie de waarheid van deeſe vertellinge, boven in de letter B. op Beuſelpraat. den vyand lokkende naar een plaats vol putten en kuilen met ruygte hendigh overdekt. Suyd-Holland dan afgeloopen ſynde, komen de vyanden ontrent Dordrecht en het bedrieglyk ſlagveld. Strompelen met groote wanorder in de gegravene ſlooten. Daar op doet Floris een uitval. Vermeeſterd ſyn vyand en dryftſe, niet ſonder bloedſtortinge, uit het ſlagveld. Balen, Dordr. beſchr. 702 bl. uit de Annales van Janus Douſa en Math. Voſſius.

A. 1062, heeft hy de biskoplyke voor de tweede reys geſlagen; maar ſiet helaas, welk een droeven naaſleep! De vermoeide prins ſoekt te ruſten. Ook was het een heete dagh. Hy legt ſich neder onder een wilgeboom. Het ſelve doen mede ſyn krygsknechten. De vyand krygt van deeſe ſorgeloosheid kundſchap. Keert te rugh. Overvalt het ſlapend leger en dood graaf Floris, nevens ſeer veele van de ſyne. Dit geſchiede by Hemert ontrent Heuſden, tuſſen Maas en Waal. De Gouwenaar, behalven de bovengenoemde.

2.11.6 FLORIS de II

FLORIS de II; de elfde graaf van Holland, de ſoon van Didrik de V; bygenaamt de Vette, volgens deeſe regelen van Oudaan:

Hoe 't op een ſachte plaats ſich maklyk nederſette Tuygt, door het aangeſicht, 't hert van Florens de Vette. Ruk, Frieſen, vry den toom en teugel in de nek, Hy ſtoort ſyn ruſt niet om uw ſcheurſiek erfgebrek.

<blz 104 | 87>

Vorſtinne Petronel, viel veelen ſwaar te dulden, Dyn mannelyk bedryf die 't hair dyns ſoons wout hulden Met Flaandrens graaflyk goud, die 't ryk in onruſt hiel, Soo bouw te Rhynsburg vry een klooſter, voor de ſiel.

Hy was een prins van ſeer veel deugden, vreedſaam en milddaadig ontrent de geeſtlyke. Had ook een wyſe en voorſichtige vrouw, Petronelle van Saxen, de ſuſter van keiſer Lotharius. Sie van haar in de letter P.

Voorts dat hy de Frieſen ſou hebben beoorlogd, word onwaar bevonden; volgens Scriverius, by Goudhoeve tegens Snoyus, 272 bl.

A. 1122, is deeſe graaf Floris overleden, na dat hy 31 jaaren in ruſt en vrede had geregeerd, laatende het gebied des lands aan genoemde Petronelle, als voogdes over hunne onderlinge kinderen, De Gouwenaar, Chron. 40 bl. den oorlogh met de Frieſen, van gr. Floris de III, valſſelyk brenge tot deeſen Floris den II. Siet ook Melis Stoke, in Flor. en de Annales Egmondan. 20 pag.

2.11.7 FLORIS de III

FLORIS de III; de thiende of (ſoo gy vrouw Geertruid, Robbert de Fries en Govert de Bultenaar wilt mede tellen) de derthiende graaf van Holland, de oudſte ſoon van Didrik de VI.

Syn eerſte oorlogh was tegens de graaf van Flaandere, wegens het ſchatten der Vlaamſſe kooplieden te Geervliet en het beſit der Vlaamſſe eilanden. Deeſe eindigde met een ongelukkige ſcheepſtryd, waar in hy, met ſyn Hollanderen, verwonnen en gevangen ſynde, wierd genoodſaakt vrede te maaken.

Maar de tweede had hy tegens die van het landſchap Drenthe, wegens Groningen, door Govert van Rhenen, biskop van Uitrecht, ingewikkeld, welke eindlyk is bygelegt.

De derde ontſtond tuſſen hem en den biskop; te weeten A. 1165; door den keiſer Frederik Barbaroſſa, uit Duitſland naar Uitrecht afkoomende, bygelegt.

De vierde was tegens de Weft-Frieſen, die Alkmaar ſtormenderhand hadden ingenoomen en verbrand. A. 1168, quam hy hen te ontmoeten te Schorel; maar hy kreeg de nederlaag. Scriverius, by Goudhoeve 282 bl. &c. Melis Stoke, in Flor. 50 bl. De Gouwenaar, 46 bl.

Eindelyk is hy, A. 1190, aan een ſiekte geftorven in Syrie; A. 1188, de kruisvaart hebbende bygewoond van den <blz 105 | 88> bovengemelden keiſer Barbaroſſa, in het 33ſte jaar ſyner heerſchappye. Het lyk is nevens dat van Barbaroſſa (op die tyd, by ongeval verdronken) te Antiochie in S. Pieters kerk begraven. Scriverius, wederom by Goudhoeve, 283 bl. behalven Oudaan, deeſen manhaftigen, doch ongelukkigen, krygsman dus doende ſpreeken:

De ruſtelooſe Fries, die 't noode lang wil herden, By ſyn geſtaafden eed, moet ook Florens den Derden De proeve neemen doen, hoe haaſt het Hollands heer De Frieſſe moedwil ſloopt en hoogmoed werpt ter nêer. Met Ada, myn gemaal, ſcheen my de kroon der Schotten Te hangen boven 't hoofd. Dat nu myn beendren rotten Met Barbaroſſ; in 't ſelfde Antiocheenſſe graf, Is ook een deel der roem, die my de kruisvaard gaf.

2.11.8 FLORIS de IV

FLORIS de IV; de ſoon van gr. Willem de I, de 17de graaf van Holland; van welken dus Oudaan:

'T was Floris, Hollands Heer, de Vierde ſoo geheeten, Die 't Hoofd van Rome, op 't volk van Stadingen gebeeten, Bekrachtigde in geſag en nadruk krygen dêe Syn anders ſtomp geweer, en blikſem ſonder ſnêe, Toen luſt hem niet dan ſpel, dan ſpeer en ſtaaf te breeken: Maar 't wierd 'er bloedigh ernſt, als gy, van nyd ontſteeken, Van bitſe minnenyd, Klermonder, dwaas begingt Den manſlagt aan dien Heer, en de eigen munt ontfingt.

Hy geraakte in een oorlogh met de biskop van Uitrecht, wegens den hertogh van Gelder, ſyn neef. Deeſe ſynde ter nêergelegt, beſtreed hy die van Groningen en Drenthe; in welken oorlogh de biskop Otto van der Lip ſneuvelde, volgens het aangeteekende, in de letter B. op Biskoppen.

A. 1234, liet hy ſich, met een vloot van 300 ſchepen, vinden in de ſoo genoemde kruisvaart tegens de Stadingers, in het ſticht Bremen; quanſuis ketteren, om dat ſe het geeſtlyk juk poogden af te ſchudden. Deeſe, te onmaghtigh tegens het getal der vyanden, wierden omringt, geſlagen en vermoord. Emmius, en Meyerus, by meergenoemde Alkemade, Munt. 43 bl.

A. 1235, wierd deeſe graaf wreedelyk omgebrocht, by deeſe gelegenheid. De gravin van Klermont, een jong en <blz 106 | 89> ſchoon vrouwmens, had ſeer veel gehoord van de bequaamheden des graven van Holland. Dus begeerigh om ook hem eens aan te ſchouwen verſoekt haar man, van hooge jaaren ſynde, een ſteekſpel aan te rechten. Dit word toegeſtaan. De ridders werden beroepen. Graaf Floris verſuymt niet ook aldaar te verſchynen. Het ſpel gaat aan, in het geſicht van de gravin, uit een venſter leggende. Sy pryſt de ongemeene dapperheid van deeſen ridder. Dit pryſen vervoerd den gryſaard tot minnenyd. Wat doet hy? daadelyk in de wapenen en te paard, van eenige Franſſen verſeld. Floris word, in het aanſien van het geheele hof, omringt en van het leven beroofd. En wat is hier op gevolgd? De graaf van Kleef, de neef van de vermoorde, verſameld ſyn Nederlanſſe ridderen, beſet Klermont, en veld hem ter neder, nevens het lyk van graaf Floris. Melis Stoke, en een ander oud Gedicht, uit Boxhorn. by Alkemade, over Stoke, 79 bl.

Ondertuſſen moet ook worden aangemerkt het verſchil, raakende de plaats, alwaar deeſe graven moord ſou ſyn geſchied. Te Korbie, aan de Somme, ſeggen Heda, Beka en Stoke: maar Albertus, abbas Stadenſis, in Chron. ad A. 1234. (by Goudhoeven, 306 bl.) ſegt te Noyon. Beide ten minſten in Pikardyen.

2.11.9 FLORIS de V

FLORIS de V; de ſoon van koning Willem, de 19de graaf van Holland; ſynde 6 maanden oud, toen ſyn vader, in de veldſlagh tegens de Frieſen, ſneuvelde.

Doch eer ik tot ſyn bedryven overſtap, diend Oudaan wel eerſt met ſyn Byſchrift voor uit te treden,

O Floris, konings ſoon! den hooghmoed ingebonden heeft dikmaals loons genoeg aan eigen ruſt gevonden, Of in gequeeten plicht van mogend onderſaad; Nu komt u beide ſins veel weerwil en groot quaad. Al keerje magt met magt, ſoo 't grooten paſt op grooten, Roofvogels ſyn in 't veld, dees hebben bek en pooten, Gelyk Heer Herman ſpoog ſyn gal uit lip en tand, En Velſen ſyne klauw dy ſloeg in 't ingewand.

's Graven minderjaarigheid en der voogden tweeſpalt gaven de Weſt-Frieſen en Kennemers gelegenheid om de beeſt te ſpeelen; vallende in Kennemerland en veel kaſteelen en Heeren huyſen verwoeſtende. Drongen door, tot in Amſtelland, aldaar Heer Gysbrecht van Amſtel kieſende tot hun legerhoofd. <blz 107 | 90> Deeſe trok dan met haar op. Nam het ſlot Vrêeland wegh. Vermeeſterde de ſtad Uitrecht. Scriverius, by Goudhoeve 326 bl.

A. 1272, quam Floris, ontrent 17 jaaren oud, aan het graaflyk landbeſtier. Syn eerſte werk was de wraak over ſyns vaders omkomen. Hy gaat te velde. Bevecht de Frieſen ontrent Alkmaar. Krygt de nêerlaag. Hervat de ſtryd, op de Geeſt, en verwint. De Gouwenaar, 68 bl.

Ook is hy de eerſte, die ſich onder de Hollanderen heeft geſchreven, graaf van Zeeland; met Beatrix, de dochter des graafs van Flaandere, ten huwlyk krygende de Zeeuwſſe eilanden.

Daar en boven is hy de allereerſte der Graven, die de Frieſen volkomentlyk overheerde43; de ſelve van A. 1282 tot 1285 beoorlogende.

Voorts dwong hy de gevangene Gysbrecht van Amſtel tot vrede, naa 't bemagtigen van Vrêeland (dat biskop Jan van Naſſau aan Amſtel had verpand) doch op bittere voorwaarden. Hoor Gysbrecht daar over klagen, by Vondel, in dat wêergaalooſe Treurſpel, ontrent het begin:

Wy ſtreden om de ſtaf, tot datſe my en Woerden Aan wêerſy van ſyn paard, tot een triomfe voerden In Uitrecht, met veel ſmaads, van ieder aangehoord. Men heeft my 't Vrêelands ſlot ontweldigd, hem Montfoort. 'K beken het ſlot was my met voorwaarde opgedragen; Maar nergens om geboud, als om myn land te plagen. 'K heb 's graven vangenis wel ſeven jaaren lang Beſuurd, en Swanenburg noch afgeſtaan door dwang, Myn erf in leen verkeerd en manſchap moeten ſweeren, Daar ik eerſt God alleen en anders geene heeren Oit kende in myn gebied, noch rekeninge gaf.

Hy trok naar Schotland, meenende recht op de kroon te hebben, wegens gr. Floris de III, ontrent voor honderd jaaren met een Schotſe princes getroud. Doch hy liet ſich aldaar met geld afſetten; gelyk dit Vondel ook aanroerd in de boven aangetogene rouwklacht van Amſtel.

Hy verviel in den haat van den Hollandſſen en Zeeuſſen adel. Wierd gevangen. Onder voorwaarde vrygelaaten. Brak ſyn gegeven woord. Sloot een heimlyk verbond met den Franſſen koning. En dit alles verwekte een ſwaare verbittering.

<blz 108 | 91>

Daar wierd, te Kameryk, in een ſamenſweeringe, buiten ſyn kennis, beſloten, hem gevangelyk naar Engeland over te voeren. Vondel wederom, in de ſelfde treurrol.

A. 1296, wierd hy dan met die gedachte gevangen, op een beſtelden jagt; maar de landlieden, daar af kennis krygende, quamen toeſchieten. Dit veranderde het voorneemen der ſaamgeſwoorene. Beſt was het hem te doorſteeken, het geen met de hand van Gerrit van Velſen wierd uitgevoerd. Siet der Dichteren Hoofd, in ſyn hoogdravend Treurſpel, ook aangehaald in de Beſchryv. van Amſteldam, 2 B. 96 bl. Wachtendorp, Rym-Chron. 6 B.

Dit was nu het einde van deeſen moedigen krygsheld, in het 41ſte jaar van ſyn landbeſtier; het 43ſte ſyns ouderdoms, alleenlyk ongelukkigh door ſyn heerſſucht en begeerte tot een onbepaalden oppermagt; den adel kleenachtende ende gemeente drukkende.

Maar, wat is dat? niet een woord van de Vrouwekracht van gr. Floris? hoe? Machteld, de dochter van Harmen van Woerden, en de vrouw van Velſen, niet geſchonden? Hoofd en Vondel bewyſen het, met hunne ſielroerende Treurſtukken. Evenwel; een bloot verdichtſel. Scriverius en Voſſius, door Alkemade geplaatſt achter ſyn Aanteekeningen over Stoke. Siet ook Amſteld. Beſchryv. 2 D. 65 pag. alwaar men meend deeſe ſaak te konnen u goet maaken. Doch hier af meer, beneden, in de letter V, op Velſen.

2.11.10 FOGELSANG

FOGELSANG; een luſthuys in het Haarlemmer Hout; van welke ik meen te ſpreeken, in de letter V, op Vogelſang.

2.11.11 FOREEST

FOREEST; of Ooſterwyk (alſoo die Geſlachten ſyn in een geſmolten, volgens de Saanl. Arkad. 300 bl.) is heden ſlechts de ruiine van een aadlyk Huys.

A. 1705, den 10 Mey, ging ik dit Huys te Foreeſt, buiten Beverwyk, aan de rechterhand van de wegh naar Alkmaar, aan dees ſyde van het Huys te Meereſtein, gelegen, eens beſchouwen. Het was een romp van vier muiren, binnen een grachtje, op een kleene hoogte; ſynde de ſydmuir ter rechter hand de grootſte brok.

Ik heb het ook afgeteekend, en naderhand bevonden de myne van Rochmans verbeeldinge weinigh te verſcheelen.

Van dit Stamhuys gewagen de Saanl. Arkad. 81 en 304 bl. Goudhoeven, 79 bl. en Van Leeuwen, Batav. 965 bl. ſpreekende van haare ridderen; van A. 1096, 1111, &c. maar <blz 109 | 92> aangaande het Hiſtoriale, heb ik tot noch toe niets gevonden, hoe wel het ſeeker is, dat het, in de Hollandſſe tweeſpalt, is onder de voet geraakt.

2.11.12 FORTRAPPE

FORTRAPPE; of Voortrappe; een oud dorp en nu niet meer bekend: ſommige het ſtellende by Voorburg; ſommige by Kadſant, in Flaandere; ſommige weder in Suydbeveland. Saanl. Arkad. 28 bl. Scriverius, by Goudhoeve, Inleid. tot de Graven, 236 bl. Eindius, tegens Douſa, Zeeland. 17 cap. 105 pag.

De naam komt in een gunſtbrief van A. 913, gegeven door kon. Karel de Eenvoudige, aan die van Egmond. Alting, Notit. part. alter. 58 pag.

2.11.13 FRANKEN

FRANKEN; welke Slichtenhorſt (Gelder G. 18 bl.) geloofd, datſe ſyn bekent geworden, ontrent A. 265. te Rome regeerende de keiſer Valeriaan: neergeſeeten aan de Duytſſe zee, ontrent de monden en meiren van den Rhyn. Deeſe opbreekende, overheerden eindlyk de Gallien, en wierden door hunne magt de ſchrik der nagebuiren. Junius, Batav. 103 pag.

Paul. Emilius is midderwylen beſpotlyk, vertellende dat de Franken wel eer Troiaanen ſyn geweeſt; dat ſe, onder eenen Francio, ſich hebben begeven naar het Meötis meir, en dat ſe daar tot aan de tyden van keiſer Valentiniaan ſich hebben opgehouden. Sie hem ſelf, de Geſtis Francor. 1 lib. 1 pag. behalven Eneas Pius, Gaguinus, en voor alle Pierre Ronſard en diergelyke beuſeldichters.

Ik hou het met die geene, welke vaſtſtellen dat het Duitſers en Nederlanders, Overyſſelaars en Weſtfalingers ſyn geweeſt; Franke, dat is, vrye luyden, het Roomſſe juk kloekmoedig afwerpende. Junius, Batav. 142, 145 & 156 pag.

Soo noemt ook Libanius (Baſilic. 138 pag.) de Franken een Celtiſſ volk, aan den Rhyn en ontrent den Oceaan nêergeſeten. Doch deſelve ſchryver vertaſt ſich groffelyk, als hy de naam wil afleiden van het Griekſe woord φραγτòς; als door de Natuir, tegens alle overlaſt van krygsgeruchten genoegſaam bebolwerkt. Siet Ezech. Spanhemius, de Numism. 8 Diſſert. 752 pag.

By Tacitus ſynſe noch onbekend; maar gy vind de Franken by de Schryvers der tyden van Gallienus, Klaudius, Probus, en hunne navolgers. Treb. Pollio, in Gallien. 7 & 8 cap. de Lofredenaars, allerjongſt door Cellarius uitgegeven, II44 Paneg. 7 cap. IV Paneg. 17 cap. &c. en VI Paneg. 10 & 11 cap. Claudianus, Stilich. 1 lib. 236 verſ. &c.

<blz 110 | 93>

De Liefhebbers der Roomſſe Geldmunten geven ons een Munt van den keiſer Konſtantinus; vertoonende een treurend vrouwmens, nevens een wapentronk neergeſeeten, binnen deeſe woorden: GAUDIVM ROMANORUM. dat is, De Vreugd der Roomſſe. en FRANCIA. Der Franken landſchap, als een vrouw verbeeld. Oudaan, Rooms. Mogenh. 28 Taf. 137 bl.

Sluyte hier mede; ſtellende by herhaarlinge, dat de Franken waaren franke, dat is, vrye luyden.

Dat ſe waaren Celten, Duitſers, Sikambers, Cheruſcen, Angrivariers, Uſipetes, Anſuariers, Chamavers, Frieſen, Tubantes, Tencters, en Brukters; alle van de Rhyn en Elbe omvangen en bepaald. Procopius, Goth. B. 1 lib. 10 cap. Agathias, 1 lib. 4 cap. Kirchmayer over de German. van Tacitus, 2 cap. 26 pag. Alting. Notit. 1 part. 68 bl.

Datſe het Bataviſch eiland hebben ingehad en beſeeten. VI Panegyr. Eumenii, 5 cap.

Dat ſy eindlyk op kraamden; verruylende de moeren en woeſtenyen van Neerland voor het vaſt en vruchtdragend aardryk van Gallie, heden geheeten Frankryk. Vopiſcus, in Aurelian. 7 cap. Oroſius, 7 lib. 32. cap. &c.

Wat nu der Franken taal ook aangaat, het ſelve laat ik ten eenemaal over aan meergenoemde Kornelis Kooten, ſeer onderſoekende en daar in geweldigh vorderende; waar over de geleerde wereld ſich ter eeniger tyd noch ſal verwonderen.

Ondertuſſen kan men naarſien Boxhorn. Hiſt. Univers. 254 & 368 pag. aantrekkende het Lexicon Cambricum Daviëſii; en daar en boven de Linguarum Vet. Septentrionalium Theſaurus Grammatico Criticus & Archologicus, Georgii Hikkeſii45; noch onlangs, A. 1705, in Folio, 3 Tomi, te Oxfort in het licht gebracht.

2.11.14 FRIESLAND

FRIESLAND; het land der Friſii, Firèſen of Frieſen; welke mede naar onſe landſtreeken uit Europaas Noorderdeel ſyn opgetogen. Syn niet alleenlyk Saxen van afkomſt (immers ſiet menſe dikmaals door malkander gemengeld) maar ook Sweden; uit Weſter-Gotland met ſich brengende de naamen van Geten, Anſlo, Norch, Fries, Dalen, Ruinen, &c. en deeſe de plaatſen van het lanſchap Drenthe mededeelende Pikardt, Drents. Oud. 4 H. 16 bl.

Deeſe, hedendaags met de naam van Ooſt- en Weſt of Groot en Kleene Frieſen bekent, hebben in den eerſten oord, de ſteden; Stavoren, Sneek, Franiker, Harlingen en Leeuwarden, en weder in den tweeden; Hoorn, Enkhuyſen, <blz 111 | 94> Schagen en Medemblik. Dus word Embderland, onder de kleene46 Cauchi behoorende, uitgeſlooten, by den gemeenen man oneigentlyk Ooſt-Frieſland genoemt. Junius, Batav. 3 cap. 51, 60 en 61 pag. Saanl. Arkad. 193 bl.

Onder deeſe Friſii mengen onſe luyden ook de Friſiabones. Doch ik ſou liever denken, dat by Plinius (4 lib. H. N. 17 cap.) iets anders moet worden geleeſen, als met de goede Junius (3 cap. 48 pag.) te geloven, dat deeſe menſſen Frieſe aapen, hunne gewoontens in alles naa aapende, ſyn geweeſt Joh. Iſak. Pontanus, by Boxhorn. Stedeb. 17 bl. wiens redengevinge van deeſe benaaminge ik ook niet durf aanneemen. Maar, wat dunkt u van Frieſſe-Aawoners of anders Eewoners? Sie Alting. Notit. 1 D. 71 pag.

De Frieſen hadden dan hunne bepaaling, tuſſen den Rhyn en den Eems. En hierom magh men ook met recht gelooven, dat Drenthe het middelpunt van het oude Frieſland is geweeſt, en dat alle 't geene de aaloude ſchryven, niet by de hedendaagſe Frieſen, maar by de Drenthers is voorgevallen. Ten minſten, ſoodanigh is het gevoelen van Pikart, Drenth. 128 bl.

Dus hebben de Schryvers van de middeleeuw, ſoo menſe noemt, by naar deſelve verdeelinge; betrekkende onder deeſe naam, Holland, het Sticht van Uitrecht, en ten deele Gelderland. Hoe klinkt u dit, myn Leeſer, in uw ooren. Heemskerk ſegt het, in de Aanteekingen over de Batav. Arkad. 186 bl.

Dus is, A. 76, Rhynsburg; A. 1009, Tiel; A. 1010, Uitrecht; en A. 1048, Flardingen, in Frieſland geplaatſt. Van Leeuwen Batav. 43 bl.

Soo behoorde toen het eiland van Dordrecht en Maaſland en Teſſel, onder de benaaminge van Frieſland; alle ſynde graafſchappen. Mattheus Analector. V Tom. 491 pag. Siet ook Eindius, in Zeel. Chron. Korn. van den Woude, Alkm. beſchryv. behalven Lambert van Aſſchaffenburg, op A. 1071. laat het niet verveelen ſyn eigene woorden aan te horen: Tandem advertens ſic infeliciter ſibi cedere, quamcunque viam tentaſſet, amplificandæ47 gloriæ ſuæ, deinceps in perpetuum ab oppugnatione exterarum gentium animum avocavit, atque in Friſiam, quæ confinis eſt Flandriæ, cui Thidericus quondam comes & poſt hunc Florentius, frater ejus imperaverat, irruptionem fecit. Dat is. De Griekſe keiſer eindlyk merkende dat, aan welk een kant hy het wende, alles ongelukkigh uit viel, tot verbreidinge ſynes roems, ſoo heeft hy voortaan voor altyd het <blz 112 | 95> bevechten van vreemde volkeren uit ſyn ſin geſet, en hy heeft een inval gedaan in Frieſland, welk aan Flaandere is grenſſende, waar over gr. Diderik de IV en Floris de I, ſyn broeder, onlangs hadden geheerſcht.

Soo word ook, in Oude papieren, Oſtende een Frieſſe ſtad geheeten, en ſelf worden de Frieſen tegens Antwerpen geplaatſt. Alting. Notit. 2 part. 62 pag.

Van der Frieſſen kleedinge, ſoo der mannen als der vrouwen te ſchryven, ſou te langwyligh vallen. Sie Scotanus, Fries. Geſchied. op A. 1203. 105 bl.

Van de taal ſal ik ook weder ſwygen. Dit is myn werk niet. Maar echter kan ik niet laaten verby gaan eenige Frieſſe woorden, welke in de Saxiſſe oorlogs-tyden, ontrent A. 1500, waaren de toets der vreemdelingen in het uitſpreeken.

Ik ſeg, de gevangen wierd een kleene ſinſpreuk voorgeſteld; die ſe ſonder haperen kon uitten, wierd voor inboorling gehouden; maar die ſtamelde, was een uitlander en die moeſt te water; al waar hy met ſpringſpietſen wierd onder gehouden, tot dat het leven was verhuyſt. En dit heette wapeldje pinga. Gabbema, Verhaal van Leewaard. 20 bl. Scotanus, Frieſſe Geſchied. 475 bl.

Eindlyk kom ik tot de Naamreeden. Frieſen ſpruit uit het woordeken, friſch; vers en nieuw. Friſſche landen, dat is, door het overvloeyen der zee, met verſſe ſlibbe en kley vernieude landen. Gemelde Gabbema, in de Voorrede van het genoemde Verhaal. Maar het luſt de Hr. Alting te ſeggen (Notit. 1 part. 73 pag) frye of vrye Frieſen; aan welk gevoelen ik niet ſchroom myn ſegel te hangen.

2.11.15 FRISO

FRISO, een vorſt uit Aſie, op een ſtroowis herwaars aangedreven, en hier der Frieſen opperhoofd. Word verworpen, van Scotanus, Frieſſe G. 2 bl. Gabbema, Leeuward. 13 bl. &c. en wy mogen wel lyden dat met dusdaanige malle praatjes pronken Suffridus Petri en Bern. Furmerius: maar het doet me ſeer die dwaaling te vinden in Soetebooms Stavoren, 1 bl. &c.

2.11.16 FRONESTEIN

FRONESTEIN; in het Sticht van Uitrecht, tegen over Vianen, gelegen. Ik ſie het Huys onder de Geſichten van Rochman; maar weeter anders niet af te ſeggen.

2.12 G

G.

2.12.1 GASPEREN

GASPEREN; een ſtedeken onder Heukelom gelegen, Oudenhove, voor de Graven van Scriverius, 26 bl. <blz 113 | 96> behoorde mede, onder de Heeren van Arkel; al waar om ook Paffenrode, de gewapende dichter, van deeſe ſterkte gedenkt in boven aangehaalde regelen, genoomen uit ſyn Willen van Arkel. Goudhoeve voegt het, 399 bl. nevens het ſlot Hageſtein; als ſynde beide, door Hr. Otto van Arkel, met hoogen muiren en toornen, en voorts met diepe grachten, verſterkt. Sie dit ſelve, by Slichtenhorſt, Gelders. Geſch. 200 bl. in de Levens der Heeren van Arkel; al hoewel hy, 194 bl. Gaſperen en Hageſtein voor eene plaats ſchynt aan te neemen.

2.12.2 GASTMALEN

GASTMALEN; teweeten van liefde, vriendſchap, en verbinteniſſe; gelykſe, in de allereerſte tyden, niet alleenlyk te Athene, in het Prytaneum; maar ook te Rome waaren; geſegt Chariſtia, en gevierd, op den 19 Februar. Siet myn Aanteekeningen over den Almanak van Ovidius, 190 bl. aldaar ook aantrekkende Valer. Maximus, 2 B. 1 H. 8 Voorb.

Soodanige waaren ook de vier opentlyke maaltyden der Venetiaanen en de ſchhaffen der Switſers, volgens Bodinus, Method. Hiſtoriar. 308 pag.

Soodanige eindlyk hebben ook onſe Voorouderen aangeſteld, om alle, twiſt en vyandſchap, in deſelve neer te leggen. Want ſoo was immers die der Swanebroederen, in s'Hertogenboſch. Beneden in de Letter S. en die van de Schieringers en Vetkopers, in Frieſland; in welke twee waarneemingen wierden onderhouden; als de Frieſſe Schootel, uit 14 gerechten beſtaande, en den Frieſſen Drinkhoorn, S. A. Gabbema, Leeuward, 12, &c. bl.

Doch hier is mede toe te brengen het avondmaal van Niklaas Burgerhart (gelyk hy van Vondel word geheeten in de Bataviſſe Gebroeders) anders Klaudius Civilis; waar af, boven, 33, 37 en 38 bl.

2.12.3 GEBOORTE

GEBOORTE; waar ontrent ik heb aangemerkt, Enkhuyſen en Haarlem onlangs doorwandelende, dat aan de bovendeur van het huys, alwaar een jonge kraamvrou ligt, word uitgeſtoken een langwerpigh vierkant cieraadtje, van wit linnen, met gelobde kant omſet.

Is het een jongetje, het is aan het ſelve kennelyk en is het een meisjen, het is ook ſeer wel te ſien. Syn 'er tweelingen, gy hebt 2 ſoodanige teekenen, op de deur geſet.

Doch nu de reden van deeſe landwyfe? Mogelyk geen andere, als dat het is een waarſchuwinge om de ſieke kraamvrouw, met hart aan te kloppen of ſtyf te bellen, niet te ontroeren.

<blz 114 | 97>

De ſaak is noodſaakelyk geweeſt, maar het verſierſel is 'er by gekomen. Dit is niets nieuws. Wy ſien het daaglyks. Klederen ſyn ons nodigh, voor de ongemakken des luchts, doch juyſt van geen fluweel of ſatyn, en met koſtelyke verven uitſteekende. Hoor dus Scotanus klagen, Frieſſe Hiſt. 105 bl. daar hy van der Frieſen oude kledinge is ſpreekende.

2.12.4 GELD

GELD; was, ontrent A. 1315, ſeer ſchaars en koſtelyk. Voor een ſchepel rogge 30 ſtuivers te geven, was een groote dierte.

Om den Hoekſſen en Kabeljauſſen oorlogh uit te voeren, beſwaarde graaf Willem, A. 1334, ieder morgen lands met 2 penningen.

't Was van gewichte dat David, biskop van Uitrecht, met een braſpenning, ieder morgen lands ſocht te beſwaaren.

Des Graven metſelaar, ſyn eigen koſt doende, won een halve braſpenning; maar als hy van des Graven ſpyſen at, kreegh hy daaghs alleen 6 duiten. Noch al meer. De portier van het Hof in 's Gravenhage, trok daags alleen 4 duiten. Ger. van Spaan, Duire Tyden, Oorlogen, &c. Chronyk, 74 en 75 bl.

Eindlyk, om geen meer voorbeelden binnen te brengen, ſie daar dit het laatſte. A. 1465, hadden, te Hoorn, de Burgemeeſteren een maaltyd van 3 ſtuivers, daar mede onthaalende den ſoon van Filips, hertog van Burgondie. Deſelve van Spaan, 92 bl. uit de Aanteekeningen van Jan Ariaans Leeghwater, diergelyke voorbeelden naa malkanderen optellende, behalves Velius, en van Dam, by Pars, Katw. 56 bl.

Uit deeſe ſchaarsheid ſpruid het naamwoordeken, braſpenning; ſynde, volgens Kilianus, het werkwoord braſſen, ſyn maaltyd doen; voor die prys; te weeten, derdehalf groot. Ant. Matheus, in Annal. Ultraject. Analector. 2 Tom. het ſelven; van graaf Willem en biskop David, mede bewyſende, uit oude Schriften, 57 pag.

2.12.5 GELDERLAND

GELDERLAND; is van ouds onder Koningen, Hertogen, Vorſten en Landvoogden geweeſt. Van Leeuwen, Batav. 1416 bl.

Haar hooge deel was ſekerlyk het waare Batavie; gelyk we gepoogd hebben boven te bewyſen, 26 bl.

Haare grenfpaalen fyn, O. Kleve, Overyſſel en Weſtfalen; W. Het ſticht Uitrecht en Holland; S. Braband. N. Den Inham van de Suyder-zee; begrypende de Betuwe en de Veluwe; en weder in deſelve, de Nimmeegſſe, Roermondſſe, <blz 115 | 98> Sutveenſſe en Arnhemſſe vierdeelen. Slichtenhorſt, Gelders. Geſch. 1 B. 3 bl.

Van haar rievieren, de Rhyn, de Maas den Yſſel, etc. ſal geſprooken worden op de letteren, R. M. I, &c. gelyk van de ſteden, Arnhem. Boven 21 bl. Nimmegen. Beneden48 in de letter N. en ſoo vervolgens; doch niet alle.

2.12.6 GERARD

GERARD, of Gerrit van Velſen; ontrent welke 2 ſaaken heden betwiſt worden, als; de Vrouwverkrachtingh en het Spykervat. Beide meen ik te bewaaren, tot in de letter V, op het woord, Velſen.

2.12.7 GEROLF

GEROLF; ontrent welken heerſchip alles ſoo vry wat mank gaat. Hy was de Vader van graaf Diderik de I. Boven, 56 bl. en waarom hy niet? om dat hy was een Flaming, een Gentenaar en geen Fries. Van Leeuwen, Batav. 1356 bl.

Niet te min word het beveſtigd van Mireus, God. Piar. Donat. 24 cap. by Matheus, de Nobilitate, 1 lib. 30 cap. 121 pag. die Diderik ook aldaar wel voor een Frank van geboorte, maar niet voor den eerſten graaf begeert aan te neemen.

Wat 'er af is, Gerolf word echter een grave in Frieſland geheeten by Stoke, Rymkron. 12 bl. en weder by Regino, ad A. 885; aangehaald by Matheus, in het ſelve B. 115 bl.

2.12.8 S. GEERTRUID

GEERTRUID; overleden, A. 664; naderhand geſet in het getal der Heiligen, haar vierdagh komende op den 17 Meert; was de dochter van Pipyn, hofmeeſter des konings van Frankryk en de ſuſter van S. Begga. Andr. Brunnerus, Faſtor. Marianor. 141 pag. &c.

Ondertuſſen was hier onder de grooten, in gebruik, S. Geertruids dronk, of het Drinken op ſinte Geerten minne, anders geſegt de patera Nivellenſis; te weeten, ter gedachtenis van de H. Maget, Geertuid van Nivelle; alwaar ſy by haar leven abdiſſe was geweeſt.

Dit geſchiede over tafel en in het ſcheiden; om van alle gevaar bevryd te ſyn, en in het voorgenomene een goeden uitſlagh te hebben. Matheus, Fundat. Eccleſiar. 137 pag. en Alkemade, over deeſe woorden van Stoke, in Floris de V, 121 bl.

Die grave ne ſweech niet ſtille, Hy ſeide: Heer Ghiſebrecht, hier inne Sel ik u ſinte Gheerden minne Geven, eer wi henen riden. Men brochte den wyn ten ſelven tiden.

<blz 116 | 99>

Die grave hiet ſchenken den wyn, En ſeide, drinkt van der hant myn, Sinte Gheerden minne, ende vaert wel.

2.12.9 GEERTRUIDENBERGH

GEERTRUIDENBERGH; ſoo geheeten naar gemelde S. Geertruid. Boxhorn. Stedeb. 285 bl.

Is nu gelegen, aan het Biesbos (en wel eer op het vaſte land) in het Hollands Braband, tegen over Dordrecht. Over welke ſtad, even als over Heuſden, ook een geſchil is geweeſt tuſſen Braband en Holland.

Ondertuſſen ſyn haar krygs-gevallen van A. 1304; in welke ſy van Jan, hertoge van Braband, is ingenoomen; en weder niet lang daar na, door Klaas, Heer van Putten en Strijen. Oudenhove, voor Scriverius, 55 bl.

A. 1420; in den oorlogh van vrouw Jakoba en Jan van Beijeren; als wanneer ſy door de Dortenaar belegerd en Heer Dirk van de Merwede, ſlotvoogt deeſer ſtede, wegens gemelde vrouw, is gedwongen tot den overgaaf. Balen, Dordr. 768 bl.

A. 1489; is ſy, door Jan van Naaldwyk ſtormenderhand, ingenoomen; doch door die van Breda weder vrygekocht. Oudenhove, voor de Graven, 56 bl.

A. 1573; is ſy beklommen en bemagtigd van Heer Poijet François, door den prins van Oranjen afgeſonden, ſonder den burgers eenigſins te benadeelen. Meteren, 4 B. 91. bl.

A. 1589; is ſy van de miſnoegde beſettelingen (meeſt Engelſſe) overgegeven aan Farneſe, prins Maurits het ſelve niet konnende beletten. Bentivoglio, Neerl. Hiſt. 2 D. 5 B. 447 bl.

A. 1593; is ſy door prins Maurits, in het aanſien ſyner vyanden, met een kleene magt veroverd. Siet hier af een gedachtenis op een Penning, in de Medaliſſe Hiſtorie, 62. bl. doch aldaar geen gewagh maakende van de Legpenning, het ſelve werkſtuk behelſende en by de Muntminnaars (onder welke ik my ſelf niet ſchroom te noemen) bekend.

Deeſe ſtad heeft ook gehad een kaſteel van aangelegenheid, welke heeft geſtaan van A. 1321 tot A. 1420, in welk jaar het in bovengemelde belegering is geraſeerd. Van Leeuwen, Batav. 1216 bl. Parival, Vermaak van Holl. 155 bl. Goudhoeve, 92 bl. en weder Oudenhove, Suyd Holl. 128 en 412 bl.

2.12.10 GEERTRUID van Saxen

Vrouw GEERTRUID; van ſommige niet onder de Graven gereekend; als ſynde onſeeker haar vader, onſeeker haar <blz 117 | 100> ſterftyd en onſeeker ook de plaats van haar overlyden. Doch, eer ik verder gaa, hoor Oudaan eens van deeſe Geertuid van Saxen, weduwe regente, ſpreeken:

Vrouw Geertruid bind het bloed van Hollanders en Saſſen, En heft, gelyk van nieuws, die landaard in haar aſſen, Ontvalt het land den ſtut door 't dooden van haar heer, Die mannelyke Vrouw treed in diens ſporen weer. Doch vrouwe ſchouderen beſwyken in het dragen Van ſulk een laſt, ten ſy een ſterker helpe ſchragen. Kom, Robbert, die van ſchoft ſoo taay ſyt als een Fries, 'K getrooſt my; helpt het niet, te lichter landverlies.

Sy was, ſeggenſe, de dochter van Heyman, hertog van Saxen, de vrouw van graaf Floris de I. de moeder van Didrik de V, welken ſy des wegen aan haar hand is houdende in de afbeeldinge, by den Gouwenaar, 33 bl.

Weduwe ſynde, berechte ſy het land, als voogdeſſe van haar minderjaarige ſoon, ontrent 2 jaaren, ſeer wyſſelyk. Daar na, herhuwd weeſende, ſtierfſe in Flaandere, daar ſe met haar tweeden man, Robbert de Frieſe, en haare kinderen, door hertog Govert de Bultenaar, was heen gedreven. Heemskerk, over ſyn Arkadie, 184 bl. uit de Annales Math. Voſſii. Hiſtoria Comit. Holl. Hadr. Barlandi; behalven Scriverius en Goudhoeven. Siet ook Alkemade, over Stoke, 31 bl.

Van gemelde Govert ſullenwe beneden ſpreeken, gelyk van Robbert de Fries, in de letter R.

2.12.11 GEERVLIET

GEERVLIET; een ſeer oud ſtedeken, ontrent het ſlot Heenvliet, in den lande van Vooren en Putten; wiens muiren, door oudheid al lang ſyn vergaan. Niet te min geeft ons Rochman wel 3 Geſichten van het ſelve. Van Leeuwen, Batav. 1305 bl. Parival, Vermaak van Holl. 158 bl.

Haare tollen waaren al in weeſen, A. 1282. Oudenhove, voor de Graven van Scriver. 57 bl. maar die ſyn te niete gegaan, na dat het breede water, voorby deeſe ſtad loopende, is verland. Goudhoeve, 90 bl.

2.12.12 'T GEIN (water)

'T GEIN; een watertje in het Sticht van Uitrecht; ontfangende haar naam by Abkoude, en weder deſelve, verlieſende by de Geinbrugge, beneden Weeſop; volgens Viſſers nette Landkaart van het Sticht. Beneden in de letter R. op Rieviertjes.

2.12.13 't GEIN (Alden Gein)

<blz 118 | 101>

't GEIN; of Alden Gein, een caſteel en een leen van Uitrecht; in een toorn beſtaande, door Heer Gysbrecht van Yſſelſtein, by overgaaf gewonnen en vernield. Heda in Jan IV. op A. 135649. 245 pag. doch door den Hr. Adriaan Ploos van Amſtel, A. 1633, wederom vernieuwd en vergroot. Matheus, de Nobilitate, 3 lib. 855 pag. Buchelius over Heda, 255 bl.

Maar, geen nette plaatsbeſchryvinge te maaken baard verwarringen. Siet hier een mooy voorbeeld!

2.12.14 't GEIN (Ganum)

't GEIN, of Ganum, is een vernietigde ſtad; op wiens ruiinen, na A. 1423, Nazereth is geſticht, een Klooſter van de monnikken, canonici regulares geheeten. Matheus, Fundat. Eccleſiarum, 438 pag. welke weder ſegt, 495 pag. Gein was noch een ſtad, A. 1294; doch had al vroeger een kerk; te weeten, volgens oude Papieren, A. 1217.

Waar ſtond nu deeſe toorn? waar was deeſe ſtad Gein gelegen? Men ſegt het niet, als ſynde quanſuis een bekende ſaak. Daar vind ik noch iets by Slichtenhorſt, Geld. Geſch. 6 B. 89 bl. op A. 1223 ſeggende, dat dit ſlot, door graaf Floris, de IV. oorlogende tegens biskop Otto van der Lip, in aſſen is gelegt.

Wel aan. Ons ſal mooglyk Viſſers nette Landkaart van het Sticht alleen weder konnen ſcheiden. Ik vinde de naam Oud Gein, boven Uitrecht, tuſſen den Yſſel en de Vaart van Vreeſwyk, anders geſegt den Vaartſſen Rhyn. En dit ſoo verre hier van Oud Gein; beneden ſullenwe noch wat ſeggen, in de letter S. op Snoyen toren.

2.12.15 GERMANIE

GERMANIE, of Duitſland; een landſchap, door de Romeinen overheerd, ſoo de vleijers ſeggen en u met de Keiſerlyke Geldmunten poogen wys te maaken. Immers, wie ſietge bykans, onder de keiſeren, niet valſlyk pronken met de ydelen titel van Germanicus? hebtge niet hier Kaligula, Klaudius en Nero; en daar weder Vitellius, Domitiaan, Trajaan, &c. by Oudaan, Rooms. Mogenh. by het 27 en 28 Taf. 133 bl.

Wat de bepaalinge van dit uitgeſtrekte landſchap aangaat, die geſchied wel meerendeels door de Rhyn, en de Donau; aangrenſſende in het O. Polen en Hungaryen; in het W. de Gallien; in het S. Italie; en in het N. den Oceaan en de Belt. Cellarius, Geograph. Noſtri Temp. 11 cap. 142 pag.

Maar, naderhand is dit landſchap geheeten ALEMANNIA; te weeten, ſelf op een Gedenkpenningje van keiſer Konſtantyn <blz 119 | 102> den Grooten, by den bovengenoemden Oudaan, ontrent het 28 Taf. 134 bl.

Men vind ook deeſe benaaminge, by de Panegyrici, of Keiſerlyke Lofredenaars, als; II. 17 cap. IV. 2 & 10 cap. en weder, X. 6 cap. Spartian. in Karakalla, 10 cap. Victor, in Karakall. 21 cap. Treb. Polio, in Mario, 8 cap. Vopiſcus, in Proculo, 12 cap. Ammianus, 14 lib. 9 cap.

Ondertuſſen komt hier weder de Letterklovery ter baan, brengende de Naamreden aan met te ſeggen; gaar, of allegaar, mannen; alle mannen; of ook wel, guerre, of gerremannen: dat is oorlogs-lieden. Helaas, wat koſt haar werk al ſweet! Dit is weer uit Oudaan, 135 en 136 bl. doch ſie al mede Junius, Batav. 21 cap. 574 pag. en ga terwylen, met Kirchmaijer, eens overwegen de ſaaklyke plaats van Tacitus, Germ. 2 cap. ontrent de benaminge van Germanie.

2.12.16 GERMANICUS

GERMANICUS; de ſoon van Druſus Germanicus en Antonia de jongere; de aangenoomene ſoon van den keiſer Tiberius. Juſtinian. Imp. Inſtitut. tit. de Adoptionibus; behalven Suetonius, in Tiber. 15 H.

Verwon den dappren Arminius, anders hertogh Herman, der Cheruſſen legerhoofd, ſoo men voorgeeft, in Weſtfalen, aan de Dommer zee. Tacitus, 1 Jaarb. 63 H. by Vander Houven, in de Handveſt Chronyk, 2 D. 39 bl. &c.

Overheerde ook Armenie en Kappadocie; maar is, in het 34ſte jaar ſynes ouderdoms binnen Antiochie, niet ſonder toedoen van Tiberius, op ſyn voorſpoedige veldtochten nydigh, door vergif omgekomen. Sie myn Keiſerlyke Byſchriften, 14 bl. en die der Keiſerinnen, 15 bl. alwaar ook is aangehaald, Joh. Glandorpii Deſcriptio Gentis Juliæ.

Ondertuſſen wys ik u naar een uitſtekend koperen (en nooit ſilver) Muntſtukje; vertonende Germanicus, een arendſtander dragende in ſyn ſlinkerhand; op wiens andere ſyde hy weder word geſien, ſtaande in ſyn zegenwagen. Het byſchrift is SIGNISRECEPT. DEVICT. GERM. De ſtandaaren ſynde herkregen, en de Duitſers verwonnen. Gy vind het by Rykius, in Tacitum, 41 pag. Van Druſus ſal beneden50 noch verder geſproken worden 30, 46 en 67 bl.

2.12.17 GIESSEN

GIESSEN, of Gieſſenburg, anders Caſpingium, ook door Rochman geteekend; een ſeer oud ſlot, en mogelyk een werk der Romeinen, de Brederoden toebehorende, beneden Gorkom, aan de Gyſen in Suid-Holland. Boxhorn. Stedeb. 94 bl. Goudhoeve, 78 bl. Oudenhove, S. Holl. 293 bl. Meurs, <blz 120 | 103> XVII Provinc. 455 bl. en eindlyk Scotanus Frieſſe Geſch. 263 bl.

Is wel meeſt bekend geworden, A. 1401; in het oorlogen van Heer Jan van Arkel, tegens de Graven van Holland; alwaarom meergenoemde Paffenrode, op Treurſpels 2 bl. in Arkels klachte, op deeſe wyſe van dit ſlot gewaagd:

De luiſter van ons Huys raakt nu te recht aan 't duyken. Gy ſult eerlang, myn ſoon, uw friſſe oogen luyken; Doch eer gy ſtruykeld, ſoo herhaal in uw gemoed Wat bitterheid ons is van Beyeren ontmoet. Ten was hem niet genoegh my uit myn ampt te ſtooten, Hy moeſt my, met geweld, ook van myn goed ontblooten. Geprikkeld van de wraak, greep ik de wapens aan En heb hem, in 't begin, al vry wat quaads gedaan. Daar van kan, Werkendam en GISENBURG getuygen, Met Nieupoort; die de nek voor Arkel moeſten buygen; Maar laas, wat wat het al!

2.12.18 GILDENBORG

GILDENBORG, in het Sticht van Uitrecht; op de koſten der gilden getimmerd, door biskop Arend van Hoorn, te Vreeſwyk aan de Vaart, A. 1373. Goudhoeve, 401 bl.

A. 1374, is dit Huys gewonnen eerſt door hertogh Albrecht, en daar op weder, ſtormenderhand, door gemelden Arend van Hoorn. Beka, in deeſe Arend van Hoorn, 121 pag. en Heda in deſelve, 258 pag. Slichtenhorſt, Geld. Geſch. 8 B. 156 bl. Scotanus, Frieſſe Geſch. 197 bl.

2.12.19 GODENDIENST

GODENDIENST; te weeten in deeſe landſtreeken. Is geweeſt de Hoofdſtoffe, aan Elias Scedius. van een geheele Verhandeling; en daarom ſullen wy een korter wegh inſlaan; alleenlyk de meeſte goden optellende, die men, ſoo in Vrankryk en Engeland als in Hoogh en Neder Duytſland, was gewoon aan te bidden en met ſlachtofferen te vereeren.

  1. Alruna

    Alruna, Aurina of Aurinia; van welke Duitſſe godheid al is geſprooken, in de letter A. 23 bl.

  2. Bacchus

    Bacchus; quanſuis te Haarlem geëerd, in de Bakeneſſ. Mede boven, in de letter B. 24 bl. Sie Screvelius, 4 H. en Oudenhove, 5 bl. tegens Kornelius Aurelius, Batav. 2 lib. 113 pag. edente Scriverio. Lydius, Belgii Glorioſi, 1 pag. &c. by Pars, Katw. 267 bl.

  3. Baduhenna

    Baduhenna, mogelyk een lar vialis of wegengodheid; welken boven ook, 37 bl.

    <blz 121 | 104>

    Maar het is kluchtigh te ſien, hoe onbeſuyſt de verklaarders der oude Hiſtoriſchryvers rompſlomp een plaats geven aan de eene of de andere ſtad, burgh, &c. Boven toonden wy 't in het Sacrum Nemus, dat nergens waar, 37 bl. Hier hebje 't weder met dit geheiligd bosje van Baduhena. Scotanus, Frieſſe Geſchied. 52 bl. noemt het Bennebroek, buiten Haarlem; en de Hr. Jan Huininga (in het Stedeboek van Blaauw) ſet het, met de naam van Bêem, in Groningerland. Dit ſcheelt immers niet veel by die de kennis der Landkaarten hebben.

  4. Buſterich

    Buſterich; op het ſlot Sondershuſen, in Duitſland, wel eer op het ſlot Rottenburg. Dit, uit een onbekend metaal, en van binnen hol ſynde, deeden ſe met een groot gedruys heet water, uitſpuyten. Henr. Hennin. in Jac. Tollii Epiſt. itinerar. 35 pag. ook Ernſtius, Sagittarius en Tenzelius, aantrekkende.

  5. Diana

    Diana; ten minſten, men heeft te Voorburg een marmerſteen gevonden, onder het ploegen, geteekend: DIANAE JUNIANUS, &c. Doch dit raakt niet ſoo ſeer onſe voorvaderen, als wel de Romeinen, hier toen liggende in hunne legerplaatſen. Sie Scriverius, Oud. Batavie, 17 bl.

    Deeſe was nu mede, gelyk ieder is bekend, de Maan; maar ſiet haar, met een narrekap, als een ſottin, afgebeeld by Verſteege, Neerl. Oudh. 136 bl. Van Leeuwen, Leid. 250 bl. en Pars, Katw. 268 bl. My dunkt deeſe afbeeldinge, gelyk ook de 6 andere, van geen waarde noch achting te ſyn. Ik ſeg, een ander mag 'er mêe pronken, by my ſyn het ſlechts verdichte beuſelingen.

  6. Flint

    Flint; op een flint of vuirkey ſtaande, der Wenden afgod. Van Royen, over Verſtege, 156 bl.

  7. Fortuin

    Fortuin, of D'avontuir; de godin der Hercyniſſe Katten, die, naar de naam van deeſe godheid, hunne ſtad, aan den Yſſel, Deventer hebben geheeten. Ik lachme ſlap om deeſe poets! Echter ſie Revii Daventria illuſtrata, 4 pag. alwaar ook Junius, Braun en Hogerberg nevens een oud Rymchronykje, van Davontur, ſyn aangehaald.

  8. Friga

    Friga, of Freiga; te ſien onder de 7 bovengenoemde afbeeldingen; was de Venus der Oude Saxen; naar wiens naam de dies Veneris de Vrydagh word geheeten. Van Royen, 149 bl.

  9. Herkules

    Herkules; volgens Tacitus, German. 9 H. het geen door grootvader Vondel word beveſtigd, in de Bataviſſe Gebroeders, 21 bl. alwaar hy de Bataviſſe Vrouwen in deeſer voegen doet opſingen:

    <blz 122 | 105>

    O Herkules, in offerwouden Soo lang gediend, om uwe deugd, Waar in ſich Duitſland vond gehouden, Beſchut den ouderdom en jeugd Der Batavieren, onſe mannen En lieve ſoonen, in bedwang Van menſſevlegels en tierannen!

    En daar op, een weinigh verder; hoewel in een reede vol beuſelpraat:

    Held Herkles word, by de oude Katten, In 't groote Harteboſch gevierd.   Toen Katmeers ſoon quam herwaars ſtappen, Als balling 's lands, en 't volk beſtierd In 't eiland, eerde hy godvruchtigh Het hof, van Herkules geboud Ontrent de Waalkant, hoogh en luchtigh, Waar van die ſtreek haar naam behoud.   Die god was waard in top te ſetten Van eere, met een woud-altaar, Geſangen, offerboſch-banketten En popelkrans, ſchalmeije en ſnaar.

    Hy word op de uitgegravene Marmerſteenen bygenaamd, Saxſanus. De Heer Kuiperus, Monumentor. Antiq. 228 pag. en Macuſanus. Van Leeuwen, Batav. 128 bl. behalven Choulius, Bekanus, Gruterus, Eindius, Kuiperus en Boxhornius.

    Wat de laatſte, ſteen aangaat, die is A. 1514, opgedolven en ſtaat noch heden, aan een pilaar, binnen de kerk, te Weſt-Capell. Smallegange, Zeeuwſſe Chron. 78 en 623 bl.

    Van de pilaaren van Herkules in onſe landſtreek, meenen wy beneden te ſpreeken, in de letter S. op Steenhoopen.

  10. Heſus

    Heſus; der oude Gallen. Lukanus, Burgel Oorl. 1 B. by van Someren, Batav. 9 H. 135 bl. naar welke niet alleen het dorp Hees, maar ook, te Nimmegen, de Heſelſtraat en Heſelpoort, hare benaaminge quanſuis ontfingen. Slichtenhorſt, Gelderſſ. Geſch. 36 bl.

  11. Iſis

    Iſis; Tacitus, Germ. 9 H. Munſterus, Coſmograph. 3 lib. by Scedius, de Germanor. Diis, 155 pag. by de Swaben, aangebeden, toen noch aan de Donau en den Euxinus neêrgeſeten. Kirchmaijer in Tacit. 156 pag.

  12. Krodo

    <blz 123 | 106>

    Krodo; der Romeinen Saturnus, Seater ook geheeten, van de Saxen, op het ſlot Hartsburg, in het Hercyniſch woud, geëerd; in de gedaante van een bejaarde gryſaard, op een viſch ſtaande, &c. gelyk hy word afgebeeld by boven genoemde Hennin. ad Tollii Epiſt. itinerar. 30 pag. ex Alb. Kranzii Saxon. 2 lib. 12 cap. de boven gemelde Van Leeuwen, en Pars. Siet weder Scedius, 494 pag. vermeldende, hoe dit beeld van Karel de Groote is afgeworpen en vernield. Siet ook Godfrieds Chron. 574 bl. op A. 778; den ſelven de paddeduivel noemende, als quanſuis hebbende het hoofd van een padde.

    Van deeſe kreeg de Saterdagh haar naam volgens Verſtege by van Royen, 155 bl.

  13. Mars

    Mars; Tacitus, Germ. 9 H op Schoonen en in Gotland gevierd. Prokopius, Goth. 2 lib. 12 cap. Siet ook weder Tacitus. 13 Jaarb. 57 H. Van Someren, Batav. 127 bl.

  14. Merkurius

    Merkurius; Tacitus, 13 Jaarb. 57 H. ſpreekende van de Katten en Hermunduren. Ceſar, Gall. Oorl. 6 B. 17 H. ſpreekende van de Gallen, by Kirchmaijer, over Tacitus, Germ. 9 H. Scedius, 65 pag. en weder elders.

    Hem en geenſins Arminius word de Irmenſul of Ermenſeul toegeſchreven; doch van dit geheiligd beeld meenen wy te handelen, in de letter I, op Irmenſul.

  15. Nehalennia

    Nehallenia, voor A. 1647. niet bekend; ſynde haar afbeeldinge, in hardſteen uitgehouwen, in grooten getallen, by Domburgh, op het Zeeuſſe Walcheren opgedolven. van Someren, Batav. 141 bl. Maar, hier af in de letter N.

  16. Oſtera

    Oſtera, een Saxiſſe afgod. Sie beneden, in de letter O.

  17. Priaap

    Priaap; door de dertele Priapeia, by de Latiniſten, niet onbekend. Van Someren, Batav. 136 bl. Pars, 264 bl. uit Jac. Lydii Belgium Glorioſum; welke getuygd het vuile beeld van Priaap voor het Spinhuys van Antwerpen te ſtaan. Is dit niet een wichtigh bewys, dat Priaap wel eer in deeſe landen was onder de Heiligen?

  18. Seater

    Seater; is de bovengemelde Krodo.

  19. Son

    De Son; is de eerſte der 7 afbeeldingen, by de meergenoemde Van Leeuwen, Pars en van Royen; welke ik heb verklaard my geheelyk te mishagen; niet tegenſtaande men de ſtoutheid heeft van de ſelve in koper af te gieten, en aan de wereld voor antike ſtandbeeltjes uit te venten. Doch al lang heeft het bedrogh ſyn meeſter ondekt.

  20. Taramis

    Taramis; anders Jupiter, van de Celten aangebeden. Lukanus, Burgl. Oorl. 1 B. by Scedius, 117 pg.

  21. Tanſana

    <blz 124 | 107>

    Tanſana; quanſuis Aanvang aller ſaaken. Tacitus I. Jaarb. 51 H. Junius, Batav. 385 pag. Pikardt, Drenth. Handveſt. Chron. 2 D. 37 bl.

  22. Teutates

    Teutates; of Theut, is deſelve met Jupiter. Lukanus, Burgerkr. 1 B. Blaauw, in Britanniæ tomo. met menſſen-offer en verwoede bloedſtortingen gepaaid. Laktantius, 1 lib. 21 cap. by Scedius, 107 pag. hem aldaar neemende voor Merkurius. Siet ook Livius, 26 lib. 44 cap. ſpreekende van belegerde Karthago Nova.

  23. Tuisko

    Tuisko; de vader der Duitſſen, gevende de naam aan de Tyweſdagh, anders Dinſdagh; is onder de 7 afbeeldingen der goden van de week. Verſtege, by van Royen, 137 bl. &c.

  24. Thor

    Thor of Thur; der Neder-Saxen. Ook eene der 7 boven genoemde, in een troon ſittende; gevende ſyn naam aan de Thunredagh anders Donderdagh, als of hy ſpeelen kon voor blikſemdrigh Jupiin. Van Someren, Batav. 137 bl. aanhaalende de Hiſtoria Eccleſiaſtica Adami, Hiſtorici Eccles.

    Van deeſe Thor ſou de ſtad Dordrecht ſyn naam konnen hebben. En waarom niet? de Pythagoriſten beweeſen alleen hunne ſtellingen, met Hy ſegt het! Maar wy leven nu in een vryer eeuw, en laaten ons ſoo niet by de neus omleiden. Siet ondertuſſen Oudenhove, S. Holl. 44 bl.

  25. Wodan

    Wodan; ook al onder de 7 beelden. Deeſe is Mars, gevende de naam aan de Woden of Woenſdagh, Hoewel, by ſommige weder Merkurius. Van Royen, 141 bl. Kirchmaijer, over Tacit. 148 pag. Scedius de Germanor. Diis, 110 pag. daar, en boven noch, 485 pag. meldende van eene Jodutte; 486 pag. van Baſanwouw. 487 pag. van Syeba; 494 pag. van Ham of Hammon; 500 pag. van Triglas; 501 pag. van Prono: maar ik ben moede en hoop ook, dat myn goede Leeſer, met het opgediſchte in dit goden banket, ſich ſelve ſal vernoegen; de Barden en Druïden uitſtellende, tot den letter P. op Prieſteren.

    Maar ſacht! hier is noch meer te ſeggen. Gy verwachte iets van het menſſen-offer. Maar, dat ſult gy hebben, op het woord Prieſteren. En dan, al verder? ik vat het; gy wilt van haare tempelen ſpreeken; boſſen en wouden van welke al is geſchreven, 37 bl. alwaar gy mede ſult vinden, dat eenige Heidenen (waar onder onſe landſaaten) en byſonderlyk de alleroudſte Romeinen (Plutarch. in Numa, Auguſtinus, de C. D. 4 lib. 31 cap. Dionyſius Halycarn. &c.) geene godebeelden hebben gebruikt.

2.12.20 GOEREE

<blz 125 | 108>

GOEREE; een ſtad op een eiland, wel eer, door den koophandel en ſcheepvaard, alle gebuiren trotſeerende; doch, door het ſtoppen van haar haven, van dat toppunt afgeſtooten. Wierd wel eer onder Zeeland gereekend. Boxhorn. Stedeb. 347 bl.

Voorts gedenkt een ſeeker oud Rym, by Pars (Katw. 125 bl, uit H. van Dam genoomen) van een rywegh tuſſen Goeree en den Briel. Maar wat heeft de zee daar ſedert een diep gat gemaakt! Sie Viſſers Holland.

Ook ſegt men dat oud Flardingen, of Vlaardingen hier ontrent, al voor ruim 460 jaaren, met alle haar huyſen, door het zeewater, tot de grond toe is vernield. Men heet deeſe plaats, by de ooſtduynen, ontrent de ſtad, de Oude Wereld. Immers, met het afwyken van de zee, ondekken de inwooners aldaar niet alleenlyk lange ſtraaten en grondſlagen van groote huyſen, maar vinden ook ſomwylen Rooms geld en andere ſeldſaamheden. Van Dam, Beſchryv. van Weſt-Voorn en Goeree. Tuisk, Chronyk, 2 D. 1762 bl. Goudhoeve, 93 bl. by Pars, Katw. 124 bl. en Naamrol. 144 bl.

Want dat men heden Flaardingen heet, geloofd men dat geenſins is op haar oude plaats geſet. Baudartius, by de aangetogene van Dam, 10 B. 10 bl.

2.12.21 't GOOY

't GOOY; of Gooiland (waar in Naarden, &c.) een deel van het Uiterſſe Sticht, voerd haare benaaminge van Goedela of Goedelindis, abdiſſe van het Vrouwe klooſter te Eltene, in Gelderland, ontrent Kleef en Emmerik. Haar eigene gunſtbrief, by Matheus, Analector. 6 Tom. 50 pag. Junius, Batav. 482 pag. Goudhoeve, 95 bl. en de Saanl. Arkad. 25 bl.

2.12.22 GORNICHEM

GORNICHEM; anders by verkortinge, Gorkom, aan de Merwe, voerd haare naamreden van de gorrekens of arme viſſers. Jan Gerbr. van Leiden, by Boxhorn. Stedeb. 271 bl. en Meurs, XVII Prov. 669 bl.

Quam onder de graaflykheid van Holland, A. 1405. graaf Willem en Jan van Arkel malkanderen beſtrydende. Scotanus, Frieſſe Geſchied. 263 bl.

Is naderhand gewonnen door Heer Jan van Egmond, voor jonkheer Willem van Arkel. Van deſe boven 80 bl. doch met geweld herwonnen, door Vrouw Jakoba. Jan van Leiden, Brederod. 43 H. 339 bl. by Matheus, Analector. 2 Tom. en gemelde Scotanus, 264 bl.

Eindelyk, gelyk het Graveſtraatje, te Dordrecht een hiſtoriale doorgang is. Boven, 64 bl. ſoo is, in deeſe ſtad <blz 126 | 109> aanmerkelyk de Krytſtraat waar in, A. 1417, Willem van Arkel ſneuvelde. Boven, 21 bl. uit Kemp, Gork. 146 bl. Siet ook Slichtenhorſt, Gelderſ. G. 187 en 204 bl. de Gouwenaar 120 bl. Goudhoeve, 289 bl. Van Leeuwen, Batav. 1224 bl.

Van het ſlot Arkel, in deeſe fad, ſynde een ſwaar werk, en op eenige plaatſen hebbende muiren van 36 voeten dikte; is ook boven geſprooken, 19 bl. alwaar de gemelde Schryvers voor een groot deel ſyn aangehaald.

Laat ons dan met Huygens ſluyten, Gorkom deeſe veerſſen op de tong leggende:

Die my benydelyk 's hooghs Arkel huys beſit Ter aarden effende was verre van ſyn wit. Wat geld' ik ſedert min, wat kon ik minder gelden, Soo lang myn muiren ſtaan, en 't klaver in myn velden Voor klaver niet en wykt? ſoo lang myn volle Merw, Myn wel gewrongen melk, myn altyd bolle terw Te winſte van my haald, ſoo lang myn aarde punten Het oogh verbyſteren dat op my derve munten? Seg dan, ſeg ſelve, Nyd, ſeg met den bitſten bek, Maar ſeg waarſchynelyk; wat 's Gorichoms gebrek?

2.12.23 GOTTHEN

GOTTHEN; deeſe, gelyk de Wandaal, de Sueef, de Heruler, de Gepider, de Marcoman, en de Quade ſyn afgebeeId, en met groote keurigheid beſchreven, by Jak. van Roijen, over de meergenoemde Neerlandſche Oudheden van Richard Verſtegen. Dit dan alles hier weder op te haalen ſou, meen ik, niet ſeer voeglyk ſyn. Maar het luſtme liever, uit ſekere inſicht, eens dit werkje den Leeſer aan te pryſen, wegens de hier in beſtaande hoedanigheden.

  1. Dat de allereerſte opſlagh der Aanmerkingen over gemelde Verſtegen, ſyn van Maternus Harwich, naderhand de ſchryver van den Orator Latino-Belgicus, A. 1701, uit gegeven.
  2. Dat die Aanmerkingen ſyn aangevuld en vermeerderd, door Jak. van Roijen, alleen; hebbende Reinier van Loven, ſlechts op de vlerken van Kok en Meijer ſwevende, niemendal daar toe gedaan, als een onnoſele woordefittery van het, de, den, vrouwlyk en manlyk geſlacht, &c. waar over heden ſelve de grootſte baaſen noch malkanderen, als verwoed, by de baard vatten.

    <blz 127 | 110>

  3. Dat de Beelden der genoemde Volkeren niet ſoo ſeer uit de geheimſchat van Mark. Zuer. Boxhornius als wel uit de Verhandelinge, de Migrationibus Gentium Wolfg. Lazii; met noch veel meer diergelyke Afbeeldingen verrykt.

2.12.24 GOVAART

GOVAART van Lottringen; A. 1071, van biskop Willem van Gelre, naa 't verdryven van Robbert de Fries, en ſyn gemaalinne, vrouw Geertruid, het graafſchap van Holland te leen ontfangende, verſloeg of verjoegh alle die hem dwerſboomden. Goudhoeve, 263 bl.

Deeſe ſtichte de ſtad Delff, terwyl biskop Willem deede bouwen het ſterke ſlot van Yſſelmonde. Boven, 53 bl.

Beoorloogde de Weſt-Frieſen, die binnen Alkmaar hem quamen beleggen. Doch hy verſloegh deſelve met de hulptroepen van den biskop, in een bloedigh gevecht. Balen, Dordr. 706 bl.

Maar, A. 1075; naa 4 jaaren regeerens, te Antwerpen op de heimlykheid ſittende, is hy met een glavie51 van onderen in het lyf geſtooken, door eenen moorder; of de kok, of de dienaar van bovengenoemde Robbert. Scriverius, in ſyn Aanteekingen, by Goudhoeve.

Hier op, ſoo gequetſt ſynde, liet hy naar Maaſtricht ſich vervoeren, alwaar deeſe opgeworpene graaf, gemeenlyk Govert met de Bult geheeten, in Maart is overleden. Melis Stoke, 35 bl. doch hoor Oudaan liever dus van hem ſpreeken:

Wanſchape Bultenaar! geſtrenge Lotteringer! Waant gy d'onnooſle Wees ſyn erf, als met een ſlinger, T' ontrukken, en u ſelf in Didriks eigendom Te veſten met geweld? ô Govert! ſie vry om; Al delft gy graft en wal, u dreigt de wraak van achter En dieſe minſt verwacht, die wektſe des t' onſachter. 'T is, wacht u voor die geen, die God geteekend heeft; Maar wacht u, voor dien Wraak 't geweer in handen geeft!

Van Vrouw Geertruyd ſpreeken we boven, 59 en 99 bl.

2.12.25 GOUW

GOUW; een vaart, ontrent Alfen, uit den Rhyn, by Gouda, in den Yſſel ſchietende. Is wel ſeer oud, en word echter by geene Schryver gemeld, wanneer deeſe is doorgegraven. Van Leeuwen, Batav. 113 bl. Siet de Gouw ook in de letter R. op Riviertjes.

2.12.26 GOUDA

GOUDA; ſpreekende, by Huygens, wegens haar ſelve, op deeſe wyſe:

<blz 128 | 111>

Myn Gouwe voert meer gouds, myn Yſſel meer gewins Dan Tagus gulde vloed ter borſe van ſyn prins. 'K heb meer van hun te baat. Toen myn gebuirſtad branden En baden in haar bloed haar moordenaaren handen, Ontſwom ik hun geweld en duykten in myn Gouw, En kroop myn Yſſel diept' ten hals toe in de mouw. Spyt Spanje dan, ik ſta; ook ſonder de oude muiren Van 't Kaſteleins gebied. Wie ſyt gy myner buiren, Die door de neus noch ſpreekt en my 't gebrek verwyt? Ik ſegje t', mynen roem, 'k ben bril en brillen quyt.

Is de laatſte van de 6 voornaame ſteden van Holland; aan de Gouwe en Yſſel gelegen; voor A. 1200 noch onbekend. Boxhorn. Stedeb. 255 bl. Guicciardin. Belgic. in Additamentis, 114 pag.

Plagh een ſlot te hebben van Heer Jan, Janſſoon, ſynde grave van Blois. Junius, Batav. 460 bl. en Van Leeuwen, Batav. 1297 bl.

A. 1300, of daar ontrent, regeerende Jan de I, graaf van Holland, hebben de Vlamingen Gouda bemagtigd.

Sy hiel het met vrouw Jakoba, in de tweeſpalten tuſſen Jan, hert. van Braband en Filip van Burgundie, welke gravin ook een geruymen tyd hier heeft gewoond. Parival, Vermaak52 van Holl. 153 bl.

A. 1398, de laatſte der graven van Blois overleden ſynde, is Gouda geraakt onder de graven van Holland. Reinier Snoijus, by gemelde Boxhorn. Meurs, XVII Provinc. 653 bl.

A. 1488, ſochten die van Uitrecht, met verraad, deeſe ſtad te vermeeſteren; doch den aanſlagh wierd tydelyk ondekt.

Eindlyk is ſy noch vermaard door de trefflyk geſchilderde glasvenſteren van haar groote Kerk; wiens inhoud in ſeeker Boekje, meeſt hier op alle ſluyſen leggende, u word medegedeeld

2.12.27 GRAVEN

GRAVEN; ontrent welke ik 3 ſaaken meen te verhandelen. 1. De naamreden. 2. De geſlachten, malkandere volgende in het landbeſtier. 3. Het onderſcheid hunner Afbeeldingen.

​1. Aangaande de Naamreden behaagt my Eyndius, ſtellende (Chron. Zeland. 2 lib. 2 cap.) dat de Graphii, of de Graphiarii, waaren der Vorſten klerken, griffiers, ſchryvers, <blz 129 | 112> of ſoo gyſe wilt noemen, notariſſen. Deeſe waaren comites, de grooten verſellende, in alle gelegenheid. Sie! dit is eindelyk een ampt en een hooge waardigheid geworden.

Maar, van Leeuwen, Batav. 680 bl. ſal u weder een andere naamreden opdringen; weder een andere, Matheus, de Nobilitate, 1 lib. 5 & 9 cap. alwaar hy ook de naam is afleidende van graauw of grys; van graven en delven, &c.

Ja, graaf is ook wel richter te ſeggen, in de benaamingen van pluym-graaf, water-graaf, dyk-graaf, &c. Deſelve Matheus, 9 cap. 37 pag. en Alkemade, Kamprecht, 3 H. 7 bl. aanhaalende Boxhorn. over Veldenaar; Heemskerk over ſyn Arkadia, Vredius, &c.

Leer dan hier uit, dat de graven, comites, waaren der prinſſen boeſemvrienden, doch onder de duces: deeſe de wingeweſten, maar die daar in de ſteden, hoofd voor hoofd regeerende. Noch al deſelve Matheus, 30 & 31 pag. ook verſcheidene oude Hiſtori-ſchryvers aantrekkende.

Tree tot de geſlachten over. Hier in ſal ik u door de beſcherm-engel van Didrik de IV. laaten onderrechten, by Samuel van Hoogſtraten (Treurſp. 54 bl.) de ſtervende graaf in deeſer voegen aanſpreekende:

Het Graafſchap valt, naar recht, op Floris, uwen broeder, Die een veel grooter zege op Brandenburg en Luyk, Op Leuve en Keulen, op de Geldervoogd en Kuyk, Bevechten ſal, ontrent de kring van deeſe muiren. Daar ſal gantſch Overland de wraak uws doods beſuiren, De krygſlien ſmooren en verdrenken in 't moeras, In poelen, die met riet en ſtroo en ſoden gras Argliſtigh ſyn bedekt, dus ſal hy ſegepralen, Tot d'Overlandſſe wraak de adem kan herhaalen En Kuyk hem eindelyk verraſſe; maar ſyn val Sal Dordrecht wreeken, op ens eindeloos getal.   De Vyfde Dirik ſal de Frieſen overheeren, Ook Floris; maar ſyn ſoon ſal uwen naam vereeren.   De Derde Floris ſtout het Heiligh land beſoekt. Hem volgen Dirik en graaf Willem, die, verkloekt Met ſyne Kennemers, braveert op Damiaten.   De Vierde Floris in 't tornooijen 't lyf ſal laaten. Uit deeſen ſal een vorſt verſchynen, wien de kroon En Roomſſe ſcepter paſt; maar Floris, Willems ſoon Sal deerlyk ſyn vermoord. Naar hem ſal uw Geſlachte, Dan eindigen in Jan, maar nooit uit 's volks gedachte.

<blz 130 | 113>

Dan ſal de tweede ſtam; de HENEGOUWERS, 't land Regeeren vyftigh jaar, en dat, door huwlyksband, Aan 't vorſtlyk BEYERE met keiſers kroonen hechten; Vier prinſſen ſullen uit die ſtam dit land berechten.   Na hun BOURGONJEN, daar vyf vorſten uit ontſtaan; Na wien der vorſten naam en titel ſal vergaan En 't land in vryen ſtaat tot aan de wolken waſſen, En ſlaan de wieken uit, tot beî des werelds aſſen.

Maar ſou ik op deeſe veerſſen, myn Leeſer, uit dit ſelve werkje, wel een verklaringkje mogen toepaſſen?

Ik ſal 't hier eens gaan wagen, Om u in alle ſoort van ſchryven te behagen.

Grooter ſege) Siet ſyn leven, boven, 86 bl.

Argliſtigh) Beuſelpraat. 32 bl. Ik vinde dit mede by Slichtenhorſt, Geld. Geſch. 5 B. 57 bl.

Frieſen) Waar af boven, 59 bl.

Heiligh land) Mede al, 87 bl.

Damiaten) Sie te rugh, 32 en 50 bl.

In 't tornoyen) Dit is verhaald, in het leven, 88 bl.

Vermoord) Van Gerrit van Velſen. Een bekende ſaak. Boven, 91 bl.

Tweede ſtam) Beginnende met Jan de II, geſeght Jan van Avennes, graaf van Henegou. Scriverius, Grav. 303 bl.

't Vorſtlyk) Verftaa vrouw Margriet, gehuwd aan keiſer Lodewyk van Beyeren. Scriverius, Grav. 317 bl. Sie van keiſer Lodewyk alleen Chanler, my juyſt in myn handen vallende, Nieuwe Keiſers Chron. 284 bl.

Vyf vorſten) Naa Vrouw Jacoba volgende Filip, Karel de Stoute, Maximiliaan, Filip de IIde en Keiſer Karel, geſegt de Vde, Filip de IIIde; de 31ſte, andere ſeggen de 36ſte en laatſte der Graven. Scriverius, Grav. 402 bl. behalven Hoofd, Grotius, Meteren, &c. de beginſelen van 's Lands Vryheid beſchryvende.

Dit ontrent het tweede, kom nu tot het derde lidt van deeſe redenvoeringe; de graaflyke Afbeeldingen.

Ik ſeg, de Graven van Holland ſyn of in geheele ſtandbeelden, of alleenlyk met hunne tronien, als borſtbeelden, in print uitgegeven.

De volle ſtandbeelden ſietmen by de nieuws uitgegevene <blz 131 | 114> Melis Stoke, in de oude Hollandsſe Chronyk, de Goudsſe en eindelyk in die van Goudhoeve.

De borſtbeelden ſult gy vinden by Scriverius, van driederhande grootte, Wachtendorp, &c.

Maar nu, de gelykenis aangaande, wat is daar af, terwyl ſy ſoo geweldigh verſchillen? Het is ſeeker, dat die by Stoke de beſten ſyn. Reden?

Om dat deſe Printen ſyn getrokken uit de ſchilderyen der Hollandsſe Graven, te Haarlem, op de ſaale van het ſtadshuys, aan de muir hangende; van my meer als eens met vermaak geſien.

Voorts ſyn die ſchilderyen op het oude Hof, of het ſtadshuys, gebracht uit het afgebroken en geruïneerd klooſter der Karmeliter monnikken; geboud A. 1249. Screvelius, Haarlem, 17 bl.

Doch, behalven de getrouwe gelykenis, (die gy niet ſult vinden noch in de groote Tronien van Scriverius, noch in die van Leiden, op de voorſte Doelen, in de glaſen geſchilderd) roem ik de Haarlemmer Afbeeldingen, om dat veel byſondere omſtandigheden, nevens de poſtuiren ſyn geplaatſt; welke ik boven al heb aangemerkt, op het 58 bl.

En hier mede genoeg van de Graven; maar, laat ik 'er dit eenige noch achter ſetten. Syn de allereerſte graven gekooſen? en door wien? immers word dit by de Hollandsſe Schryveren niet gemeld, meerendeels gelovende, dat het Graafſchap, door een Franſſen koning, aan Didrik den I ſten, als een gifte, is opgedragen. Sie boven 55 bl.

Maar, is dit tegens de gronden van Hollands oude Vryheid niet ſtrydigh? Wat is 'er dan te ſeggen? Wy hebben, antwoord Van Leeuwen (Batav. 1377 bl.) de Graven, met eigene wille, ſelf ingehaald, en, onder ſeekere bepaalde magt, onbedwongen aangenomen.

2.12.28 GRAVESANDE

GRAVESANDE; in Delffland, tuſſen Monſter en Naaldwyk gelegen; wel eer een bemuirde ſtad, en nu, helaas, alleenlyk een open vlek. Goudhoeve, 43 bl. van haar oude grondſlagen ſpreekende, A. 1546, opgedolven.

Sy had een bequamen haven, in de Maas loopende; maar die is door ſlyk en modder toegeſtopt. Heeft ook een ſchoone toren, heden noch een baak voor de Zeevaart. Oudenhove voor Scriverius, 61 bl.

Ondertuſſen was hier wel eer het Hof; aangeſien het nergens vaſt waar, maar bleef ergens alleen, ſoo lang het de Graaf <blz 132 | 115> beviel. En van deeſe dagvaard-plaats bewaaren het geheugen noch de wegh, geheeten de Hof/​laan en den akker, het /Hof/​land genoemd. /Junius, Batav. 501 pag. en Matheus, Analector. VI. Tom. 100 & 107 pag.

Hier wierd ook ſeeker Lieve Vrouwe beeld aangebeden en geëerd; van welke de goede boeren, in hunne eenvoudigheid, niet ſchroomden te ſeggen:

Onſe Lieve Vrouwe te 's Graveſande is ons te wille; Sy heeft twee houten ermen, twee peerebomen bille.

Matheus, Fundat. Eccleſiar. 297 pag.

2.12.29 GRONINGEN

GRONINGEN; myn geheiligd vaderland en hoogwaarde voedſterſtad; wien ik myn omſwervende ſchryfluſt waarlyk wel geheel ben verſchuldigt op te offeren.

Van haar ſchryven, Guicciardin, XVII Provinc. 3 Part. 263 pag. Emmius, de Agro Friſiæ, Bern. Altingh, de Pilaaren van Groningen, A. 1648, gedrukt. Pikardt, Drente, 20 Diſt. 90 bl. J. Huyninga, geplaatſt in het ſchoone Stedeboek van W. Blaauw. Abrah. Trommius, in ſyn Reductie der ſtad Groningen, A. 1694, uitgegeven. Godard. Borgeſius, & Auguſt. Houkius, in Orationibus, eodem hoc anno editis, &c. Welke geleerde Luſthoven wy alleenlyk deeſe eenvoudige Bloemleeſingen ſullen ontleenen.

​1. Sy is gelegen in dat gedeelte van Frieſland, dat, met de naam van Groningen en Ommelanden, tuſſen de Lauwers en den Dullaart, van het ſelve is afgeſcheiden; ſynde een hoog ſtuk lands, de Biskops-rugh geheeten, tuſſen den Aa en Huneſus. Emmius, 37 pag.

Haar naam ontleendſe uit 's lands aangenaame gelegendheid, en groene weylanden; geenſins van Gruno, Galoos ſoon en Friſoos neef. Wien luſten noch deeſe botte grollen. Huibert. Thomas, Leodiens. de Tungris & Eburonibus, 19 cap. Guicciardin. 3 Part. 266 pag. Buchelius, over Heda, in Friderik, de 51ſte bisk. 279 bl. een goed getal voddevaars optellende, die deeſen gemaakten Trojaan, of ten minſten Frygiaan, eenpaarigh ten tooneele voeren.

Ook wordſe wel Philæum geheeten; maar ook niet ſonder misverſtand. Siet het aangeteekende, 25 bl.

Ik hebſe, uit onkunde, eens Ivonum civitas of colonia geheeten; door een quade leeſinge van Tacitus (Annal. 13. lib. 57 cap.) by meergenoemde Huyninga, miſleid. Doch ik heb <blz 133 | 116> ook weder die ſtelling verworpen, in de Voorrede van myn Poëſy, A. 1694, uitgegeven.

Maar, het behaagt de Hr. Alting onſe ſtad de naam van Corbulonis Munimentum te geven; hier in geſterkt door een plaats van Tacitus, ſchryvende (II Jaarb. 19 H.) van een beſchanſte beſettinge A. 48, volgens Dio, 60 lib. 681 pag. Siet verders ſyn Eds. bewyſen, Notit. 1 part. 48 pag.

A. 1110, is deeſe ſtad allereerſt met muiren, torens en poorten verſterkt; ſynde ſy, voor deeſen tyd, alleen met planken en ſtaketſels ingeſloten. Matheus, uit Erik Beningha, over het Chronicon Groninganum, van J. de Lemmege, Analector. 1 Tom. 106 bl.

Ondertuſſen vind ik het ſeer aanmerkelyk, dat het alleroudſte gedenkteeken binnen Groningen, is geweeſt de kerk van S Walburgh. Ja, een heel ſeer oude gedenkplaats, ook A. 1612 van ouderdom ingeſtort. Bewyſen hier af ſyn geweeſt niet alleenlyk de overgeblevene duifſteenen van een ongemeene grootte, maar (en dit gaat wat hooger!) kopere, ſilvere en goude Geldmunten, hier ontrent, al in een byſondere menigte opgedolven; volgens boven genoemden Huyninga. Doch, wy ſullen S. Walburg verſchuyven, tot in den letter W.

Nu dan vervolgens, van haar hoofdgebouwen. Dat is de meening niet. Van S. Martens kerk, der A kerk, &c. Van de klooſteren, nu tot een ander gebruik herſchapen, der Franciskaners, Jakobyners, &c. Van des biskops Hof, het Raadhuys, &c. moet gy naarſien de boven aangetrokkene Schryveren, Emmius, Trommius, &c.

Sal ook niet ſpreeken van de Groninger Keuren, Wetten en drie Rechten; aangeſien u daar in ſal voldoen, Van Leeuwen, Batav. 1519 bl.

Maar het luſt me myn Leeſer met een chronykje van haar krygsgevallen hier een weinigh op te houden; beginnende met

A. 810, waar in de Deenen, met een ſcheepsvloot op de kuſten van Friesland landende, de Frieſen hebben geſlagen, en, onder andere plaatſen, ook Groningen, toenmaals een tamelyk vlek, geheel vernield. Scotanus, Frieſſe G. 2 B. 64 bl. Vorders

A. 1112, heeft Godebald, de 24ſte biskop van Uitrecht, de Groningers gedwongen hunne noch nieuwe veſtingen om ver te werpen. Deſelve Scotanus, 3 B. 89 bl.

A. 1143, heeft Herbert, de 26ſte biskop, de ſtad met <blz 134 | 117> verdrag gekregen; niettegenſtaande men hem vry wat werk gaf met S. Walburgs kerk, nu met bolwerken en borſtweeringen vaſt gemaakt. Beka, in Herbert. 49 pag. Heda, in den ſelven, 162 pag. behalven Emmius, in Reb. Friſicis.

A. 1338, was 'er een ſwaar geſchil tuſſen ſtad en lande. Ook quamen de Drenthen in het ſpel. De ſtad wierd belegerd, en gedwongen, met den degen, tot harde voorwaarden. Alting, Pilaaren, 17 bl.

A. 1397, wilde hert. Albrecht, de gr. van Holland, alle de Frieſen het juk op de hals leggen, doch ontrent de ſtad Groningen kon hy niet verwerven. J. de Lemmege, by Matheus, Analector. I Tom. 112 pag. en Alting, op de gemelde plaats.

A. 1400, belegerde Frederik van Blankenheim, de 51ſte biskop, deeſe ſtad; doch de ſaak is ook verdragen, en hy is, de eerſte der biskoppen, in Groningen gehuldigd, A. 1419. De reedsgenoemde Joh. de Lemmege, 125 & 128 pag.

A. 1417, hadſe van binnen een alverdervende oneenigheid der Schieringers en Vetkoperen. Doch van deeſe inlandsſe ſcheuringe ſpreekenwe, in de letter V, op Vetkopers.

A. 1500, is ſe belegerd door hert. Albrecht van Saxen, begeerende van Frieſland een vaſt en volkomen beſit te hebben; doch de ſaak wierd, door bemiddeling van den Uiterſſen biskop en andere, bygelegt. Niettemin heeftſe daar na, van ſyn ſoon, Georg. van Saxen, weder laſt geleden. Joh. à Leidis, Chron. Egmondan. 93 cap. 137 pag. Emmius, in Faſtis Conſularib. behalven Scotanus, &c.

A. 1506, is Edſart, de gr. van Ooſt-Frieſland (gelyk men dat nu noemd) de ſtad by overgaaf ontfangen hebbende, in S. Walburgs kerk gehuldigd; in de naam van het H. Roomſſe Ryk; waar op gemelde graaf een groot kaſteel, aan het ſuyd-ooſter deel van de ſtad, heeft doen opbouwen. De reeds genoemde Scotanus, 15 B. 521 bl.

A. 1514, is deeſe ſtad, door graaf Edſart, geen middelen ſiende om ſich hier vaſt te ſtellen, weder verlaaten; deeſen uittogt, by nacht en ſonder ſtaatſie, van ſyn blyde intreede geweldigh verſcheelende. Waar naar de burgers het kaſteel in veele maanden opgebouwd, binnen weinige dagen weder om verre wierpen. Weder de ſelve, 16 B. 558 bl.

Maar in het ſelve jaar, is de regeeringe deeſer ſtad, op het aanraden van gr. Edſart, en goedvinden van de burgers, aan Karel, dien onruſtigen en trouwlooſen hertogh van Gelder, <blz 135 | 118> opgedragen, en daar op, weder in S. Walburgs Kerk, aan ſyn gemagtigde de hulde geſchied. Hier op is hy, A. 1522, ſelver ingehaald. Noch eens Scotanus, 16 B. 555 bl.

A. 1536, hebben de Stad en Ommelanden ſich begeven onder Karel de V, om van gemelden hert. Karel te ſyn ontſlagen; gelykſe ook, A. 1555, aan Filip de II, Koning van Spanjen, in het byſyn van ſyn vader de Keiſer, te Bruſſel, ſich hebben opgedragen. Scotanus, 19 B. 667 bl.

A. 1568, is ſy door de Staaten belegerd, onder het beleit van gr. Lodewyk van Naſſau; doch de ſlagh van Hilligerlee, of Winſchoten, verydelde deeſen aanſlagh. Deſelve, 2 B. 56 en 57 bl. Goudhoeve, 2 D. 57 bl.

A. 1576, geraakte ſy, door een hevigen oploop tegens den bevelhebber, Kaſpar Robles, anders den Heer van Billy, onder de magt der Staaten. Deſelve, 6 B. 124 bl. Goudhoeve, 2 D. 127 bl.

A. 1579, was de gr. van Renneberg, anders George de Lalain, haar bevelhebber, die het nieuwe Kaſteel, A. 1570 gemaakt, liet afbreeken. Onder hem was weer een anderen oploop, die hy nederſette. Doch, deeſe trouwlooſlyk afvallende, is Groningen, A. 1580, weder onder de Spaanſſe gekoomen. En met welk een uitſlagh? Met de dood van Renneberg, den 23 July, van misnoegen ſtervende, door Kornelia van Lalain, liſtelyk bedrogen en vervoerd. Deſelve, 6 B. 124 bl. 10 B. 181 en 197 bl. Goudhoeve, 2 D. 159 bl.

A. 1594, is ſy, (door de gr. van Hohenloo, A. 1580, bynaar onder Brunſwyk geraakt. B. Alting. Pilaaren, 36 bl.) onder de Staaten gekomen en gebleven; het beleg van Prins Maurits, van den 20ſten Mey tot den 14 Julii, hebbende uitgeſtaan. Van Meteren, 17 B. 337, &c. bl. Medaliſch. Hiſtor. 65, &c. bl. behalven Goudhoeve, 2 D. 267 bl. en Joh. Menſinga, ode Secular. in Groningam, &c.

A. 1600, kreeg ſy weder een ſterk kaſteel voor de neus, bynaar op deſelve plaats, alwaar dat van graaf Edſard had geſtaan; doch dat ook, op het aanhouden der Burgeren, A. 1607, weder is afgebrooken. Van Meteren, 22 B. 455 bl. en 28 B. 560 bl.

A. 1672, eindlyk heeft ſe die laffe belegering van de twee miterdragers, Keulen en Munſter, afgekeerd; ſynde deeſe biskoppen daar voor gekomen, den 9den Julii, doch, den 17den Auguſt. by nacht in ſtilte, weder wegh getoogen. Samuel Mareſius, Orat. de felic. ſoluto Groning. obſidio. <blz 136 | 119> Medaliſch Hiſtor. 265, &c. bl. behalven Valkenier, de Merkurius, &c.

En dit dus verre van myn lieve moeder, Groningen, maar, hola! de Leeſer moet noch ſyn onderrecht, ontrent 2 opmerkingen.

  1. Dat de ſtad en de omliggende landſtreek, A. 1040, door keiſer Henrik de III, de Swarte bygenaamd, aan het bisdom van Uitrecht is weghgeſchonken. Sie de Gunſtbrief by Heda, aangetogen by Matheus, in Notis, ad. authoris Incerti, de Rebus Ultrajectin. 41 pag. En alhoewel ſy naderhand wel een eigene biskop had, deeſe had niet meer te ſeggen, dan hem van den Uiterſſen miterdrigh wierd toegelaaten. Sikko Beringa, Eggerik Beninga en Worper vander Geeſt, anders ook, van Thabor, een klooſter by Sneek, geheeten Thaborita; by den ſelven Matheus, Analector. V Tom. 625 pag.
  2. Dat men de Groningers voor hertnekkig, ſcheurſiek en oproerigh by de Schryvers vind te boeke ſtaan. Doch, ſiet, in welk een gelegenheid! terwyl ſy, voor haar aangeboorne vryheid, tegen den blikſem der Uiterſſe biskoppen en andere dwingende Magten, kloekmoedigh yveren. Lees hier over Matheus, in de gemelde Nooten, 42 & 43 pag. ſyn bewyſen met oude Brieven beveſtigende. En ſiet ook Alting, Pilaaren, 36, &c. bl.

2.12.30 GROENWOUW

GROENWOUW; in het ſticht van Uitrecht, by Woudenburg en Geereſtein, niet verre van Scharpeſeel, gelegen, geeft my niets van het hiſtoriaal; hoewel het onder de Geſichten van R. Rochman vindende.

2.12.31 GRUIT

GRUIT; en Gruitgetd, raakende de brouwers. Is een tol die deeſe geven of voor het water alleen, of ook voor het ſelve ſchoon te houden van de groente, die des ſomers op de wateren is groeijende. Matheus, Analector. V Tom. 597 pag. Junius, Batav. 540 pag. Montanus, in Guicciardin. 3 Part. 240 pag.

Van dit tolgeld, aan den graaf van Holland, door die van Leiden betaald, gewagen ook Scotanus, Frieſſe G. 8 B. 265 bl. en Slichtenhorſt, Gelderſ. G. 9 B. 94 bl. en 225 bl. alwaar ik bevinde, dat de Gruittol het dikke bier alleenlyk aanging; ſynde 't dunne bier ſonder giſt, van alle laſten ontheven. Sie mede Heda, in de Giftbrieven der Keiſeren, Ott en Henrik, 95 en 100 pag. en weder in die van Heer Gysbrecht van Abkoude, 225 pag.

Merk gy ondertuſſen aan, dat het Bierbrouwen in de <blz 137 | 120> voorige tyden niet ſoo gemeen was, dat maar eenige ſteden dat voorrecht hadden, dat ook toen de brouwketels niet ſoo ruim waaren. By voorbeeld. Amisfort alleen had 350 brouwers; het geene immers niet wel was aan te neemen, indien hunne ketels hadden de hedendaagsſe grootte gehad. Slichtenhorſt, Gelderſ. G. 6 B. in een aanteekening, 94 bl. Siet ook Theodori Verhoeven, Amisfurtum, door Matheus uitgegeven53, 44 pag.

Voegh hier nevens, het geen boven van het Bier is geſprooken, 32 bl.

2.12.32 GUNTERSTEIN

GUNTERSTEIN; ook door R. Rochman afgeteekend, en door Kaſp. Specht in een print gebracht, is een Heerenhuys aan de Vecht, in het dorp Breukelen; heden toebehoorende de Hr. Benjamin Poelje, ridder en heer van Berkenrode.

Dit ſlot heeft wel eer, by aankoop geweeſt in het beſit van dien Palamedes onſer tyden, Jan van Oldenbarneveld, als een Hollands leen, doch blyvende altyd een gedeelte van het Sticht; volgens een geſegeld Schrift van A. 1611, by Matheus, de Jure Gladii, 16 cap. 271 pag.

A. 1672, deden het de moedwillige Franſſen, in September, naa 't verbranden der Huyſen, Ruwiel en Nyenrode, ſpringen. Heden is het een nieuw gebouw, en niet ſoo ſwaar als voor het verbranden. Korn. Kooten, in ſyn keurige Verſaamelingen.

Van dit Slot of Huys maakt ook Hoofd gewagh, in het 8 B. ſyner Hiſtorie, op A. 1573, en 295 bl. aldaar ſpreekende van Adriaan Vygh, en ſyn aanſlagh om de Vecht te ſluyten.

2.13 H

H.

2.13.1 HAAGE

HAAGE; die vermaarde en vermaakelyke, ſchoon onbemuurde, ſtad, tuſſen Leiden en Delf, als op een driehoek gelegen; volgens deeſe regelen van Jakob vander Does, genoomen uit ſyn lofverdienende Beſchryvinge van 's Gravenbage, 13 bl.

Den Haag dan is een plaats in 't Suyder deel gelegen Van Holland, daar men in kan komen door vier wegen, Van 't Ooſt, van 't Suyd, van 't Weſt en van de Noorder kant; Van waar men, in een uir, kan wandlen op het ſtrand. Aan 't Suyden heeft ſy Delf, aan 't Ooſten heeft ſy Leiden, Aan 't Weſten korenland, en klaverryke weiden,

<blz 138 | 121>

En menigh dorp, dat niet ſou wykken voor een ſtad, Indien het was begracht, en wal of poorten had. Aan 't Noorden kan men, in een uir, de zee betreden, Maar ſonder dat men hoeft te halen moede leden; Want daar men niet en ſagh als bergen en als ſand, Leit nu een effen baan tot midden op het ſtrand. Soo gy van 't Ooſten komt en van die kant getreeden, Of van een verder plaats den ſelven wegh gereeden, Soo reiſt gy door een boſch, en een vermaaklyk groen, Bynaar een uir, eer gy den Haag komt aan te doen, &c.

Vorders heeft ſy, onder andere vercierſelen, het Hof en het Boſch.

Het Hof is van koning Willem, naar de gemeene rekening, de 18de graaf van Holland. Deeſe brocht, A. 1249, 1250 of 1254, ſyn hofhoudinge van het Huys te Sand of liever van 's Graveſande, ſoo niet van Albrechtsberg te Bloemendaal. Geenſins van Haarlem, gelyk ſommige willen; ſynde deshalven haar Gravenhof alleenlyk een Luſthuys geheeten van Oudenhove, Haarl. Wieg, 37 bl. Siet ook Goudhoeve, 311 bl. Matheus, Analector. VI. Tom. ook aanhaalende Thaborita, 39 bl. Pars, Katw. 131 bl. &c.

Het ſtaat bynaar midden in de ſtad; ſiende ten W. op de Oude Kerk; ten 0. op het heerlyk huys (heden een afgebranden romp) van prins Maurits van Naſſau; ten S. naar het Spuy; en ten N. op haaren vyver en cierlyk beplante Vyverberg: hebbende een binnenplaats met een gallery omringd en een buitenplein, waar over men gaat of naar de Gevangepoort, of naar gemelde Oude Kerk. Siet haar Afbeeldinge van Petr. Schenk, en neem noch dit Byſchriftjen (van I. N. in ſyn Beſchryv. van Batavie, 39 bl.

Het Hof der Graaflykheid, door Willem dus herplant, Is nu in 's Gravenhaag, niet meer te Graveſand; Een vlek, dat, by een hegge of haage neergeſlagen, Om 's Graven wooninge, genoemd word 's Gravenhage.

Van Graveſande is al geſprooken, 114 bl. gelyk van Albrechtsberg, 10 bl.

Ondertuſſen ſegtme dit Huys van binnen van Yrs hout te ſyn getimmerd; terwyl de gewelven door geen wormſteeken worden vernield, noch door ſpinnekoppen vervuild. Boxhorn. Stedeb. 339 bl. Junius, Batav. 498 pag.

<blz 139 | 122>

Vorders is ontrent deeſe plaats een Boſch, dat van ſommige beuſelaars het Woud ſonder Genaden, en ook van andere het Sacrum Nemus word genoemd. Scriverius, Oud Batavie, 37 bl. Van Leeuwen, Leid. 8 en 12 bl. Junius, weder Batav. 295 en 499 pag.

Van het Woud ſonder Genaden ſchrevenwe, 38 bl. en van het Sacrum Nemus, 37 bl. doch de ſtad aangaande, moet hier noch worden achter gevoegd, hoe de bekende Marten van Roſſum met de ſelve heeft gehandeld. Ik ſou wel de woorden van Vander Does, (op het 11 bl.) gebruiken.

Soo veel rykdom, ſo veel buit en ſoo veel geld, Daar wierd op toegeleid door lagen en geweld; Want Roſſum ſiende, &c.

Maar ſpaar dat tot den letter R. in Roſſum. Sullende daar ook aanhaalen Guicciardyns Deſcript. &c.

2.13.2 HAAGESPRAKEN

HAAGESPRAAKEN; waaren Landsdagen en Vergaderingen, wegens hooghwightige belangens; geſchiedende onder den blooten heemel, in de boſſchen, of ten minſten ontrent eenigh geboomte van opmerkinge. Sie u hier in boven onderrecht, 38 bl.

2.13.3 HAAGESTEIN

HAAGESTEIN; door Rochman afgebeeld, is een ſterk kaſteel aan de Lek, tuſſen Kuylenburg en Vianen. Was wel een ſtedeken, A. 1369, door Heer Otto van Arkel met muiren omringd. Ja, wel een ſtad, en een deel van Teiſterbant, hebbende een Kerk, waar onder ſelf ſtond de Hoofdkerk van Vianen, geboud A. 1345. Matheus, Fundat. Eccleſiar. 592 en 693 pag. en Analector. V Tom. 331 pag. en noch eens, De Jure Gladii, 12 cap. 175 pag.

A. 1406, wierd het belegerd, en met een heininge of betuyninge van rys en andere dingen ingeſloten, door gr. Willem de VIde, en daar op ook gewonnen; als wanneer het, nevens Everſtein, verbrand is en vernield. Heda, in bisk. Frederik. 267 pag. Goudhoeve, 420 bl. Junius, Batav. 548 pag. Scotanus, Frieſſe G. 263 bl. Paffenrode, in ſyn Treurſpel; welkers veerſen reeds ſyn aangehaald, 84 bl. in Everſtein.

Niettemin moet het naderhand vernieuwd ſyn geweeſt, aangeſien noch onlangs de Hr. van Suydwyk, woonende binnen Uitrecht, het voor 40000 gl. heeft gekocht.

2.13.4 HAAR

HAAR; ook door Rochman uitgeteekend, doch mede door Vianen, voor Kaſp. Specht, A. 1697. Was een ſwaar <blz 140 | 123> gebouw, niet verre van Kokenge, en by het Huys ter Mey, Weſtwaart Uitrecht.

A. 1482, is het ſelve door den Stedehouder belegerd, beſchooten en gewonnen, naa het neemen en het verbranden van het Hays te Hermelen. De Uitrechtsſe Chron. by Matheus, Analector. 2 Tom. 103 pag. Heemskerk, in de Aanteekeningen, over ſyn Batav. Arkad. 252 bl. uit Velius, 2 B. 64 bl.

2.13.5 HAARLAAR

HAARLAAR, naderhand geheeten het Huys ter Meiden; van welke wy ſpraaken, 15 bl.

2.13.6 HAARLEM

HAARLEM; ontrent welke ſtad wy beknoptelyk ſullen te ſamen brengen, 1. Wat ons, ontrent haar naam, is voorgekomen. 2. Van haar krygsgevallen. 3. Van haar zege voor Damiate. 4. Van haar Drukkonſt. 5. Van haar Raadhuys. 6. Van haar Meir. 7. Van haar Hout. 8. Van Sparen. 9. Van het nabygelegene Spaarwou, eindlyk, ​10. Van het kaſteel Oud Haarlem; doch laat ons eens hooren, wat de Hr. Huygens van haar is meldende:

Al heb ik, 't myner tyd, der Vorſten Hof gevoed, 't Is myn geringſte roem; myn hoogſte ſtaat in 't bloed, Der goddelooſen bloed, van toen myn ſtale kielen Haar yſren haventouw aanvaarden te vernielen. 't Huys heb ik ook voor God, voor goed en vryigheid Myn borgeren gewaagd, en Spanje nooit gevleid. Syn 't koele wonderen, en hoorenſe andre meer toe, Van 't allerwonderſte komt my alleen de eer toe; (Geen ongeſiener naam, geen aangenaamer ſtuk) 'k Heb Konſt en Konſtenaars geholpen in den Druk.

I. De naam dan ſou moeten komen van prins Willem (of, by verkortinge Heer Lem) de vader van koning Eſeloor, en de ſoon van koning Dibbald. Is dit ſoo wel geen oude wyve praat als van den koning Rotterius, de grondlegger der ſtede Rotterdam? Bokkenberg, Friſ. & Batav. Reg. 98 pag. Scriverius, by Goudhoeve, 229 bl. Scotanus, Frieſſe G. 48 bl. behalven Ampzing, Wachtendorp, Parival, &c. doch, ſie daar, wilje meer hebben, Boxhorn. Stedeb. 97 bl. Van Leeuwen, Leid. 8 bl. en Nader Bewys, 331 bl.

Andere wederom trekken de Herulen, een Noordsſe natie, naa deeſe landſtreek, en geven de ſtad de naam van Herulheim. Siet alleen Scriverius, by gemelde Boxhorn, 99 bl. en Van Royen, 191 bl. en ik wil graag bekennen dat ik <blz 141 | 124> deeſe ſtellinge wel in eenige myner Lofdichten heb gebruikt.

Maar nu ſou het my niet onſmaakelyk voorkoomen haar naamwoord af te haalen van een droogen, vaſten, doch ook mageren en ſchraalen grond, by onſe voorouderen haar, harel en harle geſegt. En hier volg ik Oudenhove, Haarl. Wieg, 3 Bedenk. 14 bl. en Alting. Notit. 2 Part. 81 bl.

II. Is (al een ſtad ſynde, ten tyden van gr. Didrik de VIde A. 1155. Alting. Notit. 2 Part. 8 pag. uit een geſchrift van kon. Willem) viermaalen met een belegering aangetaſt. Naamelyk,

A. 1268, van de Kennemers, met de Weſt-Frieſen en de Waterlanders aangeſpannen. Scriverius, by Goudhoeve, 326 bl. Ampzing, Haarl. 31 bl. en Screvelius, Haarl. 42 bl.

A. 1436, van vrouw Jakoba, onder Will. van Brederode. Ampzing. 31 bl. Screvelius, 45 bl.

A. 1492, van het moedwilligh Kaaſenbroods volk. Goudhoeve, 549 bl. Screvelius, 52 bl. Ampzing 32 bl. Voorts ſie van het Kaaſenbroods volk, in de letter K.

A. 1572, van de Spanjaarden, onder de ſoon van Duc de Alba, don Frederiko. Ampſing, ſeer omſtandelyk, 565, &c. bl. gelyk mede Goudhoeve, 2 D. 68 bl. Screvelius, 65 bl. en voorts Boxhorn. Stedeb. 115 bl. Oudenhove, 84 bl.

III. Komt weder in bedenkinge het ſaagſchip in het veroveren van Damiate; waar af al boven, 32 en 50 bl. Doch hier komt my een aanmerkelyke plaats van Makrobius op zy rollen, reeds in myn Gallery der Uitmuntende Vrouwen, 81 bl. te berde gebracht.

Dido boude de ſtad Karthago, 286 jaaren naa de komſt van Eneas naar Italie. Soo konnen ſy malkanderen niet geſien hebben. En evenwel verſierd Virgilius, gelyk het immers al by de ſcholiertjes is bekend, dat Dido, der Karthaginenſeren afgodin, de happige byſit van Eneas, der Romeinen Stamheer, is geweeſt. Hem hebben geholpen de Treurſpeldichters, Schilders en Beeldhouwers; ſoo dat ſyn verdichtſel, om de behaaglykheid van haar uitvoeringe, de taſtelyke waarheid, ontrent de kuiſſe Dido, geheelyk heeft onderdrukt. Dit is de ſin van ſyn redeneeringe, Saturnalior. 5 lib. 17 cap.

Immers gaat het, op deſelve wyſe, met dit Damiate, van Vondel, Antonides en andere Puykdichteren, tegens alle welgegronde Hiſtoriſchryvers, ſoo ſielkittelend gehandhaafd.

IV. Van haar Drukkonſt hebben we geſegt, het geen wy wiſten, 65 bl.

<blz 142 | 125>

V. Moeſt ik niet overſlaan het Raadhuys; in wiens voorſaal die treffelyke Afbeeldinge der Hollandsſe Graven ſyn opgehangen; van welke, 58 en 114 bl.

Dit is in voortyden geweeſt het Luſthuys der Graven, ſtaande ontrent de ſoo genaamde Koningſtraat; en niet het Gravenhof; het geene, met meerder waarſchynlykheid te Bloemendale, anders Albertsberg, is geweeſt. Sie boven, 10 en 121 bl.

Niettemin ſyn de Dichters meerendeels aan de ſyde van oude ſprookjes en onbeweſene beuſelpraat; gelyk Jac. vander Does, op 's Gravenhages 36 bl. deeſe woorden uitende:

't Aloude Harelem, vermaard door ſoo veel ſaaken, Die haar aanſienelyk by al de wereld maaken; Een ſtad, die duyſend en drie honderd jaaren oud, Kan roemen, datſe is van een Konings ſoon geboud; Die, binnen haare wal, het Hof had van veel Graven, Die, om haar ruſt en luſt, ſich tot deês plaats begaven.

VI. Moet hier nu van het Meer geſprooken worden; doch ik verſchuyf deeſe ſtoffe op de letter M.

VII. Keer ik me dan tot het Hout, aan haar ſuyd zyde gelegen; van welken de Graven-Brieven al gewagh maaken van den jaare 1284. Oudenhove, 24 Bedenk. 90 bl. Ampzing, 92 bl.

A. 1572, in de bovengemelde belegering van de ſtad, is het meerendeels uitgeroeid; doch in of ontrent A. 1585, weder vernieuwd, en van tyd tot tyd, gelyk noch heden, vernieuwd en vergroot; hoewel het, in de voorige tyden, ſich ſoo verre uitbreidde, dat ſelf eenige het Huys Vogleſang daar in willen plaatſen. Oudenhove, 93 bl.

Sie van Vogelſang, boven, 91 bl. en beneden in de letter V. en van het Haarlernmer Hout, ook Junius, Batav. 422 bl.

VIII. Kom tot Spaaren; van welk aangenaam watertje, in de letter S.

IX. Gelyk mede van het oude dorp Spaarwouw, in de ſelve letter S.

X. Ben ik dan eindlyk geraakt aan de ruiin van het ſterke SLOT Oud Haarlem. Wat dit kaſteel aangaat, ſelf haar ruiinen ſyn heden geheel aan het verdwynen, en eindlyk ſal daar af niets meer als by de Schryveren in weeſen ſyn.

Immers Saanredam, A. 1628 teekenende, vertoond ons by Ampzing noch grooter klompen als Rochman; en gelyk ikſe ſelf, <blz 143 | 126> den 10 Mey, 1705, juyſt daar ontrent ſynde, heb afgeſchetſt in ſulk een geſtalte, gelyk hier is nevens gaande.

Ondertuſſen is deeſe ruiine by de boeren geheeten het Hof; een overſchot van eene der alleroudſte ſloten van Kennemerland. Is ook niet anders als een heuvel, gelyk gy hier ſiet, binnen een drooge gracht; waar op twee laage brokken ſtaan, van ſeer ſwaare ſteenen; die men hier aan geen andere Huyſen, uitgenoomen het Velſer ſlot, bevint. Saanl. Arkad. 104 bl.

Ik ſeg, twee laage brokken; verſta my wel, de Tyd veranderd een Geſicht wel dagelyks; en ſoo bemerkte ik onlangs, dat een merkelyke hoek door de weidende koebeeſten was om ver gerukt.

Voorts was dit Huys Haarlem gelegen, tuſſen Beverwyk en Alkmaar, dichte by het Huys Aſſumburg en het dorp Heemskerk, aan den oever van het Rhynwater, dat als toen, ſyn loop nam naar Egmond, en aldaar ſich in zee ontlaſte. Junius, Batav. 19 cap. 550 pag.

De ſtichters ſyn geweeſt (men ſegt, ontrent A. 506) de oudſte ridderen van Haarlem, allenskens in den Huyſe van Aſſendelft verſmolten. Ampzing, Haarlem, 10 bl.

De verwoeſting van het ſelve wyt men het gemeene volk, op den adel gebeeten; van welken oploop wy een verhaal ſullen opſtellen, in de letter K, op Kaas en broodſpel.

Niettemin waaren ten tyde van onſen Schryver, Hadr. Junius (en hy ſchreef, ontrent den jaare 1575) de bouvallige toornen van dit kaſteel noch ſeer hoogh, en de muiren van een ruim beſlagh. Siet hem, Batav. 17 cap. 425 pag. doch de verbeeldinge in de Saanl. Arkad. 2 B. 101 bl. en Van Royen, 3 H, 74 bl.

Maar, eer ik van deeſen heuvel aftrede, ſtaan my noch twee ſaaken te verhandelen. Hier hebt gy het eene by der hand.

In de boven aangehaalde Gallery der Vrouwen, vertoon ik op het 55 bl. de Vrouwen, volgens verlof van keiſer Koenraad de IIIde, de mannen op haar ſchouderen dragende, uit het veroverde ſtedeken Winbergen.

Hier, ſegtmen, is diergelyk een voorval geweeſt. Seker Heer, door ſyn geweldenaryen, in den haat des volks gevallen, wierd op ſyn ſlot (van welke wy ſpreeken) aangetaſt. Het belegh was hard. Hy moeſt het opgeven; maar de vrouw bedong, dat ſy, op eenmaal, haar klenoodjen uit het kaſteel <blz 144 | 127> mogt weghdragen. Sy ſluit dan, van haar dienſtmaagden geholpen, haar man in een maale en voerd hem wegh, alles achterlaatende. Daarom ſegtmen, dat het Huys al om ver geworpen ſynde, ſeker lap lands ontrent het ſelve van den thienden is bevryd. Saanl Arkad. 101 bl. Junius, by Van Leeuwen, Batav. 1245 bl. Dus verre 't eene, nu het andere.

Ik heb de Ridders van Haarlem, als opbouwers van dit vaſte kaſteel boven aangemerkt. Deeſe worden in onſe Hiſtoriſchriften meermaalen aangetrokken, en hunne heldedaaden gepreeſen, ontrent de jaaren 1124, 1161, 1203, tot aan 1375. Saanl. Arkad. 2 B. 86 bl. behalven Goudhoeve en Van Leeuwen.

Deeſe wierden, A. 1284, door gr. Floris de V, Heeren van Berkenrode; en hylikten, ontrent A. 1400, aan het Huys van Aſſendelfft. Ampzing, 7 bl. Van Leeuwen, Batav. 975 bl.

In haar wapen ſagmen een ſilveren kruis tuſſen 12 meerlen, ſynde bek- en pooteloos, in een rood veld; gelyk Ampzing, 4 bl. in een print ons doet beſchouwen.

Ondertuſſen den gewaanden Heer Lem near de Vergetelbeek wyſende, wilmen dat deeſe Heeren Ridders van Haarlem ſyn geweeſt. Junius, 17 cap. 425 pag. by Ampzing, 4 bl. en by Van Leeuwen, Batav. 575 en 1245 bl.

Maar hoe blyven wy ſoo lang by Haarlem, daar is immers noch geen nachtegaal? Ik heb trouwens ook niet meer te vertellen, als dat deeſe puinhoop heden noch is de heerlykheyd der Heeren van Swieten; en wilje noch wat leeſen, ſie naar, Goudhoeve, 80 bl. ſpreekende ook van dit ſlot als over veel jaaren geruïneerd. Boxhorn. Stedeb. 121 bl. Matheus, Analector. VI Tom. 550 bl. Antonides, boven aangehaald, 26 bl.

2.13.7 HAASTRECHT

HAASTRECHT; ontrent Gouda, of Ter Gou ten Ooſten; heden een dorp: wel eer, ſoo men voorgeeft, een ſtad met 3 kaſteelen verſterkt. Junius, Batav. 17 cap. 415 pag.

Soo dat ook hier louden te pas koomen de aangehaalde Veerſen, 15, 25, en 75 bl.

Van Gouda ſpraken wy, 110 bl.

2.13.8 't Huys ten HAM

't Huys ten HAM, door Rochman ultgeteekend, is gelegen in het Sticht, tuſſen het Huys te Eng en het Huys te Hermelen; Weſtwaart van Uitrecht, ontrent den Ouden Rhyn of Leidsſen Vaart.

A. 1481, is dit Huys, door die van Uitrecht, belegerd, gewonnen, uitgeplonderd en verbrand: volgens de Chronyk van Uitrecht, by Matheus, Analector. II Tom. 16 bl.

<blz 145 | 128>

Dit is al het geen ik heb van dit Huys ten Ham; doch, de Afbeeldingen myner Sloten en Heeren Huyſen naarſiende, bevind ik het ook, A. 1698, door Cafp. Specht te ſyn uitgegeven.

2.13.9 HANDSCHOENEN

HANDSCHOENEN; dit raakt de Leenen en het Leenverheffen, waar of in de letter L.

Ondertuſſen waaren deeſe handſchoenen wit en doorgaans van herteleer; welke in het verheergewaden der Leenheere, eens of meermaalen, wierden opgedragen, of ook wel ſomwylen eens voor all hem afgekocht. Ja, niet alleenlyk handſchoenen; maar ook wel ſpooren, of windhonden; valk, havik, ſperwer; of ſnoek, ſalm, &c. peper, &c. Saanlands Arkad. 314 bl. Smith, anders Smetius, Oppid. Batav. 8 cap. 98 pag. J. de Laat, in de Vertaalinge van ſyn Republ. der VII Nederlanden, 21 bl. ſchryvende, gelyk Smetius, van Nimmegen, op de Maas, byſonder ontrent Luik, ſynde tolvry; mits jaarlyks, op den ſondagh naa belooken Paaſſen, naar Luik ſendende een paar witte handſchoenen, van harteleer, gelyk de valkeniers in de vogelvangſt gebruiken, nevens twee ponden pepers.

2.13.10 HARINGSOUTEN

HARINGSOUTEN. deeſe ſeer nutte uitvindinge is men met recht verſchuldigd aan een viſſer, Willem Beucheld geheeten; A. 1347, te Biervliet overleden.

A. 1556, is ſyn graf met het byweeſen van keiſer Karel de Vde (het ſy dan dat hy was een liefhebber van een pekelharing, het ſy dat hy ſagh op het algemeene voordeel) en ſyn ſuſter Marie, koninginne van Hungarien, vereerd. Boxhorn. Stedeb. 37 bl. Sim. de Vries, Wonderen der Zee, &c. 418 bl. Parivall, Verm. van Holland, 38 bl.

2.13.11 HARMINIUS

HARMINIUS. of, gelyk de meeſte ſchryven, Arminius, veldheer der Cheruſcen, welke wel eer ſich onthielden in de vorſtendommen van Brunswyk en Luneburch. Kluverius, Geograph. 3 lib. 3 cap. Hubner, Geograph. 483 bl.

Tacitus (2 Jaarb 88 h.) noemt hem de bevryder der Duitsſen, die het Roomſſe Ryk niet in haar aanvang en geringheid, maar het ſelve op haar bloeijenſte heeft aangetaſt.

Dit is hy, die, A. 10, Quintilius Varus, in ſyne bevelens by de Duytsſe ondraaglyk, met ſyn 3 keurbenden, verſloegh. Dio, Hiſt. Rom. 56 lib. behalven Paterculus, Florus, &c. als wanneer Auguſtus, van ſpyt aan 't hollen, ſyn kop tegen de muir ſtiet, opdagende den dooden Varus, met te ſchreeuwen: Varus, geef me myn keurbenden wederom! Suetonius, Aug. 23 H.

<blz 146 | 129>

Niettemin is hy in ſyn 30ſte jaar omgekomen; niet in het veld door 's vyands oorlogstuyg, maar door de hinderlagen ſyner landslieden, en wel in bloede de allernaaſte. Ondankbre tyden!

Syn lof, ſegt Tacitus (in het aangetogen H.) word noch opgeſongen by de uitheemſſe volkeren; ja ſommige der hedendaagſe Duitſſen koomen ſoo verre, dat ſy dat beroemde Irmenſul ſyn beeld geloven geweeſt te ſyn. Sie Scedius, Germ. Deor. ſyntagm. 477 pag. en het geen we boven, van de Goden ſaamenhaalden, 106 bl.

Hoe? ſetten de Hoogeſchoolgeleerde hem niet op een Gedenkmunt? Sie van deeſe boven gewagh gemaakt, 45 bl.

Maar, ik weet niet of myne Landslieden wel weeten waar het ſlaghveld word geſteld, daar deſe Varus met de ſyne 't leven liet.

Voor my, ik geef het aan den Letterfenix, Ferdinand van Furſtenberg, welke A. 1665 (noch ſynde biskop van Paderborn; want naderhand was hy 't ook van Munſter) een marmere gedenkteken oprichtte, tuſſen de beginſelen der wateren, Lippe en Eems; ſynde het, naar ſyn gevoelen, die plaats, welke Germanikus, noch met doodbeenderen overſaaid, A. 16, quam beſichtigen; volgens Tacitus, 1 Jaarb. 16 H.

Siet Ferdinandi Furſtenbergii Monumenta Paderbornenſia, met nette Konſtplaaten verrykt; alwaar gy niet alleenlyk het Latynſe Byſchrift, in 10 regelen beſtaande, ſult vinden; maar met een ook iets, aangaande de arendſtandaaren, van de ſegepraalende Duitſers weghgenoomen: welke datſe ooit alle ſyn wedergegeven, nergens, als in Arminius, het treurſpel van den Hr. Prof Bernagie, my ontmoet.

2.13.12 HATTEM

HATTEM; een Veluwsſe ſtad in Gelderland, aan den Yſſel, hebbende weleer een ſterk kaſteel. Junius, Batav. 237 bl. waar af in des ſtads afbeeldinge, by Slichtenhorſt, ik alleenlyk twee ronde toornen ſie overſchieten.

Voorts was deeſe burg, blokhuys of kaſteel, getimmerd ontrent A. 1404, door Reinoud, den eerſten hertogh van Gelderland, hebbende muiren ontrent de 25 voeten dik; en echter is 'er heden niets meer af in weeſen, als een puinhoop van vervallene ſteenen. Slichtenhorſt, Geld. Geſchied. 1 B. 106 bl. ſoo dat de print en des ſchryvers woorden hier in verſchillen.

Haare krygsgevallen ſyn van de jaaren, 1505, 1528, 1580 en 1629. Deſelve, op het aangetogen bl.

<blz 147 | 130>

Eindlyk, wat de Naamreden van deeſe ſtad aangaat, de oude Attuarii ſouden haar naam aan Hattem hebben medegedeeld. Deſelve, 105 bl.

2.13.13 HEEKERS

HEEKERS; deeſe en de Bronkhorſten was een partyſchap in Gelderland, ontrent A. 1350; een vyf-en-twintigh-jaarige oorloogh met malkanderen voerende. Origines Culenburgicæ, by Matheus, Analector. VI Tom. 266 pag. Meurs, XVII Provinc. in Doesb. 399 bl. Scotanus, Frieſſe Chron. 187 bl.

A. 1361, den 25ſten Mey, ſloegen de Bronkhorſten hertogh Reinoud, het hoofd der Heekersſe, by Tiel, door die van Nimmegen geholpen; hem ſelf gevangen neemende. Slichtenhorſt, Geld. Geſchied. 1 B. 37 bl. en weder, 43 bl. ſpreekende van de ſtad Tiel, het houdende met de Bronkhorſten, of met Eduard, de jongere broeder van Reinoud.

Deeſe tweeſpalt is met de dood der twee raſebollen (ſtervende beide kort naa malkanderen, A. 1371) niet geeindigd; maar de Heekers hielden het toen met vrouw Machteld, de oudſte ſuſter van Reinoud, en de Bronkhorſten met de ſoon van ſyn jongere ſuſter. Deſelve, 44 bl. ſiet ook ſyn 7 B. 135 bl. alwaar hy verſcheidene tweeſpalten opteld, welke ik ook vinde by een gebracht door Pieter Verhoek, in ſyn alte lekker en alte welſpreekend Treurſpel, Karel de Stoute, 20 bl. Sie daar ſyn eigene woorden:

Europa ſtaat in vlam, ſe ontſteekt in alle landen, Een binnenlandsſe kryg verteerd haar ingewanden; 'K ſag Napels, om Anjou en Arragon, in twiſt; Itaalje, om Gibellyn en Guelf, in tweên geſplitſt; In Duitſland de Ooſtenryksſe en Beyersſe en de Beêmen; Burgonje en Orleans der Franſſen welvaart neemen; De Witte en Roode Roos ontvonkten Engeland; De Witte kaperoen ſtak Vlaanderen in brand; Hier Schieringers, daar weêr Vetkopers, by de Frieſen; Bronkhorſten, Heekers 't vuir in Gelderland opblieſen: Gelyk de Kabeljausſe en Hoeksſe hier verwoed Het veld doen rooken van het uitgeſtorte bloed.

2.13.14 HEEMSKERK

HEEMSKERK, Hemezenkirica, in de Oude Brieven, of Eemskerk, by Stoke, in Diderik de II. Siet weder Alting, Notit. 2 Part. 86 pag. is een der alleroudſte dorpen van Kennemerland; vermaard door den uitmuntenden ſchilder, Marten van Heemskerk; wiens grafnaald van blauwe ſteen ik noch <blz 148 | 131> onlangs heb geſien, op het kerkhof ſtaande; doch echter vermaarder door het kaſteel dat hier koning Willem ſtichtte. Saanl. Arkad. 89 en 90 bl.

Van gemelden ſchilder ſchryft wydloopigh Karel van Mander, in ſyn leven.

Van het ſlot meen ik te ſchryven in de letter M; om dat het met de naam van het Huys te Marquette heden beter is bekend.

2.13.15 HEEMSTEE

HEEMSTEE; ontrent Haarlem ten Weſten, Holland afgenoomen en aan die van het Sticht gegeven, door keiſer Henrik de IV, in een Giftbrief van A. 1064; volgens Alting, Notit. 2 Part. 86 pag.

Dit Huys, in Print hier nevens gaande, Roeland Rochman ontleend, is met de rugh naar het Haarlemmer meer gelegen, ontrent Bennebroek; door de twee ronde torentjes ſich van verre doende kennen.

Wat haar oudheid aangaat, die toon ik in haar eerſten ondergang. Want het is, A. 1394, door Koenraad Kuyſer, volgens bevel van Albrecht van Beyeren, de 26ſte graaf van Holland, omver geworpen. Ampſing, Haarlem, 88 bl en Boxhorn. ſtedeb. 121 bl,

A. 1404, toen die van Haarlem en Amſteldam, als raaſende honden, malkanderen aanvielen, hebben de eerſte, dit Huys, toen Hoeksgeſind, wederom geplonderd en verbrand. Goudhoeven, Chron. 97 bl. Heemskerk, Batav. Arkad. 208 bl. Van Spaan, Rotterd. 105 bl.

A. 1425, is het ſelve weder geruineerd. Matheus, Analector. VI Tom. 115 pag.

Niettemin is het heden in die nette ſtaat, die u hier word vertoond; onlanghs bewoond door den Heer Adriaan Paauw, Ridder, &c. Rechten en Koſtuymen van Kennemerland, 258 bl.

Haar ſtichter ſou ſyn geweeſt Reinoud van Brederode, de tweede natuirlyke ſoon van Reinoud den II; A. 1481, op dit ſlot overleden; volgens Bokkenberg, Illuſtr. Brederod. 76 pag. Ondertuſſen ſie Van Leeuwen, Batav. 981 bl. van de doorluchte ridderen van dit edel Stamhuys.

Eindlyk moet dit Huys wel worden onderſcheiden van het Huys te Heemſtede, in het Sticht, tuſſen Uitrecht en de Lek, de weergadelooſe luſtplaats van den Hr. Didrik van Veldhuyſen; waar af by my niets is, de Hiſtorie aangaande; en weder het vervallen en weer vernieuwd Huys te Haemſtee, in <blz 149 | 132> de de Baander-heerlykheid van Haemſtede, in Zeeland, by Zierikzee; van welken laatſten Smallegange, Chron. van Zeel. 689 bl.

2.13.16 HEENVLIET

HEENVLIET; geleegen in de lande van Vooren en Putten. Van Leeuwen, Batav. 1305 bl. doch alleenlyk, volgens ſyn gewoonte, ſpreekende van het Geſlacht. Is heden een ruiin, hebbende dikke muiren, en ſwaare brookken van torens en gewelven; volgens de Afbeelding van ſoo dikwyls genoemde Rochman.

Men vind het genoemd, in de Handveſtchronyk, 1 D. 136 bl. ſonder eenige byſonderheden; welke, indienſe'er ſyn, ik van een andere hand rekhalſende inwacht.

2.13.17 HEER-AARTBERGEN

HEER-AARTBERGEN; door Rochman uitgeteekend, in het geboomt; een Huys in de Krimper Waart, ontrent de Lek, beneden Schoonhoven, op een berg gelegen. Is geboud van Heer Arnoud van Arkel, in de Heerlykheid van Berg-ambacht; volgens Van Leeuwen, Batav. 1212 bl. in de Huyſen van Suyd Holland.

2.13.18 HEER JANSDAM

HEER JANSDAM, een Huys in de Heerlykheid van Heer Jans Dam; voerende haar naam van den ridder, Jan van Rooſendaal, die deſelve allereerſt bedykte. Van Leeuwen, Batav. 1224 bl. Oudenhove, Suyd Holl. 412 bl.

2.13.19 HEEMRADEN

HEEMRADEN; van Rhynland, Delfsland en Schieland. Hebben haar vergaderplaatſen binnen Delff, Leiden en Rotterdam. Begonnen, even als de Dykgraven, met A. 1300. Van Leeuwen, Batav. 1502 bl.

Deeſe ſyn over 's lands dykken en haar onderhoud (waar aan het algemeen welvaaren is afhangende) geſteld. Parivall, Vermaak van Holl. 222 bl. Junius Batav. 411 pag.

Volgens de Naamreden, heetten ſy Hemelraden; om dat ſy onder den blooten hemel beraadſlagen en beſluyten. J.B. Gramaye, by Oudenhove, Suyd Holl. 239 bl. Of liever Heimraaden; ſynde heim een afſchutſel, en dus heim een dyk, waar mede een vlek of dorp word bepaald en afgeheind. Douſa, by den ſelven Oudenhove, op het geſtelde blad. Dit behaagtme beter als heim, een huys; waar af Junius deeſen titel af wil trekken, Batav. 393 pag.

2.13.20 HEESBEEN

HEESBEEN; een Huys, in den Lande van Arkel en Altena, by de oude Maas, ontrent Heuſden, in Mansfelds tyden; A. 1589, afgebrooken. Goudhoeve, 88 bl. Van Leeuwen Batav. 1301 bl. Oudenhove, Heuſdens Beſchryv. 17 bl.

Vind het echter by Rochman in het geheel afgeteekend, <blz 150 | 133> ſoo niet moogelyk het geſicht een verkeerde naam is bygeſet.

2.13.21 HEILIGENBERG

HEILIGENBERG, een hooge hofſtede, met ongemeene ſchoone geſichten, een weinig buiten Amisfort, in de Veluwe.

A. 1002, was alhier geboud het kIooſter der Benedictynen, Hoohorſt of Hogenhorſt geheeten. Matheus, in Præfat. edit. Amisfurt. en weder, Fundat. Eccleſ. Ultraject. 192 pag.

Maar echter vind ik, by Slichtenhorſt, Geld. Geſch. 5 B. 52 bl. dat, A. 1006, Anfrid, de 18de biskop van Uitrecht, ter eeren van onſe Lieve Vrouwe, voor de geſeide Benedictynen, het ſou hebben geſticht.

2.13.22 HEILOO

HEILOO, anders Heiligelo, of Hailgalo, in de oude Brieven van A. 1063, en by Beka. Heiligloe, by Stoke; eene der 5 moederkerken, in het weſten van Alkmaar gelegen. Alting, Notit. 2 Part. 84 bl.

Is ſeer roemruchtigh, eensdeel door S. Wilebrords Put, ſtaande beweſten de verminderde kerk, buiten aan de ringmuir; hebbende ſeer ſuiver en ſeer ſmaakelyk duinwater.

A. 1706, ging ik, den 11 en 12 Sept. deſelve beſichtigen; midlerwylen het aanteekenende, nevens Beka, in Wilebrord. 10 pag. en de Saanl. Arkad. 136 bl.

Anderdeels, door de grond van het mirakuleuſe kapelletje van onſe Lieve Vrouwe ter Nood; als noch van alle kanten, uit devotie, jaarlyks beſocht.

Den 12 Septemb. van het genoemde jaar, bevond ik het te ſyn al een mooije pooſe ryens van Heiloo, tuſſen 3 Herbergen, met een walletjen omringd. In het midden ſtond een laage bus voor het offergeld. Hier om heen ging, als een rad, het diepe ſpoor der kruypers, onſe Lieve Vrouwe aldaar aanbiddende.

In de uitgegevene Printen word de vlakte van het veldje ſeer qualyk afgebeeld; het geen gevolgd is van Van Royen, 189 bl.

Dit wegens het geeſtelyke; een woordtje van het wereldlyke; want, A. 1018, ſloegh gr. Diderik de IV de Frieſen by Heiloo; gelyk al is aangeteekend, 57 bl. ſoo was hier mede een treffen, A. 1024; waar in die dappere weduwe, Vrouw Helena, ſoo manhaftigh ſich heeft gequeeten, volgens het boven geſchrevene, op 80 bl.

Maar, hier is weder een maar. De vraag is, of hier te Heiloo, op twee byſondere tyden, 6 jaaren verſchillende, een <blz 151 | 134> gevecht is geweeſt. Van het laatſe gewaagt alleenlyk het Egmonder Chronykje. Soo redeneerd Van Wouw, Alkm. Chron. 15 bl.

Ondertuſſen moet ook de Leeſer wel beſeffen, dat de krygsliſt, van het geroep, Vliet! Heeren, vliet! onder gr. Diderik, de III (van welken, 57 bl.) geenſins te Heiloo is voorgevallen; gelyk ik my, door ſchielykheid, heb laaten misleiden, 32 bl.

Eindlyk diend men hier noch aan te hangen, uit de Rechten en Koſtuymen Van Kennemerland, 237 bl. dat, onder de Graaflykheid, die van Heiloo, in de heirvaarten, op 12 riemen ſtonden, en het volk naar de riemtalle; dat A. 1395, 6 riemen ſyn afgekocht, en die weer, A. 1399, by gunſt, op 3 verminderd.

2.13.23 HELIUM

HELIUM; dit is weder een harde quaſt by de Latynsſe Schoolgeleerden. Boven, 44 bl. heb ik aangeteekend dat in de naam van den Briel, noch overblyfſelen van dit woord worden beſpeurd. Maar, Flud à Ghilde, in de Voorrede van ſyn aldaar aangehaalde Vertaalinge, brengt Junius, Eindius en Douſa by, gelovende Helium heden te ſyn de Wielingen. Andere weder ſpreeken van Helvoetſluis, op de Suyder zy gelegen; dat immers ook al ſchyn heeft. Andere, noch geleerder, meenen van Helium het wortelwoord te ſyn Ε΄λος, haalende het uit Pauſanias, in Laconic. of ſyn derde B. Nu is, Ε΄λος een diepte of poel geſegt.

Ondertuſſen hou ik het met den Briel. Ieder kies wat hem luſt en ſie verdere redeneeringen by Ortelius, in Theſauro Geograph. in voce, Helium. Van Leeuwen, Batav. 53 bl.

2.13.24 HELM

HELM; deeſe ſtoffe ſal weder wel een kortheid vereiſſen, om niet, met al te veel aan te trekken, de paalen van ons kleen beſtek te overtreden.

Sal dan overſlaan de 7 of 8 Legerkroonen der Romeinen, aan de ſoldaaten, naa verdienſten, door de Veldheeren uitgedeeld. Sie daar af by Lipſius, Stewechius, &c. behalven de noch oudere, Plinius en Gellius, &c en eindlyk Van Leeuwen, Batav. 726 bl.

Verder ook niet beſchryven de verſchillende en ſtoffe en het ſeer veranderlyk maakſel der helmen en ſtormhoeden, ſoo de genoemde Romeinen als van de alleroudſte Grieken; aangeſien dit, buiten ons oogmerk ſynde, ook by de aangetogene Lipſius en Stewechius omſtandelyk word vertoond.

<blz 152 | 135>

Maar ik meen hier te blyven by de Helmen der wapenſchilden; welke of geſlooten of oopen waaren.

I. Diende men te weeten dat, van alle oude tyden, de oneedele, op hunne wapenen, geen helmen mogten voeren.

II. Dat nieuws geadelde geen helmen mochten op de wapens hebben, als geſlooten en met een neergeſlagen viſier.

III. Dat de gifte van een open helm, aan brave lieden, van de ſouverainen geſchonken, met een gunſtbrief van adel wel uitdrukkelyk wierd beveſtigd.

IV. Dat de open helmen der geboorne edelen waren met 2 tralien; der edelen van afkomſt met 3; der ridderen met 5; der hertogen, marquyſen en graven met 7; der ſouverainen alleen met 9; als ſynde een getal, dat in ſich alle getallen bevangt.

V. Dat de edele, ſoo majores als minores, op hunne wapenſchilden, geen helmen mochten ſetten met platten aangeſichte, maar alleen van ter ſyden: want dit alleenlyk eigen is aan prinſſen, veldheeren en hoofden van een ridderlyken order.

VI. Dat de helmen der gemeene adelen waaren van yſer of ſtaal, der hoogere van ſilver; maar der abſoluite prinſſen, of uit koninglyken huyſe van 's vaders ſyde, van goud of geheel verguld.

Soo verre Van Leeuwen, 728 bl. by wien ook ſoodaanigen gunſtbrief u ſal ontmoeten, A. 1539, door keiſer Karel de V, aan eenen Jan van Loven verleend.

Van de ridderſchap en de ridderen ſullen wy ſpreeken, in de letter R. ondertuſſen voeg dit van de Helmen by dat van de Dekkleden, 52 bl. en wat'er verder noch ſou konnen worden aangehaald, dienende tot den adel en de ridderſchap.

2.13.25 HEMERT

HEMERT; een ſlot en heerlykheid, in den Lande van Arkel en Altena, tegen over de ſtad Heuſden, aan de Maas. Goudhoeve, 88 bl. Van Leeuwen, Batav. 1301 bl.

A. 1062, wierd hier gr. Floris de I, met alle de ſyne, in hunne vermoeidheid, verraſt; volgens het verhaalde, 68 bl.

2.13.26 HENRIK

HENRIK; de Roomſſe hiſtorie heeft in de rang haarer keiſeren, 7 Henrikken.

Onder deeſe is geweeſt Henrik de VII, of de laatſte, bygenaamd de Luxemburger; A. 1313; den 23 Auguſt. door een Jakobyner, anders Dominikaner, monnik, door die van Florenſſe gehuird, vergeven met het vergiftigde Corpus Domini. Siet een geheele lyſt van Schryveren, by Buchelius, over Heda, <blz 153 | 136> 238 pag. voorts Scriverius by Goudhoeve, 353 bl. Scotanus, Frieſſe G. 206 bl. Hartnakk. in Continuat. 709 pag.

Sou dit niet hebben aangeteekend, als om dat my ſeer vreemd voorquam in de Origines Culemburgicæ, by Matheus, Analector. VI Tom. 245 pag. dat van die tyd de Jakobyners het heilig ſacrament aan de gelovige niet mogten uitreiken met de rechterhand.

2.13.27 HERKULES

HERKULES; ook onder de godheden van deeſe landſtreek; gelyk wy beweeſen, 105 bl. alwaar wy ook ſpraaken van Saxanus, eene ſyner bynaamen.

Van de Steenhoopen, gelyk wy aldaar ook beloofden, ſullen wy ſpreeken, in de letter S. maar niettemin hier een woordtje voor de liefhebbers.

Tacitus, van de Seden der Duitsſe, 34 H. by Kluver. van de Rhynmonden, 2 D. 282 bl. getuygd dat het gerucht verſpreide dat, ontrent den oceaan, de kolomnen van Herkules noch overigh ſyn. Het ſy (ſegt de Vertaaling) dat hy daar ſelf geweeſt heeft, of om dat men al wat heerlyk is, toegeſtaan heeft tot ſyn vermaardheid toe te paſſen.

By Junius, Batav. 485 pag. word Altamerus veroordeeld, als dwalende, met de pilaaren van Herkules in het Noorden te ſetten.

Van gelyken meent hy Anton. Schoonhovius, in ſeker brief over deeſe pilaaren ſchryvende, ſeer ſchandelyk te ſyn gevallen, ſtellende deeſe gedenkteekenen by de Tencteri, ontrent Rolde, niet verre van Kovorden.

Maar, myn goede Adriaan Junius, had gy in Drenthe geweeſt, en die yſlyke gevaartens en onbeſuyſde ſteenhoopen, aldaar geſegt Huynebedden, te Rolde, te Borger, te Drouwen, te Finaarle, &c. ooit aangeſchoud, gy ſout dit ſchryven van Schoonhovius, voor een aartigh ſprookje, of een enkel droomgeſicht, niet hebben uitgemaakt.

Voor my, ik hebſe meer als eens geſien, en ook meer als eens boven op de ſelve geklommen, en beneden daar door heen gekroopen. Dus ſeg ik alleenlyk hier in het kort; het ſyn op malkandere geſtapelde ſteenen, van ſoodaanige grootte, datſe niet als met de handen van eenen Herkules bewogen konnen worden. En wie is nu hier deeſen Herkules? de reuſen of, ſoo menſe noemt, Huinen; van welke Pikart, Drentſch. Oudh. 5 H. 34 bl.

2.13.28 HERMELEN

HERMELEN, door Rochman, in 2 Geſichten, en door C. Specht, A. 1702, afgebeeld; is gelegen by het <blz 154 | 137> dorp Hermelen, in het Sticht, aan de Leidsſe vaart.

A. 1481, is dit Huys, door die van Uitrecht, belegerd en door Hr. Gysbert van Zulen, op den ſelven dagh dat den Ham was opgegeven, aan haar overgeleverd. Uitrechtſe Chron. by Matheus, Analector. II Tom. 16 pag. en Heemskerk, uit Velius, over ſyn Batavie, 252 bl.

2.13.29 HEUKELOM

HEUKELOM; een over oud ſlot, een boogſchoot weges buiten het ſtedeken van deſelve naam; in de lande van Arkel en Altena. Junius, Batav. 487 pag. Handveſt. Chron. 1 D. 137 bl. Goudhoeve, 86 bl.

Is heden onder de dingen, welke ſyn geweeſt; een ydele gedachtenis. Soo beſchryft het Parivall, Verm. van Holl. 150 bl. alwaar om het tyd is die geringe gedachtenis te bewaaren met dit nevensgaande Geſicht van Rochman.

Was door de Heeren van Arkel geboud, A. 1200. Boxhorn. Stedeb. 307 bl. welke daar nevens voegt, het by ſyn tyd al geheel onder de voeten te ſyn geweeſt. V. Leeuwen, Batav. 1301 bl. alwaar hy gedenkt, dat het, van Rhegino, op A. 784, van Karel de Groote ſchryvende, Huculim qualyk was genoemd.

Voorts is aan Otto van Arkel, de jongere ſoon van Jan de VIII, Heer van Arkel, A. 1272, allereerſt de titel gegeven van Heer van Heukelom Defelve Van Leeuwen, 198 bl.

Eindlyk is het ouder als Leerdam en Aſperen; maar het is weer een beuſelpraat, Heukelom te noemen Herkulim, als of men ſei, van Herkules; waar naar de Heeren van Arkel, meerendeels alle ſterke reuſen, quanſuis ſyn genoemd. Weder de ſelve, 198 bl.

Sou wel haaſt vergeeten hebben, dat op dit aloude Huys, de 4 Heemskinderen, op hun Rosbeyard ſittende, ſyn te ſien geweeſt. De reden is geſegt, boven, 20 bl.

2.13.30 HEULEN

HEULEN; een Hollandsſe gewoonte, onder de jonge lieden, met de wagen ergens om een plaiſiertje rydende. Siet hier een uittrekſel uit de Batav. Arkad. van meergenoemden Heemskerk.

Zedert ſeker jongman (verteld hy, 128 bl) nevens ſyn vryſter, in de Veenen, ontrent den Leidsſen Dam, op een bruggetje, met een overdekte wagen verongelukte, is het in Holland de gewoonte geworden, op een brug met de wagen komende, malkanderen om de hals te vatten en te kuſſen; onder het roepen, heul! heul! dat is te ſeggen; hulp! hulp vrees ik van noden te hebben!

2.13.31 HEUSDEN

<blz 155 | 138>

HEUSDEN; een ſtedeken, juiſt op de grenſpaalen van Braband, Holland en Gelderland; wiens ſeer oud kaſteel, door de Deenen en Noormannen, is geruineerd. Godeſchalc. Stewechius, in Vegetium, 4 lib. 10 cap.

Doch naderhand, door Boudewyn, de tweede Heer van Heuſden, weder opgemaakt. Deeſe Heer is overleden, A. 870. Oudenhoven, Beſchryv. van Heuſden, 6 en 19 bl.

Bleef derhalven, tot in onſen tyd, in weeſen, met 2 vierkante toornen, hebbende een aanmerkelyke hoogte; doch van deeſe is de grootſte, A. 1620, met een deel van het ſydewerk, omvergevallen.

Voorts plagt dit ſchoone ſlot, wel eer buiten de ſtad te ſyn; maar is ſedert, by vergrootinge van de ſelve, binnen de muiren getrokken.

A. 1340, begon Jan de III, de negende hertogh van Braband, hier by deeſe burg, een achtkantige tooren te bouwen; welke van vrouw Jakoba, ſyn dochter, naderhand is voltrokken.

A. 1359, wierden de Heeren, Gysbrecht van Nyenrode en Jan Keruene, weghgevlucht uit Delff, dat ſich aan graaf Albrecht (ſie boven, 54 bl.) had overgegeven, in dit kaſteel belegerd. Maar, na een belegh van een geheel jaar, wierd de ſaak, door het bemiddelen van Heer Otto van Arkel, by gelegt. Het ſlot wierd gemelden graaf weder overgegeven, en men ſond de ridders, om het Heilige Graf te beſoeken, naar Jeruſalem. Oudenhove, in gemelde Beſchryv. en Goudhoeven, 1 D. 397 bl.

A. 1420, gaf ſich Heuſden aan onſe vrouw Jakoba over. Immers dat deeſe gravin langen tyd op het kaſteel ſich heeft onthouden, getuygen de Jakobaas kannetjes, in het diepen van de grachten, in groote meenigte opgeviſcht; even als in Holland, op het Huys te Teilingen en elders. Weder Oudenhove, 51 bl.

Eindlyk merk ik aan, uit deeſe Oudenhove, dat wel eer de tooren een hooge kap had met een ommegang; welke, 't ſy door ouderdom, of het ſy, door andere ongelegentheden, is om verr geraakt. Alwaar om, A. 1613, in plaats van deeſe, een huysje daar boven is geſet. Siet de 3 Geſichten van Rochman; en daar neven ſie Junius, Batav. 496 pag. ook van dit kaſteel gewagh maakende.

Ondertuſſen, om niet te lang in Heuſden te blyven, ſtap ik verby de oorſprong van het ſpreekwoord, onder onſe <blz 156 | 139> landslieden, ontrent de gierigheid of een inhaalige begeerlykheid; gy ſpeeld ſlechts, Mechelen my, Heuſden dy. Snoyus geeft u ſe, by Boxhorn. Stedeb. 297 bl.

2.13.32 HILLEGOM

HILLEGOM; een Huys, ook het Hof geſegt, door Rochman afgeb[e]eld, tuſſen Lis en Haarlem. Goudhoeve, 80 bl. Van Leeuwen Batav. 1248 bl. doch a[l]waar gy niets aanmerkelyks ſult vinden, als hoe dikwyls het, met ſyn waarande, duynen en konynen, is verleid.

2.13.33 HILLIGAARTSBERG

HILLIGAARTSBERG; in Schieland, ontrent Rotterdam, by de Rotte, in een moerige grond, op een heuvel gelegen; waar af noch is te ſien, volgens het Geſicht van Rochman, de ruiin van een vervallen tooren.

De naam komt haar van de waarſegſter Hilligaard, een verdicht vrouwmens, die, met een voorſchoot vol ſand, deeſe heuvel verwekte. Doch die luſt heeft aan beuſelpraat en oude wyve loopjes, gaa naar Junius, Batav. 522 pag. Goudhoeve 38 bl. Van Leeuwen, Batav. 1297 bl. en Van Spaan, Rotterd. 196 bl.

2.13.34 HODENPYL

HODENPYL; heden alleenlyk de ruiine van een ridderlyk Huys, in Schieland, by Vlaardinge. Goudhoeve, 87 bl. Junius Batav. 523 pag. Van Leeuwen, Batav. 129 bl.

Word ook geheeten het Huys te Blote. Deſelve Van Leeuwen, 1286 bl. hoewel hy dit in Delfsland ſet by Ryswyk; ſoo dat hier 2 Huyſen ſyn, die niet moeten onder elkaêr verward worden.

A. 1398, is dit Huys, nevens Duyvenvoorde, Sandhorſt, Heemſtede, Warmond en Paddepoel, vernield; door Koenraad Kuſer, met ſyne krygers, van hertogh Albrecht hen gegeven, om de moorders van Willem Kuſer, ſyn ſoon, te vervolgen. Scotanus, Frieſſe G. 215 bl Goudhoeve, 407 bl.

2.13.35 HOFLAK

HOFLAK; anders Hoeflaken, een ſlot ontrent Amisfoort, in de Veluwe, Ooſtwaarts; in de papieren van A. 1132, al bekend. Matheus, in Not. ad Amisfurt. 230 pag. ſie ook van deeſe plaats gewagh gemaakt by Slichtenhorſt Gelders. G. 5 B. 50 bl.

2.13.36 HOEKS en KABELJAEUWS

HOEKS en KABELJAEUWS; een landverdervend geſchil, A. 1350, tuſſen moeder en ſoon ontſtaan; te weeten, Margriet, vrouw van keiſer Ludewyk de IV, en Willem de V, graaf van Holland. Scriverius, by Goudhoeve, 385 bl.

Deeſe Margriet, de ſuſter van graaf Willem de III, wierd, volgens het recht der geboorte, tot gravin van Holland aangenomen; doch ſy, begeerigh om by de keiſer haar man te <blz 157 | 140> weeſen, trok weder naar Beyere, voor een jaarlykſe uitkeeringe, het regeeren aan Willem, haar oudſte ſoon, overdragende. Beſchryv. van Amſteld. 6 D. 125 bl.

Maar, als deeſe Willem, in ſyn oorlogstogten tegens den biskop, Jan van Arkel, ongelukkig was, en, de ſtad Oudewater, en weder, by Schoonhoven, een veldſlagh verlieſende, het beloofde geld niet kon opbrengen; ſoo quam vrouw Margriet weêr naar beneden, verſtiet hare ſoon, ging ſelf aan het roer. Balen, Dordrechts Beſchryv. 739, 740 en 741 bl.

Ondertuſſen regeerde ſy met ſulk een ſlappigheid, dat veele edelen en ſteden de ſoon weder toevielen, en, nevens hem, de moeder te keer gingen. Oudenhove, Dordr. Beſchryv. 496, 497 en 498 bl.

Voorts verſchilden deeſe partyſchappen niet alleenlyk in naam, (die van de moeder de Hoeksſe en die van de ſoon de Kabeljaewsſe wordende genoemd) maar ook in het gewaad; de Hoeksſe roode, maar de Kabeljaewsſe aſchgrauwe bonnetten dragende, Heemskerk, over ſyn Arkad. 200 bl.

Nu waaren aan de ſyde van vrouw Margriet; de Heeren Duyvenvoorde, Brederode, Polanen, Binkhorſt, Riede, Hoekhorſt, Heemſtede, Oudshoorn, Raaphorſt, Poelgeeſt, Meereſtein, &c.

Maar Willems aanhangelingen, Jan van Arkel, de Egmonden, Perfyn, Wateringe, Heemskerk en meer andere; nevens de ſteden, Dort, Haarlem, Delf, Leiden, Amſteldam, Alkmaar, Medenblik, Oudewater, Geertruydenberg, Schiedam en Rotterdam. Goudhoeve, 385 bl. behalven Oudenhove, &c.

Eindlyk, deeſe verdeelinge duirde, met groote bitterheid, aan beide ſyden, 140 jaaren, te weeten van A. 1350 tot ontrent A. 1500; binnen welken tyd veele ſteden ſyn ingenoomen, veele ſloten ſyn om ver geworpen, en veel bloeds is vergooten: gelyk ſulks by de Schryvers breder kan worden naargeſien; als daar ſyn: Orlers, Leidens Beſchryv. 2 D. 407 bl. Van Leeuwen, Leid. Beſchr. 176 en 191 bl. Wachtendorp, Rymchron. 7 B. Buchelius, in Hedam, 353 pag. Van Spaan, Rotterd. 93 bl. Scotanus, Frieſſe G. 184 bl. J. v. Leiden, de Origin. & Geſt. Brederod. 32 cap. by Matheus, Analector. II Tom. 325 pag. en noch verſcheidene andere.

Doch ik heb echter noch 2 ſaaklykheden, by Scriverius, in ſyn Toetsſteen over den Gouwenaar, aangemerkt.

<blz 158 | 141>

I. Dat de bovengemelde naamen veel jonger als de daad ſelve ſyn geweeſt. 272 bl.

II. Dat deeſe toenaamen, om onder de landgenooten alle haatlykheid te dempen, A. 1445, door een plakkaat ſyn vernietigd. 273 bl.

Ondertuſſen die eenige veersjes, ontrent dit landgeſchil ſou willen hebben, vernoeg ſich, met die van Antonides, aangaande 't vernielen der Heeren Huyſen, boven aangetogen, 25 bl. en met de volgende, van Verhoek, raakende de bonnetten:

Ik ſagh de Hoeksſe meê, tot weêrwraak, herwaars ſtreeven, En Breêroo, Waſſenaar en Duyvenvoord, geſteeven Van Bink en Boekhorſt en Oudshoorn, Meereſtein, Polanen, Raaphorſt, Lek en Naaldwyk; eene trein Van ſtoute wapentuirs, all ridderen of knaapen. Hoe meend gy ſou het dan in Zeeland ſtaan geſchaapen, Dat nu, geruſt van 't land, de hulk van Holland ſiet In nood van ſtranden en erbermelyk verdriet; Als Kabeljousſe nu de Hoeksſe ro[ê] bonnetten, De Hoeksſe wederom, om hun betaalt te ſetten, Haar grauwe fluks den kruin uitſneeden, naar het viel, Dat ieders lieverey, in 't vechten 't veld behiel.

Dit uit het 4de Tooneel des 2den Bedryfs van ſyn Karel de Stoute; doch het eene ſal het andere ophelderen, indienwe een brokjen uit het 2de Tooneel des 1ſten Bedryfs, hier achter plaatſen. Hoor toe dan, het is al een mooi rolletje, geliefde Leeſer:

Want, ſedert vrouw Margriet, de keiſerin, de landen Aan Wilhelm, haaren ſoon, als ruward gaf in handen, En hy haar 't jaarlyks geld, dat ſy bedong, niet gaf, Maar trok in Beyeren, en ſtond 't gebieden af, En ſy, in Henegou, bleef ledigh in haar luſte, Doen wierd de twiſt geteeld, die ſedert 't land ontruſte, Al de adel deelde ſich in Hoeks en Kabeljouws, Den eenen was goed Graafs, en de ander weer goed Vrouws, De Moeder en het Kind, elk richtte hun banieren, De Maas ſagh fluks hier op twee dappre vlooten ſwieren, En bruiſſen ſnel door een; de koggen, ſterk bemand, Geklampt, verheerd, geſleept, geſonken en verbrand, En vond ſyn ſilvre ſtroom, beklaaglyk, twee getyden,

<blz 159 | 142>

Geverft met edel bloed, door het verſchriklyk ſtryden. Van doen af ſtak de toorts de Sloten in de brand, Ontheiſtrende al 't gehuchte in 't rond ten platten land, &c.

2.13.37 HOGEWOERT

HOGEWOERT; anders de Hooge Waart, een verhevene plaats ontrent den oever van den Ouden Rhyn, by Montfoort.

A. 1301 ſneuvelde hier den biskop, Willem van Mechelen, ſtrydende tegens die van Uitrecht, in een twyfelachtigh gevecht. Heda, in Wilhelm, 227 pag. Beka, 103 pag, Stoke, Rymchron. in Jan de II, by Alting, Notit. 2 Part. 90 pag.

Voorts heeft wel eer hier een Roomsſe ſterkte geſtaan, terwyl ſulcks haar hoogte uitwyſt, behalven de opgedolvene Geldmunten, Steenen en allerhand gebrooken Vaatwerk, in een groote menigte nu en dan weghgehaald. Buchelius, over Heda, 229 pag.

Ondertuſſen vind ik, in Kennemerland, een ambachtsheerlykheid54 van Hoogewoerd, ontrent de ambachtsheerlykheid van het Schoter Boſch, en by de ruiinen van het Huys te Kleef. Rechten en Koſtuymen van Kennemerl. 266 bl.

Dus is hier ook de Luſtplaats Hoogewoerd; met ontelbaare veranderingen naeuwkeurigh beſchreven door Petr. Vlaming, de ſchilderende Weſterbaan onſer tyd, onder ſyn Dichtgenooten uitblinkende.

2.13.38 HOLLAND

HOLLAND; hier ontrent meen ik me weer van Verdeelingen te bedienen; ſullende een korte reden voeren van I. De Naamreden. II. Van haar weeſen en gelegenheid. III. Haar ſteden. IV. Aanmerklykheden, ontrent deeſe laage en vlakke landſtreek.

I. De Naamreden bevind ik weder, by de Schryveren, te ſyn vyf dubbeld.

Holt/​land ſeggen eenige; ſynde quanſuis deeſe landſtreek, voor de grootere bevolkinge, vol /holt of hout, boſſen en wouden geweeſt. Sie, boven, het aangeteekende, 36 en 39 bl.

Holland, hollend land; ſoo ſtellen het andere, noemende onſe landslieden hollers, om dat ſy muitineerden en opſtonden, toen Karel de Kaale, ſoo ſe voorgeven, Didrik, de eerſte graaf, hen toevoerde. Boxhorn. Stedeb. 1 H. 3 bl. Junius, Batav. 301 pag. Buchelius, in Hedam, 7 pag.

Hooi/​land; ſoo ſpreeken weder ſommige, wegens des lands grasrykheid. /Deſelve Junius, Batav. 300 bl.

Holland bolland, ik hou myn aan de heykant, ſingen eindlyk <blz 160 | 143> ſommige; wegens des aardryks moeraſſige en veenige weekheid, onder de voeten bevende en lillende. Boxhorn. over de Chron. van Veldenaar, 137 bl. Bertius, German. Deſcript 1 Part. 87 pag. en Parivall. Verm. van Holl. 164 bl. behalven Guicciardin, Wachtendorp, Varenius, &c.

Hier af komt het konſtwoord by de Vetweyders; bourlekyks land. Soo noemenſe de lichte, weeke en dryvende weylanden, ook ſeer licht hooy gevende.

Maar ondertuſſen ſou ik die Schryveren konnen toevallen, welke ſtellen, dat de Deenen, Gotten en andere Noorluy, de naamen van Holland en Zeeland hebben medegebracht. Scriverius, Nader Verklaring. 37 bl. behalven Heda, Douſa, Junius, Petr. Nannius, en eindlyk weder Boxborn. Stedeb. 3 bl.

Eindlyk is het ſeeker, dat dit ſelve land eerſt word Holland geheeten in de Brieven van keiſer Henrik de III, A. 1064. of Holtland, in het Inventaris der goederen van Uitrecht, by Alting, Notit. 2 Part. 216 pag. en dat gr. Diderik de V. ſich allereerſt heette Graaf van Holland. Boven, 59 pag.

Dit van haar Naam; nu van haar gelegenheid.

II. Holland is de boeſem van de Rhyn en de Maas. Oudenhove, Suyd Holl. 24 bl. door den Rhyn en de Noordweſte wind veroorſaakt. Nanning, Miſcellaneor. 10 lib. ſeer laagh, en dagelyks het ebben en vloeijen onderworpen; ſelf al ten tyde van Plinius. Sie hem, Hiſt. Natural. 16 lib. 1 cap. In welke het Bedykken allereerſt is aangevangen, ontrent den jaare, 1180. Meyerus, Chronicor. 6 lib. Het geen echter andere vroeger ſtellen; volgens het bovengeſchrevene, 62 bl. Uit het welke het water, met Molens, ook allereerſt is uitgedreven, in de jaaren 1520 en 1529; of ten minſten daar ontrent. Weder Oudenhove, uit de Plakkaaten, 21 en 22 bl.

Was eertyds naauwer bepaald; het beſte daar af ſynde de Dortsſe Waart. Immers, Noord Holland heette toen, daar ſich heden Schieland, Delfsland en Rhynland vertoonen. Het tegenwoordige Noord Holland noemde men toen Weſt-Frieſland. De rentmeeſter van Noord Holland had binnen Delf ſyn verblyf. Ja ſelfs ten tyde van Koning Willem, ſtond Weſt-Friesland noch niet onder Holland; alſoo hy van de Frieſen, by Hoogwoude, op den Frieſſen bodem is verſlagen. Buchelius, over Heda en Beka, by Slichtenhorſt, Gelders. G. 6 B. 70 bl. en elders.

<blz 161 | 144>

III. De XXXIII ſteden van dit ons Holland vind men meerendeels, door deeſe geheele Schatkamer verſpreid, beſtaande in deeſe volgende: 1​. Dordrecht. 2​. Haarlem. 3​. Delf. 4​. Leiden. 5​. Amſteldam. 6​. Gouda. 7​. Rotterdam. 8​. Gorkom. 9​. Schiedam. 10​. Schoonhoven. 11​. Briel. 12​. Geertruydenberg. 13​. Klundert. 14​. Heuſden. 15 Workom. 16​. Vianen. 17​. Leerdam. 18​. Aſperen. 19​. Heukelom. 20​. Yſſelſtein. 21​. Woerden. 22​. Oudewater. 23​. Naarden. 24 Weeſp. 25​. Muyden. 26​. Vlaardinge. 2755. Gravenhage. 28​. Delfshaven. 29​. Beverwyk. 30​. Goeree. 31​. Alkmaar. 32​. Schagen. 33​. Hoorn. 34​. Enkhuyſen. 35​. Edam. 36​. Monnikedam. 37​. Purmerent, en 38 Medemblik.

IV. Wat de aanmerkelykheden ontrent deeſe landoord betreft, is onder de ſelve voor eerſt

De ſeldſaame veranderinge der gronden; ſynde de ſelve hier vaſt en dicht en daar weder los, licht en trillende; gelyk we ſoo eeven boven hebben aangeweeſen. Daar nevens hier ſandigh of kleyigh en ginder weder veenigh en darrigh. Doch deeſe ſtoffe ſal geſpaard worden tot den letter T, of V; alwaar wy, uit Martin. Schook, de Turfis, &c. van de Turven en Veenen een redenkaveling ſullen opſtellen.

Ten tweeden, een onfeilbaare bedervenis, door een Hemelſche voorſchikkinge, met de gaven van de Natuyr geſtuyt.

I. Met de helm; ſonder welke te planten, geheel Holland van de Duynen, ſou worden overſtoven. Sie boven, 69 bl.

II. Met de wier of het wiergras, de Diikken op een wonderbaarlyke wyſe aan malkanderen houdende en verbindende. Junius, van beide ſpreekende, Batav. 45 en 68 bl.

Dit dan, ontrent Holland; doch hoe kan ik overſlaan, om ſyne vreemdheid, het geen my voorkomt by Gabbema, Leeuward. Beſchryv. 39 bl. uit Geſchrevene Stadsboeken, dat, A. 1435, by die van Leeuwarden; noch, A. 1446, by die van Groningen, geen Hollander wierd tot Burger aangenoomen.

2.13.39 HONDSTEIN

HONDSTEIN; een Huys van Suyd Holland, gelegen in Hontswaart; volgens een oude Memorie van Ontfang, des jaars 1300, by Van Leeuwen, Batav. 1224 bl. welke ook geloofd dit edel geſlachte uit Hoog Duitsland alhier te ſyn overgekoomen.

2.13.40 HOND en PLUIM

HOND en PLUIM; dit raakt de jagt, en daarom ſal dit te vinden ſyn op den letter I.

2.13.41 HONDSLERDYK

<blz 162 | 145>

HONDSLERDYK; het Huys wel eer der ridderen van Naaldwyk, heden herboud door Frederik Henrik, prins van Oranje; niet verre van 's Gravenhage. Parivall, Verm. van Holl. 141 bl. De Handveſtchron. I D. 124 bl.

In ſeekere Brief van Lubbertus, abt van Egmond, getrokken uit de regiſters van het Clooſter to Rhynsburg, wierd het oude Huys Huntſel genoemd. Boxhorn. Stedeb. 165. bl. Goudhoeve, by Van Leeuwen, Batav. 1289 bl. Junius, Batav. 525 pag.

Voorts hebt gy het in veelerhande Geſichten, in print, door C. Elands, P. Schenk en andere, afgebeeld.

2.13.42 HONINGEN

HONINGEN; anders Kralingen, aan 3 verſcheidene hoeken van Rochman uitgeteekend, was wel eer een ſchoon Huys, ſeer ſterk van torens en muiren, in een moerige grond; buiten Rotterdam gelegen. Junius, Batav. 490 en 517 bl. De Handveſt Chron. 1 D. 135 bl.

Is, heden niet anders als een vervallen ruiin, met ſwaare toorens. Goudhoeve, 83 bl. Ontrent A. 1573, ſelf door de Roterdammers ten deelen afgebrooken, op dat de Spanjaarden daar in niet ſouden neſtelen. Van Spaan, Rotterd. 427 bl.

2.13.43 HOOGWOUDE

HOOGWOUDE; een Huys, Weſtelyk of ter ſlinker ſyde by Medenblik, in Kennemerland.

A. 1256, ſneuvelde hier, in het ys, koning Willem, tegens de Frieſen vechtende, in het 27ſte jaar ſynes ouderdoms en het 21ſte ſyner regeering. Sie de letter W. op Willem; alwaar wy ſullen aanhaalen Wachtendorp, Rymchron. 6 B. Vronens Begin en Eind. 2 B, 123 bl. Slichtenhorſt, Goudhoeve, de Gouwenaar &c.

Van het ridderlyk geſlaght der Hooghwouden, ſchryft Van Leeuwen, Batav. 690 bl.

2.13.44 HOORN (ſtad)

HOORN; welke ſtad meergenoemde Huygens deeſe woorden in de mond is geevende:

Ben ik de moederſtad van ſoo veel moedig bloed Dat ſoo veel wond'ren deê, en ſoo veel wond'ren doet, Van mannen, die vermant voor mannen niet en weeken, Van ſeylers, die verſeyld voor ſeylers nooit en ſtreeken; Heb ik van allen eerſt 't groot haringnet gebreid, Van allen eerſt geſpreid, van allen eerſt verbreid: Ben ik de ſuyvelmouw van voor en achter Stav'ren, Ben ik, ſoo ver ik ſie, de vrouwe van de klavren, En vraagtmen hoe ik Hoorn vanouds herr heeten moet? En heet ik anders recht als hoorn van overvloed?

<blz 163 | 146>

Ondertuſſen heet Hoorn, by Heda, in bisk. David, 297 pag. in het Latyn, angulus; een horne, een hoek, in welke ook deeſe ſtad is gelegen, aan de Zuyder zee. Immers is dan het Hoorn, in het wapen deeſer ſtad, een misſlagh van onnooſele en lichtgelovige uitvinders. Boxhorn. over Veldenaars Chronykje, 191 bl.

Aangaande de ſtad Hoorn, hebt gy een mooy ſpreukje van eenen Juw Hoppers, eigenaar quanſuis van eenige landen, tuſſen, Hoorn en Staveren verdronken. Wegh, wegh met de grillen! het Hoorner Hop is niet anders te ſeggen als, de bogt of inham, by Hoorn.

Over het voorgevallene moet gy Velius doorleeſen, of de Chronyk van Hoorn, ſonder Naam, door Feyken Ryp, met platen, A. 1706, uitgegeven.

2.13.45 HOORN (drinken)

HOORN, uit welke te drinken al een overoude gewoonte by de Deenen en andere Noorder volkeren is geweeſt. Cæſar, Gall. Oorl. 6 B. 5 H. Plinius, Nat. Hiſt 11 lib. 37 cap. doch ook noch veel vroeger, by de alleroudſte Grieken Xenophon, Expedit. Cyri, 6 & 7 lib. Atheneus, Diſchreden, 11 lib. Artemidor. Droomb. 1 lib. 68 cap. behalven noch Pindarus, Æſcylus, Homerus, Sophocles, Hermippus en Nicander, by Demſterus, in Roſinum, 5 lib. 30 cap.

Maar, wat haal ik aan, was niet de Frieſſe Hoorn het gewoonlyke drinktuygh der oude gaſtmaalen? ſyn de hoornen, ſelf in myn vroegere tyd, glad en gepolyſt, met ſilver beſlagen, op de gaſtmaalen niet gebruikt? kond gyſe niet dagelyks, op de Doelens der Hollandsſe ſteden, in de Burger-tafereelen, met plaiſier, aanſchouwen?

Voorts waaren ſoodanige drinkhoornen, dat ſeldſaame van de graaf van Oldenborgh; waar af Theſſchemaker: en dat Deenſche; van welke Olaus de Groote gewaagt.

Ik ſpreek van de graaf van Oldenborg. Nu wouje graag weer een beuſelpraatjen hooren. Recht dan uw ooren overeind. Deeſe graaf, op de jagt, van ſyn hofſtoet afgedwaald, midden in een dikke boſſchagie, wenſt of roept om ververſinge en een teugje water. Schielyk verſchynt 'er een ſchoone jonge dochter, hem een drinkhoorn aanbiedende. Hy, verbaaſt en als voor de kop geſlagen, twyfelt wat te doen. Hy neemt een moed. Hy giet het hoorn uit over ſyn hoofd; waar op de ſchoone aanſtonds verdwynt. Hy behoud het hoorn en bemerkt, dat het uitgeſtorte vocht, op de achterſte deelen van het paard, het hair had weghgevreten. Die nu de waarheid van <blz 164 | 147> dit geval ſou durven in twyvel trekken, die ſtap eens over naar Oldenburg; alwaar hem het hoorn, van een ſeldſame ſtoffe en een wondere konſt, ſal worden getoond. Is dat geen bewys, Leeſer!

2.13.46 HORST (Rhynland)

HORST; of het ridderlyk ſlot of het Huys ter Hurſt; een Huys in Rhynland, by Duyvenvoorde, weleer door de Heeren van Waſſenaar geboud en bewoond. Van Leeuwen, Koſtuym. Rhynl. Inleidinge, 32 bl. Bokkenberg, in Waſſenar. Hero[i]b. 133 pag.

2.13.47 HORST (by Rheenen)

HORST; het Huys ter Horſt, was niet verre van Rheenen gelegen, binnen haare vryheid, ontrent de Veenendaalsſe Veenen.

Was prachtigh en van een grooten omtrek, door biskop, Govert van Rheenen, A.1178 geboud. Doch de Geldersſe vorſten hebben, tot ſpyt des Biskopsſe, een ander ſlot, hoewel van mindere grootte en ſterkte, daar tegen overgeſet, met de bynaam, Tart-Horſt. Slichtenhorſt, Gelders. Geſch. 1 B. 104 bl. en weder, 6 B. 79 bl. ook ſpreekende van Woerden, Montfort en Vollenhoe; alle, door genoemden biskop, tegens ſyne vyanden, de Hollanders, Gelderſſen en Frieſen, geſticht.

Is naderhand afgebroken, om daar mede de muiren van Rheenen te vernieuwen; te weeten, A. 1528. Goudhoeve, 406 bl. Henrikje van Erp, abdiſſe van het Vrouwe klooſter te Uitrecht, by Matheus, Analector. I Tom. 161 bl.

2.13.48 HORST (Nederhorſt)

HORST; anders het Huys te Nederhorſt; door Rochman op twee ſyden afgeteekend; doch ook door J. Van Vianen, voor C. Specht, A. 1697, in een print uitgegeven, ſtaat noch geheel, aan de Vecht, tuſſen de dorpen, den Bergh en Nichtevecht.

Is heden ſonder heer; ſynde noch onlangs overleden den Heer van Wellant, beſitter en verbeteraar van dit Huys, het geen hy van de Heer van Suydwyks erfgenamen had gekocht.

2.13.49 HOUDVESTER

HOUDVESTER; een ampt in Holland, noch voor A. 1376, door geen ſchriften bekend. Van Leeuwen, Batav. 2513 bl.

Hem is opgelegt de ſorg en het onderhoud der Wilderniſſen, Boſſchen en Duynen. Parivall, Vermaak van Holl. 222, bl. Van Leeuwen, op het aangetogen bl. alle de Houtveſters naa malkanderen opnoemende.

2.13.50 HOUVE

HOUVE; of Van der Hoeve, in Maasland gelegen; <blz 165 | 148> heden vervallen muiren; het ſtamhuys van Mathys van der Houve, de Handveſt chronyk-ſchryver. Van Leeuwen, Batav. 1290 bl.

Immers is de ſtichter van dit Huys metter hofſtede geweeſt Jan van der Houve; welke, voor den Heer van Arkel, nevens andere, met kloeke ſoudeniers, de ſtede Gaſparnen en het Huys te Hageſtein, heeft helpen verdedigen. De Handveſt-chron. 1 D. 186 bl.

2.13.51 HUINEN

HUINEN; doch verſtaa geen Hunnen, alſoo wy wat anders meenen, de Hunnen liever afwyſende naar Hungaryen.

Die van Drenthe, Overyſſel, en Gelderland geloven, dat de Huinen, ſeeker groot en grof volk, by haar en op de Veluwe, ontrent Nimmegen, eertyds haare woonplaatſen hebben gehad. Bewys. De teekenen van de benaaminge ſyn gebleven in het buirſchap Huinen, achter Nykerk; de Huine ſchanſſen by Doorewaart; de Huineſtein en Huinerberg. Slichtenhorſt, Gelders. G. 1 B. 103 en 111 bl. en weder, 5 B. 48 bl.

Pikkart, Drents. Oudh. 27 bl. meent deeſe lieden ſterke reuſen te ſyn geweeſt, en noemt, naar haar naam, die groote Steenhoopen (van welke, boven, 136 bl. en beneden, in de letter S.) Huinebedden, of Huinebergen. Sie hem, 32 bl.

2.13.52 HULDTONNEL

HULDTONEEL; de plaats der huldinge van de Hollandsſe graven als Heeren van Kennemerland. Is heden (gelyk ikfe fagh, den 26 Mey en weder den 11 Septemb. des jaars 1706) een platte heuvel, rondſom netjes afgeſtooken, ſynde noch Graaflyk. Ik ſeg, een heuvel, by Beverwyk, ontrent Nootdorp, ter ſyden de herberg van Spanjersberg. Saanl. Arkad. 57 en 204 bl. Junius, Batav. 50 en 323 pag. Ampzing, Haarl. 82 bl. Boxhorn. Stedeb. 15 bl. Oudenhove, Suyd Holl. 4 bl. behalven Van Royen en noch andere.

Maar ondertuſſen dolen hier eenige (by voorbeeld, Parivall. Vermaak van Holl. 10 bl.) noemende deeſen heuvel S. Albertsberg. Sekerlyk is Albertsberg Bloemendaal; gelyk wy u hebben aangeweeſen, 10 bl.

2.13.53 HUNESUS

HUNESUS; of ſoo het de Heer Alting (Notit. 1 Part. 130 pag.) by Tacitus, 2 Annal. 70 cap. volgens het Vaticaanſſe Codex, in de plaatſe van Viſurgis of Vidrus, beliefd te leeſen, Untzingis; een water, ſyn aanvang nemende in het landſchap Drenthe, en wel byſonderlyk in de Veenen, niet verre van den Valterdyk.

<blz 166 | 149>

Allenskens afſakkende, paſſeerd ſy het Suyd-Laarer meer, en komt ſoo binnen de ſtad Groningen. Van daar neemtſe een kromme loop naar Winſun (aldaar de Noorder landſtreek gevende de naam van Hunſingo) en ontlaſt ſich eindlyk, beneden de Soltkamp (my heugd noch het geſicht, ſedert den 7 Julii, des jaars 1685) tegen over het eiland Schiermonkoogh, in den Oceaan. Ubbo Emmius, de Agro Friſiæ, 1 cap. 5 pag.

In de Landkaart van meergeroemde Viſſcher, word ſy, boven de ſtad, het Schutendiep, en, beneden de ſelve, het Reydiep of liever het Riet-diep, genoemd.

Sie beneden, in de letter R, op Rieviertjes, ook deeſen Huneſus nevens de Fivel-aa (van welke het Ooſterdeel des lands heet Fivelen-goo) heden het Damſter-diep.

2.14 I

I.

2.14.1 JAARSVELD

JAARSVELD; in Suyd Holland, aan de Lek tegen over Ameide, by het dorp van de ſelve naam; van Rochman als een ſwaar gebouw vertoond. Heeft hier anders niet veel te ſeggen, terwyl ik alle onſe Schryvers my ſie de nek toe keeren.

2.14.2 JACHT

JAGHT; te weeten, volgens het konſtwoord, met hond en pluym. Lagh om geen konſtwoord ontrent de jagt. Het is hier adelyk, alles oneigentlyk en met nieuwsgevondene woorden te benoemen. Immers heeft Tengnagel dit, wel ſeer naaukeurigh waargenoomen in ſyn Spaanſſe Heidin, doende daar de jager deeſe ſchilderachtige vertellinge aan Don Jan, ſyn meeſter;

Soo wyd myn Heer kan ſien, gints daar de bergen hangen, Stond d'haas in 't wagenſpoor. Wy brachten metter vlucht De brakken op de voet. Sy kregen daadlyk lucht, En yverden haar beſt, tot datſe aan 't leger quamen Daar hy ſich veiligh docht. Soo draaſe hem vernamen Vernam de haas haar mêe en raakte ſchielyk roer En koos het vlakke veld. Ai, hoor eens, hoe men voer! Hy ſtreek, drong door ons heen, de winden onder de oogen, Die daadlyk uit den ſtrik, niet anders ofſe vloogen, De vluchter ſtaaken naa. Sy hadden al te ſaam Eerlang hem ingehaald. Hy moeſt'er raam op raam Afwerpen, tegens dank; hy kampte niet om 't leven Maar om 't verlangen ſlechts. Nu ſcheen hy 't ganſch te geven,

<blz 167 | 150>

Vermits hy was benard. Dan nam hy weer een ſchoot. Dus worſtelden een wyl het leven en de dood. Wy ſtonden op 't gebergt en ſagen in de dallen Hoe dat de redder hem, die voorliep, in kon vallen Als een geſwinde ſchim, en hapte elk oogenblik, En won op 't leſt de wol. Dat gaf de voorſte een ſchrik Die hem meer ſnelheids bracht. Ons dacht, wy hadden't ende; Maar, neen! de looper lei ſyn lepels in de lende, En ſtreek hem uit geſicht. De hond ſtond als verbaaſt. Geen ſwaluw ſcheert ſoo voort, wanneer de ſperwer aaſt.

Maar laat ons eens ſelve tot de jagt overſtappen; doch weder de redenvoeringe verdeelende en beginnende met der ſelver oudheid, voortvaarende in haar verſcheidenheden, rechten en koſtuymen, en eindigende met den arbeid in de ſelve, met lyfsgevaar vermengd.

Oud is het jagen der wilde dieren, aangeſien, al in de eerſte tyden vermaarde jagers u ontmoeten, als; Nimroth, die groote jager; Eſau, ſyn oude vader met wildbraad pogende te vermaaken; Samſon, ſoo veel voſſen vangende, om de haatelyke Filiſtynen te benaadeelen. Voeg hier by de uitheemſſe koningen en vorſten; Mithridates, met de jagt der wilde dieren, ſeven jaaren verſlytende; Darius, ſelf op ſyn grafſtede doende ſetten: Ik ben een jager geweeſt; Alexander de Groote en eindlyk de Roomsſe keiſeren, Trajanus, Hadrianus en de derde Gordianus, met Geldmunten en Gedenkſteenen hunne jagtluſt betuygende. Sie Juſtinus, Plutarchus, Dio, Spartianus, Capitolinus en diergelyke ſchryveren. En ſoo gy tot laager eeuwen nederdaald, daar ontmoet u keiſer Henrik de I, wegens ſyn jagtluſt, Auceps, dat is, de Vogelaar geheeten, volgens Munſterus, Coſmograph. 3 lib. 296 & 722 pag.

Aangaande de verſcheidenheid, het voorwerp is (ik ſluit de viſſen buiten, terwyl men ſegt eigentlyk, uit viſſen gaan) of de vogelen; reigers, &c. of de wilde viervoetige; leeuwen, beeren, everſwynen, wolven, haaſen, &c. ſy geſchied of in het opene veld, in de boſſen, of boven op het gebergt; met valken en gieren, of met honden, &c. met het roer of met het ſwynſpriet, pylen, &c. met netten, het gaaren geſegt, of met ſtrikken, kuylen, &c. te voet of te paard. En weder aangaande de koſtuymen ontrent deſelve, de jagt was ieder een eerſt toegelaaten; te weeten toen het wild voor een landplaagh verſtrekte, gelyk de wolvejagt, &c. gelyk wel eer, ſonder <blz 168 | 151> onderſcheid, in Spanje; volgens Hubert. Leodius, in vita Frederici Palatini, 10 lib. Maar toen de noodſaaklykheid in een vermaak veranderde, bleef het jagen alleen (door wat voorrecht, weet niemand te ſeggen) by de Vorſten, en den adel; maar niet het geheele jaar, en geenſins in eenes anders gebied. Doch, in deeſe ſtoffe verder gaande, ſou ik wel beſwyken, als ſynde geen Rechtgeleerde en deſwegen onkundigh in de jagerwetten. Ga dan liever naar het Corpus Juſtiniani, behalven Merula van de Wilderniſſen, Sypæus, Notitia Juris Belgici, cap. de Venatione Ferarum, Grotius, in ſyn Inleid. &c. by welken laatſten ik dit opmerkelyk vinde, dat, by de Longobarden, die geene welke een wild, van iemand anders gequetſt, heeft omgebracht, een ſchouder met 7 ribben geniet, ſynde genoodſaakt het overige, doch binnen 24 uuren en niet langer, over te geven.

Koome nu tot den arbeid, ſeer geſond voor het lichaam. Galenus, de Tuenda Valetudine, 2 lib. 8 cap. Plinius, de jongere, 5 lib. 18 epiſt. behalven Xenophon en Dio Caſſius. Het ſelve bequaam maakende tot moeylyke oorlogstochten en allerhande krygsoefeningen. Genoemde Xenophon, in Cyro. Cicero, de Natur. Deor. 2 lib. Maar ſynde met veel gevaar vermengd, en, wegens die reeden, veele doodlyk of ten minſten, ontrent de ledemaaten hinderlyk. Martialis, 12 lib. 14 epigr ad amicum Priſcum. Hier ſou ik een groote Naamlyſt van keiſeren, koningen en vorſten konnen maaken en u noemen Fulko, de kon. van Jeruſalem; Baſilius, de Byzantynſſe keiſer; Lodewyk de V, de Duitsſe keiſer, Willem de II en Willem de III, koningen van Engeland; Garſias, kon. van Spanjen, &c. maar, om van ons Nederland, het renperk mynes ſchryvens, niet af te wyken, vernoeg u met Maria, de eenige dochter van hert. Karel de Stoute, de lieve bedgenoot van Maximiliaan, ontrent Brugge, in het 25ſte jaar hares ouderdoms, van het paard afſtortende en haar ribben breekende, A. 1482: gelyk wy het beneden omftandiger, uit Heuterus, Scriverius, Goadhoeve, &c. ſullen verhaalen op Maria, in de letter M.

Heb ondertuſſen al willens verby gegaan de Dierejagt te Rome, in de Amphitheatra, of der keiſeren ronde ſchouburgen; by alle Roomsſe ſoo Dichteren als Hiſtoriſchryveren bekent, en door de Chriſtene keiſeren, Conſtantinus, Honorius, Leo en Anthemius afgekeurd. En dit ſoo ten deele uit Wolfgang. Loriſeca, in Laud. & Vituper. <blz 169 | 152> Venationis, en Nic. de Vicq, Diſputat. Juridic. Inaugural. de Jure Venationis; A. 1695, Franequeræ.

2.14.3 JAKOBA

JAKOBA, of, in de wandeling geheeten het ongelukkige Jacopje; van welke dus onſen Puntdichter, Oudaan:

Jakobaas uchtenſtond, van glory overſcheenen, Eer ſy haar middagh had, ſagh alle roem verdweenen; Hoe worſteld uwe jeugd, manmoedige vorſtin, In onſpoed van gemeente en maagſchap, echt en min! Noch kan uw rappe geeſt uw leet in ſpel verdryven, En de eedle moedigheid op zegebogen ſchryven: Tydtuygen, eeuw aan eeuw, ſchoon ſlecht van form en ſtof, Soo lang men kruikjes vind te Teilingen, op 't hof.

Sy was de eenige dochter van graaf Willem de VI, en verder ongelukkig in haar huwelyken, ongelukkig in ſaaken van ſtaat en oorloogh. Amſteld. Beſchryv. 6 B. 6 H. 141 bl.

I. Was ſy, 14 jaaren oud, gegeven aan den Dolfyn van Vrankryk, Jan, hert. van Tours, ſoon van kon. Karel de VIſte; doch het Fortuin benyde haar hoofd de koninglyke kroon, dit jonge prinsje, in ſyn 20ſte jaar, met een vergiftigde pantzer uit het leven rukkende. Heemskerk, Arkad. 566 bl. Scotanus, Frieſſe G. 264 bl.

II. Hertroude ſy, in haar 17de jaar, aan Jan, hert. van Braband, een jongeling van 16 jaaren; maar een kouden en ſwakken broeder, en onbequaam om een heete en welgemaakte vrouw genoegen te geven. Scriverius. by Goudhoeve, 1 D. 437 bl. Matth. Voſſius, Annal. 16 lib. en Iſaac Voſſius, Annal. 20 lib.

III. Troude ſy, voor de derde reiſe, in Engeland, Humfrei, hert. van Gloceſter, de ſoon van Henrik de IV56, de broeder van Henrik de V. en oom van Henrik de VI. Doch, gelief voor af te weeten, dat ſy midlerwylen met haar oom in een oorlogh geraakte, en datſe daar op van haar man afliep, (ſiet haar ook deſwegen aangetogen in de Nieuws-Verreſene Hippolytus, 4 H. 39 bl.) onder voorwendſel van te naa te ſyn vermaagſchapt, en echter geen wettige echtſcheidinge afwachtende. Barlandus, Comit. Holl. in Jacoba.

Maar, let hier weder op de kaats van het Fortuin. Op het aandringen des hert. van Bedfort, pogende de gereeſene tweeſalt tuſſen den hert. van Gloceſter en den hert. van Burgondie te bemiddelen, word het huwelyk van Jakoba en hert.<blz 170 | 153> Jan, voor wettigh en onverbreekelyk verklaard. De vrede tuſſen beide hertogen word getroffen. Gloceſter geeft Jakoba de ſak en troud (helaas, wat ſpyt! ô ſielverdriet) haar ſtaatjuffer, Leonora Codham, met welke hy midlerwylen ook al in 't heimlyk had geſpeeld. Gemelde Goudhoeve, 451 bl.

IV. Troude ſy eindlyk, tegens haar woord, aan den hert. van Burgondie gegeven, met Frank van Borſelen; gelyk ik boven heb verhaald, 40 bl.

Dit ontrent de wiſſelvalligheden ontrent haar 4 onvruchtbaare huwelyken; wat 'er nu wegens ſtaat en oorlogh overſchiet, meen ik met een woord alleenlyk aan te roeren.

Lees dan breder, by de genoemde Schryveren,

Hoe ſy, naa veel ſukkelen, geraakte in handen van meergemelde hert. van Burgundie, die haar, te Gent op het ſlot gevangen ſtelde. Scriverius, by Goudhoeve, 449 bl.

Hoe ſy aldaar uit een venſter ſprong, in manneklederen naar Holland keerde, aldaar met vreugde van de Hoeksſe ontfangen. Boven aangetogene Heemskerk, Arkad. 566 bl.

Hoe ſy ſelf, als een moedige amazone, tegens Burgondie, te velde quam, en ontrent Alphen, in een bloedigh gevecht, de krygslaurieren naar ſich rukte. De Gouwevaar, 128 bl. Vander Wouw, Alkm. 46 bl. Chron. van Hoorn, 38 bl.

Hoe Burgundie evenwel eindlyk, A. 1428, haar de wetten ſtelde, en op naadelige voorwaarden ſich met haar verdroeg. Scriverius, by Goudhoeve, 454 bl.

Hoe Burgondie, verneemende het verborgen huwlyk (want ſy had geſwooren niet als met ſyn kennis en believen te trouwen) van Jakoba en Van Borſelen, ſyn vertrouden dienaar, hem liet vangen, om ter dood gebracht te worden. Wachtendorp, Rymchron. 9 B. nevens de voorige.

Hoe dat Jakoba het leven van haar lieve Frank moeſt koopen voor den afſtand van alle haar waardigheden, den 15 April, A. 1423, van gravinne ſynde geworden houtveſterinne van Holland; met hem haar leven verſlytende, op het Huys te Teilingen; aldaar den tyd verdryvende met ſomwylen naar de papegaai te ſchieten, of een kruikje te leêgen, en die, ſpeelgewys, over haar hoofd in de vyvers te werpen. Van Leeuwen, Batav. 1514 bl.

En eindlyk hoe ſy, moe van hertſeer, A. 1436, in Octob. op het geſeide Huys te Teilingen, is overleden. Saanl. Arkad. 397 bl. Vrylyk moogende ſeggen, met Badeloch, in Vondels Gysbrecht, meermaalen aangehaald.

<blz 171 | 154>

Hoe veel gelukkiger ſyn arme en ſlechte dorpen, En hutten, laagh geboud, min ſtormen onderworpen Dan eenigh Heeren-huys, dat door 't geboomte ſteekt, daar het bulderen des winds ſyn kracht op breekt.   Weet hier van eenigh menſch, ik weet'er af te ſpreeken! Als ik den gantſchen tyd myns levens overreeken, Van myne bruiloft af, van dat ik ſat verloofd, Wat ſtormen waaiden my niet zedert over 't hoofd! Wat tooren is ſoo hoogh, van waar myn oogh de baaren, De zee kan overſien van al myn wedervaaren!

Ondertuſſen ſie van het Huys te Teilingen in de letter, T. Van het papegaaiſchieten, Iſaac. Voſſius, Annal. Holland. 20 pag. by Heemskerk, over ſyn Arkad. 573 bl. en van de ſteenen kruikjes, gemeenlyk Jakobaas kannetjes geſegt, uit de vyvers, ſoo van dit Huys als het Huys Sand, het Huys te Roſenburg, het Huys te Velſen, &c. in onſe dagen ſomwylen opgeviſt. Pars, Katw. 137 bl. nevens een afbeeldinge.

Maar, ….. Neen, ik heb deernis en beſchuldige geen verdrukte rampſaligheid. Die 't geval wil weeten van J. Lammertsſe Kruif, en de wraak des bittren vaders, ga het vinden in de Nieuwe Chron. van Hoorn, 292 bl. behalven Goudhoeve &c.

2.14.4 ICCIUS PORTUS

ICCIUS PORTUS; een welgelegene haven, in Vlaandere, voor de Romeinen, om naar Engeland over te ſteeken. Siet het in een Kaartje by Kluverius, Introduct. Geographic. 2 lib. 12 cap. 8 Tab.

Maar, welk een heet gewoel, wat een ſpottende bitterheid weder onder de meerendeels hairklovende Latiniſten, als ſy malkanderen ſullen onderrechten, ontrent welke plaats men heden ſou mogen ſeggen die haven te ſyn geweeſt! Is het Geſſoriacum anders Bologne? of is het Calès? of is het liever Vitſan of Witſan? Blaauw, Britannie, 181 bl. Van Royen, over Verſteege, 37 bl.

2.14.5 JAN de I

JAN, de I; de ſoon van gr. Floris de V, ſonder kinderen ſtervende, A. 1299, volgens de meeſte Schryvers; Scriverius, by Goudhoeve, 384 bl. Scotanus, Frieſſe G. 253 bl.

Hy quam, naa 's vaders omkoomen, (toen Holland was gedeelt, veroverende Willem van Mechelen, de 41ſte biskop, het Huys te Muyden, en verwoeſtende de Huyſen van Wideneſſe en Eenigenburg; van welken, boven, 75 bl.) uit <blz 172 | 155> Engeland, noch maar een jongen, hoewel getroud of ten minſten verloofd. Barlandus, Comit. Holl. in Joh. Meyerus, ad annum 1296.

A. 129757, verſloegh hy de Frieſen, by Alkmaar, op de Wyde geeſt, ontrent Vronen; een plaats met boſſen, moeraſſen en een Rhynſprankel omringd. Melis Stoke, in Jan. Vronens Op en Onderg. 2 B. 69 bl.

A. 1298, won hy 't ſlot van Yſſelſtein, heer Gysbrecht van Yſſelſtein, den biskop toegedaan, neemende gevangen. Gouwenaar, 266 bl. Beneden, in Yſſelſtein.

Naderhand heeft hy moeite gehad met Heer Jan van Reneſſe; en daar na met die van Dordrecht; doch daar naa heeft de roô loop, te Haarlem, hem weghgerukt, den 29 Octob. of den 9 Nov. 1299, of volgens andere, 1300; geen kinderen naalaatende. Beka, in Willem van Mech. 102. pag. &c. Maar, ſiet Alkemade over Stoke, 176 bl. alwaar hy noemd de Schryvers, gelovende hem te ſyn vergeven. En met hem eindigde het oude ſtamhuys der Hollandsſe Graven, volgens Hoogſtraten, boven, 112 bl. aangehaald.

Ondertuſſen hoor van het vergif Oudaan ook gewagen:

Wat baat het my ten echt eens konings kind te ontfangen, Een koninglyke bruid te kuſſen mond en wangen, Wyl, ſonder erfgenaam, myn ſtruyk, helaas verdord, En de oude Graveſtam, met my, ten grave ſtort? O Wolfaart van der Veer, diens heersſucht Jan den eerſten In ſyne heerſchappy niet min als overheerſte, Word ook uw trouw verdacht, in't ſchenken van vergift? Of knaagt, als groenend ooft, de Dood my 't middelrift?

2.14.6 JAN de II

JAN de II; uit het Henegouwer Stamhuys, was Alyt, des ſuſters ſoon van kon. Willem; ſynde ſyn vader gr. Jan van Avennes. Amſteldams. Beſchryv. 2 B. 13 H. 134 bl.

A. 1301, Jan van Reneſſe van geheel Zeeland ſich meeſter maakende, heeft hy deeſen daar uit gedreven, welke weghvluchtende den keiſer, Albrecht van Ooſtenryk, tegens de graaf heeft opgehitſt. Scriverius, by Goudhoeve, 354 bl.

A. 1305, is hy aan een ſiekte geſtorven, naa dat hy, met vreugd, de Vlaamſſe verwinningen van Willem, ſyn tweede ſoon, had aangeſchoud. Melis Stoke, Rymchron. 258 bl.

Deeſen Jan den II, geſegt Van Avennes, van Henegouwen, doet Oudaan deeſe woorden ſpreeken:

<blz 173 | 156>

Den Graaffelyken ſchild, die eene Leeuw bekleede, Vertoon ik aan den erm, in vieren doorgeſneeden, Nu 't eerſte wapen ſonk met de eerſte Jan 't graf, Die my, ſyn naamgenoot, ſyn titels overgaf. Laat vry, met 's keiſers magt, Jan van Reneſſe wryten, 'T ſyn Leeuwen, die ik voer; ſy leeren van haar byten. En ſtappen, met een ſprong, uit Henegou alhier, Daar Gwy, met eigen bloed, bluſt ſyn geſchoten vier.

Maar (het ſcheelde niet veel of dit was over het hoofd geſien) door deeſe Jan, A. 1303, is ook de gewaande ſtad Verone veroverd, verbrand en met het ploegyſer tot een vlakte gemaakt. Beneden, in Vronen.

2.14.7 JAN de III

JAN de III; uit het Huys van Beyeren, de ſoon van gr. Albrecht, en de broeder van Willem de VI; volgens ſommige (als Voſſius, &c.) de moorder van gemelden Jan den I.

Hy word de Elect van Luik, en den Ruwaard toegenaamd, by Oudaan, in het opſchrift van volgend Puntdicht:

De meeſten onruſt meeſt ryſt uit verloope paapen! Gekooren biskop Jan was 't waardig weer en wapen Te roepen en ſoo fors te ſmetten Luik met bloed, Om ſulk een miter haaſt te ſtooten met de voet, En, in haar erf, de Nicht hooghmoedigh op te kommen; Als gy u Beyervorſt en Hollands ſoon doet nommen; Daar alle ruſt verſtuyft en 't all van onruſt klinkt, Wen, als ruſtwaarder, gy u ſelven innedringt!

A. 1414, oorlogde hy, met ſyne Hollanders tegens die van Uitrecht. Goudhoeve, 440 bl. Gouwenaar, 125 bl. &c.

A. 1420, belegerde hy Leiden en dwong haar tot een gewillige onderdanigheid. Goudhoeve, op het ſelve bl.

A. 1424, heeft een ſwaare krankheid hem ontſield, 6 jaaren, deeſe landen, als voogd, hebbende geregeerd. Goudhoeve, 448 bl. &c.

2.14.8 YLST

YLST; een ſtedeken in Frieſland, tuſſen Sneek en het Fluyſen-meer; ſynde haar naam oorſprongkelyk van Ilium, anders Troye; gelyk Aſcendorp is geheeten naar Eneas kind, Aſcanius. Siet! ſulke mallepraatjes en voddige dwalingen verkopen ons de Frieſſe Oudheid-ſchryvers, behalven Lazius, Guicciardin &c. Maar, gaa gy liever eens over tot Scriverius, <blz 174 | 157> in de Voorrede van ſyn Oud Batavie en Gabbema, Leeuward. 14 bl. Anders had ik van dit plaatsje niet by te brengen.

2.14.9 IRMENSEUL

IRMENSEUL, van welken afgod gewagh is gemaakt, 106 bl. Van deeſen ſchryven Scedius, de Germ. Diis, 3 Part. 476 pag. Slichtenhorſt, Geldersſe G. 4 B. 34 bl. Teſſchemaker, in Annal. Cliv. Buchelius, in Bekam, 13 pag. en wel byſonderlyk Henr. Meibomius, aanhaalende Dithmarus, Crantzius, Urſpergenſis, Schafnaburgenſis, Herm. Contractus, Fabricius (in Origin. Saxonicis) de Francorum Annales en meer andere, vroegere en laatere Schryveren; nevens een maakſellooſe en ſeldſaame Afbeeldinge.

Maar, nu willen eenige dit Harmansſuil het beeld te ſyn geweeſt van der Duitsſchen voorſtander, Harminius. Scedius, op de gemelde plaats. Saubertus, de Sacrificiis 53 pag. Junius, Batav. 386 bl. Ernſtius, Obſervation., 2 lib. 17 cap. Neocor. in Mart. & April. A. 1698, 165 pag. ſpreekende de laatſte niet als onbeſchaamde onwaarheden (volgens myn gevoelen van, de opgedolven brokkelingen van deeſen Irmenſul.

Eenige weder, het ſelve noemende Ermenſuil, geloven dat het een afbeeldinge van Ermes of Mercurius is geweeſt; A. 729 of liever, A. 734, door Karel Martell, afgekeurd en om verr geworpen. Van Royen, Neerl. Oudheden, 141 bl. behalven de meeſte der bovengenoemde.

2.14.10 YSSEL (Holland)

YSSEL, in Holland; is niet anders als een afgravinge uit de Nieuwe Vaart, welke is gaande van Uitrecht naar de Lek, tegen over Vianen. Junius, Batav. 108 en 460 bl.

Deeſe dan, by den Nieuwen Dam geſtopt, loopt, door Yſſelſtein naar Montfoort, Oudewater, Gouda en ſoo in de Maas, tegen over Yſſelmonde. Oudenhove, Dordr. Beſchryv. 69 bl. Van Leeuwen, Batav. 53 bl.

Voorts is de tyd, op welke deeſe uitgravinge geſchiede, niet te weeten.

2.14.11 YSSEL (Weſtfalen tot Zuyder Zee)

YSSEL, in Weſtfalen; begint ontrent Raaſveld, aan de Cleefsſe grenſſen, loopt verby Ringelberg, Werdenbroek, Yſſelborg, Anholt, Deutekom en Duisberg; alwaar hy de Gracht van Druſus ontfangt.

Dus, meer water gekregen hebbende, trekt by verby Bronkhorſt en Zutphen, alwaar hy, de Berkel inneemende, naar Deventer en Hattem afſakt, ſich ſoo ſtortende by Kampen, in de Zuyder Zee. Kluverius, Rhynmond. 2 D. 217 bl. Guicciardin. Belg. 1 D. 27 pag.

We ſeggen boven, de Gracht van Druſus, anders de Foſſa <blz 175 | 158> Druſiana. Dit is de Rhyn, door den Roomsſen veldheer Druſus, in den Yſſel geleid, ontrent Arhnem beginnende en by Doesburg eindigende. Voorwaar een gravinge van groote nuttigheid; konnende die krygsoverſte, door deeſe, ſyn volk, ontrent de Frieſſe kuſt, in de Noordzee brengen, ſonder Holland aan te doen. Kluverius, Rhynmond 2 D. 268 bl. Van Leeuwen, Leid. 586 bl. Pars, Katw. 26 bl. ſynde 3 tegens 3; Junius, Bertius en Hopperus, welke de Leck Foſſa Druſi hebben durven noemen. Siet mede de Saanl. Arkad. 168 bl. en Slichtenhorſt, Gelders. G. B. 3 en 11 bl. deeſe gracht den Nieuwen Yſſel noemende.

Van den braven veldheer Druſus is geſprooken, 67 bl. en vind ondertuſſen iemand ſmaak in onſe zielbetoverende Dichtkonſt, hy kittele ſyn weetluſt met den Yſſelſtroom van J. Norèll.

2.14.12 YSSELMONDE

YSSELMONDE; een ſeer aanmerkelyk Huys in Suyd-Holland, tuſſen Rotterdam en Dordrecht, door het belegh van gr. Didrik en Robert de Fries, ſyn ſtiefvaêr, in het jaar 1076, bekend. Oudenhove, Suyd Holl. 260 bl.

Hier is ook gevochten; en die van het Sticht kregen de nederlage. Ja, de biskop Koenraad moeſt ſich eindlyk met het ſlot gewilligh overgeven. Beka, in Koenr. 43 pag. Heda, in eod. epiſt. 137 pag. Scriverius, by Goudhoeve, in Diderik de V.

Heden kan de minſte puinhoop ons niet doen merken, waar haar rechte plaats, aan den Yſſel, is geweeſt. Scotanus, Frieſſe G. 86 bl. Slichtenhorſt, Gelders. G. 6 B. 72 bl. Boxhorn, Stedeb. 94 bl. Meurs, XVII Provinc. 445 bl. Van Spaan, Rotterd. 176 bl. Goudhoeve, 78 bl. ook ſpreekende van een andere Yſſelmonde, A. 1433 geboud; mooglyk de ſelve, die men ſiet onder de Geſichten van R. Rochman.

2.14.13 YSSELSTEIN

YSSELSTEIN; een Hollands ſtedeken op de grenſſen van Gelderland en het Sticht, aan gemelden Yſſel; van wiens ſlot al gewagh is, ontrent A. 1250; als wanneer, over het beſit der ſtad, al lang een groote twiſt tuſſen die van Holland en Uitrecht is geweeſt. Het Geſicht, die van Rochman ontleend, word hier uw keurigh oogh ten doele geſteld.

A. 1298, is het overgegeven aan gr. Jan de Jonge, na dat vrouw Baarte, 't wyf van heer Gysbrecht van Yſſelſtein, het een vol jaar lang had behouden. Scotanus, Frieſſe G. 152 bl. Gouwenaar, 266 bl. ja onſe Jooſtoom, doende, in ſyne Gysbrecht, de trouwe Badelogh, in deeſe woorden uitberſten:

<blz 176 | 159>

               Neem eens een proef daar van, Heldinnen ſtonden eer als onbeweegbre poſten. De Faam van vrouwen roemt, die ſtad en volk verloſten. Uw moeder Baarte toont, hoe veel een vrouw vermagh, Wanneer ſy Yſſelſtein verdadigd, jaar en dagh.

Sie mede Beka, in Wilh. van Mechl. 102 pag.

A. 1374, is het geplonderd, door Heer Willem Rees, voor den biskop, Arend van Hoorn. Scotanus, Frieſſe G. 197 bl.

A. 1405, is het gekomen, onder den graaf van Holland. Weder Scotanus, 263 bl.

A. 1417, is het belegerd en ook op voorwaarde overgegeven, aan gr. Willem, om Jan van Egmonds wille, herwaards ſynde gevlucht. Beka, in Rud. Dieph. 155 pag. Heda, in Frid. van Blankenb. 265 pag. Origines Culenburg. by Matheus, Analector. VI Tom. 277 pag. na wiens dood het door die van Uitrech. is neêrgeworpen; ſteekende ondertuſſen de brand in de ſtad. Boxhorn. Stedeb. 309 bl.

A. 1466, is de ſtad door de Geldersſe verbrand; en ſy heeft ſoo in haar puin gelegen tot aan Frederik van Yſſelſtein, die van Karel de Stoute verlof kreegh om de ſtad te herſtellen en weder te bemuiren. Heda, in Gisb. & David. 294 pag. Sie verders Goudhoeve, 91 en 384 bl. behalven Guicciardin, en Meurs, de woorden van Boxhornius eenvoudelyk naaſchryvende.

2.14.14 JUTFAAS

JUTFAAS; anders geheeten Rhynhuyſen; ook onder de Afbeeldingen van Rochman. Doch van dit Huys te ſchryven, is van ons, tot den letter R, verſchoven.

2.15 K

K.

2.15.1 KAAS en BROODS-Spel

KAAS en BROODS-Spel; was een beroerte, onder de arme Kennemers, in Noord Holland, in den jaare, 1491.

Sy ontſtond uit het al te ſchielyk ſteigeren en daalen van het geld, in de langduirige en koſtelyke oorlogen van den keiſer Maximiliaan. Brengende die haaſtige ſettinge den lande, welke beſtond door den koophandel, meer ſchade toe als alle die voorgaande krygstogten. Heemskerk, over ſyn Arkad. 268 bl. aanhaalende Ampſing, Orlers, Velius, Goudhoeve en Van Meteren. behalven Beverwyk en Balen, in Dordr. Beſchryv.

<blz 177 | 160>

Hier by quam ook een diere tyd, uit een regenachtigh ſaiſoen van het voorgaande jaar geſprooten; nevens een armoede, uit zeeſchaden veroorſaakt; onder het afperſſen van ſwaare laſtgelden, door Heer Jan van Egmond, ſtadhouder van Holland. Van Meteren, 8 bl.

Voorts ontfingen deeſe oproerige de toenaam van Kaas en Broods volk, om dat ſy, in hunne wimpels en vaanen, een Kaas nevens een Brood afſchilderden; als willende ſy alleenlyk deſwegen vechten. Saanl. Arkad. 4 B. 407 bl.

Sy verſamelden dan tot Alkmaar, om voor het vrye gebruik van Kaas en Brood te ſtryden. Bedreven ook binnen Hoorn, veel moetwil, onder wegen alle oude ſloten om verre ſmytende. Vielen, A. 1492, op Haarlem, alwaar, naa eenige plonderinge, hunne woede allenskens is geſtilt. Ampſing. Haarlem, 32 pag. Goudhoeve, 549 bl.

Niettemin ſyn eenige naar Leiden gegaan: doch alſoo ſy van geen krygsoefeningen kennis hadden, hebben hen de Leyenaars, ſonder veel arbeid te rugh gejaagd. Orlers, Leid. 2 D. 428 pag. Van Leeuwen, Leid. 177 bl.

Doch dit onordentlyk woelen duirde ſlechts tot aan de komſt van Albert, hert. van Saxen, (uit de naam van keiſ. Maximiliaan, hier hebbende het opperkrygsbewind) die dit landbedervend Kaas en Broodſpel geheelyk dempte. Meteren, op het gemelde 8 bl. Orlers, 428 bl. wreedelyk heerſende en met ondragelyke laſten de ingeſetene uitputtende. Ampzing, Haarl. 34 bl.

Voorts ſyn de ſloten, onderwegen door deeſe muytemaakers vernield, de ſterktens Nieuburg, Middelburg, Heemskerk, &c. ontrent Alkmaar; en ontrent Leiden en Rotterdam; de Huyſen, Kralingen, Hilligaartsbergen, Spangen, &c. Saanl. Arkad. 407 en 409 bl.

Ondertuſſen, volgens een Overleveringe, vind men noch heden het Kaas en Broods land, achter Beverwyk gelegen, ontrent Breſaap; want hier ſiet gy noch de legerbedden der Kaas en Broods lieden, als ſleuven, naaſt en over malkanderen; alwaar ſy, voet aan voet, ſich ruſt begaven.

2.15.2 KADOELE

KADOELE; een geringe buirt, tuſſen de ooſt Saaner Overtoom en Buykſloot, in Waterland, op den dyk, aan het Ye. De Soetſtemmende Swaan van Soeteboom, 4 H. 18 bl.

2.15.3 KADWOUW

KADWOUW, of Katswoude; ook in Waterland, tuſſen de ſteden, Edam en Monikedam, tegen over het eilandeken Marken. Soeteboom (in gemelde Swaan, 27 bl.) is in <blz 178 | 161> twyfel, of haar naam een geheugteeken der oude Katten ſou behelſen; en ik meen ook dit dorp de Katten ſoo weinigh te raaken als Kattenburg, den Ooſtlyken uithoek van Amſteldam.

2.15.4 KALSLAGE

KALSLAGE, anders Oud-Kalſlage of ook het Hof (waar ontrent ook een Roomsſe burg) te Alfen, onder Leiden. Van Leeuwen, Inleid. van Rhynl. coſtuym. 40 en 51 bl. ſiet ook ſyn Batav. 1260 bl.

2.15.5 KAMPOBASSO

KAMPOBASSO; een Italiaan van geboorte, voor ſekere ſomme gelds, van Ludewyk de XI, omgeſet om hertogh Karel de Stoute te verraden, in den ſtryd te verlaaten, of ſelven hem om te brengen, of levendigh in handen te leveren. Heuterus, Rer. Burgundicar. 5 lib. 13 cap. Komineus 4 lib. 1 cap. en elders meer.

Hy heeft het ſchelmſtuk ook volvoerd. Want Karel, ſullende op de Switſers invallen, had niet meer als 1200 bequame mannen ontrent ſich. Dus, op het aangaan van 't gevecht, droop Kampobaſſo wegh, met 400 ruiters, en liet den hertogh vechten. Deeſe vlucht en word, 46 jaaren oud, in het vluchten gedood. Mezeray, in Lud. de XI. 976 bl. Komineus, 5. lib. 8 cap. welke ſchryver, volgens Meyerus en Marchand (by de Schryver van de Sinryke Fabelen, 259 bl.) geſtoord wegens een oorvyg58 van den hertogh gekregen, ook de verrader van ſyn meeſter is geweeſt.

Sie verder beneden, in Karel de Stoute.

2.15.6 KANINEFATES

KANINEFATES; Plinius, Hiſt. Nat. 4 lib. 15 cap. Doch, waar ſal men nu deeſe landslieden plaatſen, gy grootmoedige Academien, die al dat ons Neêrland aangaat en het geene in haar moedertaal word geſchreven, met de nek aanſiet? ſtrekken ſy ſich van Katwyk en de middelſte tak des Rhyns tot aan Haarlem? Sie Junius, Batav. 46 & 49 pag. of hebben de Konynevatters in Zeeland gewoond? Eyndius, Zeel. Chron. 10 & 12 cap. of is Kennemerland de woonplaats der Kaninefaten? Sie Slichtenhorſt, Geld. Geſchied. 1 B. 8 bl. Saanl. Arkad. 56 bl.

Immers hebben ſy aan zee gewoond, gelyk ook heden noch de Kennemers langs den zeeſtrand woonen. Flud à Ghilde, over Kluver. Rhynmond. 1 D. 259 bl. uit Pontanus, nevens Ryckius, in Tacit. 4 Hiſt. 15 cap. 425 pag. tegens Kluverius, die ſe tuſſen Leiden en Wyk te Duurſtede ter nederſet. Van Leeuwen, Batav. 93 bl. mede den ſelven overtuygende, onder het bybrengen van de meeſte Schryvers, Ortelius, Douza, Pontanus, Bertius, &c.

<blz 179 | 162>

Heb boven de toenaam, Konynevatters, gebruikt; doch ben niettemin met den Hr. Alting, Notit. 1 Part. 27 pag. tegens Boxhorn. Stedeb. 15 bl. Junius, Batav. 47 pag. Antonides, Yſtroom, 1 B. 18 bl. ſyn meeninge, ontrent deeſe benaaminge, een ydele ſinſpeling ſonder grond, op deeſe wyſe uitdrukkende:

Een oud gerucht getuigt, al ſteunt het op chronyk Noch handveſt, dat dees kreits genaamt wert van de Katten, Die, onder Burgerhart, uit hun moeraſſen ſpatten, (Want toen verhief dees wyk het hoofd noch uit den vloed) Daar hy de Roomsſe magt vertrat met trotſen voet, En nypende, in den poel, die brand en waterſchatters, In hun geleden vloogh, met ſyn Konynevatters, Het hoofd gehellemd met karpoeſen, ros van bont, Met ongeſchoren hair en knevels, in den mond Afhangende; op het laatſt met ſtaatſie af te ſnyen En, op het woud altaar, den Duitſchen Mars te wyen, Soo draa een moedige Batauwer, met ſyn hand, In 't oogh van 't leger, thien Romeinen velde in 't ſand.

2.15.7 KANNEMAKER

KANNEMAKER; een aanſienlyk en vermoogend burger van Gorkom.

Deeſe, een onbeſuyſt kerel, had de gewoonte friſſe vryſters en jonge weduwen, in haar ſlaapkamer, heimelyk te trouwen, onder beding, dat ſy, binnen het jaar, van de trouwbeloften niets moeſten melden. Door deeſe ſchalkheid had Henrik Kannemaker meenigen dochter haar eer geſtoolen en bevrucht. Hier dan eindlyk over aangehouden, beleed hy, wel uit vryen wille maar niet in het openbaar, aan alle de omſtaande vrouwluy te ſyn verloofd. Hem wierd verder gevraagd, aan welken dochter hy allereerſt ſyn trouw had verquakkeld. Hy antwoorde, al lacchende, dat deeſe, noch in dien hoop, noch in de ſtad ſelve, was te vinden. Daar op ontliep hy het gerecht, en keerde naar Gorkom. Doch hier wierd de haas gevat. Otto van Arkel, grondheer van de ſtad, liet de poorten ſluyten en dien holbolligen vrouweſchender by de kop vatten. Henrik daar lucht af krygende, vlood naar de kerk. Otto, met geen geweld de kerk willende ontheiligen, belaſt een verwers kuyp over hem heen te ſtelpen, en ſoo naukeurigh te bewaaren. Dit duirde tot in den 5den dagh; als wanneer hy, door hongersnood gedreven, ſich liet <blz 180 | 163> vangen. En wat was het einde van dit geval? het ſwaard ging door ſyn nek.

Soo verre dit, (immers moet 'er onder all dit ernſt een kluchtje onder loopen) uit Slichtenhorſt Gelderſſe G. 7 B. 144 bl. op het jaar, 1364. Kemp. in Gorch. 96 bl.

2.15.8 KAPELLE

KAPELLE; een oud en ſterk ſlot in Schieland, aan den Yſſel, door den oorlogh liggende vervallen. Goudhoeve, 78 bl. Van Leeuwen, Batav. 1293 bl. doch die het ſet in Suyd Holland, Batav. 1214 bl. Junius, Batav. 523 pag. ſpreekt 'er ook af als van een ſeer oud ruiin; door Rochman, in 2 Geſichten afgebeeld.

2.15.9 KAREL van Gelder

KAREL, van Gelder; de ſoon van Adolf; van welken boven, 48 bl. in Buiren Gebooren, A. 1467 en A. 1538, overleden. Slichtenhorſt, Geld. Geſch. 9 B. 259 bl. en 11 B. 433 bl.

A. 1493, wierd hem, volgens uitſpraak van 4 keurvorſten, Gelderland afgenomen; als ſynde van Arnoud en Adolf ten onrechte beſeeten. Maar hy bleef hertnekkigh. Met de naam van Karel van Egmond niet te vreden, liet by ſich hertogh van Gelder noemen. Trekt te velde tegens den keiſer Maximiliaan, en deed hem deinſen. Deſelve Slichtenhorſt, 11 B. 306 H. Kemp, Gorch. 414 bl.

Voorts was hy een onruſt; doch doortrapt en argliſtigh, los en ongeſtadigh, een bittere vyand van Burgondie en een trouwe vriend van Vrankryk; wegens, ſyn krygsbedryven, met recht, de Geldersſe Achilles geheeten, by Kemp, Gorch. 427 bl. en altyd vreeſlyker door ſyn verlies geworden, en deswegen den koning Mithridates, in het oorlogen tegens de Romeinen, verre verby ſtrevende; volgens Slichtenhorſt, 11 B. 433 bl.

Endlyk, A. 1538, gelyk wy boven ſtelden, hy van hertſeer krankſinnigh, overleden ſynde, is ſyn lyk, binnen Arhnem, in de Groote Kerk, ter aarden beſteld; volgens het verhaalde, in den letter A, 21 bl.

Maar, hier diend noch iets aan u geſegt te worden. Gy laaſt daar ſoo even, Karel van Egmond, myn lieve Leeſer dit moet ik, met een woordjen ſlechts, ophelderen.

Gelieve dan aan te merken, dat de Graven en Hertogen van Gelder, ſprooten, I. Uit het Huys van Naſſauw; wegens gr. Otto, A. 972, overleden. II. uit het Huys van Egmond; wegens Arnoud van Egmond, grootvader van deeſen Karel. Ondertuſſen ſie de geheele Stamboom, uit Pontanus genoomen, by Slichtenhorſt, 11 B. 436 bl.

2.15.10 KAREL de IVde

<blz 181 | 164>

KAREL de IVde of de Simpele, anders de Slechte, de 30ſte koning van Vrankryk, de ſoon van Ludewyk de III, toegenaamd de Stamelaar, de 26ſte kon. van Vrankryk. Mezeray, Chron. van Vrankr. 1 D. 311 bl.

Ik ſet alleenlyk deeſen Fransſen koning in deeſe Neerlandsſe oudheden, om dat, niet kon. Karel de II, anders de Kaale (de 25ſte koning en de ſoon van kon. Ludewyk de Vroome) maar deeſe Karel de Slechte word geſegt die gewaande Giftbrief aan de Graven van Holland gegeven te hebben.

Van deeſe Giftbrief, anders Donatie, is al geſprooken, boven, in Diderik de Iſte, 55 bl.

2.15.11 KAREL de Iſte

KAREL de Iſte, bygenaamd de Stoute; van Oudaan met deeſe regelen aangeſprooken:

O Karel, ſtrydbre Vorſt! wat baat het, aangebeden Te ſtappen door het puyn der omgeſtorte ſteden, En kroon en ſcepteren te neigen, met een wenk? Wat baat het, datmen ſelf op kroon en ſcepter denk, Daar Ceſar ſchiet te kort in 't praal des hof-aardyen: Nu, met uw glory, laas! Burgonjes ſtam, aan 't glyen, Nancy doet juychen, als, op 't ſluypen van uw glas, Uw lyk-koets ſtrekt, al naakt, een toegevroſen plas.

Hier luſtme nu het geheele leven van deeſe Karel, langs een beknopt jaarregiſter, te doorloopen, met die hoop dat het den Leeſer behaaglyk ſal voorkoomen.

A. 1434 dan, is hy gebooren te Dijon, op S. Martens avond, den 10 Novemb. op de doopvont ridder geſlagen, Karel Martyn geheeten, en van ſyn vader, Philips de twede, gemaakt grave van Charlois, heer van Bethune, &c. Heuterus, Rer. Burgundic. 5 lib. 1 cap. Kemp, Gorinch. 253 bl.

A. 1459, wierd hy de 5de Heer van Arkel, onder Holland, ſynde hem dit van ſyn vader geſchonken. Gaat dus van Antwerpen naar Gorinchem. Is, door een onweer, in lyfsgevaar, op de Schelde. Word, ruim 25 jaaren oud, op de merkt van gemelde ſtad gehuldigd. Kemp, 299 bl.

A. 1461, verſterkt hy het kaſteel van Gorkum met 2 ſeer ſterke toorens. Kemp, 309 bl.

A. 1462, wierd hy, in de ſaal van het Huys te Heukelom, gehuldigd. Heuterus, 1 cap. Kemp, 311 bl.

A. 1463, word ſyn vader tegens hem opgemaakt, door quaadaardige oorblaſers. Deeſe wilde hem ſien noch hooren. <blz 182 | 165> Verbood den adel het verkeeren met ſyn ſoon. Beroofde hem bykans van alle ſyn goederen. Doch eindlyk wierd de twiſt neergelegt, door 't bemiddelen van Antoni van Burgondie, Karels baſtaard broeder. Karel word de toegang weder toegeſtaan. Karel werpt ſich plat ter aarden, voor ſyns vaders voeten. Karel word van ſyn vader opgeheven en omhelſt, niet ſonder traanen aan weerſyden; juyſt op Goê Vrydagh, A. 1465. Kemp, 315 en 320 bl.

A. 1467, verlieſt hy ſyn vader, Philips de Goede; overlydende, binnen Brugge, in het 73ſte jaar ſynes ouderdoms. Heuterus, 4 B. 19 cap. Kemp. 324 bl. Mezeray, in Ludov. de XI, 954 bl.

A. 1468, hy, nu geheeten niet Karel van Charlois, maar hert. Karel de Stoute, hertroud met Margreta van Jork; ſynde Eliſabeth van Bourbon, ſyn tweede vrouw, A. 1465 overleden. Heuterus 15 cap. Kemp, Gornich. van het 328ſte tot het 347ſte bl. de buiten gemeene ſtaatſie van de bruiloft ſchryvende. Ook in het ſelve jaar het weêrbaſttige Luik, in een fellen winter, ten gronde toe verdelgende. Heuterus, 4 cap. Kemp, Gornich. 349 bl.

A. 1470, ontbied hy tot ſich, in 's Gravenhage, Adolf de jonge heer van Gelder, hem verſoekende ſyn gevangene vader te willen ontſlaan. Vergeefs. Ontbied hem te Heſdin. Houd weder aan en eindlyk het gelukt. Na een gevangenis van 6 jaaren, word Arnoud gevoerd uit Buiren, en tot Heſdin gebracht. Karel en alle de prinſſen ontfingen hem met blydſchap. Alleen Adolf begeerde hem niet aan te ſchouwen. Let, in dit leven van Karel, op die ſeer verſchillende ontmoegen van 2 vaders en 2 ſoonen! Adolf, vergramd op Karel, en merkende ſich by ieder beſprooken, ſend ſyn ridderen naar haar land. Begeeft ſich heimelyk uit Heſdin (alwaar hy was als opgeſlooten) in het gewaad van een bedelaar. Doch hy word op de Maas achterhaald. Op het ſlot te Namen verſekerd. Van daar op het ſlot van Kortryk vervoerd; daar hy gevangen bleef, tot naa Karels omkoomen. In tegendeel wierd Arnoud mildelyk beſchonken, en met geleenden gelde gelegenheid gegeven, om de landen van Gelder weer te bemagtighen. Is dit geen grootsſe keurſtoff tot een teder treurſpel? Siet verder Goudhoeve, 485 bl., &c. Slichtenhorſt, 9 B. 263 bl. en Kemp. 349 bl., &c.

A. 1476, oorlogende tegens de Switſers, belegerde hy het ſterke ſlot Murten of Morat. Daar wierd geſlagen. Wel <blz 183 | 166> 26000 man bleef'er aan weêrſyden. Alles, tenten en bagagie en veel ſchatten bleven ten prooye, en Karel wierd genoodſaakt te vluchten. Een kneukelhuysje bewaarde noch lang de gedachtenis van deeſe nederlage. Heuterus, 12 cap. Komineus, 5 lib. 3 cap. Munſterus, Coſmograph. 3 lib. 421 pag. Burnet, 4de Reisbr. door Switſerl. 427 bl. Kemp, 376 bl. behalven Barlandus, de Anonymus, uitgegeven van Matheus, &c.

In het ſelve jaar, ſloegh hy, veel trotſer als te vooren, weder tegens deſelve; by Lucern. Maar de Switſers dreven hem weder uit het veld, en vernielden wel 16000 Borgoenſſe.

Maar, in het ſelve jaar (andere willen, A. 1477) even moedigh, belegerde hy Nancy in Lottringen, in het hardſte van de winter. De hertogh van Loreine, met de Switſers aangeſpannen, vallen hem op het lyf; van Kampobaſſo troulooslyk verlaaten. Drie dagen, naa 't gevecht, wierd Karel de Stoute, buiten het ſlaghveld, gevonden, op 3 plaatſen gewond, en ſynde ſyn opgeſwolgen aangeſicht aan het ys bevrooſen. Heuterus, 14 cap. Scriverius, by Goudhoeve, 504 bl. Kemp, 377 bl. Komineus, 5 lib. 8 cap. Meteren, 1 B. 3 bl.

Ondertuſſen ſie hier, in dit kort begryp van Karels leven, overgeſlagen en verbygegaan het verdichte Halsrecht over de vrouweſchender; van welke, boven. 32 bl.

Syn afbeeldinge ontmoet ons (behalven by Stoke, Scriverius, &c.) te paard op ſyne Segelen, by Olivar. Vredius, in Sigillis Comit. Flandriæ & Inſscript. Diplomatum, 94 & 99 pag. en wandeld ook onder de Gedenkpenningen, by de Liefhebbers; geteekend: CAROLUS BURGUNDUS: dragende 't ruggeſtuk Maximiliaan, ſyn ſchoonſoon, nevens deeſe letteren; MAXIMILIANUS AUSTR.

2.15.12 KARSBERGEN

KARSBERGEN; een Heeren Huys te Seiſt; te weeten leggende het dorp tuſſen dit Huys en het Huys te Seiſt; van Uitrecht, Ooſtwaarts. Is, A. 1700, door Kaſp. Specht in een plaat gebracht. Niet anders.

2.15.13 KASTEELEN

KASTEELEN; Sloten en Burgen of burgten; welke ik wel eer, op deeſen trant, heb aangeſprooken, leidende den Leeſer tot de Byſchriften myner Roomſſe Keiſerinnen:

Latynsſe Burgen en Tuygh-huyſen en Kaſteelen, Van Noorman, Deen en Goth, verbrand, geſloopt, verwoeſt, Gun, in uw puinhoop ons weêr met het Geld te ſpeelen, Dat gy niet langer kont bewaaren voor de roeſt. Toef niet, tot ik u met ploegyſers op kon ſpouwen; Maar voeg, vrywilligh, myn gebieders by hun Vrouwen.

<blz 184 | 167>

Voorts ſyn deeſe kaſteelen (het voornaamſte voorwerp van dit myn ſchryven) of Romeins of Graafelyk. De Romeinſſe ſtaan wel meeſt op de randen der rivieren en de ſoomen der grensſcheidingen van des vyands bodem, om ſyn geweld en wapenen af te weeren. Florus, 4 B. 12 H. boven aangehaald, 46 bl.

Dus worden ook de ſoldaaten, of de beſettelingen, in deeſe caſtra of legerplaatſen, en ontrent deeſe armamentaria, of magaſynen neergeſet, geheten caſtrani of caſtellani; kaſteeleinen. Lege II, Cod. de Fundis & Limitrophis. of, van de ripa, dat is, den oever der rievieren; riparii, of riparienſes, waterkanters. Alciatus, C. de Re Militari; by Baſil. Faber, in Theſauro Lat. Linguæ. en eindlyk van deeſe burgi, burgers, of burgwooners; welke eens, het Roomſſe juk afſchuddende en van onſen Iandſtreek, hooger op, naar de Gallien, trekkende, de naamen van Burgonders of Burgondions hebben aangenoomen. Paul. Diaconus, 12 lib. 8 cap. Oroſius, 7 lib. 32 cap. Stewechius, in Veget. 4 lib. 10 cap. Oudaan, R. Moogenh. Inleid. 22 bl. behalven Boxhorn, Pikardt, Van Royen, &c.

Onder de Graaflyke regeeringe, ſyn, om deſelve redenen, de kaſteelen tegens den vyand aangeplaatſt. Scriverius. by Goudhoeve, in gr. Floris de Vde; 327 bl. meldende van Nieuburg, Middelburg, &c. en Beka, in biſc. Gov. van Rhenen, 55 pag. ſchryvende van Horſt, Vullenhoo, Montfort en Woerden.

Eindlyk, gelyk de Roomſſe wel meeſt door het overſtroomen der Noordsſe volkeren, volgens bovengeſteld puntdichtje, ſyn omvergehaald, ſoo ſyn de Graaflyke, door de inlandsſe tweeſpalten, ſoo der Hoeksſe en Kabeljauſſe, als door de Kaas en broodslieden (boven, 160 bl.) te gronde gegaan.

Maar, by deeſe geiegenheid, luſt het my, in het byſonder eens de rompen van deeſe myn kaſteelen, tot uw genoegen, aan te ſchouwen. Heb dan myn oogmerk, op

I. Seer enge en ſmalle ſteene trapjes, tot alle verdiepingen, naar boven. Sietſe, boven uw hoofd, in de ruiin van het Huys te Kleef, buiten Haarlem; en weder in het torentje van het Huys te Brederode, aan den middelſten brok.

II. Seer ongelyke venſters of luchtgaten, in de kamers en vertrekken; alleenlyk dienende om eenigh licht te ſcheppen en niet om van buiten tot een gelykvormigh verſierſel te verſtrekken. Sie deeſe, onvoeglyk en ſonder order, in de Sloten van Abkoude en Purmerend.

III. Lange, enge en vierkante pypen; van welke ik <blz 185 | 168> twyfel of het geen buyſen, ter onlaſtinge van alle onreinigheden ſyn geweeſt. Merkſe aan, in de Huyſen, ter Aa, Berkenrode, en gemelde Brederode.

IV. Ronde toornen, gelyk te Abkoude, Loenerſloot, Sterkenbork, Egmond, Muyden, Heemſtee, &c.

V. Vierkante toornen; gelyk die van Aſſumburg, Brederode, Purmerend, ter Aa, &c.

Het verdere, my voorkomende, ſal ik niet naalaaten, by ieder kaſteel, naar behooren aan te teekenen.

2.15.14 KASTRIKOM

KASTRIKOM; een oud en edel dorp, tuſſen Bakkum en Heemskerk, in Kennemerland; vermaard geworden ten deele door haar heer, Bruin van Kaſtrikom; nevens meer andere jonge ridderen, ten deele ook de ſchoone huysvrouw van Sifried, ſoon van Arnoud, de derde gr. van Holland. Saanl. Arkad. 93 bl.

Maar, wat nu aangaat de Naamreden, van den Grieksſen Kaſtor, broeder van Pollux; of anders van caſtor, een bever, is al te mall om veel van te praaten.

Ondertuſſen ſie boven, van Bakkum, 24 bl. en van Heemskerk 130 bl.

2.15.15 KATERTOL

KATERTOL; of kotertol en niet, gelyk Pontanus is ſchryvende, habetol: was een tol op den Yſſelſtroom; volgens een Gunſtbrief van keiſer Otto de Groote. Doch, hoe verkneed en verbuigtmen de naamwoorden in haar beteekenis! nu noemtmen ſeeker werktuyg een katrol, waar meê de waaren uit de ſchepen worden gelicht. Sie Kiliaan, in ſyn pryswaardigh en onverbeterlyk Woordeboek, anders Dictionarium. Maar, ſacht, ſoo ſchielyk niet! ik had haaſt overgeſlagen de katertolne van Harderwyk. Ook, volgens een oude Vergunningbrief, by Matheus, Analector. VI Tom. 60 pag. Siet ook Slichtenhorſt, Gelders. G. 5 B. 49 bl. en Alting. Notit. 2 Part. 38 pag. aldaar gewagende van de Koterſchans, by Swoll.

2.15.16 KAT (dier)

KAT; een ſinnebeeld van een onbepaalde vryheid. Die dat ſou willen tegenſpreeken, heeftſe maar, in een porceleinkamer, voor eenige uiren, op te ſluiten. Alles, wat dit benepen dier, in haar verlegenheid, voorkomt, moet of in ſtukken, of ten minſten van ſyn plaats. Sie ſlechts het printje, by de Hr. Kats, in den Spiegel, van den Ouden en Nieuwen Tyd, 147 bl.

Hierom ſet haar Pars op de ſchoot van de Neêrlandsſe Maagd, in den Titelplaat van ſyn Naamrol: want hierom weder was de kat weleer een ſinnebeeld van Vryheid, by de <blz 186 | 169> oude Duitsſe. G. Brand, over Batoos Vertoningen, 418 bl. Makrobius ſeer qualyk aanhaalende, behalven Goudhoeve, &c.

Doch over deeſe ſtoffe ſult gy een ſendbrief vinden, in gemelde Naamroll, 407 bl. waar in Brand word tegengeſprooken, met een valſſe plaats uit Makrobius, deeſe ſaak ſoo geruſt verſeekerende.

Ondertuſſen ſou ik op deeſe wyſe redenkavelen. Een kat was het ſinnebeeld der vrye Duitsſen. Duitsſen ſyn ook onder andere Heſſen. Heſſen en Katten is weer een volk. Nu is 'er, onder myn landslieden, een oud kinderlietje, hebbende ook deeſe woorden: dan komt de vuile heſſe, met haar bonte bleſſe, &c. Sie, hoe hier een kat heet heſſe; mogelyk uit de overlevering, dat de kat het wapenteeken is der Heſſen. Dit uit een avondpraatje, met den Hr. Proff. Perizonius, voor eenigen tyd, te Leiden, hem beſoekende.

2.15.17 KATTEN (volk)

KATTEN; ook geheeten Kaſſen, anders Heſſen; ſyn in Duitsland, by het Hercyniſch wald, ontrent de Saal en den Eder gelegen; loopende deeſe wateren in de Fulda. Junius, Batav. 24 cap. Heemskerk, over ſyn Arkad. 94 bl. behalven, Boxhorn. Kirchmayer, Douſa, Grotius, Revius, Beverwyk, Kluverius, Arnold. Montanus, &c.

Van dit volk gewagen ook al de oude. Strabo, Geograph. 7 lib. Tacitus, German. Mor., 29 & 30 cap. Plinius, H. N. 4 lib. 14 cap. Dio, 54 lib. in Auguſt.

Blyvende noch een ſchaduwe deeſer benaaminge in verſcheidene plaatſen van Frieſland, Holland, Zeeland en Flandere. Junius, Batav. 25 pag. Pars Katw. 16 bl. behalven de boven aangehaalde.

Maar, hier ſou men nu weder konnen achter plakken, der Katten optogt naar Nederland, onder Bato, hun legerhoofd; doch ik walg'er af, en gy kont het vertellingje boven naarfien, op het 25 bl. gelyk ook al, 26 bl. is geſprooken van haar optrekken, in een laater tyd.

2.15.18 KAT (oorlog)

KAT, een hoogte van aarde, van waar men de kattebollen, met de blyden, uitwierp.

Van de blyden is iets geſegt, 35 bl. en ſal meer geſegt worden gelyk mede van de katten, op de letter O, in Oorloghstuygh.

2.15.19 KATWYK

KATWYK, op den Rhyn, nevens het andere zee dorp gelegen; daar men geloofd de Rhyn verby geloopen te hebben. Boxhorn. Stedeb. 218 bl. een ſchoon en welbetimmerd dorp, volgens Pars, uit Guicciardin. en Orlers, 42 bl. ook <blz 187 | 170> beide deeſe dorpen (doch met een ſeer onkundige verkieſinge) in 2 byſondere konſtplaten vertoonende.

2.15.20 KATWYK op Zee

KATWYK op Zee; dit is het voorwerp van Adriaan P[er]s predikant aldaar; die ik het ſyne ſal in weeſen laaten. Maar, ik kan Junius niet paſſeren, 509 pag. getuygende, dit zeedorp wel eer, wegens de bequame vaart op Engeland, volkryk en overvloedigh te ſyn geweeſt, maar naderhand, ſoo door zeerovers als uitheemſſe plonderaaren, te ſyn verwoeſt. Veel minder Parivall, Vermaak van Holl. 9 bl bewyſende, dat het, wel ontrent de helft, is grooter geweeſt; maar dat eenige deelen allenskens door het woeden der zeegolven ſyn weghgerukt. Noch, ten laatſten Boxhorn. Stedeb. 218 bl. hoewel het alleenlyk ſlechts opſchikkende met de naaſtgelegenheid van het alom vermaarde Huys te Britten; welke wy u vertoonen, 45 bl.

2.15.21 KAUCHEN

KAUCHEN; by de Latiniſten dan Chauci en dan weder Cauci of wel Cauchi geſchreven. O fyne Letterkunde!

Maar nu, dit volk is de ſchryfſtoffe geweeſt van den cierlyken en beknopten, Joh. Schildius; waarlyk ſyn boekje is het leeſen dubbel waardigh!

Sy worden in de Kleene en in de Groote Cauchen afgedeeld, en beide aan de Noordzee, tuſſen de rivieren, de Rhyn, de Eems, de Elbe en de Weſer geplaatſt. Kirchmayer, in German. Taciti, 35 cap. 377 pag. Sie ook Van Leeuwen, Batav. 32 bl. Junius, Batav. 64 & 606 pag. Saanl. Arkad. 23 bl. Flud à Ghilde, over Kluverius, Rhynmond. 2 D. 214 bl. Alting. Notit. 1 Part. 41 pag.

Ondertuſſen waar ſal men heen met Eindius, ſoo buitenſpoorigh, en tegens de gedachten van alle ſchryveren, de Kauchen in Zeeland nederſettende. Sie hem, by Smallegange, Zeeuwſ. Chron, 14 H. 38 bl.

Van deeſe voerd hun verwinnaar, P. Gabinius Secundus, de toenaam van Cauchius, volgens toelaating van den keiſer Klaudius; by Suetonius, in Claud. 24 cap.

Van deeſe ſou ook Kaukerk, eey, dorp by Leiden, haar naam ontfangen, volgens Oudaan, Room. Mogenh. Inleid. 16 bl.

2.15.22 KEENEBURG

KEENEBURG; onder die van Rochman, in 3 Geſichten vertoond; is een cierlyk ſlot, in Delfsland, aan het dorp Schipluy, ſoo geheeten, naar het watertje de Keene, waar aan het is geſticht. Handveſtchron. 1 D. 124 bl. Bleiswyk, Delff, Beſchryv. 35 bl.

2.15.23 KELTEN

<blz 188 | 171>

KELTEN; of ſegje Celten, het kan my weinigh verſcheelen, alſoo min als ik Kimbers heet, die gy liever Cimbers wild noemen

I. Syn de Kelten een ſeer oud volk, en deſwegen ook by de alleroudſte Schryveren al bekend; als Herodotus, Polybius, Diodor. Siculus, Suidas, Heſychius, Euſtathius, in Dionyſium, de Situ Orbis, &c.

II. Syn het Duitsſe of ſyn het Galliſche, anders Franſſe? Gallen ſegt Appianus, in Illyric. 986 pag. gewagende van een verdichte Celtus, de ſoon van Polifemus. Soo ſpreeken by naar alle Grieken, by welke de Kelten en Gallen voor een en het ſelve volk worden gehouden.

Evenwel Ariſtoteles (Politicor. 7 lib. 17 cap.) van de Kelten ſpreekende, ſegt all het geene Ceſar, Mela en Klaudiaan van de Duitsſe vertellen.

Sy ſyn dan Duitsſers, bewoonende aan weerſyden den oeders des Rhyns, in en by het Herciniſch woud. Lucil. Tarthæus, ſcoliaſt. Apollonii. Simocattus, Plutarchus, in Mario. Appianus, 1 B. der Burgerl. Oorl. & in Celticis. Dio, 39 lib. 113 pag. Treb. Pollio, in Claudio, 6 cap. alle genoegſaam aanwyſende, dat onder de naam der Kelten worden begrepen de Tencters, de Uſipetes, de Boii, de Kimbers, de Teutones, de Belgæ en de Batavi; volgens Junius, Batav. 22 cap. 621 pag.

III. Nu kom ik tot de Naamreden. Kelten ſyn ſy; om datſe ſyn gekoomen uit Keltige of koude landen. Adr. Schriek, Origin. Celticar. 1 B. 67 N. en 3 B. 32 N. hoewel, myns gevoelens, deeſe quant doorgaans veel te veel vryheid neemt in de Benaamingen der volkeren uit te pluyſen en te verduytſen.

Bodinus (Method. Hiſtor. 9 cap. 371 pag.) noemtſe άπò τῶν κελἡτων, van de rypaarden; als ſynde deeſe volkeren goede ruiteren; κεληταì, en by verkortinge, κελταì59. Ja wel, ik ſie niet, waarom dit Reiskius (in Cluverii Introduct. 2 lib. 11 cap. en Junius (Batav. 619 pag.) ſoo kan mishaagen, hoewel ik aldaar ook wel ſie, dat deeſe Franſsman van de Kelten is Gallen maakende.

IV. Hunne taal aangaande; het is ſeeker, dat geen geringe overblyfſelen worden gevonden in die der Spaansſe, Fransſe, Deensſe, Sweedsſe, &c. ja miſſchien ſelf in de alleroudſte ſchriften van het eerſtgenoemde volk. De bovengenoemde Schriek, in ſyn vrymoedige Vertaalingen der Keltiſche benaamingen.

<blz 189 | 172>

Ik ſeg by herhaalinge; het ſyn Duitſchers, in oudheid de Grieken en Latynen verbyſtrevende, welke over de Rhyn trekkende, de Gallen aan die zyde of verdreven of ten minſten verwonnen, en met deſelve ſich vermengt hebben. Slichtenhorſt, Gelders. G. 1 B. 22 bl.

Dus heet een ſtuk van Vrankryk, tuſſen de Seine en de Loire zeewaars, Gallia Celtica. Cæſar, Gall. 1 B. 1 H. Plinius, Natuurk. 38 lib. 12 cap. behalven Buno, over gemelde Cluverius, 2 lib. 12. cap.

Ja ſelf, na deeſe noemtme een deel van Spanje, ontrent den Ebro, anders Iber, Celtiberia, ook anders Tarraconenſis Cluverius, Geograph. 2 lib. 3 cap.

En eindlyk voerd ook het weſtlyke deel van Europa de naam van Europa Celtica. Cluverius, German. Antiq. 1 lib. 2 cap. by genoemde Buno, 2. lib. 1 cap.

Siet Van Leeuwen, 15 bl. en weder, Batav. 137 bl. behalven noch Arrianus, Ammianus, Suidas, Strabo, &c.

Maar, ſyn deeſe koude Kelten, ontrent hunn aart en oorſprong, geen Scythen? Gewiſſelyk. Hornius, Arca Noë, 37 pag. ſie van der Scythen oudheid, in 'er woordeſtryd met die van Egipte, by Juſtinus, 2 B. 1 H.

2.15.24 KENNEMERLAND

KENNEMERLAND; is gelegen tuſſen Amſteldam en Alkmaar; ſynde ook Haarlem en de landſtreek van Diemen daar in geſlooten. Willem Procurator, ad A. 1170.

Want Alkmaar is, buiten alle tegenſpraak, gelegen in Friesland. Stoke, in Willem de III, by Matheus, Analector. V Tom. 502 pag.

Is de waare ſitplaats der caninefates; van welke boven, 161 bl.

Voorts haaltmen hunne benaaminge uit de Kinnem of Kinhem, van welk watertjen, beneden; doch ook weder in de letter R. op Rieviertjes, en de S, op de Saan.

2.15.25 HET HUYS te KERKHOVEN

HET HUYS te KERKHOVEN; een oude hofſtad en ſtamhuys, in Delfland en in het dorp Pynakker, voor deeſen gelegen: doch heden niet meer als een boere wooningh. Van Leeuwen, Batav. 1290 bl. Bleiswyk, in Delff, Naareden, op letter B.

2.15.26 KEUBEL

KEUBEL, of Koebell; een edele Hofſtede, in Rhynland, by Leiden, buiten de Witte poort, ontrent den hoek van den Ouden Vliet, aan de Rhyndyk; in het belegh van deeſe ſtad, te niete gedaan. Goudhoeve, 82 bl. Van Leeuwen, Rhynl. Koſtuim. Inleid. 37 bl.

<blz 190 | 173>

A. 156660, is op dit Huys te Keubel, in den Spaansſen Oorlogh, by de Gereformeerden, de tweede openbaare predikatie gedaan. Orlers, Leiden, 1 D. 8 bl.

2.15.27 KIMBREN

KIMBREN, anders de Cimbri; ſyn ſeekerlyk de Cimmerii, welke, van het Meötiſch meir ſynde opgeſtaan, ontrent de Belt, op een verr uitſteekend half eiland (heden Jutland) ſich hebben neergeſlagen. Doch ook eindlyk aan den Rhyn, by de Frieſen en Brabanders, ſyn komen leggen. Oudenhove, in ſyn Verhandeling van de Kimbren. Handveſtchron. 3 D. 15 bl. Van Leeuwen, Batav. 33, &c. bl. Junius, Batav. 22 & 580 pag. alle aantrekkende de oudere, als; Ceſar, Strabo, Herodotus, Dio, Ptolemeus, &c. nevens Kluverius, Pikardt, &c.

Ondertuſſen bewyſt gemelde Oudenhove, dat ſe Cimmerii ſyn geweeſt; uit Strabo, Herodotus, Schriek en Hornius.

Datſe van de Belt verhuyſden, door een watervloed genoodſaakt; uit Florus, Ortelius, &c.

Datſe aan den Rhyn, en in Brabrand, quamen; uit Gramaye, in Maaſl. & Kempinia.

En dus komt hy tot de Naamreden. Cimber, ſegt hy, of Kimber, is Kimpfer. Kimpfen en kampen is vechten. Want dus is ook Sicamber of Secamber, die met de zee moet vechten. Hoe gevalt de Leeſer deeſe uithaalinge? Immers is ſe by my ſoo koud als Moskoviſch ys; altoos niet beter als, dat men de Kelten trekt van gelten, in waarde ſyn, by Junius, Batav. 619 bl. Hunne togt naar Italie; als ſynde buiten onſen omtrek; ſie van deeſe, de Roomsſe Schryvers, Florus, Plutarchus, Appianus, Victor, Oroſius, Eutropius, &c.

2.15.28 KINHEM

KINHEM; een water, de Kennemers ſcheidende van de Frieſen, by Petten toegeſtopt. Junius wederom, Batav. 51 & 323 pag. Van Leeuwen, Leid. 162 bl. Boxhorn. Stedeb. 6 bl. alwaar Rhegino, de Pruymer abt, gewaagd van ſchepen, uit de Noordzee opkoomende, en langs deeſen Kinhem, trekkende in Noord Holland. Maar ſiet ook Theofried, de abt van Echternach, in Wilebrords leven, by Ampzing, Haarlem, 22 bl. en Komineus, 4 lib. 421 pag.

Maar is nu de Kinhem ook de Saan? ja, ſegt Van Leeuwen, Leid. 163 bl. gelyk mede de Saanl. Arkad. 160 bl. Maar my is van den Hr. Rendorp ſelf, op Watervliet, ſyn E. ruime en cierlyke Luſtplaats, A. 1706, den 12 Septemb. de loop van den Kinhem, ſeer verre van die van de Saan, als met den vinger aangeweeſen.

<blz 191 | 174>

Sie van de Kinhern verder Ampzing, Haarlem, 22 bl. Ryk over Tacitus, 4 Hiſtor. 15 cap. Junius, Batav. 49 & 323 pag. en het geen wy noch ſullen ter neder ſtellen, in de letter S, op de Saan.

2.15.29 KLARENBERG

KLARENBERG; tuſſen Breukelen en Nieuwerſluys gelegen, achter de kerk van het dorp Ter Aa, in een boere bogaard.

A. 1705, den 10 Oct. kreeg ik kennis van dit riddermatigh Heerenhuys, en bevond het heden niet anders te ſyn als een ingeſtort gewelf van een kelder, binnen 3 gebrokkelde ſydmuiren.

Ondertuſſen wierd my bericht, dat A. 1672, te Uitrecht, de oude lyſt der riddermaatige Heeren Huyſen was vernieuwd; dat de beſitters van Klarenberg hunne ſinjeurye, gelyk men het noemd, niet hadden aangegeven; dat dan eindlyk dat recht, op die wyſe niet bewaard, maar het ſy verſuymt, het ſy verworpen, is van ſelf vervallen.

De naam van Klarenbergh is onder de Edelen van het Sticht bekent, ontrent A. 1405, by Van Leeuwen, Batav. 746 bl.

Meergeroemde Jan Goeree heeft myne Verſamelingen ook met een mooye Teekening van deeſe ruiin vereerd, die hier mogelyk ook ſal werden ingelyſt.

2.15.30 KLAAS van KIETEN

KLAAS van KIETEN, anders de Sparwouwer reus; van welken Vondel, in ſyn Gysbrecht, aan het 5de Deel, afgryſlyk, in deeſer voegen, opſaagt:

Dat ſpeet den grooten reus; die liet ſich vreeſlyk hooren, En ſtak, met hals en hoofd, gelyk een ſteile tooren En ſpitſe, boven 't volk en alle hoofden uit. En ſcheen een olifant, die omſnoft met ſyn ſnuit. Syn ſpietſe was een maſt, in ſyne grove ving'ren. Ik ſagh hem man op man, gelyk konynen, ſling'ren Wel driemaal om ſyn hoofd, gevat by 't eene been, En kneuſen dan het hoofd op ſtoepen of op ſteen. Hy kan, met ſynen pols, een burgwal overſpringen. Hy proeft op grendelen de deugd der ſtaale klingen: Hout fel, met eenen ſlagh, door yſer en door ſtaal, En proeft ſyn bekkeneel op poorten van metaal. Hy ſcheen een Polifeem, het krygsvolk ſcheen ſyn kudde. De toren van 't ſtadshuys beweegde ſich en ſchudde, Soo dik hy op een poſt of op den gevel ſtiet. Hy vreeſde Herkles knods, noch Samſons vuiſten niet.

<blz 192 | 175>

Hy leefde ontrent A. 1300, in het dorp Sparwouw, buiten Haarlem. Oudenhoven Suyd Holl. 374 bl. aldaar ook ſpreekende van Gerrit Baſtiaansſen, anders de Boer van Lekkerkerken. Goudhoeve, 353 bl. by welken ik deeſe 3 byſonderheden aanmerkte:

I. Dat de langſte man van ons land onder ſyn uitgeſtrekten erm kon deurgaan.

II. Dat ſyn eene ſchoen 4 voeten kon bedekken.

III. Dat hy goedertieren en ſachtmoedigh was; dus geen vechter noch ſmyter; ſoo dat het u ſal gelieven die fraaye beſchryvinge van deeſe Klaas, by Vondel, voor een dichtkonſtigh ſchilderytjen alleenlyk aan te neemen.

Immers, hy is 'er geweeſt, en Procurator getuygd (in ſyn Egmondan. Chronicon, by Matheus, Analector. IV Tom. 192 pag.) nevens ſyn ſchoolmakkers, hem van achteren (van vooren verbood het hen de ſchrik) dikwyls geſien en afgemeeten te hebben.

2.15.31 HUYS te KLEEF

't HUYS te KLEEF, gelegen in Kennemerland, buiten Haarlem, ter rechter ſyde van een wegh, de Kleverlaan geheeten, gaande naar Bloemendaal.

A. 1696, den 20 Auguſt. ſynde op Hoogewoerd (waar af boven 142 bl.) ging ik eens dit ſlot beſchouwen, in deeſe brokken ſlechts beſtaande:

I. Een ſtuk van een hooge tooren; in welke noch is te ſien de trappen, wel beneden afgebrooken, doch boven noch in 'er geheel en u over het hoofd hangende.

II. Een driekante brok muirs; ſiende de eene ſyde naar den wegh en de andere naar Bloemendaal.

III. Eindlyk twee ſcharpe en ſmalle brokkelingen, tuſſen de twee groote ruiinen nu noch overeind ſtaande.

A. 1573, was het noch in haar geheel; als wanneer Don Frederico, nevens de gr. van Boſſu, in het belegh van Haarlem ſich op het ſelve onthielden. Ampzing, Haarlem, 181 bl. doch het is ook, in die tyd, van de woedende Spanjaarden omvergeworpen. Deſelve Ampzing, 90 bl.

De ſtichter was Willem Kuſer, de hofmeeſter van Margriete van Kleef, weduwe van hertogh Albrecht van Beyere, de 26ſte gr. van Holland; van welken boven, 10 bl.

Ik ſeg, Willem Kuſer; en wel ontrent A. 1392: ten waare gy de ſtichting vroeger woud hebben, naamlyk van Alyt van Kleef, de huysvrouw, van Didrik de VII, de 14 gr. van Holland, van welken ook, 61 bl.

<blz 193 | 176>

Maar naderhand behoorde dit ſlot aan het Stamhuys van de Brederoden. Ampzing, weder, 90 bl. en Van Royen, 192 bl.

Immers getuygd ſulks het nevensſtaande verlaaten Huysje, getimmerd door den Hr. Wolfaart, de laatſte der Brederoden; in welke alle de overgeblevene venſterglaſen noch ſyn geteekend met het jaar, 1626; gelyk ik aanmerkte, den 28 Mey van 't gemelde jaar 1706.

Eindlyk is dit heden (naar men my bericht) een eigendom van den graaf van der Lip (even als de tol aan de Knip, op de Kleverlaan, by Bloemendaal) doch het behoort aan de Rekenkamer van de Generaliteit.

Van dit Huys melden ook Schook, Belg. Fœderat. 13 lib. 4 cap. Goudhoeve, 80 bl. Saanl. Arkad. 89 bl.

Maar de minnaar der eedle Dichtkunde hoor bovengemelde P. Flaming, in ſyn Hogewoerd (2 B. 59 bl.) op deeſe wys het Huys beſchryven:

Het HUIS TER KLEEF, dat vlak voor ons geſicht Gelegen is, nood my om aan te ſchouwen Het ovrige van ſyn aloud geſticht, Zyn breeden muir, als uit een rots gehouwen, Van Alvaas zoon wel eer ten val gebracht; Toen Haarlem moeſt des Spanjaarts wrok bezuuren, Deed ook de brand, en 's buskruids felle kracht, Verandren in een puinhoop deeze muiren, Dus taſt de Dood alleen geen menſchen aan Maar ſloten zelf, en ſterk bewalde ſteden, Daar Troje ſtond, groeit gras en weelig graan, En word het land met ploegen doorgeſneeden. Dit, dat een hof der Riddren is geweeſt, Daar zang en ſpel klonk door de ruime zaalen, Daar Brederoo, zoo rond, zo bly van geeſt, Den adel van ons Holland plagt t'onthalen, Is nu niet meer, dan een verwarde klomp Van aarde, puin en afgevalle ſteenen, Vertoonende in die akelige romp, Geen teeken zelf van 't geen het was voorlennen.

Maar wat nu de afbeeldinge aangaat, ſyn wy ergens, hier ſynwe volkoomen beſlaagen. Ik heb een oude, ſonder jaartal; een ander van A. 1616, door F. de W. uitgegeven; een ander van A. 1628, door Vanden Velde; een ander van C.J. <blz 194 | 177> Viſſcher; een ander van J. Goeree/​; behalven de Teekeningen van /Rochman, &c. ſoo dat ik van de 7 Geſichten ten minſten eene u ſal moeten mededeelen.

2.15.32 KLINKERLAND

't Huys van den Hr. van KLINKERLAND; is niet verre van 's Gravenhage; kenlyk aan een ronden tooren op haar ſlinker hoek; gelyk het, door Elands, in een Geſicht is gebracht. Heb daar niets anders af te ſeggen.

2.15.33 KLUNDERT

KLUNDERT; een vryheid, in Suyd Holland, tuſſen Willemstad en Breda. Oudenhove, Suyd Holl. 215 bl. Wel eer geheeten Nieuwer Vaart; hebbende een groot tolhuys der Graven van Holland, en bloeyende met een voorſpoedigen ſchipvaard. Boxhorn. Stedeb. 293 bl. by welken gy ook ſult vinden, hoe deeſe plaats, A. 1421, is verwiſſeld van geſtalte; toen die bekende Watervloed (van welken, 82 bl.) den ſcheepvaarende gelegenheid verſchafte, om de doortogt van deeſe Nieuwervaart niet van noden te hebben.

Niettemin is de Klundert, A. 1583, met een bolwerk omvangen, na dat ſy, door een groote brand, geheel by naar wierd vernield; volgens den ſelven Boxhornius, en Goudhoeve, 93 bl.

2.15.34 KLUIN

KLUIN; een ſoort van een ſeer koppigh, doch anders geſond en een los lyf maakend, bier, by die van Groningen en nergens anders met die naam bekend.

Van het bier, in het algemeen, is geſprooken, 32 bl. gelyk van het drinken, dat men ons meer als andere natien oplegt, 65 bl. Maar ik wilde hier alleen een woordtje ontrent haar Naamreden hebben, u de keur geevende of gy deſelve wilt haalen van de klyn; een ſoort van ſeer goede turven, waar mede deſelve word gebrouwen: of van clunes, billen; om dat deeſe drank is een ſmeerlendium en de magere billen vet kan maaken. Het is van my niet, maar van den Hr. profeſſor, Abrah. Munting. Siet ſyn Verhandelinge, de Vera antiquor. herba Brittanica, 185 pag. en wel byſonderlyk van de klyntorf, 105 pag.

Voorts gelyk de Kluin een drank is byſonder eigen aan die van Groningen, ſoo hebt gy de Wip te Leeuwarden en de Koite te Munſter, in Weſtfalen. Hoe? hebt gy niet de Aal of Oel onder de Engelsſe; buiten twyfel de Celia, van de Numantyners, in Spanje, volgens Florus (boven is dit ook aangeweſen, 33 bl.) in een ſchoone Sendbrief van Boxhorn aan Blankardus. Siet echter ook Junius, Animadverſ. 2 lib. 12 cap. en Lindenbrogius, ad Ammianum, 26 lib. 22 cap. ſchryvende over <blz 195 | 178> de Sebaja, een korendrank by de geringſte lieden, in Illyrien, 166 pag. aanhaalende ſelf Herodotus, Diodorus, Columella, Plinius, &c.

Dit ondertuſſen van de ſoo enkelde als dubbelde Kluin; van de Turven ſullenwe malkanderen ſpreeken, in de letter T.

2.15.35 KOESTEIN

KOESTEIN; dit is wederom een aanmerkelyk toneelſtukje, voor myn waarde Dichtgenooten. Lett'er op, het is wel goed.

Deeſe Jan van Koeſtein was een armen hals, de dienaar van Hr. Jan van Kroy, ontrent A. 1463. Voorts wierd hy de kamerveger van Philip de Goede, hert. van Burgondie. Daar op, door ſyn bequaamheden, ridder en de geheime raad van gemelden hertogh. Maar! ſterke beenen, die de weelde konnen draagen! Koeſtein, opgeblaſen door de wind des geluks, verachte baroenen, ridders en edelen. Niemand was hem, ſoo hy dacht, gelyk. Ondertuſſen ontſtond 'er een argwaan van de Hr. Van Kroy en de Hr. Jan Van Lannoy tegen Karel (naderhand den Stouten) de ſoon van Philip. Karel, ſyn vaders gramſchap ontwykende, trekt naar Gorinchem. Kroy en Lanoy, nevens deeſen Koeſtein, beſluiten Karel om te brengen. Huiren een jongman, om, in Savoyen, tot een oude heks te gaan. Deeſe gaat en keerd te rugh met een betoverd beeld. Koeſtein ontfangt her ſelve, binnen Bruſſel. Gaat by den hertog en brengt ſoo veel te weegh, dat Karel weder mogt ten hove komen. Dan ſou het ſpel aangaan, en het ſou Karel gelden. Maar ſiet des Hemels vreemde ſchikkingen! De gemelde jongman wil het beloofde geld hebben. Kyft tegen Koeſtein. Deeſe dreigd hem te ſlaan. Het gedruis word gehoord van een edelman, die het Karel ging verhaalen. Karel klaagt het met ſchreyende oogen, aan ſyn vader. De hertogh doet Koeſtein en den jongman grypen, op het Huys te Rupelmond, ſcherpelyk gevangen ſetten, en, naa belydenis van alles, onthoofden Dit konnen de Hiſtorikundige by de uitgetrokkene voorbeelden van hunne Oude en Nieuwe Schryvers voegen, als een ſaak, ſelf in ons Neerland voorgevallen. Voorts die deſelve omſtandiger begeert te leeſen, gaa tot Kemps Beſchryv. van Gornichem, 314 bl. of tot Heuterus, Rer. Burgundicar. 4 lib. 17 cap. doch, ſie ook Barlandus in Comit. Brabant. &c.

2.15.36 KONINGSVELD

KONINGSVELD; een groot en vermaard Jonkvrouwen klooſter, by Delff, van den order der Præmonſtranten; A. 1255, geſticht en in het begin des oorloghs met Spanje, <blz 196 | 179> ſelf door die van Delf, verbrand, gebrooken en geſlecht. Matheus, Analector. VI Tom. 99 pag.

Maar, geen befluit ſoo vaſt, of word wel eens verſet! Ik had vaſtelyk voorgenoomen, met geen klooſters of abdyen deeſe Schatkamer der Neerlandsſe Oudheden op te pronken. En ik had myne redenen. Maar, nu onlangs, te weeten, den 26ſten April, doet my ANDRIES SCHOENMAKER (wiens waare en gulhertige vriendſchap ontrent my indien ik veel ſou wilen roemen, ik ſou genoodſaakt ſyn voor af met het Latynsſe præfiſcini my ſchootvry te maaken) een præfent van 12 ſeer fraaye Teekeningen van dit oude Koningsveld. Wat raad? Sy waren in het jaar 1573 gedaan, en, indien ik my niet bedrieg, ſoo ſyn het deſelve, van welke Dirk van Bleyswyk, in ſyn Beſchryvinge van Delf (ſiet hem, 353 bl.) ſich heeft bediend. Wel aan. De Leeſer heeft het dan myn Boeſemvriend te danken, dat Koningsveld alhier haar plaats ontfangt.

Haare ſtichtinge is ſy, in den jaare 1256, ſchuldigh aan jonkvrouw Richardis, de dochter van gr. Willem de Iſte en de ſuſter van gr. Floris de IVde, en dus de moey (niet de ſuſter, volgens Veldenaar en al die met hem mistaſten) van koning Willem; A. 1263, overleden en in het ſelve ter aarden beſteld. Gemelde Bleyswyk, 148 bl.

Van deeſe abdye ſchryven ook Goudhoeve, 116 bl. Guicciardin. Belg. 3. Part. 106 pag. Junius, Batav. 569 bl. Boxhorn. Stedeb. 143 bl. welke daar ook nevens voegen, dat kon. Willem, om ſomwylen ſyn moey geſelſchap te houden, een paleys; des Konings Uithof, hier nevens ſou hebben geſticht. Immers, dat groot beſlagh der ruiinen ſchynen genoegſaam ſulks te kennen te geven.

Eindlyk, gelieve aan te merken, dat Vrouw Katharina Uitenham, A. 1596, ſynde 89 jaaren oud, te Yſſelſtein overleden, in deeſe abdye de allerlaatſte abdiſſe is geweeſt. Bleyswyk, wederom, 353 bl.

Maar, ſiet hier een kleene ſwaarigheid! Onder die Teekeningen, my door boven genoemde SCHOENMAKER vereerd, waaren, nevens het ſlot en de abdye van Egmond (boven 76 en 78 bl. al in een plaat gebracht) ook de ruïnen van een Karthuyſer klooſter; ſal ik dat gebruiken of niet? Sal ik het, op ſyn plaats, in deeſe letter inlaſſchen; of vergunt ge my, dat ik het ſelve (om dat het mede buiten Delf is gelegen) hier achter laate volgen. Gy lacht, en deeſe lagh wil ſeggen; gaa maar voort!

2.15.37 KARTHUYSER klooſter

<blz 197 | 180>

't KARTHUYSER klooſter was dan een convent aan de Weſtfyde van Delf, eenighſins verder als Koningfeld van de ſtad gelegen en afgeſcheiden van de gemeene wegh.

A. 1430, of daar ontrent, is het geſticht by een graaf van Oſtervant; doch wie was deeſe, aangeſien het toen een titel was van de oudſte ſoonen der Graven van Holland? Miræus (Notit. Eccleſ. Belgi[c]. in Nobilium elencho) antwoord voor my, gelovende het Frank van Borſelen (van welken, boven, 40 bl.) te ſyn geweeſt. Bleyswyk, 354 bl.

Voorts was dit eene der 3 Karthuyſer klooſters, gelyk Koningsfeld eene der 6 abdyen van Holland; volgens den ſelven, 349 en 354 bl.

Doch het is, even als Koninsfeld, in den Spaansſen oorlogh, op dat de vyand daar in ſich niet ſou beſchanſſen, van de Delvenaars, ten gronde toe geſlecht; en daarom ſyn ook de Teekeningen van de jaaren 1573 en 1575; ſekerlyk de ſelve van Bleyswyk, nu ſoo gelukkelyk tot myn Schatkamertje overgewandeld.

2.15.38 CN. DOMIT. KORBULO

CN. DOMIT. KORBULO; Rooms Legerhoofd en bevelhebber aan de Neder Rhyn, naa de dood van Sanquinius Maximus. Tacitus, 11 Jaarb. 18 H.

Syn eerſte veldtogt was alhier tegens de Kauchen (van welke boven, 170 bl.) onder Gannaskus, een Kennemer; dien hy ſloegh en heimlyk liet aan kant helpen; ook met eenen de Frieſen bevredigende, A. 47. Tacitus, 19 H. by Van der Houve, Handveſtchron. 3 B. 44 bl.

Daar op heeft hy, door ſyne ſoldaaten, om niet ledigh te ſyn, die vermaarde Corbulonis Foſſa van de Rhyn in de Maas doen leiden, om hier meede, in de krygstogten, de wiſſelvalligheden van den Oceaan te myden. Tacitus, wederom, 20 H. en Dio, 60 lib. 683 pag. Maar, hier ſal een beer tuymelen, onder de School geletterde! Wat gracht, wat waterleidinge is heden deeſe doorvaart van Korbulo?

Sommige, ſegt de gemelde Handveſtchronyk (2 D. 45. bl.) meenen die te weeſen de Yſſel, in de Merwe loopende, tegen over Yſſelmonde.

Sommige, by Pars (Katw. Oudh. Inleid. 25 bl.) dat ſy is die Yſſel, tot de Gouwe loopende, en ſoo voorts de Gouwe, tot in den Rhyn.

Sommige (byſonderlyk Pontanus en Ortelius) dat ſy is de Lek, den ouden Rhynſtroom afwendende.

<blz 198 | 181>

Sommige (als Heda en Grotius) dat ſy is de Linge. Grotius, ſeg ik, in poëmat. en Heda in Hiſtor. Epiſcopor. 3 cap. 10 pag.

Sommige, dat ſy is Moeykens of de Roovaart, by Steenberge; loopende verby de Klundert en Willemſtad.

Maar, wy houden het met Bleyswyk, 874 bl. Van Leeuwen, Batav. 114 bl. Kluverius, Rhynmond. 1 D. 107 bl. &c. gevoelende dat ſy is de Delfsſe VLIET; gaande, gelyk men weet, uit de Rhyn van Leiden, naar Maaslands ſluis, en in de Maas.

Maar dit word hevigh tegengeſprooken, van Ryckius (in Tacit. 11 Annal. 20 cap. 134 pag.) Kluverius en Bleyswyk met veel ſchynredenen beſtrydende. Het is de Lek, ſegt hy; van Wyk te Duurſtede afgeleid juyſt wel niet tot aan Krimpen (want ſoo fprak Ortelius) maar alleenlyk tot aan Leksmonde. Dit is by deeſe man ſonneklaar, en hy heeft by naar medelyden met de vernaculi ſcriptores. Dit is de ſmaadelyke benaaminge, die de Schoolgeleerde (de meeſte ſeg ik en niet alle) geven aan die de moedertaal gebruiken. Och! die goê liêns konnen geen boek, in het Neerduits, op hunne leſſenaaren veelen. Wat is de ſtoffe, vragenſe, ontrent een nieuws uitgegeven boek? Een wel uitgeſochte? ja. Nu, de wys van ſchryven? ook wel uitgepluiſt, en verſtaanlyk, in ſuiver Hollands. Hoe? een Duits boek? grollen! vodden! wegh! Ondertuſſen lyden ſy Franſſe en Spaanſſe, Italiaanſſe en Engelſſe Schryveren, die hunne moedertaal gebruiken, in de Boekvertrekken; ſonder eenige ontſteltenis.

Doch keerenwe te rug, naar de gracht van Korbulo. Ik ſeg, dat de grondſlagh van myn gevoelen is ruſtende op de Roomsſe ſteen of mylpaal, tuſſen Monſter en Naaldwyk, uit het aardryk gehaald; op welke ſtonden deeſe letteren:

IMP. CAES. M. AUREL. ANTO. NINO AUG. PONT. MAX. TR. POT. XVI. COS. XIII ET IMP. CAES. L. AUREL. VERO AUG. TR. POT. II. COS. II. A. M. A. F. C. M. P. XII.

<blz 199 | 182>

De naamen en titelen der keiſeren, Markus en Verus overſlaande, meen ik, met Oudaan (Rooms. Moog. Inleid. 21 bl.) dat de laatſte letteren willen ſeggen: A Mari Ad Foſſam Corbulonis Millia Paſſuum XII. dat is: Van de zee tot aan de gracht van Korbulo, twaalf duyſend ſchreden. Merk nu verder aan, dat deeſe voetmaat uitkomt.

Ga ondertuſſen deeſe mylpaal ſien in een afbeeldinge by Scriverius, Antiq. Batavic. 214 pag. die niettemin in de verklaringe my ſchynt geweldigh mis te loopen. Lees mede ſyn Naardere Verklaringe over Oud Batavie, 24 bl.

Maar, ſie daar ontmoet my niet alleenlyk Flud à Ghilde, de Vliet verwerpende met Ryckius; maar ook ſelver Slichtenhorſt, die de Vliet, als te jongen wateringe quanſuis, afkeurt, en in ſyn plaats ons aanpryſt de Oude Leye, uit den Rhyn komende, ontrent Leyerdorp tegen over het Huys ter Does, gaande verby Swieten, Bleyswyk en Honingen, en eindlyk, (met de naam van Rotte) in de Nieuwe Maas vallende, achter Rotterdam. Lees hem ſelve, 1 B. 11 bl.

Dit ſou wat lyken; maar echter blyf ik by myn ſtuk, te meer, aan myn ſyde vindende de Hr. Alting, Notit. 1 Part. 47 pag.

Dus verre van deeſe deurvaart geſprooken hebbende, gaan we weder te rugh naar den veldheer Korbulo; willende echter ſyn Partiſſe en Armeniſſe legertogten overſlaan, te vreden met alleenlyk hier aan te hechten het Munimentum Corbulonis, of, volgens gemelden Hr. Alting, de ſtad GRONINGEN, van welke boven, 116 bl.

2.15.39 KOULSTER

KOULSTER; niet verre van Heiloo, van welke, boven, 133 bl.

A. 1706, den 12 Septemb. beſagh ik dit Heeren Huys, door een welbeplante laan daar naar toe wandelende. Bevond het niet ſeer groot, met roode pannen gedekt, in een vierkante vyver ſtaande en op deeſe wyſe het luſthof verdeelende.

A. 1517, is het, door de Geldersſe, in Noord Holland optrekkende, na 't overvallen van Medenblik en Alkmaar, verbrand en verdelgd. Van Leeuwen, Batav. 922 bl. Saanl. Arkadia, 2 B. 137 bl. Van Royen, 190 bl. Dirk Burger van Schorel, in ſyn ſaamengeflanſte en magere Chronyk van Medenblik; noch ſoo onlangs, als een rariteitje, de wereld opgedrongen, 131 bl.

Echter heeft het ſeer oude grondſlagen, ja van ruim 600 jaaren; en de beſitter is tegenwoordigh Hr. Willem van Kats, <blz 200 | 183> wiens moeder, heden hebbende ruim 90 jaaren, is de dochter van Juſtinus van Naſſau, natuirlyke ſoon van prins Willem de I, gouvern. van Breda, A. 1625.

Voorts, wat de oudheid van den adel aangaat, ik vinde by Goudhoeven (in het Byvoegſ. 163 bl.) in het Geſlachtregiſter, allereerſt genoemd Ysbrand van der Koulſter, welke leefde, A. 1390. Siet ook Van Leeuwen, Batav. 903 en 922 bl. alwaar gy de Geſlachten van Kats en Koulſter door huwlyken vind in een geſmolten.

Ondertuſſen verſchillen het Geſicht van Rochman en het myne, dat hy het ſelve van de ſlinker zy, en ik het vlak van vooren heb verkooſen.

2.15.40 KOSTVERLOREN

KOSTVERLOREN, aan den Amſtel gelegen, ontrent Amſteldam, tuſſen het Kalfjen en den ſteenen mylpaal. Is, door N.N. in een print gebracht. Meer niet, voor deeſe tyd.

2.15.41 KRAYENEST

't KRAYENEST; een oude gracht, buiten Haarlem, aan den Hout, wel eer door de ſtad loopende. Heette tevooren Krayenhorſt; wegens Hr. Gerrit van Krayenhorſt, eene der aanhangelingen van Gerrit van Velſen. Goudhoeve, 329 bl. Ampzing, Haarlem, 135 bl.

2.15.42 KRAJENEST

KRAJENEST; anders geheeten het Huys te Krayenburg, in Delfsand, aan de Hoornbrugge, en de Ooſtſyde van de Haagsſe vaart; eenigſins landewaart in. Van Leeuwen, Batav. 1286 bl.

2.15.43 KRAJESTEIN

KRAJESTEIN, een Huys in Suyd Holland, in de Groote Waart; ſedert de vloet van S. Lysbeth verdronken. Scriverius, in Jan de I, 285 bl. Oudenhove, Suyd Holl. 163 en 411 bl.

2.15.44 KRANEBROEK

KRANEBROEK; een ruiin op een heuvel, met boomen beſet, volgens het Geſicht van Rochman; tuſſen Alkmaar en Heiloo.

2.15.45 KRANEBURG

KRANEBURG; in Schieland, aan de Rotte. Van Leeuwen, Batav. 1294 bl.

2.15.46 KREIL

KREIL, anders het Kreiler boſch; wel eer der vorſten diergaarde en een hout vol wild; heden een droge ſandplaat, tuſſen Enkhuyſen en Stavoren. Junius, Batav. 47 bl. Goudhoeve, 85 bl. Van Royen, 32 bl. de ſelve ook in ſyn naauwkeurigh Landkaartje afbeeldende.

Ik heb geſegt, vol wild, en voeg 'er noch by vol hinden; van welke de ſtad Hinlopen haar naam bequam; volgens Meurs, XVII Provinc. 2 D. 939 bl.

<blz 201 | 184>

Ondertuſſen magh mede wel worden aangemerkt, dat men, A. 1250 met een rachter of dalye, door het boſch Kreil, van Enkhuiſen ging naar Stavoren. Siet Weſterman van Stavoren, by Pars, Katw. 128 bl.

En eindlyk is'er ook, dit boſch aangaande, by de beuſelpraters, een vertellingkje van een tweeſpalt over de jagt, tuſſen gr. Floris de Vette en die Frieſche jonker, Galama; quanſuis A. 1119. Saanl. Arcad. 30 bl. en Vronens Op- en Onderg. 87 bl. Gabbema, Watervloed. 50 bl.

2.15.47 KREUPEL

De KREUPEL; is de Cryptoricis villa, by Tacitus, 4 Jaarb. 73 H. Van Leeuwen, Batav. 1306 bl. en Van der Houve, by boven gemelde barbier, Dirk Burger, in de Chron. van Medemblik, 135 bl. Maar, dat hebben ſy echter ſoo vaſt niet; aangeſien Pikardt Kovorden Cryptoricis villa is noemende, Chron. van Kovord. 282 bl. wederom is Cryptoricis villa Taciti, in Groningerland, of hier Kropswolde of ginder Grypskerk. Huyninga, in de Beſchryv. van Groning. Ortelius, by Kluverius, Rhynm. 2 D. 281 bl.

Eindlyk is dit ſelve Cryptoricis villa, by de Hr. Alting (Notit. 1 Part. 52 pag.) Hemrich, een plaats in Frieſland, in de VII Wolden, tuſſen de watertjes, Konings Diep en de Kuynre. Sie weder de oude Roomſſe, hoe onſeeker met onſe nieuwe Landkaarten vereenigd!

2.15.48 KRYGSTOGTEN

KRYGSTOGTEN en Veldtogten, of, gelyk men in de Chronyken is gewoon te ſpreeken, Heirvaarten; van deeſe vind men 28, binnen de tyd van 144 jaaren, in deeſe landſtreek, nu geheeten Holland. Te weeten.

I. A. 1345, tegen de Stichtsſe; gr. Willem de IV belegerende de ſtad Uitrecht. Goudhoeve, in Willem, 378 bl.

II. A. 1346, tegens de Frieſen; alwaar ook ſneuvelde deeſe bovengenoemde Willem. Deſelve, 379 bl.

III. A. 1348, weder tegens de Stichtsſe; hertogh Willem van Beyere te velde trekkende. Deſelve in Margriet, 383 bl.

IV. A. 1351, gemelde Willem van Beyere, ſyn moeder, Vrouw Margriet, beoorlogende; in welken ook was de ſwaare waterſtryd, op de Maas, tuſſen den Briel en Graveſande, voorgevallen. Boven, 141 bl. Balen, Dordrecht, 744 bl.

V. A. 1355, doelende den oorlogh op biskop Jan van Arkel. Goudhoeve, in Willem de V. 391 bl.

VI. A. 1356, tegens de Stichtsſe, wederom. Defelve 393 bl.

<blz 202 | 185>

VII. A. 1358, waar in het belegh van het Heerenhuys, te Heemskerk, onder hert. Albrecht van Bey[e]re. Goudhoeve, in Albrecht, 396 bl.

VIII. A. 1359, waar in Delf belegerd. Boven, Delff, 54 bl.

IX. A. 1362, tegens hert. Eduard van Gelder. Goudhoeve, in Albrecht, 398 bl.

X. A. 1374, noch eens tegen de Stichtsſe. Deſelve, 401 bl.

XI. A. 1394, waar in het belegh van het Huys te Altena. Boven, Altena, 14 bl.

XII. A. 1397, waar in het Huys te Loeveſtein belegerd. De ſelve, Goudhoeve, in Albrecht, 410 bl.

XIII. A. 1398, tegen de Ooſt Frieſen; waarlyk, een ſwaaren optogt! Deſelve, 410 bl.

XIV. A. 1399. op de ſelve Ooſt Frieſen. Noch deſelve, 411 bl.61

XV. A. 1400. op de ſelve Ooſt Frieſen. Noch deſelve, 412 bl.

XVI. A. 1403, in welke het belegh van Gornichem. Noch deſelve, in Albrecht. 413 bl.

XVII. A. 1405, waar in de belegeringen van de ſloten en Huyſen; Gaſparen, Hageſtein en Everſtein. Boven, Everſtein, 84 bl. Gaſparen, 95 bl. Hageſtein, 122 bl.

XVIII. A. 1407, tegens de Luikenaaren. Goudhoeve, in Willem van Beyere, 423 bl.

XIX. A. 1417, tegens Willem van Arkel, ſelf binnen Gornichem bevochten, onder Vrouw Jakoba. Boven, Arkel, 21 bl. Gornichem, 109 bl.

XX. A. 1418, waar in Dordrecht belegerd, door hert. Jan van Braband en Vrouw Jakoba. Balen, Dordrecht, 766 bl.

XXI. A. 1410, in welke 't belegh van Leiden, door hert. Jan van Beyere, ruwaard van Holland. Orlers, Leid. 2 D. 397 bl.

XXII, A. 1425, voor Schoonhoven ſich nederleggende de Heer van Gaasbeek, Hollands ſtadhouder. Goudhoeve, in Jakoba, 449 bl.

XXIII. A. 1426, in deeſe voorvallende de ſtryd by Brouwershaven, onder hert. Philips de Goede, ruwaard van Holland. Boven, Brouwershave, 48 bl.

XXIV. A. 1447 tegens de Waterlanders, onder den Heer Jan van Lanoy, Hollands ſtadhouder. Goudhoeve, in Philips de Goede, 465 bl.

XXV. A. 1456, belegerende gemelde Philips, nu Graaf van Holland, de ſtad Deventer. Revius, Daventr. 109 pag.

<blz 203 | 186>

XXVI. A. 1475, tegens Nuys, in Keulsland; onder hert, Karel de Stoute. Heuterus, in Carolo, 5 lib. 10 cap. Barlandus Comit. Brab. 116 pag.

XXVII. A. 1479, trekkende de ſtadhouder Heer Wolfaart van der Veer naa 's Gravenhage. Goudhoeve, in Marie en Maximiliaan, 518 bl.

XXVIII. A. 1489, belegerende Maximiliaan (nu Rooms Koning) de ſtad Rotterdam. Goudhoeve, in Maximiliaan, 542 bl.

Dus verre Oudenhove, Dordr. 5 H. 178 bl. van ons opgehelderd en met getuygende Schryveren verrykt.

2.15.49 KROONEBURG (Kennemerland)

KROONEBURG, anders het Huys te Kaſtrikom; by Rochman alleenlyk een naare ruiin, in het geboomte verſchuylende, is in Kennemerland gelegen, ontrent het dorp Kaſtrikum. Vander Woude, Chron. van Alkmaar, 130 bl. by wiens tyd dit Huys ook niet anders als een gebrooken muirwerk vertoonde. Siet ook het ſelve genoemd, by Heemskerk, over ſyn Arkad.

2.15.50 KROONEBURG (Sticht)

KROONEBURG in het Sticht, tuſſen Loenen en Nieuwerſluys, aan de Vecht, ontrent de wydvermaarde Luſtplaatſen, Ouder Hoek, Nieuwer Hoek en Middel Hoek; ſynde heden haar Heer, by aankoop, de Hr. Adriaan Wittert van ter Aa62, van Kolhorn, te Leiden gehuysveſt.

A. 1707, den 2 Januar. gelegenheid hebbende gekregen om dit Huys van binnen te beſchouwen, viel my 't oog byſonderlyk op de muiren van een ongemeene, doch ongelyke, dikte, en voorts boven, op de ruyme voorſaal en beneden, op de ſwaare boogen en gewelven van den tweeden kelder.

Voorts is het van buiten heden van ſyn cieraaden en ſterkte meerendeels ontbloot, vertoonende alleenlyk, naar de ſyde van Loenen, twee ſchuinsopgaande gevels naaſt malkanderen, en alleenlyk eene naar de Sluis: vervolgens van dit geſicht van Rochman geweldigh verſchillende.

A. 1122, of daar ontrent, leefde de ſtichter van dit ſlot, Heer Jan van Kroonenburg, ridder onder gr. Diderik de VI. Deeſe was de laatſte der eerſte ſtam van Kroonenburg; te Leiden voor de rechtbank doodgeſlagen; als wanneer Gerrit van Velſen, de neef, als eigenaar, dit Huys ging bewoonen.

A. 1296, wierd gr. Floris de V, door de ſaamgeſpannene, alhier gebracht, gelyk van daar weder naar het ſlot te Muyden.

<blz 204 | 187>

Op dit Huys vluchtte Velſen ook, naa 't vermoorden van genoemde Graaf; waar op het wierde belegerd, ingenoomen en ter nedergeworpen. Doch het is, binnen weinigen tyd, weder opgemaakt.

A. 1340, circum circa, kreeg dit ſlot een nieuwen Heer; ridder Willem, uit het Huys van Henegou. Immers was ſyn grootvader, gr. Willem de Goede; ſyn grootmoeder Johanne de Valois, de ſuſter van kon. Philip de Schoone.

A. 1345, wierd deeſe, nevens ſyn oom, gr. Willem, van de Frieſen doodgeſlagen.

A. 1374, is Kroonenburg, door den biskop, Jan van Hoorn, ingenoomen, uitgeplonderd en verwoeſt: met ſteene kogels beſchoten, uit het geſchut als toen in het gebruik gebracht.

A. 1436, kocht Heer Amelius van Mynden en Ruwiel, Wouthers ſoon, aan Juff. N. van Kroonenburg getroud, dit gemelde ſlot, nevens haaren aanhang, van ſyn ſchoonbroeder.

A. 1483, brocht Maximiliaan ſyne krygsknechten op de ſloten; Kroonenburg, Abkoude en Vredeland.

Van gelyken deede Heer Dirk van Swieten te Loenerſloot; met ſulke middelen de gevangene biskop David in ſyn Stichtsſe ſetel herſtellende.

A. 1624, quaam gr. Henrik van den Berg over den Yſſel, en viel in de Veluwe, juiſt by een prangend winterweer. Toen wierd te Loenen de brugh afgebrooken en de Vecht met byten opengehouden. En toen ſyn de byters, door Heer Antoni van Lynden, Heer van Kroonenburg, met de warme ketel geſpyſt. Maar, het toeſchieten van het Staatsſe volk deê den vyand, meer bevrooſen als bebloed, van onſen bodem wyken.

A. 1629, leed de Veluwe, door de Spanjaarden, nevens hunne Kroaten, een tweede plondering. Men ſond wel volk naar Amisfort, uit Loenen en de omliggende dorpen; doch te vergeefs. Dus die kon, vluchte naar de Loensſe ſyde. Men maakte beſchanſſingen langs de wegh. Die van Loenen hakten, in de Bloklaan, de ſwaarſte boomen om verr. Brachten deeſe boven op den dyk. Met die borſtweeringe hielt men de Kroaten tegen, die in het Gooy lelyk huys hielden. Maar, met Weſels overgang, wierd dit haatelyk geſpuys eindlyk te rugh gedreven.

A. 1672, de Franſſen het Sticht van Utrecht ontruſtende, wierd dit Huys, door den Staat beſet. Maar, de gemelde <blz 205 | 188> ruſtverſtoorders, uit het vermeeſterde Utrecht, langs den Daalſsſen dyk, naar Kronenburg, den 1 Aug. afſakkende, gaf het, 's anderendaags, ſich over. Midlerwylen trokken de Franſſen by den Angſtel om, kregen Loenerſloot in hun geweld. Keerden daar op, langs de Sloodyk, en plonderden Loenen.

Dus alle moedwil uitgevoerd hebbende trokken ſy met hunne gevangene weder naar Uitrecht, achlerlaatende Kroonenburg en Loenerſloot, beſet.

Maar eindlyk, den 5 Auguſt. 's morgens ten 8 uiren, verlieten deeſe rotſakken het ſlot te Kroonenburg; maar …. ja, wel maar; naa datſe den ſwaarſten toren hadden doen ſpringen, en dus dit Heeren Huys van ſyn grootſte cieraad beroofd. Dus ſcheid de dolle Frank, ſeer ſelden, ſonder ſtank!

Dit getrokken uit de Uittrekſelen van meergenoemde Korn. Kooten, ſich noch te Londen onthoudende, volgens ſyn brief, nevens Ælfrici Heptateuchus, Anglo Saxonice, voor 3 dagen, my toegeſonden.

De bewyſen van het bovengaande vind gy meerendeels by Wilh. Procurator, Beka, Heda, Goudhoeve, de Beſchryvers van Amſteldam, de Gouwenaar, Boxhorn, Voſſius, Reigerbergen, &c. Voorts, het Ontroerde Nederland, verwarde Europa, &c.

2.15.51 KROONESTEIN

KROONESTEIN; een deftigh Heeren Huys in Rhynland, onder Leiden, by Lammen, in Soeterwoude; mede geplaatſt onder de geſichten van Rochman. Van Leeuwen, Batav, 490 en 525 bl. Goudhoeve, 83 bl.

2.15.52 KRUIS

't KRUIS van S. Andries; ook het Burgondis kruis geheeten, beſtaande uit twee laurierſtokken.

Dusdanige kruis ontmoete my giſteren op een Gedenkpenning van Philip de Goede, van een vuirſlag, midden in het vuir, omvangen, voerende deeſe letteren: AUTRE NARAY. AUTRE NARAY. AUTRE NARAY; dat is, gy ſult anders niet hebben.

Doch, by Silveſter à Petra Sancta (Symbolor. Heroicor. 6 lib. 263 pag.) is geen vuirſlag, maar alleen de lauriertakken, met deeſe woorden; DOMINUS MIHI ADJUTOR; dat is, de Heere, myn helper. Hebbende ook deeſen ſcherpſinnigen Schryver (397 pag.) alleen het vuirſlagh, nevens dit byſchrift: ANTE FERIT QUAM FLAMMA MICAT; ſy ſlaat, eer ſich het vuir ontdekt. Sie het ſelve onder de Symbola Heroica van M. Claud. Paradinus, 26 pag. welke de gemelde laurierſtokken (28 pag.) eenvoudelyk is <blz 206 | 189> ſettende; FLAMMESCIT UTERQUE; 't raakt beide in vlam.

Merk hier nu wel aan,

I. Dat twee laurieren, geweldigh tegens malkanderen gewreven, rooken en ſelf in de brand raaken. Het geenſe, volgens Paradinus, ook van ſaamgeſtotene leeuweſchonken verhaalen. Sie Plinius, Natuurl. 16 lib. 40 cap.

II. Dat S. Andries is de patroon, of de beſchermheiligh van de Gulden Vlies-order. En waarom toch? om dat, te Ryſſel, door hert. Philip de Goede, deeſe order is beveſtigd, A. 1430. den 30 Novemb. de feeſtdagh van gemelden kruisgeſant; ſynde deſelve ingeſteld, te Brugge, den 11 Januar. A. 1429. een dag, waar op hy met Iſabella troude. Guicciardin. XVII. Provinc. in Antverp. 146 pag. Van Leeuwen, Batav. 700 bl. Heuterus, Burgundiac. in Philip. 4 lib. 3 cap. Scriverius, Graven, 406 bl.

III. Dat deeſe lauriertakken dwars over malkanderen, en niet, gelyk de gemeene kruiſſen, leggen. De reden is; dat Andreas, te Patraſſo, in Achaje, met de beenen van malkanderen, (volgens het overleveren van onſe Moeder, de H. Kerk) op ſoodanigen kruis is ter dood gebracht. Sie Lipſius, de Cruce, 1 lib. 7 cap.

Ondertuſſen verſchuyf ik het geſprek over de Ridderſchap en haar Ordres, tot op den letter R.

2.15.53 KRUISVAART

KRUISVAART; is, binnen ruim 200 jaaren, ook meer als eens geſchiet, uit Holland, Braband en Vlaanderen, naar het Joodsſe Land, om het Heiligh Graf, nevens het Heilige geweſt, van den Heere Chriſtus bewandeld, den Turk te ontweldigen. Pater Lovis Maimburg, Vrankryks Hiſtoriſchryver, in ſyn Hiſtorie van de Kruisvaarders.

A. 1095, is de allereerſte, met een blinden yver, aangevangen, onder Paus Urbaan den II, door broêr Peter, een Franſſen kluyſenaar, ſeer driftigh aangeſet; ſynde het opperhoofd der kruishelden, Godevaart, anders Godefroy van Buillon, hert. van Lottringen, na dat hy ſyn hertogdom had aan den biskop van Luik verkocht. Guthberleth, Chronolog. in Henrico IV. 385. pag. Chron. Carrion. 4 lib. 604 pag. &c. Maimburg, 1 B. 25 bl. Scotanus, Frieſſe G. 87 bl. Paul Æmilius, in Philip. I. 4 lib. 147 pag. Guicciardin. Deſcript. Belg. 3 Tom. 500 pag. Wilh. Tyrius, Hiſtor. Expedition. 1 lib. 13 cap. Calviſius, in Chronic.

A. 1147, geſchiede de tweede; onder de vorſten, <blz 207 | 190> Koenraad de III. en Ludewyk de VII. Nicetas Choniates, by gemelde Calviſius, in Chron. Maimburg, 3 B. 192 bl.

A. 1187, ging de derde voort; onder den keiſer, Frederik Barbaroſſa, Maimburg, 5 B. 317 bl. Bucholzer. in Indice. Flud à Ghilden, over Kluverius, 2 D. 188 bl. in welken krygstogt is overleden onſe gr. Floris de III; volgens het geſchrevene, 87 bl.

A. 1190, voltrok men de vierde; onder Philipp, kon. van Vrankryk en Richard, kon. van Engeland. Atiſſiodorus, by meergenoemde Calviſius, Maimburg, 6 B. 372 bl. Wilh. Goeree, Kerk. en Wereld. Hiſt. ſchryvende van alle de acht, 148 bl. Scotanus, Chron. 93, 108, 114, 122 bl. &c.

En dus verre, aangaande 't getal deeſer Kruisvaarten; maar let nu eens, wat de vorſten en hooge magten eigentlyk met deeſe togten voor hadden.

De pauſen, als gemelde Urbaan den II, Eugenius, Innocentius, Honorius, &c. hadden deeſe voordeelen.

Sy matigden ſich aan het oppergeſagh van deeſe legertochten. Sy naamen de perſoonen, die ter Kruisvaart gingen, onder hunne beſcherming. Sy brachten de aflaten en diſpenſatien in een meerder gebruik. Puffendorff, Inleid. tot de Hiſtorie, 668 bl. &c.

Maar de koningen vonden, op deeſe wyfe, hunne rekening.

Sy maakten hun handen ruim, met de dapperſte en oproerigſte naa verafgelegene geweſten te verſenden. Deeſe, om reisgeld te hebben verkochten of verpandden aan hen hunne landeryen. Deeſe ginder ſneuvelende, kregen ſy de goederen gemaklyk van de weduwen of minderjaarige kinderen. Eindlyk gebruikten ſy ſe by wyſe van een veelvoudige aderlaatinge; daar mede ſich ontlaſtende van een menigte menſſen (in den alleereerſten optogt teldemen over de 300000 Kruisvaarders) om den overigen hoop, onder de knie gekregen, tot gedweegheid en onderdanigheid te brengen. De Vertaaler van Mezeray, Chron. van Vrankr. in Philip de I, 428 bl.

Tantùm Relligio potuit ſuadere malorum.

Komt dit hier niet veel beter te pas als by Lucretius (Rer. Nat. 1 lib.) ontrent het ſlachten van Ifigenie? Doch, ſiet ook de vertaalde Leutholff, Toneel der Hedendaagſchen Wereld, 49 bl.

<blz 208 | 191>

Maar, hoe kregenſe de lieden tot die dwaasheid, om ſoo verre uit hun land te gaan, vrouw en kinderen te verlaaten, ontelbaare gevaaren ſich te onderwerpen? Antwoord. Niemand kon ſaligh ſterven, die Syrie niet had geſien. De exclamatie, voor bovengenoemde Paus Urbanus, was: Deus vult, Deus vult, God wil het! Gemelde Æmilius, 4 lib. 152 pag. Merula, Tydtreſoor, 317 bl. En die op deeſen Gods wegh ſtierven, hadden volle vergeving van alle ſonden. Godfried, Hiſt. Chron. I D. 654 bl.

Eindlyk word dan ſoodaanigen Kruysvaart Bellum Sacrum, dat is, de Heilige krygh geheeten; de heiligheid, beſtaande, in het Weſten van menſſen te ontblooten; alleenlyk om hunne inhaalige ſchrokkigheid en ontembaare hoogmoed den vryen toom te geven. Boxhorn. Hiſtor. Univerſ. 649 pag. De heiligheid beſtaande, dat ontelbaare Chriſtenen, in het Ooſten hun eigen graf vonden, in het midden van onmenslyk moorden en gruwſaam bloedplengen; de geeſtlyke ſelf, met de krygsklaroen, het woeden aanſettende. Immers, hier ſagh men, helaas, ſoo veel bloed vergieten, dat'er de lykken in dreven en de paarden hun voeten ſpoelden! Maimburg, 3 D. 151 bl. Sleidanus, by bovengenoemde W. Goeree, op het ſelve, 158 bl. De heiligheid beſtaande, in roven en plonderen, branden en blaken, en dus niet om in deeſen heiligen oorlogh heiliger of godvruchtiger, maar wreeder en godlooſer te worden; blyvende terwyl ginder, gelyk wy boven aanroerden, de ſteden onbewoond, de landen onbeploegd. Pezelius, Mellificii Hiſtor. 3 Part. in Henr. IV. 557 pag. Joh. Lætus, Compend. Hiſt. Univ. 351 pag.

2.15.54 KUILENBURG

KUILENBURG, anders Civilenburg; quanſuis, naar Klaudius Civilis 'er naam voerende. Rykius, over Tacitus, 3 Hiſtoriar. 23 cap. behalven Pontanus, &c.

A. 1271, wierd haar grond gekocht door Heer Hubrecht van Boeſichem. Origines Culenb. by Matheus, Analector. VI Tom. 242 pag. alwaarom Slichtenhorſt (Geld. Geſchied. 1 B. 7 bl.) verwerpt het ſeggen van Pontanus, willende dat het een jonger ſtad is, en ſoo hy ſchryft (let op de geduirige verſchillentheden!) ontrent A. 1164 of 1172, het werk van eenen Rudolf van Boeſichem, en daar om, in een kuil of laage landſtreek gelegen, Kuilenburg genaamd. Siet hem, 1 B. 52 bl.

Aangaande haar kaſteel (het geen we uit die van Rochman genoomen, u hier vertoonen) de ſtichter was Hubert van Boeſekom, die, A. 1281, het ſelve aan de gr. Reinoud van <blz 209 | 192> Gelder verkocht. Slichtenhorſt, 52 bl. Is naderhand, door Jan de III, gr. van Kuilenburg, vertimmerd. Deſelve, 56 bl. doch de ronde tooren is van Gerrit van Kuilenburg. Matheus, in de gemelde Origin. Culenb. 272 pag.

Die meer van Kuilenburg (ſegt, met Heda, toch geen Caſtrolacus of Suilenburg) begeerd te weeten, ſie naar deeſen Heda, 7, 223, 244 & 314 pag. Meurs, XVII Provinc. 374 bl. alwaar gy mede ſult vinden, dat deeſe ſtad, A. 1555, door keiſer Karel de V, is een graafſchap geworden.

2.16 L

L.

2.16.1 LAAR (Suid Holland)

't Huys te LAAR; is in Poelwyk gelegen, in Suid Holland. Ouden Hove, Suid Holl. 412 bl. uit het Anniverſarium Carthuſianorum. Weet'er niets af te ſeggen; het geen me ontrent meer Heeren Huyſen gebeurd.

2.16.2 LAAR (Sticht)

LAAR; een dorp, tuſſen Hilverſom en Blarikom, in het Sticht van Uitrecht; waar ontrent is het LAARDER kerkhof, van de eenvoudige Roomscatholykjes, met groote devotie beſocht. Sie Viſſchers Nieuwe Kaart van het Sticht.

Men ſou wel eer hier een kerk oprechten, ſeggenſe, maar een brooddronken duivel, alles breekende en omwerpende, verhinderde telkens het goede werk.

Doch, waarom hier juiſt een kerk? mogelyk vondmen eenige ſchaapjes, in het veld neerknielende, rondsom een neergevallen of weghgeworpen Hoſtie; gelyk, by myn grootvaders tyden, ergens in het landſchap Drenthe is voorgevallen. Mogelyk is hier een mirakuleus Lieve Vrouwen beeld aan een boom ondekt; gelyk onſe Liê Vrouw van den Eik, te Merefelt; of Onſe Liê Vrouw aan de Linde, te Ooſterwyk; beide in Braband. Of mogelyk hoordemen byen, mirakuleuſlyk ſingende in haar byekorf; gelyk te Kouwenwater, ook in Braband; alwaar men, A. 1434, het klooſter van S. Brigitte ſtichtte, op een plaats, alwaar de biekens een kerksken in haar korfken, al ſingende, hadden opgemetſeld. Dit is geen raljery noch achterklap, genegene Leeſer; gaa weder tot Oudenhove, Beſchryv. van 's Hertogenboſch, 29, 37 en 54 bl. hebbende ſich bediend van Fr. Aug. Wichmans, Brabantia Mariana, of, van de Liê Vrouwe Beelden in de Meyerye van den Boſch; en Dionyſ. Mutſart, Kerkelyke Gefchiedeniſſen onſer Nederlanden, 2 Deel.

<blz 210 | 193>

Maar facht! het is uitgevonden. Sy noemen het S. Jans kerkhof. Dus ſal dit ſyn een kerk geweeſt van S. Jan den Dooper, anders de Boetgeſant, door de gulde veerſen van onſen Vondelens foo verheerlykt.

2.16.3 LANDERYEN

LANDERYEN; in het gebrooken Holland van een ſeer verſchillenden aart; hebbende hier, lichter of ſwaarder klay; daar weder gul ſand of veen, darrie &c. Maar,

A. 1460, of daar ontrent, heeft men uitgevonden de hooge en ſandige landen te verlaagen en tot bequaame ſaai- en weilanden bequaam te maaken. Ontrent welken tyd men ook te Soeterwou, by Leiden, heeft geleerd het toemaaken der ſchraale en verkoude landen. Alkemade, Gravemunt. 150 bl.

Van het bourlekyksland ſprakenwe, 143 bl. en daar ſal meer geſegt worden, op de letter T, in Turf, of letter V, in Veenen.

2.16.4 LANGERAK

LANGERAK; een ſeer oud Huys in Langerak, onder Nieuwpoort, op de Lek, in Suyd Holland; door Rochman, in 2 Geſichten vertoond. Ouden Hove, Suid Holl. 302 en 412 bl. Goudhoeve, 78 bl. Meurs, XVII Provinc. 455 bl. uit Boxhorn. Stedeb. 44 bl.

Van haar geſlachtboom, uit de Teilingens voortgeſprooten, ſchryven Oudenhove, op het gemelde 302 bl. en Van Leeuwen, Batav. 999 bl.

2.16.5 LAUWERS

De LAUWERS, of de Lavica; een watertje, in Frieſland, ontrent de Frieſſe Paalen aanvangende, en dus, verby Visvliet en Monkeziel, in zee ſich ontlaſtende. Sie weder Viſſchers Kaart, van Frieſland.

Is een ſeer oude grensſcheidinge van Frieſland en Groningerland. Sie 't Landkaartje van Ubb. Emmius, lib. de Agro Friſiæ.

Maar onſen braven Scriuerius is echter hier geweldigh het ſpoor byſter, ſchryvende (in de Inleid. fyner Graven, 56 bl.) dat de Lauwers tot Dokkom is loopende; daar Viſſchers Landkaarten, ſoo van Groningen als Vrieſland, u ſonneklaar aantonen, dat, tuſſen Dokkom en de Lauwers, ter techter ſyde, ten minſten een ruimte van wel 3 uiren ſich breid.

2.16.6 LEA

LEA, Ea of Ye; is een watertje, in Frieſland, langs de Waart of Weert (ſie boven, 14 bl.) een hoogte in Leeuwerder-Aa deel; van welke de ſtad Leeuwarden haar naam bequam. Sim. Abbes Gabbema, Beſchryvinge van Leeuward. 5 bl.

2.16.7 LEAWERD

<blz 211 | 194>

LEAWERD, aed Leeuwerd, Lieuweweerd of Leeuwarden; het vermaarde hoofd van Frieſland, een volkryke ſtad; ſynde de dorpen van Oldenhove en Hoek, A. 1432, daar aan vaſt gehecht; omringd met ſchoone Huyſen van adelyke Geſlachten, als; Kamminga, Kamſtra, Burmanja, Unia, Martena, en Minnema. Meurs, XVII Provinc. 2 Deel. 894 bl.

Doch die van deeſe ſtad meer omſtandigheden begeert te weeten; gaa tot gemelde Geſchichtſchryver, Gabbema, behalven Guicciardin. Belgicæ Deſcription. 3 Part. 248 pag. ook aldaar van Swichem gewagende, de geboorteplaats van Viglius Suichemus, ſelf in de Neerlandsſe Medalikaſſen bekent, met het Sinnebeeld van een brandende kaars, tuſſen een boek en een ſandloper, op een tafel; geteekend; VITA MORTALIUM VIGILIA, 's menſchen leven is een geduirigh waaken.

2.16.8 LEERDAM

LEERDAM; een ſlot, al over lange jaaren, een ruiin binnen de ſtad van deeſe naam, in den Lande van Arkel en Altena. Goudhoeve, 86 bl.

Wat nu de ſtad aangaat, ſy is, in het vierkant, gelegen niet verre van Aſperen (waar van, 23 bl.) aan de Linge, van welk water ſy haar naam ontleend: want, by verkortinge, noemt men Lingerdam heden ſlechts Leerdam.

A. 1150, gaf Jan de IV, Heere van Arkel, deeſe landſtreek aan ſyn loon Folpert, die, A. 1167, met Pelgrom, ſyn ſoon van een duivel wierde weghgevoerd. Dit gelooft al weer de leeſer niet? Ik ſal geen Stoke, geen Goudhoeve, geen Slichtenhorſt, maar alleen die boertende broodbakker, Van Spaan, u voorleggen; let hoe koddigh hy dit ſtukje verteld, in ſyn Beſchryv. van Rotterd. 3 H. 72 bl. alwaar hy, uit Wachtendorps Rymchronyk, ook van het ſpooken, na Folperts omkomen, in het gemelde ſlot gewaagd.

A. 1492, is Leerdam, door een huwelyk, gekomen aan het Huys van Egmond; A. 1410, Heer Jan van Egmond trouwende Maria van Arkel. Boxhorn. Stedeb. 302 bl.

A. 1496, hebben de Gelderſſe deeſe ſtad vermeeſterd, de Hollanders beoorlogende; doch Albrecht; hert. van Saxen, deê deſelve, door een verdragh, daar weder uit vertrekken.

A. 1558, gaf Anna van Egmond, ſtervende, Leerdam, aan Philip, haar ſoone, prins van Oranje; die weder, A. 1618, ſtervende, het ſelve ſyn broeder Maurits heeft naagelaten. Deſelve Boxhorn. 303 bl.

2.16.9 LEENRECHT

<blz 212 | 195>

LEENRECHT; volgens Grotius (by Soeteboom, in de Saanl. Arkad. 311 bl.) is een erflyke onſplitsbare togt op iemands ontilbaare goederen, met een onderlinge verbintenis; van ſchut en ſcherm aan de eene, en plicht van Manſchap en Heergewaden, aan de andere ſyde.

Het manſchap of hulde (van welken ook de vroome Gysbrecht van Amſtel boven is ſpreekende, 90 bl.) is een eed, waar by de Leenbeſitter ſich verbind ſyn Heer getrouw te ſyn, desſelves voordeel te ſoeken, in alle Heirvaarten, tot beſcherminge der paalſteden, hem te helpen en by te ſtaan; of ook wel buiten de paalen, ten tyde van een oorlogh. En dit heette men het Landweer.

De Heergewaaden ſyn vereeringen, die de Leenman aan ſyn heer en meeſter is verſchuldigd, ten tyde van verley.

Sy beſtaan, in een valk, handſchoenen, &c. volgens het aangeteekende, op het 128 bl.

Nu ſyn 'er Erſleenen, Leens-leenen en Achter-leenen, Leens-leenmannen of mans mannen, &c. alles weder ſpringende buiten onſen bepaalden omtrek. Gelyk boven, 151 bl. de jagerwetten, ſoo laat ik dit van de Leenen weder aan de Rechtsgeleerde, als; Hugo de Groot, Inleidinge tot de Hollandſche Rechtsgeleerdheid, 2 B. 41 Deel. Pieter Bort, van het Hollands Leenrecht; welke laatſte (3 H.) het begin der Hollansſe Leenrechten ſet op de tyden van den Hoeksſe en Kabeljauſſen tweeſpalt.

2.16.10 LEEUW

LEEUW; weleer in het wapenſchild der Frankiſche koningen; volgens Hunibaldus, Batav. 176 pag. en in die der Neerlandſſe prinſſen, optrekkende in den heiligen kruisvaart; van welken, 189 bl. volgens Munſterus, Coſmograph. 2 lib. 124 pag. alwaar om ook Oudaan van de Leeuwen ſpreekt, ontrent Jan van Henegou, boven, 156 bl.

Dus hebben niet alleenlyk verſcheidene der XVII provincien, Leeuwen in haare wapenſchilden, als; Holland, Zeeland, Overyſſel, Gelderland, Frieſland, Uitrecht, Henegouw, Lutzenburg, Namen, &c. maar ſiet ſelf alle de gemelde, in den omtrek van een Leeuw begrepen, by Strada, van den Neerlandſchen oorlogh; gelyk het ſelve ook aanteekend Guicciardyn, 1 lib. 7 pag. uit Michael Aitſingerus van Ooſtenryk.

Immers voerd Holland een Leeuw, of met een ſlagſwaart en een bundel pylen, of vaſthoudende de vrye hoed, op een ſpeer geſet, binnen een Thuintje. Siet onſe gangbaare <blz 213 | 196> dubbeltjes en allerlaatſt gemunte Doiten, en lees Parival, Vermaak van Holl. 204 bl.

Maar, quamje wel immer te vooren, dat hertog Karel de Stoute by ſich ſelven een beſluit had opgevat, van alle de XVII Provincien onder een koningryk te betrekken, het geen de naam van Leeuw ſou voeren? van het koningryk hoor Karel ſelf gewagen, by meergenoemde Verhoek, Treurſpels 4 Bedr. 5 Ton. 45 bl.

Gy vorſten, die 't geluſte om myn gebied te ſien, Nu treetge op Zeelands grond, een graafſchap; kon 't geſchiên, En ſagh ik kans 't verſchil van ſeden, taalen, wetten, En vryheên van elks land op eene wys te ſetten, Gantſch Neerland ſaagtge in een groot koningryk herſchikt; De wapenſchittring, die my ſteeds in de oogen blikt, En Franſſe liſten ſyn 't, die myne toeleg ſt[a]tten.

Het bewys van de naam Leeuw, is tegenwoordigh my niet by der hand; maar merk ondertuſſen aan, dat de Leeuw, onder gr. Willem de I, op het Hollandſe geld, word allereerſt ontdekt; volgens getuigenis van dikwyls aangetrokkene Alkemade, Graaflyke Penningen, 41 bl. aldaar ook Meyer aanhaalende, die, ſoo wel als Munſterus, het voeren der Leeuwen, op hunne ſchilden, de Neêrlandſche Kruisvaarders toeſchryft.

Maar, ſacht hier! de liefde der Medalikunde wil niet dat ik onſe Neerlandsſe Leeuw ſoo ras verlaat. Sy legt me drie ſinnebeelden voor, die ſe by deeſe plaats wil hebben ingelaſcht,

I. De koning van Spanje, nevens den Paus ſtaande, bied onſe Leeuw den olyftak, maar houd in ſyn ſlinkerhand een halsband gereed, om hem vaſt te ſluiten. De woorden ſyn: LIBER REVINCIRI LEO PERNEGAT; dat is, de vrye Leeuw weigerd weder geboeid te worden.

Op het ruggeſtuk, legt onſe Leeuw, aan de pilaar der Inquiſitie vaſtgebonden, terwyl een muysje (verſtaa pins Willem de I) den halsband komt aan ſtukken byten. Het opſchrift is: ROSIS LEONEM LORIS MUS LIBERAT; dat is, de muis verloſt de Leeuw, door 't knagen van de zeelen. Siet de Medal. Hiſtor. 37 bl. op het jaar, 1579.

II. Maar deeſe volgende, van Lodewyk de XIV, is voor een Neerlands hert ondraaglyk, edoch met eene beſpottelyk. De afgevilde huyd van de Neerlandsſe Leeuw hangt, nevens der Staaten Pylen, aan een geknotte boom, met een <blz 214 | 197> muirkroon gedekt. Beneden ſit het ſchreijende Nederland, tuſſen een neerliggende koe en een viſſchers ſchuitje; met deeſe trotſe en onwaare byſchriften, boven; ULTOR REGUM; dat is, de wraak der koningen; en beneden; BATAVIA DEBELLATA MDCLXXII. Het door den oorlogh verwonnen Holland, of (liever in het algemeen genoomen) Nederland. Sie de [Schauwmumzen] uber die regierung Ludwig des Groſſen, 25[1] bl, op het jaar 1672, ſynde, in de verbeeldinge, wel de ſ[in], maar niet de f[es]ikkinge, met de myne gelyk.

Doch, wy ſetten dat by ſyn andere opſchriften. I. EXPEDITIO BATAVICA; de veldtogt tegens de Hollanders. II. PERRUPTIS BATAVIÆ CLAUSTRIS; de paſſen van Holland hebbende doorgebrooken. III. BATAVIA, VICTORIIS PERAGRATA; Holland met verwinning[en] doorgereiſt. IV. CASTRIS BATAVORUM CAPTIS & DIREPTIS. De legerplaats der Hollanders ingenoomen en geplonderd. V. INCENSA BATAVORUM CLASSE; de vloot der Hollanders hebbende verbrand, &c. Siet het gemelde Boek, met ſeer valsſe en alleen pluymſtrykende byſchriften opgepropt.

2.16.11 LEEUWEN

Te LEEUWEN; een Heeren-Huys te Alphen, in Rhynland, al genoemd, A. 1450.

Sy [ſaa]gh twee paar oude ſwaanen, met de jongen, tuſſen Swammerdam en Leiden, in den Rhyn voeden; en dit ſelve, voor een rooden ſperwer of een ſtoop wyns, verheergewaaden; Van Leeuwen, Inleid. der Koſtuym. van Rhynl. 50 bl. Batav. 1261 bl.

Breng dit by het aangeteekende van de Leenrechten, 195 bl.

2.16.12 LEEUWENHORST

LEEUWENHORST; een abdy by Noordwyk, onder Leiden, A. 1262 geſticht. Junius, Batav. 569 pag. Thaborita, by Matheus, Analector. VI Tom. 91 pag. Van Leeuwen, Batav. 1313 bl.

De Afbeeldinge ſal u voorkomen by meergenoemde Pars, Katw. Oud. 454 bl.

Was een edel-Jufferen geſticht van de order der Ciſterſienſers; niet ſoo groot en ſoo ryk (ook 130 jaaren jonger) als de abdy van Rhynburg, in den Spaanſſen oorlogh, door het vuir verwoeſt. Deſelve, 455 bl. welken, of een ander, ik het wydloopigh talmen van de Hollandsſe Abdyen geheelyk overlaat.

2.16.13 LEEUWESTEIN

LEEUWESTEIN; een Heeren-Huys by Voorburg, in Rhynland. Van Leeuwen, Batav. doch weet de plaats voor deeſe reis niet te vinden.

2.16.14 LEIDEN

<blz 215 | 198>

LEIDEN; hier moet ik Orlers en Van Leeuwen aanſpreeken, om een bequaam uittrekſeltje; byſonderlyk verplicht, om dat aldaar, van 1670 tot 1672, onder den Heer, Prof. Franciſ. de la Boë Sylvius, myn Geneeskunde tot haar volkomentheid is opgegroeid. Doch laat eerſt hier de Hr. Huygens den Prologus van myn aanteekeningen opſingen:

't En waare 't nydigh duin of 't Rhyns verdwaalde ſogh, Ik waar, ſpyt andere, de grootſte Rhynſtad noch, Om, nevens Katwyk, uit myn wraake te gaan haalen Van 't Arragonſch geweld. Hoe ſouden ſy 't betaalen, Die, op myn allerweekſt, voor 't ſtuyvende gerucht Van een verrotte muir, verſtooven in de vlucht! Nu, doen ik 's meer van verr', nu doen ik ook te Romen Myn waare weetenſchap, myn wyſe waarheid ſchroomen. Krabt, ſwarte Fariſeên, krabt, ſnoodſte die ik ken, 't Syn ſcherpe nagelen, die 't meer ſyn, als myn pen.

Om, als vooren, deeſe ſtoſſe in het kort te behandelen met verdeelingen, ſal myn Iſste aanteekeninge ſyn over de Naamreden. II, over de ſtad. III, over de krygsgevallen. IV, over de Burg. V, over de Dorpen, Abdyen en Sloten rondſom Leiden. VI, over het Woud ſonder Genade. en VII,over de Rhyn, door de ſtad loopende.

I. Leidens Naamreden is wonderlyk verſcheiden. Siet hier een geheele bundel van ydele giſſingen:

  1. Lugdunum; van dun, een oud Keltiſch woord. Van Leeuwen, Batav. 172 bl. Beteekenende een berg (boven, 70 bl.) en lucus, 't Heiligh woud of het woud ſonder Genade; van welke mede boven, 38 bl.
  2. Van luch, een wachttoren.
  3. Van lough of loegh in het Keltiſch; ſynde eenige behuyſingen, by een gemeene kerk geſet. Alting, Notit. 1 Part. 87 pag.
  4. Van lugus, een raaf; aangeſien men hier veel ravens ſagh op het leggen van de grondſlagh. Plutarchus (niet de Levenſchryver der Doorluchtige Grieken en Romeinen) libr. de Fluminibus.

Maar, hier is niet ſeekers. Siet Matheus, Analector. VI Tom. 1 pag. Kluverins, Rhynmond. 2 D. 15 H. 3 bl. Boxhorn. Stedeb. 169 bl. eenen Klitipho aanhaalende ontrent de benaaminge van Lugodunum, dat is, Ravensberg, by Van Leeuwen verworpen, Leid. Nader Bewys, 414 bl.

<blz 216 | 199>

II. Wat de ſtad aangaat, gy hebt daar S. Pieters en S. Paulus kerk, geſticht, A. 1121; de Hooglandsſe kerk, S. Pankras toegewyd, A. 1315; de Academie of Hooge School, door Prins Willem de I, A. 1575, ingeſteld; de Anatomie of Ontleedkamer; de Bibliotheek of Boekſaal, &c. Van welke alle Orlers, Leid. 1 D. 92 en 103 bl. en Van Leeuwen, Leid. 30 en 49 bl. &c. deſelve in cierlyke Printverbeeldingen u voor oogen ſtellende.

III. Nu weer een weinighje van Leidens oorlogsrampen. A. 1419, heeftſe een ſwaar belegh geleden, in den oorlogh van Jan van Beyeren, en biskop Frederik. Boxhorn. Stedeb. 191 bl.

A. 1574, wierdſe, naa 't veroveren van Haarlem belegerd door de Spanjaarden, onder Francis de Valdes, Valdeus, Baldeus of Baldes. Het belegh en het ontſet ſyn ieder al te bekend, om veel omſtandigheden hier te gebruiken. Behalven by Orlers, hebt gy de ſaak by Hoofd, Grotius, Strada, Van Meteren, Goudhoeve, en ontelbaare andere. Ik rep nu van geen Medalien, ter gedachtenis van dit Ontſet geſlagen. Kan echter niet wel verbygaan eene onder de ſeldſaamſte; dragende, aan de eene ſy, het borſtbeeld van den burgemeeſter Van der Werf, met deeſe woorden: PETRUS ADRIANI WERFIUS. NAT. L. (te Leiden gebooren) 1529. OBIT. (overleed) 1604. Maar op de andere ſy, onder een palm- en en lauriertakje, binnen een ſlange-ring; en boven de ſtad, volgend puntdicht:

Dits VANDE WERF, die Leidſen held, Diens taai geduld het Spaans geweld Manmoedigh keerde van de veſten; Als peſt en honger 't hert beſtreed, En 't muitend volk geen uitſtel leed, Bood hy ſyn vlees en bloed ten beſten.

IV. Tot de Burcht my keerende (van buiten en van binnen alhier ten toon geſteld) merkte ik, A. 1705, den 4 Juny, haar aan als een nieuw geſtel met oude lappen omhangen. Immers ſyn 'er de oudere moppen, een voor een, en wel met voordacht, ontrent 35 openingen, de meeſte naar buiten, ingemetfeld.

Is nu ſlechts een geheugenis (en met eene een teeken van geſagh der Heeren Waſſenaaren, Burggraven) van een geſloopt <blz 217 | 200> kaſteel. Hoe? ſou ſulk een ronden romp het beuken der blyden en andere ſtormtuygen konnen uitſtaan? Oudaan, Inleid. tot de Roomſſe Moog. 25 bl. Scriverius, in de Toetsſteen over den Gouwenaar, 210 bl. Wie ſou daar op bequaamelyk konnen woonen, gelyk van de Heeren Waſſenaaren dit word verſeekerd. Deſelve, 211 bl.

Voorts word deeſe toorn, 150 ſchreden in haar omtrek, aan de Z. O. ſyde, met 68 trappen beklommen; ſynde haar muirwerk, te weeten, op den heuvel, hoogh 21 voeten. Van Leeuwen, Leid. 44 bl.

In het binnenperk ſietmen een diepe put; waar door, volgens de praatjes van 't gemeen, men naar Katwyk kon gaan om viſch te haalen. Scriverius, Batav. 26 bl.

Van binnen aan de muir, hebt gy een gangpat; op 21 bogen hangende; van welke men niet alleenlyk de ſtad, maar ook veel dorpen en luſtplaatſen beſcheidentlyk magh beſchouwen, Orlers, Leid. 1 D. 84 bl. Parival, Verm. van Holl. 48 bl.

Ondertuſſen geloven de rechtſinnigſte Hooge Schoolgeleerde, dat het oude ſlot geenſins, A. 400, door de Frieſſe of liever Engel-Saxiſchen, Hengiſtus of jonker Hengſt; maar, ten minſten 20 jaaren voor 's Heeren geboorte, van de Romeinen is aangeleght. Orlers, 82 bl. Scriverius, 26 bl. Van Leeuwen, Voorred. 8 bl. Beſchr. 42 bl. Bewys, 330 bl. Guicciardin. 107 pag. Junius, 451 pag. &c.

Deeſe Burg of Toren heeft, A. 1651, den 17 April, de prinſſe de Ligny, Heere van Waſſenaar afgeſtaan, en, met den Burggraaflyken titel, nevens alle gerechtigheden, aan den Stad en Raade van Leiden verkocht. Siet het Gedenkſchrift, aan de poort van den opgang ſlaande, by de genoemde Van Leeuwen, 48 bl.

Maar, terwyl ik oordeel dat deeſe ronde Burg een nieuw gebouw, van ſaamengeraapte ſteenen is, ſoo twyfel ik ook met eenen, of ſe boven op den gemaakten heuvel is neêrgeſet; dan of deſelve tot op de vlakte van de ſtad is doorgaande, het aardryk daar tegen aan ſynde geworpen; gelyk Van Leeuwen en Oudaan geloven, deeſe in meermaalen aangetogene Inleid. 26 bl. en die, Leid. 44 bl.

Want het is wel ſeeker, dat deeſe ſterkte een andere gedaante en een ruymer omtrek had, toenſe wierd bewoond en 'er Ada van de Kennemers ſich op ſag belegerd. Siet boven, in Ada, 7 bl.

<blz 218 | 201>

Dit ſy ſoo verre van den Leidsſen Burgh, welke Van Leeuwen perfors voor een oud kaſteel wil doen doorgaan, ſie de Voorrede, 9 bl. Beſchryv. 44 bl. en bewys, 479 bl.

Ondertuſſen is dit nevensgaande Binnen-geſicht wel eer door Biſchop geteekend, en van J. Goeree, op deſelve grootte, gelyk men het noemt, gecopiëerd.

V. Behooren, onder Leiden, de magtige abdye van Rhynburg; van welke, in de letter R.

Oeſtgeeſt Sie beneden in O.63
Noordwyk Sie beneden in N.
Roomburgh Sie beneden in R.
Alphen Sie boven in A, 11 bl.
de Katwykken Sie boven in K, 169 bl.
Huys te Britten Sie boven in B, 45 bl.
Valkenburg Sie beneden in V.
Saſſem Sie beneden64 in S.
Kaukerk Sie boven in K, 170 bl.
Leeuwenhorſt Sie boven in L, 197 bl.
Does Sie boven in D, 63 bl.
Raaphorſt Sie beneden in R.
Teilingen Sie beneden in T.
Poelgeeſt Sie beneden in P.
Swieten Sie beneden in S.

VI. Het Woud ſonder Genade is al gevonniſt, 38 en 122 bl.

VII, eindlyk van den Rhyn en ſyn opſtoppinge is ter loop geſprooken, 45 en 47 bl. en men ſal noch omſtandiger bericht geven, in de letter R.

2.16.15 Jan Gerbrands Van LEIDEN

Jan Gerbrands Van LEIDEN. Gelyk ik dit myn werkje ſlechts voor een enkele Bloemleeſinge, (dat, al leeſende en aanteekenende, dagelyks vermeerderd en vergroot kan worden) en niet voor een volſlagen werkſtuk u word aangeboden, ſoo ſal ook uw beſcheidenheid my toelaaten niet alle Neerlandsſe Geletterde, maar alleenlyk eenige oudere aan te merken, Ondertuſſen u wyſende naar Goudhoeve, Lyſt van Geleerde Nederlanders, 217 bl.

Broêr Jan dan, van Leiden, was een geleerd en naarſtigh man en een welſpreekende prediker; Prior of prieur der Karmelyter monikken, binnen Haarlem, alwaar hy is overleden, A. 1504. Van Leeuwen, Leid. 184 bl.

Schreef onder andere in het Latyn, een chronyk van <blz 219 | 202> Holland; van Joh. Trithemius, abt van Spanheim en de Boekſaalſchryver Geſnerus, genoemd en geroemd, Orlers, Leiden, 1 D. 337 bl.

2.16.16 LEYENBURG

LEYENBURG; een Heeren-Huys in den lande van Arkel en Altena, niet verre van Heukelom. Heb hier af niets.

2.16.17 LEK

LEK; in ſeeker oud Geſchrift geheeten Lagbeki, wel eer alleenlyk een geringe beek, en naderhand ſeer wyd en uitgeſtrekt; doende de middel Rhyn vermageren en uitteeren. Matheus (wiens verdienſten ontrent onſe Landſaaken my gebieden hem meermaalen te noemen) de Nobilitate, 2 lib. 186 pag. uit Buchelius, over Heda, en wederom, 204 pag. uit Hortenſius.

Dus is die ſmalle verleidinge allenskens een groote rievier geworden. Junius, Batav. 107 pag. en een wyde gracht; te weeten, brengende de Rhyn in de Maas, ontrent het dorp Krimpen. Van Leeuwen, uit Kluverius Batav. 164. en 586 bl. Siet Viſſchers groote Kaart van Holland.

Was het brave werkſtuk van den kloeken Klaudius Civilis (onder de keiſeren, Nero, Galba, Otho, Vitellius en Domitianus levende. Sie boven, 50 bl.) welke, by Wyk te Duirſtede, den dyk liet doorgraven. Dio, Hiſt. 60 lib. Tacitus, Hiſt. 5 B. 14 H.

Doch, hier hebtge weêr het ſchermen der Geletterde. Slichtenhorſt, 4 B. 40 bl. Van der Houve, Handveſtchron. 3 D. 44 bl. Kluverius, Rhynmond. 1 D. 230 bl. Rykquius in Tacitum, 134 en 466 bl. gelovende, met Ortelius en Pontanus, deeſe Lek de vermaarde Corbulonis Foſſa te ſyn, van welken wy, 180 bl.

2.16.18 LEM

LEM; de vader van kon. Eſeloor en de ſoon van kon. Dibbalt, quanſuis de grondlegger van de ſtad Haarlem; gelyk wy ook getoond hebben, 123 bl.

Deere gewaande ſtichter word evenwel noch gehandhaafd van de geleerde Bokkenberg (Batavor. Reg. 98 pag.) tegens Junius, (Batav. 423 pag.) en Soeteboom (Saanl. Arkad. 61 bl.) hem Willem noemende; als of de lettergreep Wil deeſe Heer Willem of Wildelem allenskens waar ontvreemd. Dus is dan Haarlem /Willem/​ſtad, gelyk elders /Philips/​ſtad, /Karels/​ſtad, Chriſliaan/​ſtad, &c. Syn dit geen mooye dingen? immers, het jammerd my ſyn naam by /Antonides te vinden. Sie boven, 25 bl.

2.16.19 LEUSDEN

LEUSDEN; een ſeer oud dorp, tuſſchen Amisfort en haar hoogtens, Weſtwaart; wel eer Loisden en noch vroeger Liſidunum geheeten; daar andere, en wel ſeer qualyk, <blz 220 | 203> af maaken Lynden, in de Betuwe. Buchelius, in Hedam, 42 pag. by Matheus, in Not. ad Amisfurt. 5. pag.

A. 1707, den 24 Jul. komende van Amisfort, en daar op de luſtplaats Ramsbroek hebbende beſichtigd, namen wy hier onſe pleiſtering. Het was een ſchraal dorp. Het kerkjen, als ſeer oud, had beneden vry groote moppen. Dit gaf me een genoegen in het omwandelen. Doch wy waaren het hier haaſt moede en trokken op naar Seiſt.

2.16.20 LIE

LIE; een gering watertje ontrent Haarlem, ſyn oorſprong nemende uit het Spirnermeer, en in het Sparen eindigende. Oudenhove, Haarlems Wiegh, 26 Bedenk. 99 bl.

Was weleer een groot water, aan welke het ſoo genaamde Pennings-veer; door Eſaias van de Velde, in een Printverbeeldinge, gemeen gemaakt.

2.16.21 LIESVELD

LIESVELD; een oud Stamhuys, door Rochmans in een Geſicht gebracht, is van een ſeer vaſt muirwerk met een ronden tooren; tegen over Schoonhoven gelegen, aan de overſyde van de Lek, in Suid Holland. Junius, Batav. 516.

Placht een ſchoon kafteel te weeſen; geboud, A. 1042; doch naderhand, door die van Dordrecht, Gouda en Schoonhove, verbrand, hoewel naderhand ten deele weêr vernieuwd, en met een reigers-boſch vercierd. Goudhoeve, 78 bl. Oudenhove, Suyd Holl. 303 en 412 bl. Boxhorn. Stedeb. 94 bl. behalven Meurs, XVII Provinc. &c verleid, A. 1636, op gr. Willem Frederik, van Naſſau, ſtadholder van Groningen en Ommelanden, &c. Oudenhove, wederom, 304 bl.

2.16.22 LIEVENDAAL

LIEVENDAAL; een Heeren-huys, in het Sticht, tuſſen Rheenen en Amerongen, ontrent den ouden Rhyn; mede in een Geſicht gebracht, door R. Rochman. Verder, geen ſchryfſtoffe.

2.16.23 LINGE

LINGE, of het Lange Water, ook wel eer de Molenvliet geheeten; begint in de Opper Betuwe, ontrent Heuſſen, Angeren en Doornenburg. Heet mede de Liefde, by Leerdam, en vermengt ſich met de Maas en de Waal, te Gornichem; onder de naam van de Merwe daar verby loopende. Slichtenhorſt, Gelders. Geſchied. 1 B. 10 bl. Van Someren, Batav. 5 H. 43 bl. uit Gerard Noviomagus.

Van dit water word Leerdam eigentlyk geheeten Lingerdam; volgens het bovengeſchrevene, 194 bl.

2.16.24 LYKPLICHT

LYKPLICHT; hier af is boven al geſprooken, 63 bl. doch, gelyk ik ook aldaar aanteekende, men ſou noch meerder gewoontens daar ontrent konnen plaatsfen als:

<blz 221 | 204>

I. In Overyſſel plagtmen een groote lantaarn, ſonder licht aan de deur te hangen, alwaar een lyk boven aarde is ſtaande. Sie dit afgebeeld by Vander Veen, in ſyn Adams appel, 50ſte Sinnebeeld, 196 bl. Op deſelve wyſe, wierd, in eenige plaatſen van Brabands-Holland, een bundel ſtroo, by den ingang van een woning opgehangen.

II. Als de boedel van den overledenen niet was te betaalen, wierd de ſleutel op de kiſt gelegt, om weghgenomen te worden van die luſt hadde de betaalinge op ſich te neemen. Alkemade, in de Munten van gr. Albrecht 32 bl. ſprekende van de weêuw van de gr. van Blois, heere van Goude en Schoonhoven, ontrent A. 1397. Doch, ſiet ook Oudaan, boven in Albrecht, 10 bl. deeſe wys van ſeggen gebruikende.

2.16.25 LYNDEN

LYNDEN, of het Huys ter Lee; is gelegen in de Neder- Betuwe, tegen over Rheenen, niet verre van den Rhyn. Word in een Afbeeldinge gebracht in de Annales Genealogique de la Maiſon de Lynde; volgens onderrechtinge van meergenoemde Kornelis Kooten, my een afſchetſinge daar van overſendende.

Maar Buchelius, over Heda, in de 4de biskop, Albricus, 42 pag. noemt den Schryver van dit Boek een grooten logenaar; als, onder andere, (in een Geſchrift van A. 1683) Lynden en Leuſden verwarrende en bedrieglyk door malkanderen mengende. Sie boven, in Leuſden, 202 bl.

2.16.26 LIMMEN

LIMMEN, of Lymben; is eene der oudſte dorpen van Noord Holland; hebbende een ſeer oude kerk, ſooſe kallen, ſelf van de reuſen gemetſeld; wel eer weghgeſchonken aan de S. Martens kerk van Uitrecht. Van der Woude, Alkm. 134 bl.

A. 740, is het ſelve, ſoo men ſegt, door Radboud, heer van Egmond, in haar vervallenheden vernieuwd. Saanl. Arkad. 2 B. 82 bl.

Sie Limmen in Viſſchers Landkaart, tuſſen Heemskerk en Heiloo.

2.16.27 LIPS

LIPS; in Rhynland, by Voorſchoten, tuſſen Delff en Leiden, ontrent Sandhorſt en Raaphorſt, anders geheeten het Huys te Wyngaarden; in de Leenbrieven genoemd, A. 1412, Goudhoeve 81 bl. Van Leeuwen, Rhynl. Koſtuim. Inleid. 31 bl.

2.16.28 LIS

LIS; ook door Rochman afgeteekend. Geeft my mede geen ſchryfſtoffe. Het dorp is tuſſen Leiden en Haarlem, of wel tuſſen Saſſem en Hillegom, gelegen. Siet het <blz 222 | 205> Proviſioneel Concept over de Bedykinge van het Haarlemmer meer, door Jakob Bartels Veris geinventeerd.

A. 1705, den 30 Mey, dit dorp doorryende, beyond ik haar ſtompe toren, geheel van duifſteen, met een laage kap gedekt.

2.16.29 LOENEN

LOENEN, of Lonen volgens M. Stoke, in gr. Floris de V. 102 bl. en L[o]na, by Heda, in Alfrico, 51 pag. het oudſte dorp van het Sticht van Uitrecht, beſtaande daarom ook het choor van haar kerk van oude en ſwaare moppen. Wierd, A. 953, aan de kerk van Uitrecht geſchonken, door keiſer Otto de Groot. Alting. Notit. 2 Part. 116 pag.

Hier is eens een treffen of een gevecht voorgevallen; volkwyge geheeten, in de Soetſtemmende Swaan, 12 H. 50 bl.

Hier is ook wel eer de maan geëerd; ten minſten Schildius, (de Chaucis, 2 lib. 1 cap. 105 pag.) geloofd het dorp van Luna, dat is, de maan, te ſyn genoemd. Immers meend hy, ſoo wel als Lune/​burg, Haſe​/lunen, /Luni/​ngen.

Hier is ontrent ſtaande het oud Heren-Huys, Kroonenburg, van welke boven, 186 bl.

Eindlyk is hier niet verre afgelegen OUDERHOEK, de Luſtplaats van myn hooghwaarden Mecenas, den Heer, CHRISTIAAN VAN HOEK; aan wiens lieve ſoon, ANTONI VAN HOEK, ik, in het jaar 1701, het Derde Deel der verduitſchte Werken van Ovidius, met deeſe woorden heb opgedragen:

Een gryſaard, ſiek en moê van hartſeer op te kroppen, Verſonden, buiten ſchuld, naar Pontus kille kuſt, Komt herwaars en ſtaat hier voor OUDERHOEK te kloppen; Wees gy meêdogener met hem, als vorſt Auguſt; Het is Ovidius, ach, wil u toch erbermen, En hem aan 's Vaders haard voor overlaſt beſchermen!

Maar, op deeſe plaats juiſt van dit Ooge-luſt te ſpreeken, myn lieve Leeſer, laat u dat, bid ik, niet buitenſpoorigh ſchynen.

Ontrent OUDERHOEK ben ik genoodſaakt de ſelve woorden te gebruiken, waar mede wel eer Jakob Heiblok (ſiet ſyn Farrago, 87 bl.) het Huys te Manpad, buiten Haarlem, heeft aangeſprooken:

<blz 223 | 206>

O Manspad! uiterlyk in 't oogh, Meer waardigh innerlyk gepreeſen, De naam klinkt verr' en wyd en hoogh Van 't Huis, in ſchoonheid uitgeleeſen. &c. volgt dan het 3de couplett.   O binnenſaalen, hecht geboud, En hoogh, en breed en lang en deftigh, Van harde ſteen en duirſaam hout, Hoe valt myn ſucht, tot u, ſoo heftigh?   Dat 's licht geraên. 'T aanſienlyk hoofd Van 't huys, en hof en groene velden Myn ſinnen en begryp verdoofd, Als ik maar van ſyn naam wil melden.   En noch wat. Hier verſlyt ik meeſt De leêge tyd en oorlofsdagen, In ademſchepping van myn geeſt, Die my noch al te kort behagen.

En wilje noch al meer? Hier ruſt het werk van Roeland Roghman; ſyn Sloten en Adelyke Huyſen, in groot plano geteekend in de jaaren, 1646, 1647, &c. van den bovengenoemden Heer gekocht, alleen om my: te weeten, op dat ik, by ledige tyden, ſyn E. geſelſchap houdende, daar mede my mogt vermaaken, en in myn voorgenoomene ſchryfſtoffe deſelve gebruiken.

Heeft dit dan geen reden genoegh, om de Naam van deeſe treffelyke Landhoeve by LOENEN te ſetten? Wiens oor ſou 't konnen verveelen, myn overtuigde dankbaarheid te hooren uitroepen?

Hoor OUDERHOEK! hoor, myn beminde, By wien 'k alleen myn welluſt vinde, En daar myn ſiel ſoo gaaren gaat; De Beverwyker wandeldreven En Haarlem moeten 't my vergeven, Myn leven hangt aan deeſe draad!

2.16.30 LOENERSLOOT

LOENERSLOOT; door Vinkebooms en J. Leupe in <blz 224 | 207> verſcheidene tyden uitgegeven, word ook, van gemelde Rochman, in 2 Geſichten, vertoond.

Word, in het Inventarium, of Blaffaart der kerkelyke goederen van Uitrecht, geheeten, Lonaralaca, by Alting, Notit. 2 Part, 116 pag. en Boxhorn. Stedeb. 23 bl.

Is gelegen, boven Baambrugge, aan den trekvaart; hebbende (gelyk ik aanmerkte, den 20 Decemb. A. 1704.) alleenlyk het gebouw haar ſydmuir aan de vaart, en eene ronde toren, veldewaarts.

Doch behoorde onder het gemelde dorp Loenen; volgens de Blaffaard van A. 866, waar in word geſprooken van een lap lands, alhier, door den gr. Rotgatius, aan S. Marten, te Loenen, vereerd.

Van den ſtichter weet ik niet te ſeggen; maar wel dat, A. 1378, de Hr. Splinter van Loenerſloot (mogelyk is hy of de bouwer, of de vernieuwer) wierd op dit Huys belegerd: deeſe Splinter, ſynde een baſtaard van den Hr. van Nyenrode, die, A. 1417, om het leven quam. Beka, in Appendic. 125 pag. Heda, in Arn. II. 258 pag. Goudhoeve, 103 bl. behalven Voſſius, &c.

Deeſe belegering wierd gedaan en uitgevoerd, door bisk. Arend van Hoorn, Heer Willem van Abkoude en Heer Sweer van Gaasbeek, nevens hunne aanhangelingen. Buchelins in Hedæ Arn. 259 pag. behalven de genoemde.

A. 1436, kocht Heer Boudewyn van Swieten het Huys te Loenerſloot.

A. 1490, kocht het Heer Antoni van Amſtel-Mynden, van deeſen Hr. van Swieten. Korn. Kooten, in ſyn Geſchrevene Uittrekſelen en Verſamelingen.

Ondertuſſen hebben wel eer ook de Romeinen hier ontrent huysgehouden. Buchelius bewyſt het (in Hedam, Hiſt. 4 Cap. 13 pag.) met een ſteenen doodvat, alhier opgedolven; hebbende in het opſchrift de naamen van Mailorius Victor en Mailoria Maiorena: onbekende menſſen, gelyk de meeſte; waar van beſchrevene doodbuſſen, ſoo ronde als vierkante, ſomwylen met ſeldſaamen ſinſpeelingen, worden ontdekt. Neem'er eens de proef af, by Bochartus, Gruterus, Reineſius, &c.

Heden word het ſlot van Loenreſloot, als een landhuys, verhuird, door Heer Didrik Johan, Baron van Stèd-raat, Hr. van Loenerſloot, Oukoop, Ter Aa, &c. oudſte ſoon en Leenvolger van Vrouw Maria Johanna, baroneſſe van Amſtel, goed gedacht in haar hoogh-wel-geboor. leven, vrouw van <blz 225 | 208> Doddendaal, Loenerſloot, Oukoop, Ter Aa, &c. En dit uit de Leenbrieven.

Eindlyk word mede van dit Huys gewagh gemaakt, by Schook, Belg. Fœderat. 14 lib. 11 cap.

Maar, eerwe verder gaan, immers behoord noch dit tot Loenerſloot; dat, tegen over het ſlot, ter ſyden het Rechthuys, een kleene kapelle is, tot een begraafplaats dienende aan het Huys, en de Heeren van Amſtel; doch daar ook heden de waard ſyn turf en houd, en andere kleene ſaaken bewaard; gelyk ik, noch ſoo onlangs, ſelver heb geſien.

2.16.31 LOO (verheven hoek lands)

LOO; in de taal onſer oudſte voorvaderen geſegt, een verheven hoek lands (hier af komt dan ook het woordeken loeg, (dat is, dorp, in eenige deelen der Groninger Ommelanden. Siet het Aanteekenen op myn Poëſye, 52 bl.) gelyk; An​/loo/, Bal​/loo/, Lange​/loo/, Hooge​/loo/, Hulſter​/loo/, Schaker​/loo/, Teſſander​/loo/, Tonger​/loo/, &c. in Drenthe en Braband. Alting, in Indice Vocum Germanicar. explicatar. en Pikardt, Oudh. van Drenth. 30 H. 116 bl.

2.16.32 LOO (koninglyk)

Dus hebben wy LOO, het koninglyk jagtvertrek op de berg- en boſch-ryke Veluwe; van de Printhandelaars, in alle haar deelen, meermaalen uitgegeven.

Sy was, ſoo men ſegt, wel eer de luſtplaats der hertogen van Gelder, van het landbeſtier ontſlagen, of van den oorlogh afgemat; als leggende in het middelpunt van een jagtperk, van den Yſſel, Rhyn en Suyder Zee beſlooten.

Haaren omvang is heden, met de alleës, ontrent 160 morgen lands; vertoonende prachtige gebouwen, (ook het oude ſlot daar onder begrepen) luſtige fonteinen en konſtigh beeldwerk. Reisboek, door de VII Provincien, en aangrenſende koningryken, A. 1700 uitgegeven, 270 bl.

2.16.33 LOO (Rhynland)

LOO; een Huys en Hofſtede in Rhynland, by Voorburg, op de ſelve hooge ſtreek gelegen, waar op de Hofſtede Van Werwe. Van Leeuwen, Inleid. van Rhynl. Koſtuim. 27 bl. Goudhoeve, 98 bl.

Van het Huys van Werwe, anders Kleen Matenes, ſal in de letter W, geſproken worden.

2.16.34 LOKHORST (Oud-Teilingen)

LOKHORST; anders geheeten Oud-Teilingen; waar af in de letter T.

2.16.35 LOKHORST (Leiden)

LOKHORST; het Hof of Graven-Huys, met muiren van een ongelooflyke dikte en hartheid, yſers en houweelen, in de grond, wederſtaande, binnen de ſtad Leiden, ten Noorden S. Pieters Kerk; in welke, A. 1227 kon. Willem en <blz 226 | 209> naderhand, gr. Floris de V, de ſoon van deeſe. ſyn ter wereld gebracht. Van Leeuwen, Leid. 12 en 30 bl. en Inleid. van Rhynl. Koſtuim. 55 bl.

2.16.36 LOKHORST (by Amisfort)

LOKHORST; een Hofſtede, niet verre van Amisfort, ontrent Nimmer-Dor, in de Leuſder landſtreek, in een Geſchrift van A. 1253, bekend. Mathæus, in het Amisfurtum, Theodor. Verhoeven, 193 bl.

2.16.37 LOEVESTEIN

LOEVESTEIN; niet alleenlyk door Viſſcher, maar ook door Rochman wel in drie Landgeſichten afgebeeld; is gelegen op den uiterſten hoek van de Bommelerwaart, in het geſicht van Workom en Gorinchem. Goudhoeve, 410 bl. Van Leeuwen, Batav. 1303 bl. Junius, Batav. 525 pag.

A. 1397, is dit ſlot belegerd en gewonnen door de gr. Willem, van Ooſtervant. Balen, Dordr. 754 bl.

A. 1445, wierd meeſter Goſewyn de Wilde, preſident van Holland, Zeeland en Frieſland, na een anderhalfjaarige gevangenis, op dit Huys onthoofd. Goudhoeve, in Philip de I, 464 bl.

Naderhand is het meermaalen gebruikt tot een gevangenis van aanſienlyke lieden en mannen van Staat; als van Hugo Grotius, &c. Parival, Verm. van Holl. 151 bl. van Jacob de Wit, &c. Neuville Hiſt. van Holland, 2 B. 6 H. 121 bl. en verder, Asku, Engelſch ammiraal; Alewyn; Vicquefort. Ontrent welke alle, het aanmerkelykſte geval is van gemelde Hugo Grotius, anders Huigh de Groot, A. 1621, den 13den Meert, van ſyn eigene bewaarders, uit deeſe gevangenis, in een kiſt, voor boeken uitgedragen. Neuville, Hiſtor. van Holland. 4 B. 9 H. 238 bl. behalven het Onpartydigh Chronykje, op het jaar, 1621; &c.

Hoe kan ik hier achterlaaten het geen de geeſtryke Weſterbaan de vrouw van Grotius, Maria van Reigersbergen, doet ſeggen, over deeſe vreemde verloſſinge!

Vrouw Reigersberg ſei tot den kaſtelein, De ſlotvoogd van het ſterke Loeveſtein; Wat hebt gy toch dus over my te klagen, Dat ik myn man heb uit het fort doen dragen? Dank my veel eer, als dat gy my beticht; Gy had de huigh, en die heb ik gelicht!

Siet ſyn Poëfy, 1 D. 407 bl.

Ondertuſſen bewaard ook eene onſer Medalien de <blz 227 | 210> gedachtenis van deeſe gelukte liſt; vertoonende op de eene ſyde de Groot, en op de andere een kiſt of koffer, waar op de kroonen van Sweden en Vrankryk; ter ſlinker ſyde, een ryſende ſon, en ter rechter, dit Loeveſtein; geteekend, MELIOR POST ASPERA FATA RESURGO: dat is; Ik ryſe beter, naar een ſcherp noodlot. Siet de Medal. Hiſtor. op het jaar, 1645, 171 bl.

A. 1570, wierd het veroverd uit de naam des Prinſſen van Oranje; doch, uit de naam van Duc de Alve, wederom hernoomen: als wanneer eene Herman de Ruiter, (wel eer een oſſekoper) die het had genomen en nu alleen met 24 mannen verweerde, (hier kan geen Roomſſe Kokles tegen ophaalen) beide de beenen wierden afgeſchooten. En wat toen toch? Hy ſtelde ſich ter neder, in het ſand, om het bloeden te ſtillen, en ſchermde dus, met ſyn ſlagſwaard, in de geſchoten bres, tot dat hy, vaſt blyvende bloeden, met grooter eeren, ſyn leven verloor. Soo dat het een verfoeyelyke onmenſlykheid was, toen de woedende Spanjaarden met het hoofd van deeſen Harmen de Ruiter, hunne galg, by 's Hertogenboſch vercierden. Oudenhove, Beſchryv. van Hertogenb. 15 bl. Hoofd, 6 B. 204 bl. in ſyn omkomen geweldigh verſchillende. Siet ook Van Meteren, 3 B. 66 bl. hebbende, nevens Hoofd, eenige aanmerkelyke omſtandigheden.

2.16.38 LOOSDUINEN

LOOSDUINEN; een dorp in Delfsland, tuſſen den Haagh en 's Graveſande, duinwaars; welkers klooſter, ſonder iets te geven, haar verkens mogt ſenden, om voetſel, in het Haarlemmer Hout; volgens de Gunſtbrief van gravin Alyt, van het jaar, 1261, by Matheus, Analector. VI Tom. 19 pag.

Maar, hier ſal een andere olifant op de koort komen! Gy, brave Weſterbaan, gaat de reyen voor, met deeſe woorden, uit Okkenburg, 25 bl.

Vrouw Grietje, Floris kind, van deeſe naam de Vierde, Die Holland als een graaf tweemaal ſes jaar beſtierde, Des graafs van Henneberg (Heer Harmans) egemaal En Willems ſuſter, die, door ſyn verwinnend ſtaal, De Frieſen beven deê, en koning nu van Romen, Der Duitſche keiſ'ren kroon, te Genua gekomen, Ontfing van Innocent, die Fredrik gaf de ſchop En wierp 'er Henrik eerſt, toen Willem, tegens op. Een arme bedelvrouw, met tweelingen geſegend,

<blz 228 | 211>

Niet wel, naar haaren ſin, van de gravin bejegend, Die haar van overſpel en oneer hiel verdacht, Om dat ſy 't daar voor hiel dat twee van eener draght Geen kindren konden ſyn by eene man gewonnen, Sprak, uit verbolgen moed: de Hemel wille gonnen Dat ſoo veel kinderen mevrouwe teffens baâr, Gelyker dagen ſyn in een volkomen jaar! Vrouw Griet quam in de kraam van dochteren en ſoonen (Soo hier de Tafereel den Leeſer kan vertoonen) Van honderd maalen drie en ſeſtigh, en noch vyf Naar wenſch of naar den vloek, van 't vinnigh bedelwyf. Des kraamvrouws oom, die Guy of Otto was geheeten En op des biſchops ſtoel tot Uitrecht was geſeeten, Gaf de geheele ſoo, gebooren van Margriet, Het Kerſtendoopſel in de bekkens, die gy ſiet. De knechtjes wierden Jans en al de meiden Lyſen; Maar moêr noch kinderen en hadden nood van gryſen; De moeder ſtierf eerlang, ſoo ook de kinders deên, Op eenen dagh, en ſyn gedekt met deeſe ſteen. Men ſchreef een duiſend en daar toe tweehonderd jaaren, En ſeventigh en ſes, ontrent dit kinderbaaren, En vrouw Margriet was oud nu veertigh jaar en twee, Of weinigh min of meer, doe de verhoorde beê Van een verſtoorde vrouw ſoo veel gelyfde ſielen Uit Floris dochter deê, als poppe-mensjes, krielen; Op Goede Vrydagh was 't dat ſy in 't bed gelagh En gaf aan Henneberg dees laaten almanach Des ſmorgens voor den noen, ontrent het uir van negen.     Dats man en paard genoemd, en dagh noch ſtond verſwegen. Die twyfeld aan de ſaak, of wraakt de trouw der blaên, Van motten-tand geknaagd, of ouderdom vergaan, Daar ſoo veel ommeſtands noch over is gebleeven? Noch twyfeldm' aan de ſaak en mannen, die ſe ſchreeven, Noch wraaktmen boek en blad, en houd dit ſtuk voor jok, Of't euangely was van 't vrouwen ſpinnerok; &c.

Soo geloofd het Weſterbaan; maar niet Scriverius, die poppekraam ontkennende, in gr. Floris de IV. 190 bl. En wat bewys? I. Ontrent haar Naam; ſommige haar Vrouw Margriet, en ſommige weder Machteld noemende. II. Ontrent het jaar van deeſe miſſelyke miskraam; welke is by deeſe, A. 1214; en weder by andere, A. 1266; noch, by andere, <blz 229 | 212> A. 1276. III. Ontrent eenige omſtandigheden, als; of de moeder noch lange daar naa leefde? wat biskop deeſe kindertjes heeft gedoopt? hebben 'er meer of minder als 365 geweeſt? is de vader in het Geſlacht der Hennebergen wel bekend geweeſt? IV. Stoke, de tydgenood, ſchryft van dit wonderwerk niemendal. Beka; mede niet een woord.

Sie verder van deeſe vertellinge, deſelve voor of tegenſpreekende; Junius, Batav. 30 cap. 570 pag. Scotanus, Fries. G. 144 bl. Buchelius, in Bekam, 71 pag. Matheus, Analector, VI Tom. 39 pag. Scriverius, wederom, in de Toets over de Gouwenaar, 58 bl. Boxhorn. Stedeb. behalven Bleiswyk, Parivall, Van Spaan, Varnewyk, Guicciardin, Bokkenberg, Goudhoeve, Snoyus, d'Egmonder Chronyk, Van Leeuwen, en mogelyk noch wel honderd andere.

Maar, vroegh nu iemand eens; jy, Saamenſteller en Byeenhaaler van deeſe Schatkamer, kon jy deeſe vertelling aanneemen? Om dat'er in de Loosduiner kerk noch de 2 bekkens hangen, waar in ſy ſyn gedoopt, nevens een Latyns geſchrift? Hebt gy het niet by Phileleuterus Timaretes, Collector. Monumentor. 226 pag? Gy vraagt en ik antwoord, jaa; te weeten, volgens de hedendaagſe Geneeskunde, ons, met haar aldoordringende Ontleedkonſt, Ovaria of eyerneſten, in de vrouwen vertoonende. Doch de ſtoffe is te delicaat en niet voor alle menſſen. 't Is hier ook de plaats geenſins; doch wilje perfors ſyn onderrecht, gaa ſien, Kerchringii Spicilegium Anatomicum; de groote Anatome van den Hr. Prof. Godefr. Bidloo; Blankards Jaarregiſter, 7 Hondertal. 45 Aanmerk. 263 bl. ſynde daar een geval my ſelve voorgekomen, A. 1677, den 11 Julii, binnen Groningen.

2.16.39 LOTTINGEN

LOTTRINGEN; was Opper- of Moeſel Lotringen, begrypende Mentz, Trier, Keulen, de Palts ten deele, Limburg, Luik, Lutſenburg, &c. of Neder-Lotringen, welke, wel eer, behelsde Haſpengauw, Braband, Gulik, Gelderland, Holland, tuſſen Maas, en Rhyn, en het Sticht; ſynde toen daar af het hoofd de ſtad Uitrecht. Matheus, Analector. V Tom. 499 pag.

Vorders, heeft Lotringen haar naam bekoomen van Lotharius, de ſoon van keiſer Lodewyk de I. Merula, Tydtreſoor, op A. 855. Fred. Leutholf, Toneel der Hedendaagſe wereld, 231 bl. te vooren geheeten Auſtraſie, en behoorende tot het Roomſſe Ryk. Sie, boven, 24 bl.

2.17 M

<blz 230 | 213>

M.

2.17.1 MAADE

Het Huys te MAADE; gelegen in Delfsland, by de ſtad Delff, achter de houtthuinen, alwaar noch heden de gronden van het kaſteel, door gr. Govaard de Bultenaar geboud, onder het aardryk leggen: konnende ook het beſlagh daar af werden aangeweeſen, terwyl het een hoogen heuvel is (nu een boôgaard) met grachten omvangen. Van Leeuwen, Rhynl. Koſtuim. Inleid. 5 bl.

De naam word, door de bygelegene Maa-woning en de maade-thienden, aldaar bewaard.

Maar ik hebje wat te ſeggen. Gy ſult alle de Sloten en Stamhuyſen van Holland niet beſchreven vinden. Eensdeels, uit onkunde; daar my de Schryvers begeven, ben ik blind en ganſlyk onervaaren. Hebſe ook alle niet geleeſen, ja buiten twyfel alle nooit geſien. En nu, anderdeels? Ik ſalje met een mooi hiſtoritje beantwoorden, uit Gellius, Noct. Attic. 7 lib. 30 cap.

Virgilius had, in ſyn 2de B. van de Landbouw, deeſe woorden te paſſe gebracht: vicina Veſevo Nola jugo; dat is, Nola, een ſtad in de buirt van den vruchtbaaren Veſuvius.

Midlerwylen verſocht hy aan die van Nola, een weinigh water van haar af te mogen leiden, om ſyn bygelegene luſtplaats te bevochtigen. De Nolaners ſlaan het af. Wat doet onſe dichter? hy ſchrapt het woordeken Nola, en ſet 'er in de plaats, ora, dat is, geweſt of landſtreek: ſyn wettige weerwraak, in ſyn gedichten, dus een geheele ſtad verdelgende.

2.17.2 MAARSSEN

't Huys te MAARSSEN; wel eer door Vinkebooms in een Print en daar na van Rochman in een Teekening ons vertoond. Dit is ook al watwe daar af hebben: alſoo het heden ten eenemaalen is verdweenen in het Huys ter Meer, nu de luſtplaats van den Hr. Lokhorst65. Want, A. 1710, den 9 Maart, toevalligh ſynde te Maarſſen, ſagh ik, uit een venſter, de vlakte, alwaar het heeft geſtaan; te weeten, ontrent het ſpeelhuysjen, aan de Vecht geplaatſt.

Was geboud, ontrent A. 1527, van Steven van Nyveld, volgens Hortenſius, in de Saaken van Uitr. 4 B.

Deeſe Nyveld, geweldigerhand, een gemeen ſoldaat, in ſyn vyver verbiedende te viſſen (juiſt was het in een tyd van inlandsſe beroerten) is oorſaak geweeſt dat de ſoldaaten, onder eenen Chriſtoffel Langius, het ſlot overweldigden, alles <blz 231 | 214> plonderden, en hem ſelf (ſynde meeſter van de Duitsſe Order) het leeven naamen. De ſelve Hortenſius, 5 B.

Eenige, gelyk Hortenſius, haalen haar Naam van de Marſaci of Marſi; volkeren in de maaren, moeren en broeken, dat is, laage en natte velden ſich onthoudende. Siet van beide beneden; alwaar deeſe ſtelling met Junius en Pikard ſchynt beweeſen te konnen worden.

Het dorp, tegens welkers kerk dit Huys heeft overgelegen, heet, in den Blaſſaart van Uitrechts Geeſtlyke goederen, Marſna en weder elders, Marſua. Korn. Kooten, in ſyn Uittrekſelen.

Maar ondertuſſen, benje te Maarſſen, gaa eens, boven de kerkdeur leeſen en uitleggen de naamen van Ehldehart of Thidehart, Riclint of Riciint; waarlyk ſoo geen Noormans, ſekerlyk geen Roomſſe taal. Sie Buchelius over Heda, 13 pag.

2.17.3 MAARE

MAARE; een water, door Leiden loopende. Beneden in de letter R, op Rievieren.

2.17.4 MAAS

MAAS; deeſe rievier neemt ſyn aanvang in Lottringen, op de paalen van Langrès, uit den bergh Vogeſus, by Montigny, niet verre van de beginſelen van de Saone en de Marne. Kluverius, Rhynm. 1 D. 78 bl.

By S. Thibout bevaarbaar, ſtreeft hy verby Verdun, Mouſſon Maſieres, &c. Namen; alwaar hy de Sambre inneemt.

Deeſe doet ſyn loop verwakkeren langs Huy, Luik, en Maaſtricht. Hier ſcheid hy Gelderland en Kleef van Braband; gaande naar Stochem, boven en beneden Keiſerswaart. Soo naar Roermonde, Venloo, &c.

By de Voorneſchans vermengt hy ſich met de Waal, doch weder afſcheidende, maakt hy, met deeſe, de Bommelerwaart.

Dus, onder Loeveſtein, weder vereenigd, golft hy verby Workom en Gornichem. Krygt de naam van de Merwe; doch verby Dordrecht, ontrent Yſſelmonde, is hy weder de Maaſe.

Soo rolt hy weder voort, verby Rotterdam, Vlardingen, den Briel en ſtort ſich allenskens in den Noorder Oceaan. Dus beſchryven de Maaſe, Slichtenhorſt, Gelders. G. 1 B. 10 bl. Junius, 101, 113 en 616 bl. Oudenhove, Dordr. 31 bl. Guicciardin. Belg. 1 Part. 22 pag. Heuterus, Belg. Veter. 12 cap. 36 pag.

Maar, is hy, in Neerlands benedenſte deelen niet wel eens van loop veranderd? Ja, gewiſſelyk en ſonder tegenſpreeken; <blz 232 | 215> te weeten, ontrent Geervliet en Vlardingen. Kluverius, Rhynm. D. 80. en 82 bl. tegens Kornelius Aurelius, en andere. of ook by de Grave, Megen en Raveſtein. Gemelde Oudenhove, 31 bl. en ontrent Hedikhuyſen en Heuſden. Van Someren, Batav. 5 H. 41 bl. alle van een oude en een nieuwe, of van een Ooſter- of Weſter-Maſe, redenkavelende.

Siet Viſſchers keurige Lantkaarten van Lottringen, Luxemburg, Luikerland, Braband, Holland en Gelderland; ontrent welke ik niet herhaalen ſal het bovengeſchrevene, 2 bl.

2.17.5 MANARMANIS PORTUS

MANARMANIS PORTUS; deeſe plaats vinden de getabbaarde Latiniſten, by Ptolemæus, Geograph. 11 cap. German. Magn. 4 Tab. Europæ.

Maar, waar ſult gylieden nu dit plaatsje nederſetten? Ik, antwoord Ortelius, in Groningerland, ontrent Klooſterboeren. Maar ik, ſegt weder Kluverius, (Rhynmond. 2 D. 282 pag.) in Overyſſel, te Geelmuyden, by Swarte Sluus, ontrent de Suyder Zee.

Doch ik hou het met de Hr. Alting (Notit. 1 Part. 91 pag.) welke, bykans met Ortelius, deeſe haven aan de Scholbalg, tuſſen de eilandekens, Ameland en Schiermonk-oog, betoond te ſyn geweeſt.

2.17.6 MANPAD

't Huys te MANPAD; een vernieuwd Heeren landhuys, (heden beſeten door den Hr. van Goor) buiten Haarlem, by den derden brugh van den Leidsſen vaart.

De oorſprong van deeſe naam ontmoet my by Scriverius, in gr. Jan de II. 306 bl. verhaalende, hoe Hr. Witte van Haamſtee, met ſyn Waterlanders en Kermers, Weſt- en Ooſt-Frieſen, naar Haarlem optrok, om de Vlamingen uit Noord Holland te verdryven; hoe hem, ontrent Hillegom, de preſident van Vlaanderen met ſyn onderhebbende quam tegentrekken; hoe aldaar een heet treffen geſchiede, en eindlyk hoe de Vlamingen de neerlaag kregen, ontrent de plaats, naar de groote manſlacht, nu geheeten het Mannepad. Wil ik nu Goudhoeves woorden (want ſoo doen de meeſte, om groote boeken te maaken, de eigene woorden van 10 of 12 Schryvers gebruikende) 358 bl. hier achter voegen? Neen, ik ſalme alleen van Ampzing bedienen, wiens woorden deeſe, Haarl. 312 bl.

Hier tuſſen komt ons volk in grooter ylen rekken, Met Witt, hun opperhoofd, den vyand tegentrekken: Soo doet ons burger meê, van hunne komſt bericht, En treên, de duinkant heen, den vyand in 't geſicht,

<blz 233 | 216>

En komen [d]an de man. Daar werde ſoo geſtreden, Dat al des vyands doen word in den drek vertreden. Soo houd ook noch die plaats de naam van 't mannepadt. Van deeſe groote ſlagh en gruwſaam bloedig badt.

A. 1706, den 25 Mey, het ſelve beſchouwende, bevond ik het geenſins overeen te komen met het Plaatje van Heiblok (Farragin. Poëmat. 259 pag.) wien ik, ontrent Manpad, ook heb aangehaald, 206 bl.

2.17.7 MANSE

MANSE; van welk woord (oorſpronkelyk van maneo, manſio) Hofmannus, Lexic. Feudale. Saanl. Arkad. 254 en 517 bl. Van Leeuwen, Leid. 15 bl. Slichtenhorſt, Gelders. G. 5 B. 52 bl. en 6 B. 71 bl. Voſſius, de Vitiis ſermonis, 3 lib. 23 cap. behalven Bartolus, Lydius en Hottomannus, by Bleiswyk, in Delf, Naared. B. 4. Alting. Notit. 2 Part. 33 pag. is wel by de meeſte, een woninge met 12 morgen lands, hoewel by Stoke (in Didr. II. en Flor. I.) alleenlyk een morgen lands; het geene gemelde Hr. Alting, met genoegſame bewyſen verwerpt. Siet ook Buchelius, &c.

2.17.8 S. MARIA

S. MARIA; dit laat ik over aan de hooghverlichte Godgeleerde. Siet Pars, over het eeren en aanbidden van de H. Maagd en Moeder, Rhynsb. Oudh. 330 bl. gelyk over haar Huysje, door de Engelen, van Nazareth geſleept naar Illyrien en van daar, over de vlakte der zee (ſynde noch heden het ſpoor in de golven ſichtbaar) naar Loretto, 330 bl. wederom over haar onbevlekt ontfangen, 332 bl. eindlyk (terwyl Maria, met ſiel en lichaam is opgevaaren, en geene beenderen van hoofd of ſchenkel heeft naargelaaten) over het bewaaren en eeren van haar trouring, ſchoenen, gordel, hemd en onderrok, &c. 333 bl.

Van onſe Lieve Vrouwe van Graveſande, ſchreven wy, 115 bl. laat ons hier van die van Wormer ſpreeken. Het is heel aardigh. Haar feeſt was hier geheeten Onſe Lieve Vrouwen Melkdagh; op welke door de eene aan de andere melk wierd t'huys geſonden; gelyk men ook de ermen van gelyken daar mede verſagh. Saanland. Arkad. 4 B. 449 bl.

Ondertuſſen ſtooten, ontrent de geheele Lieve Vrouwe my twee ſaaken geweldig tegen de borſt.

I. Datſe overal tegenwoordigh is, en in Spanje, Italie, en andere wereld-deelen, alle man, jong en oud, in goede en quade ſaaken, hoord en verhoord. Eraſmus, in het Geſprek over de Beevaarden, in de Brief aan Glaucoplutus.

<blz 234 | 217>

II. Dat men deeſe moeder aller Bermhertigheden ook in den oorlogh gebruikt; by voorbeeld, in de zeeſlagh van A. 1571, by de Dardanellen, alwaar Don Jan van Ooſtenryk den Turk overheerd.

Bewys? ſie daar bewys ik het met een katholyks Printjen, onder de naam van Triumphus S.S. Roſarii, dat is, de Zegepraal van de allerheiligſte Rooſenkrans: verbeeldende onſe Liê Vrouwe, met haar kintjen op den erm; maar voerende ſy een bloote degen, in plaats van een ſcepter, met een rooſenkrans omringd; waar binnen deeſe woorden: Clypeus Chriſtianorum; dat is, het ſchild der Chriſtenen. Ondertuſſen houd het kind een vers afgeſlagen hoofd van den Turk, daar de Moeder boven op ſtaat. Aan weerſyden ſtaat: Regina ſacratiſſimi Roſarii, pugna pro nobis. Dat is: Koningin van de allerhelligſte Rooſenkrans, vecht voor ons.

2.17.9 MARIA (dochter van Karel de Stoute)

MARIA; van Oudaan met volgend Puntdicht aangeſprooken:

Maria, erfvorſtin, by doode van uw Vader, Ontfang een bruidegom: dat maagſchap grenſt noch nader. Hoe lieflyk lonkt u aan de keiſerlyke Soon En heft u boven 't hoofd die parelryke kroon! Wie ſagh ooit ſiel in ſiel verſmolten, ſoo volkoomen? Hoe leide ſchrikt uw Heer! wie kan ſyn rouw betoomen? Daar u de val van 't paard een ribb in 't lichaam knerſt, Die, ſonder weenen, nooit ſich ſelf uw min ververſt.

Sy was de eenige dochter van hert. Karel de Stoute en Eliſabeth of Iſabelle (alfoo deeſe naamen, de eene voor de andere, worden genoomen) de Bourbon; te weeten, ſyn tweede vrouw. Scriverius Graven, 410 bl.

Doch eer ik wegens de Dochter verder gaa, moet ik noch eenige dingen, aangaande de Vader, ter loop aanteekenen, boven (164 bl.) of verſuimd of overgeſlagen.

I. Dat ſyn munte de eerſte der Graaflyken word gevonden, waar op het jaartal (te weeten 1474) is geplaatſt. Alkemade, Munte, 134 bl.

II. Dat'er, van den ſelven hertogh, noch een medalie is, waar op een wimpeltje, binnen een lauwerkrans; met deeſe woorden: NUL NE SI FROTE, dat is, Niemand wryft, of anders, niemand tilt, daar aan.

III. Hoe men Karel hoonde, by kon. Lodewyk de XI, <blz 235 | 218> met ſyn dolle gebaarden en onbeſuiſde oploopenheid naar te bootſen. Komineè, 4 B. 8 H.

V. Dat hy ſneuvelde, juyſt van ſyn paard ſtortende, in de vlucht over een beekje meenende te ſpringen. Goudhoeve, 505 bl. en Ortelius, Itinerar. 39 pag.

IV. Syn geſprek, met keiſer Ferdinand de III; ſynde van een quaden uitſlagh, te Trier. Want de keiſer, heen druipende, liet den hertogh ſitten. Aan de eene ſyde beriſpten de Duitſchers, de pracht en het grootſpreeken in Karel: en, aan de andere kant, walgden de Burgunders van den kaalen Ferdinand en ſyn ſober gevolg. Kamerarius, 3 Cent. 43 Hiſt. 147 pag.

V. Dat hy, geſneuveld ſynde, was te kennen, aan ſyn lange nagels, aan een litteeken ontrent de hals, en aan het onderſte kakebeen, meeſt ſonder tanden. Meyerus, by Scriverius, in het groot, in Karel de Stoute.

VI. Syn diamant, de grootſte in het Chriſtenryk, in de ſlagh by Granſsòn gevonden; by de Switſer ſoo gering van waarde en naderhand ſoo duir verkocht. Kamerarius, 1 Centur. 79 Hiſt. 364 pag. uit Komineus 5 B. 2 H.

VII. Dat niemand ſyn dood wouw geloven; als of ſo een krygsheld niet kon omkomen. Barlandus, Comit. Brab. 127 pag. Goudhoeve, 505 bl. Het ſelve word ook van Alexander de Groote geſegt, by Juſtinus, 13 B. 1 H. Daar wierden op ſyn leven ſelf weddingſchappen gedaan.

Ja, men dorſt hem weder voor den dagh brengen, in de gedaante van een heremyt of kluyſenaar. Mezeray, in Lod. de XI. 976 bl.

VIII. En ten laatſten, de lyſt en reekeninge van de grootſſe ſtaat en prachtige hofhoudinge van Karel de Stoute; by Matheus, Analector. 1 Tom. 359 pag.

Keere my nu tot ſyn dochter. Sy wierd, van twee ſyden, ten huwlyk aangeſocht, als de allerrykſte princeſſe van geheel Europa. Hier quam Kon. Lodewyk de XI, met Karel, den Dolfyn van Vrankryk, een ſoon, maar van 7 jaaren. Daar naderde keiſ. Ferdinand de III, met ſyn ſoon, Maximiliaan. Nu, moeſt hier een keur geſchieden. Maria ſeide: Naardien de keur aan my ſtaat, ſoo raade ik den Dolfyn van Vrankryk, op dat onſe landen ruſte en vrede mogen hebben. Toen antwoorde de Deken van Gent: Mariken, ten magh u niet gebeuren. Dit is uit Zueder de Kulenburg, in Originib. Culenburgic. by Matheus Analector. VI Tom. 295 bl.

Andere ſeggen, dat Vrouw Alewyn, de edelſte onder de <blz 236 | 219> hofſtoet van Maria opentlyk ſou hebben geſegt: ons is in deeſe tyden van noden een man en geen kind; en daarenboven (met een het ſlaaplaken, waar op Maria de jongſte nacht had gelegen, te voorſchyn brengende) myn meeſtereſſe is een vrouw om ſelf een kind te dragen. Komineus, 6 B. 3 H. en Alkemade, Munten, 139 bl. &c.

Sy troude dan met Maximiliaan, aan wien ſy, al by haar vaders leven, haar trouw had gegeven; doch ſoo arm, en behoeftigh, dat de bruid de koſten moeſt dragen van de bruiloft en 'er onderlinge onderhoud. Mezeray, 980 bl.

Sy troude, ſegh ik, A. 1477; en wierd de moeder van 3 kinderen, met naamen, Philip, Margriet en Francis. Kominè, 6 B. 3 H. Kemp, in Arkel, 379 bl.

Maar, alſoo ſy het jagen ſeer beminde, kreegh ſy, A. 1482, een ongeluk, dat haar, naulyks 25 jaaren oud, het leven benam. Want het paard was jong en dertel; in het huppelen, raakten de ſeelen aan ſtukken, vrouw Maria, ſelf ſwanger ſynde, viel ter aarden en brak een ribbe. Heuterus, Rer. Auſtriacar. 1 lib. 10 cap. 64 pag. Goudhoeve, 528 bl. Kemp, Arkel, 398 bl. &c. en het is ſeldſaam, dat Blanka Sfortia, de tweede vrouw van deeſe vorſt, het ſelfde geval, A. 1496, is overgekomen. Strada, 1 D. 1 B. 52 pag.

Eindlyk ſiet gy deeſe Maria, in de gedaante van een portret, by Scriverius, in de Groote en Kleene Graven; by Stoke en de Gouwenaar, ſtaande; by meergenoemde Vredius (in Diplomatibus) te paarde met een havik op de hand; en eindlyk, op een Medalie ſtaande nevens haar gemaal, hebbende tuſſen beiden haar wapenſchild.

2.17.10 MARIA (dochter van Philip de II van Spanje)

MARIA; dochter van Philip de II, kon. van Spanje, ſuſter van keiſer Karel de V, weduwe van Lodewyk kon. van Hungarye, in een gevecht tegens den Turk geſneuveld, A. 1526. Hieronym. Ortelius, Hungar. Oorl. 28 bl. Regeerde, als voogdeſſe, deeſe landen, 24 jaaren en overleed eindlyk, in Spanje. Scriverius, Graven, 438 bl. Goudhoeve, 592 bl.

2.17.11 MARGRIET

MARGRIET; welke vorſtin van Oudaan, met deeſe krachtige aanſpraak word begroet:

Margreta, die te recht een parel aan de kroone Vorſt Ludewyk verſtrekt; de weerwil uwer Soone Begiet de volle vreugd met eene bittre ſaus, Die wrange naaſmaak laat in Hoeks en Kabeljaus: Waar van de landſaat vroeg moet in de voorſmaak deelen,

<blz 237 | 220>

Als hy de brand beſchoud van Sloten en Kaſteelen: De Maas, met bloed geverft, vloeit hier in volle rouw, Daar 't ty uws luks, vorſtin, ſlechts ebt in Henegouw.

Gelyk ik, 113 bl. myn aanteekeningen ſchreef, by wyſe van een verklaringkje, op de veerſſen van Samuel Hoogſtraten, ſoo luſt het my nu van vrouw Margriet te ſchryven, alleenlyk ophelderende deeſe regelen van Oudaan.

Margreta) De dochter van gr. Willem de III, de ſuſter van gr. Willem de IV. Goudhoeve, 381 bl.

Ludewyk) Van welken boven, 113 bl. Hy wierd verkooſen, A. 1314; regeerde 33 jaaren, A. 1347, van ſyn tegenſtanders ſynde vergiftigd; ſocht hy, door de ſterkte ſyns lichaams, dit quaad te verwinnen. Ging dus ter jagt; maar, onder het ontmoeten van een beer, ſtort de keiſer van het paard, en ſterft niet lang daar naa. Aventinus, by Calviſius, in Chronico. hoewel de bewyſen ontrent het vergif van de meeſte niet werden aangenoomen. Siet Scriverius, over ſyne Graven, de beſte Schryveren aanhaalende.

Soone) Willem de V; aan welke ſy, binnen Geertruidenberg, onſe Landen had overgedragen; volgens de aangetogene vaarſſen van P. Verhoek, 141. bl. Vorders, moet van deeſe Willem eerſt worden geſprooken, in de letter W.

Hoeks) Van deeſe binnenlandsſe verdeelinge ſchryk ik omſtandelyk, 139 bl.

Sloten) Van haare ſlopingen, ook boven, 167 bl. en vorders de Gouwenaar, 106 bl.

Met bloed geverwd) Van welk gevecht het veers van P. Verhoek gewaagd, 141 bl. behalven Oudenhove, Dordr. 496 bl. van welke bloedſtortinge quanſuis de ſtad Dordrecht haar wapen, een bloedige balk, ſou gekregen hebben. Balen, Dordr. 744 bl. Kemp, Arkel, 78 bl. teweeten, op den 4 Julii, A. 1351. Goudhoeve, 387 bl. de Gouwenaar, 107 bl.

Henegouw) Vrouw Margriet, Holland, Zeeland en Vrieſland afſtaande, en Henegouwe behoudende, is aldaar, vol hertſeer, overleden, A. 1356. Heemskerk, in ſyn Arkad. 191 bl. behalven de reedsgenoemde, Gouwenaar, Scriverius en Goudhoeve, &c. Haar afbeeldinge vind gy onder die geene, welke in Stokes Rhymchronyk ſyn geplaatſt.

2.17.12 MARKEN

MARKEN; een vet en weeligh eiland voor het inbreeken van de Zuyder Zee, aan het vaſte land gehecht. Soetſtemmende Swaan, 9 bl.

<blz 238 | 221>

Hier af word gewagh gernaakt in Vondels Gysbrecht, of de gewaande verwoeſtinge van Amſteldam, 63 bl. in deeſer voegen.

Wanneer men uit de ſtroom en Pampus raakt voorby, Soo doet ter ſlinkerhand, in zee, ſich op wat weiland, Dat Marken heet van ouds, een laagh en viſſchers eiland, Het welk een klooſter draagt, genaamt Mariengaard, Een ryke en oude abdy.

Van Mariengaard ſpreekt weder de gemelde Swaan, van Henr. Soeteboom, 7 H. 32 bl. gelyk mede van de broederen, uit der order der Præmonſtranten.

2.17.13 MARNEBURG

MARNEBURG; het Huys der Lokhorſten, buiten Leiden, aan de Maare. Junius, Batav. 8 H. 110 pag.

2.17.14 MARQUETTE

MARQUETTE, anders het Huys te Heemskerk; Noordelyk gelegen ter ſyden het ſoo genaamde dorp; van welke boven, 130 bl. ook wel het Huys te Seevenbergen geheeten. Soeteboom, Veronaas Op- en Onderg. 117 bl. of de Saanl. Arkad. 240 bl.

Ik ſag het, den 26 Mey, 1706; een uitgeſtrekt Heerenhuis, in het water ſtaande, hebbende op ſyn dak een rond torentje, en anders veel geveltjes van verdeelingen.

Maar, tegen over dit Huys, aan de rechter ſyde van den ingaanden, hebt gy, over de plaats, achter de ſcheidmuir, de ruiine van een wyde tooren, niet ſeer ongelyk den Leidsſen Burgh; uitgenomen dat haar ommegang ſmaller en alle de pinnen in het midden ſyn met ſchietgaten. Junius, Batav. 18 cap. 517 pag.

De boeren noemen dit rondeel een amfitejater, hebbende in het midden een wyde waterkom, dienende als tot een navel van een trapgewys opgaande oranjery.

De ſtichter is geweeſt kon. Willem, de II, gr. van Holland; ontrent A. 1250, tegens het woeden der Frieſen daar mede ſich verweerende. Scriverius, in Willem, 200 bl. Saanl. Arcad. 240 bl. Scotanus, Frieſſe G. 131 bl. behalven het gedrukte Biljet van de Frelle, Mevr. Maria Agatha van der Myle.

Haar vernielinge en ondergang vinden wy, ontrent A. 1425 (of, volgens andere, A. 1436) ſynde het naderhand herſteld en weder opgetimmerd.

Haar bewooner is geweeſt Geeraard van Heemskerk, door gemelde koning, aldaar geplaatſt, als ook ſynde dit huys <blz 239 | 222> onder ſyn gebied. Thaborita, Hiſtor. 8 lib. 14 cap. Doch de Heemskerken uitgeſtorven ſynde, is het geraakt aan die van Vianen, en van deeſe aan die van Arenbergh. Van haar kocht het Daniel de Hartain, heere van Marquette (let, Marquette te leggen, in Vlaandere, aan de Marque, beneden Ryſſel) die van de Staaten oorlof hebbende gekregen, dit Huys, met een nieuwe naam, Marquette heeft geheeten. Siet het Geſchrift der Staaten van A. 1612, by Matheus, Fundat. Eccleſiar. 111 pag.

Maar, ſiet! A. 1358, is dit Huys ingenoomen, door Heer Dirk van Polaanen, onder hert. Albrecht, na het ſlaan, in de duinen by Kaſtrikom, alwaar men jonker Reinoud van Brederode ter naauwer nood ontſettede, en jonker Wouter van Heemskerk hier met de vlucht ſich veiligde. Maar toen is de gemelde graaf of hertogh gewapend voor dit Huys gerukt; als wanneer, na elf weeken afweerens, hy het by verdragh in handen kreegh, vindende genoemde Wouter en de voornaamſte ſyner aanhangelingen ſich genoodſaakt des hertogs gevangene te verblyven. Scriverius, Graven, 200 bl. Heemskerk, Arkad. 267 bl. Goudhoeve, 79 bl. Saanl. Arkad. 140 bl. &c.

Wat nu aangaat de bovengemelde vernielinge; die geſchiede door de Kennemers, uit weerwraak, om dat die van Haarlem hadden verwoeſt de huyſen van Heemſtede, Brederode, Aſſendelft. Heemskerk, Arkad. 272 bl. Goudhoeve, 396 bl.

Ondertuſſen heeft Rochman, in 3 Geſichten, het Huys Marquette; van welke het allermooiſte, met het rondeel, u hier word medegedeeld.

Doch, een woordtje noch van gemeld rondeel. Junius (Batav. op de genoemde 517 pag.) verteld van vertellen, dat, in het rondeel, wegens de laage en moerige grond bynaar ontoeganglyk, een toren, wel van 9 verdiepingen, eertyds de zeeman tot een vuirbaaken verſtrekte.

Eindlyk, is dit Huys, by openbaaren aanſlagh, uit de hand te koop geſet door gemelde Frelle; doch, gelyk onlangs het Huys Raaphorſt, A. 1708, 1709 en 1710, als de allerhoogſte prys, de Lottery ten prooi geſteld; hebbende de trekker, in penningen het æquivalent genooten.

Sie verder van dit Huys te Heemskerk, J. van Leiden, in de Brederoden, 33 H. by Matheus, Analector. II Tom. 327 pag. Ampſing, Haarlem, 82 bl. Antonides, boven aangehaald, 25 bl. en wel voor alle, den eerwaarden Heer, J. Vollenhove (van welke Jooſtoom, volgens ſyn Leven, eens ſeide: daar is een groot licht in dien man; maar jammer, dat hy een predikant <blz 240 | 223> is) op de Heerlykheid Marquette, toen de Hoogedele welgeborene vrouw Mevr. Petronelle, gebooren Waſſenaar, Dovariere Vander Myle, Vrouw van Marquet, Bakkom, Alblas, Bleskensgraaf, &c. hem aldaar onthaalde, den 12 Septemb. 1680. met Tydkundige Aanteekeningen. Van koning Willem, beneden, in de letter W.

2.17.15 MARSACI

MARSACI, anders Marſatii; volkeren, wiens benaaminge te vinden by de oude; Tacitus, 4 Hiſtor. 56 cap. en Plinius, Hiſt. Nat. 4 lib. 15 cap.

Heden, 1. by Maſeik. Thom. Hubertſen, by Kluverius, Rhynmond. 2 D. 26 H. 285 bl.

​2. In Zeeland ontrent Helium en de poelen van de Rhyn. Eindius, Chron. Zeeland. 13 cap. 213 pag.

​3. In Waterland, ontrent Monikedam, &c. en het eiland Marken. Boxhorn. Stedeb. 16 bl. Kluverius, Rhynm. 2 D. 287 bl. aanhaalende quanſuis een verlepte Inſcriptie, op een graf-altaar, binnen Rome, waar in: HORTESIO MUCRONI NAT. MARSAQUÆO, &c. malle praat!

​4. By het Marsdiep, tuſſen Teſſel en Huisduinen. Behalven Ortelius, en Junius, de Saanl. Arkad. 32 bl.

​5. By Meersberge, ontrent Wyk te Duirſtede. Kluverius, Rhynm. 2 D. 289 bl.

​6. Tuſſen de Vecht en het Vlie. Van Leeuwen, Batav. 54 bl.

​7. Eindelyk ontrent de Caninefates; van welke boven, 161 en 172 bl. Siet Alting, Notit. 1 Part. 93 pag. deſelve met beter oordeel, ſettende in Kennemerland.

2.17.16 MARSI

MARSI; in laage weiden en broekige plaatſen woonende of ontrent Maarſſen. Pikkard, Drenth. 26 H. 106 bl. of ook aan weerſyden de Foſſa Druſi; of by Maarsberge; of by de Marspoort en Marsakker, te Zutfen. Alles is onſeeker en vol ydele waanwysheid, de juiſte bepaalinge aangaande en plaatſinge deeſer volkeren. Sie Junius, Batav. 67 pag. Slichtenhorſt, Gelders. Geſchied. 18 en 109 bl. Meurs, XVII. Provinc. 2 D. 883 bl. Hantveſtchronyk, 3 B. 11 en 29 bl. &c.

2.17.17 MARTEN van ROSSUM

MARTEN van ROSSUM; van geboorte een Gelderſman; een keiſerlyk veldheer; manhaftig en ſpitsvinning; doch naar de wetten des oorlogs weinigh luiſterende; altyd met de toorts in de vuiſt; gelovende dat het branden was het meeſte vercierſel van den oorlogh. Overleed, A. 1555. Siet ſyne bedryven, beneden op Roſſum, in de letter R.

2.17.18 MATENES

<blz 241 | 224>

MATENES; by Rochman, in 2 Geſichten afgebeeld, is heden alleenlyk een vierkante ruiine van een toren dicht by de muiren van Schiedam, in Schieland. Goudhoeve, 87 bl. Boxhorn. Stedeb. 277 bl. het ſelve ook in het plan van de ſtad vertoonende.

Maar, wat oudheden weetge nu van dit Huis, Rieviere mede geheeten? Ruim ſoo weinigh als van de ruiinen van Heenvliet, Honingen, &c. Wy hebben alle wel deſelve toegang tot de Schryvers en Uitſchryvers maar die een oud Schryver ergens uit een hoek kan haalen, en uit deeſe iets ongemeens ons weet op te diſſen. Dat is . . . . ja, ik ſeg het den Hr. Prof. Matheus in ſyn aanſicht; naa Boxhornius en naa Scriverius, is Neerland aan hem wel het meeſte verſchuldigd.

2.17.19 MATTIACI

MATTIACI; by Plinius, H. N. 31 lib. 2 cap. Tacitus, German. 29 cap. hebben, by de hedendaagsſe Verklaarders der oude Tydſchriften al mede geen beſtendige ſitplaats. Sy ſyn dan Zeeuwen; neen, liever, Overiſelaars; by Kampen, Swol en Deventer. hoe? wel aan; Heſſen en Katten dan, by Mattium of Marpurg. Eene van dryen ſal mogelyk wel waarachtig ſyn. Junius, Batav. 4 cap. 71 pag. Eindius, Chron. Zeeland. 7 cap. 37 pag. Kluverius Rhynm. 1 H. 1 bl. Van Leeuwen, Batav. 92 bl. Pontanus, Diſceptat. Chorograph. by I. Flud à Ghilde, 1 D. 18 bl. Beſchryv. van Amſteldam, &c.

2.17.20 MAUDERIK

MAUDERIK; een omvergeworpen ſlot, ten tyde van gr. Willem en Hubert van Kuilenborg, ontrent A. 1409. Origines. Culenburgic. by Matheus, Analector. VI Tom. 274 pag.

2.17.21 MAXIMILIAAN

MAXIMILIAAN; de ſoon van keiſer Frederik de III. Troude, binnen Gent, A. 1477, met een ongemeene pracht, Maria, de dochter van Karel den Stouten. Goudhoeve, 512 bl. ſiet het aangeteekende, boven, 219 bl.

Overleed, nu keiſer ſynde, te Wels, in Opper-Ooſtenryk, A. 1519, ſevenendertigh jaaren naar ſyn lieve Maria. Goudhoeve, 579 bl.

A. 1478, won hy, by de ſelve Philippus de Schoone; van welke, beneden, in de letter P.

A. 1480, kreegh hy by haar Margareta. Haræus, apud Scriverium, in Com. Majorib.

Deeſe was namaals de vrouw van Karel de VIII, kon. van Vrankryk; maar toen Maximiliaan ſyn tweede bruid liet haalen uit Engeland, ſoo heeft Karel deeſe met geweld genoomen en getroud, Margrietje den keiſer weder overſendende. Chanler, Chron. 301 bl. waar op Maximiliaan Blanka Maria van Milanen inhaalde. Kemp Arkel, 413 bl.

<blz 242 | 225>

A. 1481, wierd hy vader van Francis; maar die, gelyk ook het vierde kind, Joris, ſtierf in ſyn wieghje. Kemp. Arkel, 397 bl.

Wat nu ſyn krygsbedryven aangaat; hy ſloeg, de Franſſe, by Teroäne. Mezeray, in Lud. de XI. 983 bl.

Hy belegerde Doornik, en dwongſe tot den overgaaf. Barlandus, in Comit. Holland.

Hy kreegh geheel Gelderland onder ſyn gebied. Slichtenhorſt. Gelders. Geſch. 311 bl. Eindlyk, in ſyn jeugd was hy ſeer voorſpoedigh; doch wederom, na de dood van Maria, ten eenemaalen rampſaligh; A. 1488, van de ſyne gevangen, en 9 maanden binnen Brugge bewaard. Doch, Fred[e]rik, ſyn vader, quam geweldiger hand naar beneden, belegerde Gent en verloſte ſyn ſoon uit de klauwen der w[r]evelige Bruggernaars. Deeſe ſtierf, A. 1493, en liet Maximiliaan het keiſerryk. Cuſpinianus, in Cæſarib. Chanler, Chron. 30 bl. en Oudaan, in dit volgend Puntdicht.

Mariaas bruigôm, word my 't ſtuir des land bevolen, Terwyl de Franſſe magt haar erfland ſet in koolen, Uit medevryers wrok; dat Teroane tuigh; Hoe voor Maximiliaan ſyn wrevel billik buigh Myn hert! hoe ſytge my ſoo vroegh, ſoo leide ontvallen! Die voogd blyf van myn ſoon; maar voogd geen voogd met allen; En voogd eens andermaal der neven, daar myn ſoon My en ſyn krooſt ontvalt en hem des keiſers kroon.

2.17.22 MEDEMELACHA

MEDEMELACHA; of een gewaande, of ſekerlyk een lang verdweenen rieviertje, by Medenblik. Boxhorn. Stedeb. 373 bl. Scriverius, 79 bl. Parivall. Verm, van Holl. 172 bl. Van Royen, over Verſtege, 105 bl. en voornaamlyk (waarom hem ook niet eens de knevels op te ſtryken!) Dirk Burger van Schoorel, in de Chron. van Medenbl. 12. bl.

2.17.23 MEDEMBLIK

MEDEMBLIK, of Memelik, by verkortinge. Laat ons de Hr. Huygens eens gaan hooren:

Weſt-Frieſen, weeſt getuygh! 'k heb koningen gevoed; Weſt-Frieſche koningen, de voogden van uw goed. Waar dat ik meê den blik van Waarheids helle ſtraalen Myn gulde tovenaars ter hellen ſagh doen daalen, Was meer verheugens waard en 't dienen onder God Veel vryer vryigkeid dan 't koninglyk gebod

<blz 243 | 226>

Daar Godes niet en was. Noch ſtaan ik verr van ſlaaven, Maar vryelyk ten dienſt die my de vryheid gaven; Al heb ik overlang die gonſtigheid beloont, En Holland eerſt het pad naar 't Gulde Vlies getoont.

Sy is de eerſte ſtad van Weſt-Frieſland en Hollands Noorderdeel, ſiende naar het Breêſand, tuſſen het vermaarde dorp Winkel (van welke beneden66) en de ſtad Enkhuyſen, van welke, 83 bl. Boxhorn. Stedeb. 373 bl. ſiet de naauwkeurige Kaart van Nik. Viſſchers Noord Holland.

De Naam trekken ſommige van het rieviertje, of liever langwerpigh meertje, Medemelaca. Alting. Notit. 2 Part. 125 pag. uit een Geſchrift van keiſer Ott den III, van A. 985.

Sommige droomen hier van de toveres Medea, mogelyk met het paardeken van Pakolet, uit Kolchos of Italie, in deeſe landoort neêrgedaalt. Saanl. Arkad. 2 B. 93 bl.

Doch, waarom is, deſelve niet af te trekken van de meeden of de mieden, dat is geſegt, natte weylanden? Alting. wederom, 125 pag. uit een geſchrift van biskop Godebald, van A. 1098 of 1118.

Dit van de Naam; het volgende van den ſtichter. Deeſe was Diderik, Radbods ſoon. Immers houd men het ſtaande, dat Radbod, een Frieſch koning, ook in deeſe ſtad ſyn hof heeft gehad. Douſa, by Boxhorn. op het gemelde bl. behalven onſe Dirk Burger, en Didrik van Wideneſſe, Baans geſegt, by W. Blaauw, in ſyn doorwrocht Stedeboek.

Maar, de Schryvers gewagen van Radbod den I en Radbod den II. Wel aan. Dit ſal myn ſchryfſtoffe ſyn, in de letter R.

Ga tot de krygsgevallen over. In deeſe munt uit het ontſet; gr. Jan van Henegou, met ſyn Hollandsſe lansknechten, de Frieſen ſlaande en verdryvende. De Gouwenaar, 76 bl. Amſteldams Beſchryv. 2 B. 9 H. 114 bl. Scotanus, Fries. Chron. 151 bl.

Na dat, weinigh te vooren, deeſe Frieſen de ſtad hadden belegerd, ingenomen en verbrand. Van Spaan, Rotterd. 80 bl. Amſteld. Beſchryv. 9 H. 112 bl.

A. 1517, wierdſe met geweld veroverd door de Gelderſſe, onder de naam van den Swarten Hoop of de Swarte Bende. Deeſe hebben de ſtad met den vuire ſoo vernield, dat 'er niet een eenigh huys is overgebleven. Alleenlyk op het ſlot ſtuitte af de woede der vyanden, Hr. Juſtus van Buiren, met een groote kloekmoedigheid, het ſelve <blz 244 | 227> verdedigende. Boxhorn. behalven Wachtendorp en de Chronyk van Hoorn, &c.

Aangaande nu dit ſlot (door Rochman tweeſins afgebeeld en ook te vinden in het Stedeb. van gemelde Blaauw) gr. Floris de V was ſoo niet de bouwer, ten minſten de vernieuwer, ontrent A. 1288, om daar mede, gelyk met Eenigenburg, Middelburg en Nieuwburg, der Frieſen moetwil te beteugelen, en ſoo ſyn vaders dood te wreeken. Vander Woude, Alkm. 28. bl. Saanl. Arkad. 212 bl. Goudhoeve, 97 bl.

Die meer van Medemblik begeerd te weeten gaa tot de Schryveren behalven de reedsgenoemden, Beka, 94, 96 & 101 pag. Junius, Batav. 17 cap. 502 pag. Vronens Op- en Ondergang. 4 B. 219 bl Van Royen, over Verſtege, 104 bl.

Van Medemelaca, of door bedykkingen verlooren, of door den tyd verdroogd, of in een ongeletterden tyd gedroomd, ſpraken wy ſoo even, 225 bl.

2.17.24 MEEREN

MEEREN; gelyk Holland is bolland, week en laag van gronden; ſoo is het ook (voornaamlyk in het Noorderdeel) met ontelbaare meeren en meertjes, poelen en waalen, braaken en dellen, gelyk als doorkorven. Welke alle hier op te noemen een moeylyken en onnutten arbeid ſynde, ik alleenlyk de voornaamſte, volgens de rang van het A. B. C, hier ſal ter neder ſtellen.67

  1. Abkouder meer

    Abkouder meer, tuſſen Abkou en de Voetangel; is ſeer gering van omtrek; maar, by noodweer ſomwylen, de jaagſchuyten als noch vry hinderlyk. Sie de Stichtſche Kaart van Nic. Viſſcher.

    Van Abkoude en daar ſlot is boven geſproken, 5 bl.

  2. Achtermeer

    Achter​/meer/; by Holyſloot, ontrent Suyderwouw, in Waterland. Is bedykt, A. 1566. Van der Wouwde, Alkm. 6 bl. Dirk Burger, Medembl. 96 bl.

  3. Aalmeer

    Aal​/meer/, (wegens de overvloedige aal) anders Dalmeer, in de Koedyker Ban, is bedykt, A. 1560. Deeſe, weder 95 bl. en die, 6 bl.

  4. Beemſter

    Beemſter, aan de Purmerdyk gelegen; bedykt, A. 1600. Is, A. 1610 door een hooge vloed overſtroomd, doch aanſtonds weder bedykt. Deſelve Vander Woude, 6 bl. Parivall, Verm. van Holl. 168 bl. Vuirige Colom. 120 bl. De Scoreler, 94 bl. Onpartydigh Chron. 14 bl.

    Deeſe Beemſter is wel eer een rievier of een water geweeſt, Vronens Onderg. 4 B. 11 H. 243 bl; Alting. Notit. 2 Part. 37 pag. De Scoreler, 95 bl.

  5. Belmermeer

    <blz 245 | 228>

    Belmer​/meer/, by Holyſloot en Suyderwouw; bedykt, A. 1632 De Scoreler, 95 bl.

  6. Betgermeer

    Betger​/meer/, tuſſen Bergen en Alkmaar; bedykt, A. 1555. Deſelve, 6 bl. De Scoreler, 97 bl.

  7. Bilemermeer

    Bilemer​/meer/, tuſſen de Diem en de Gaaſp; bedykt, A. 1631; doch heden weder onder water, zedert de ongemeene waternood van den 5 en 6 April, des jaars, 1702. Gemelde Colom. 123 bl. Siet het Geſchrift nevens het Afbeeldſel van dit onderlopen.

  8. Broeker meer

    Broeker meer, in de Broeker-ban, bedykt A. 1626. De Scoreler, 95 bl.

  9. Buikſloter-meer

    Buikſloter-meer; ook, A. 1626, bedykt. Deſelve, 95 bl.

  10. Diemermeer

    Diemermeer, A. 1630, bedykt; doch weder ondergeloopen, A. 1651, door het breeken van S. Teunis Dyk. Heden evenwel droog, en de ſpilpenning der naaſtgelegene ſtedelingen niet qualyk genoemd. Vuirige Colom, 123 bl. Amſteld. Beſchryv. 3 B. 183 bl.

  11. Egmondermeer

    Egmonder​/meer/, A. 1555, bedykt. Vander Woude, 6 bl. De Scoreler, 96 bl.

  12. Engewormermeer

    Engewormer​/meer/, ontrent het Kalf; A. 1624, bedykt. Deſelve, 95 bl.

  13. Haarlemmer- en Leidsſe-meer

    Haarlemmer- en Leidsſe-meer; welke, voor ontrent 200 jaaren met een enkele weetering, waaren van een geſcheiden: loopende ook diergelyke weeteringkjes door het land, (toen meeſt poelen en moeraſſen) tot aan Swaanenburg of het Huys ter Hart. Parivall, Verm. van Holl. 165 bl.

    Rensdorp, in het meer nu ten eenemaal verdronken, ſtrekte toen ſich aan het lapje lands, de Vennep genoemd.

    Tuſſen de uiterlanden van den Ruigen Hoek lagh een kleene doortogt, om, van het vaſte land of van Hillegom, te konnen ryden, door Aalsmeer, Ryk en Sloten tot in Amſtelland: komende ſoo tot Woerden en tot Uitrecht, aan de Rhynſaater-Woudsſe ſyde.

    Ook kon iemand, in die tyd, droogvoets, met een ſpringſtok, van Rhynſaterwoude komen tot aan Hillegom; en ſiet nu alles van het verſlindend water overheerd!

    Daarenboven doen noch heden de Noordweſtelyke ſtormwinden de meeſt uitgevende landſtreek van de Oude Weetering af voor Rhynſaterwoude, Leimuyden, en Aalsmeer tot aan Amſtelveen elendigh weghſchuiren; gelyk, door de Weſt- en Suidweſte winden, langs de kant van Sloten, Ryk, Nieuwerkerk, en voorts langs Schalkwyk tot aan het Spaaren, alles hoe langs hoe meerder afbrokkeld. Van Royen, over <blz 246 | 229> Verſtege, 2 H. 34 bl. aantrekkende een Oude Landkaart van A. 1508. Siet ook het Proviſioneel Concept der Bedykkinge deeſer meeren, A. 1641, uitgegeven, nevens een aanſpraak van vader Vondel: aan den Leeuw van Holland:

    Uitheemſſe vyanden te ſitten in de veeren, Te ſlingeren den ſtaart grootmoedigh over zee Is ydel; als uw long, geſlaagen aan het teeren, Inwendigh vaſt vergaat en gy, met her[t]ewee, Soo deerlyk ſucht en kucht en looſt, by heele brokken, Het rottende ingewand te keel uit, in de golf. Wat baat het, met uw klaauw, al't Ooſt en Weſt te plokken, Nadien u byt in 't hert d[e]es wreede Waterwolf, Beluſt, om over u eerlang te triomfeeren? O land-leeuw, waak eens op en wek, met eenen ſchreeuw, Al 't veen, de Kennemers en Rhynlands oude Heeren, Met d'Amſtellanders op, tot noodhulp van hun Leeuw! Men ſluite met een dyk dit dier, dat u komt plagen. De windvorſt vlieg 'er met ſyn molewieken toe, De ſnelle windvorſt weet den Waterwolf te jagen In zee, van waar hy quam, het kabblen nimmer moê. De veenboer ſit en wenſt dees waterjagt te ſpoeyen, En 't veenwyf roept: hy ruimt, de Landleeuw weid op 't ruim En ſuigt ſyn long geſond aan d'uyers van de koeyen. Soo wint de Land leeuw land! ſoo puird hy goud uit ſchuim!

    Voeg hier noch by het geen Jan Adriaanſſen Leeghwater, ſyn tyd aangaande, ons verteld; te weeten, dat ontrent Sloten, op eene jaar, 50 roeden ſyn weghgenoomen; dat voor Ruigenhoek 500 roeden ſyn afgeſleten, dat men, met een plank, over de ſloten ging van de Vennep tot aan Hillegom. Siet ſyh Haarlemmer-meerboek, 8 en 9 bl. benevens Van Leeuwen, Leid. 157 bl.

  14. Heiloër-meer

    Heiloër-meer; A. 1581, bedykt. Vander Woude, 6 bl. en de Scoreler, 97 bl.

  15. Horſtermeer

    Horſter​/meer/, tuſſen Vreêland en Ankeveen; een leenroerige bedykinge; van welken het jaartal my is onbekend.

  16. Huigen-waart

    Huigen-waart, tuſſen Alkmaar, en de dorpen, S. Pankras, Hensbroek en Veenhuyſen; A 1626, bedykt. De Colom, 123 bl. Vander Woude, 7 bl. De Scoreler, 94 bl.

  17. Limmer-meer

    Limmer-meer; A. 1430 bedykt. Deſelve, 6 bl. De Scoreler, 97 bl.

  18. Monike-meer

    <blz 247 | 230>

    Monike-meer, by Monikedam; als noch een oopen water. Sie van Monikedam, beneden.

  19. Naarder-meer

    Naarder-meer, tuſſen Weeſp en Naarden; ook noch een vol water. Sie de Stichtsſe Kaart van Viſſcher.

  20. Purmer

    Purmer; A. 1620, bedykt en opgedroogd. De Colom, 123 bl. 't Onpartydigh Chronykje, 43 bl.

  21. Schager-waart

    Schager-waart, A. 1631, bedykt. De Scoreler, 94 bl.

  22. Schermermeer

    Schermer​/meer/, by Alkmaar (let hier hoe deeſe ſtad is Al​/meer/, wegens alle de omgelegene meeren, gelyk wy ook aanmerkten, 13 bl.) A. 1632, bedykt. Van der Woude, 6 bl.

  23. Slotermeer

    Sloter​/meer/, A. 1591, bedykt. Deſelve, 76 bl.

  24. Starmeer

    Star​/meer/ tuſſen Marken en Graftdyk, ontrent de Ryp, A. 1643, bedykt. Deſelve, 6 bl.

  25. Vronermeer

    Vroner​/meer/, A. 1561, bedykt. Deſelve, 6 bl.

  26. Wieringerwaart

    Wieringerwaart, ter ſyden Kolhorn, A. 1608, bedykt en, A. 1610, van het zeewater weder overſtroomd. Deſelve, 7 bl. De Scoreler, 94 bl.

  27. Woghmeer

    Wogh​/meer/, by Urſem en Hensbroek, A. 1607, bedykt. Vander Woude, 7 bl.

  28. Wormermeer

    Wormer​/meer/, tuſſen Jiſp en Purmerland, nevens de Enge wormer, A. 1626 bedykt. Deſelve, 7 bl. en de Colom, 123 bl.

  29. De Zyp

    De Zyp, by Petten; viermaal bedykt. A. 333, van het zeewater overſtelpt, isſe, 1200 jaaren, onder de golven begraven, blyven leggen. Maar, A. 1553, is 'er een nieuwe bedykkinge geſchied. Wederom, A. 1572, naa de Allerheiligenvloed, van A. 1570. Wederom, A. 1597, doch, in het ſelve jaar, in Septemb. weder vol water; weder gedroogt en geſlooten. De Colom. 119 bl. Parivall. Verm. van Holl. 168 bl. behalven onſe Scoreler, Dirk Burger.

    Vorders ſchryft Van Spaan (in ſyn Chron. van Hongersnooden, &c. 132 bl.) dat men, in de bedykkinge van A. 1552, onder het graven, heeft gevonden de gronden van een ſtad, die meer dan 200 jaaren hadden bedekt geweeſt.

    Ondertuſſen ſou met deeſe Meer-lyſt genoegſaam bewaarheid worden het ſeggen van gemelde Leeghwater (ook op het uitmaalen van het Haarlemmermeer aandringende) dat'er, na de troebeltyd, in Holland, Zeeland en de naaſtgelegene landen, ontrent de 80000 morgen ſyn bedykt. Siet hem, 20 en 21 bl, des Meerboeks.

2.17.25 MEERBURG

MEERBURG; een Huys en ridderlyke hofſtede in Rhynland, op de kromte van de Meerburger Wateringe, in Soeterwoude. Van Leeuwen, Rhynl. Inleid. 39 bl.

2.17.26 MEERENBERG

<blz 248 | 231>

MEERENBERG; een Huys by Saſſem, in Rhynland, onder Liſſe, niet verre van het Haarlemmermeer, door Jongkhr. Albrecht van Waſſenaar geboud. Goudhoeve, 82 bl. Van Leeuwen, Rhynl. Koſtuim. Inleid. 34 bl. aan de Maare, ſegt Junius (Batav. 18 cap. 518 pag.) van den Hr. Vincent Lokhorſt wel eer beſeten.

2.17.27 MEERESTEIN

MEERESTEIN; een oud Heeren-Huys, (door Rochman afgebeeld) tuſſen Beverwyk en Alkmaar, van het Swaansmeer weleer beſpoeld; niet verre van de ruiin van het Huys te Foreeſt of Ooſterwyk. Sie verder van dit Huys, Goudhoeve, 97 bl. Van Leeuwen, Batav. 957 bl. de Saanl. Arkad. 81 bl. en ſelf boven, 25 bl.

2.17.28 MEERDERVOORT

MEERDERVOORT; een Huys en ridderhofſtad in Suid Holland, ook door Rochman afgebeeld, in de oude papieren dragende de naam van het Hof Oudenhove, Suid Holl. 230 bl.

2.17.29 MEEUWEN

MEEUWEN, in twee Geſichten door Rochman vertoond, is een Huys in den lande van Arkel en Altena, ontrent A. 1360, getimmerd. Goudhoeve, 88 bl. Oudenhove, Heuſdens Beſchryv. 18 bl.

2.17.30 MENAPII

MENAPII; welke oude volkeren beſloegen een ſtuk van Gelderland en het overgelegene Braband, ontrent de Neder-Maas. Slichtenhorſt, (Cæſar en Strabo ſamen ſtellende) Geld. Geſch. 1 B 17 bl. of haar verblyf hadden (en dus ſyn het waarlyk de Brabanders) tuſſen de Maas en de Schelde. Kluverius, Rhynm. 2 D. 209 bl. of (maar dit is een ſeer elendige mistaſtinge van Pontanus) neergeſeten waren, in Amſtelland. Montanus, Amſteld. Beſchryv. 1 B. 9 bl.

2.17.31 MERWEDE

Het Huys te MERWEDE, of by verkorting Merwe; is, volgens Rochmans afbeeldinge, heden alleenlyk de ruiin van een ſydmuir, in het water ſtaande; gelyk het de Leeſer hier kan beſchouwen.

Ondertuſſen is de buitenſte- of de Weſtſyde, naar Dordrecht gekeerd, geheel glat en met blinkende of overglaaſde ſteenen opgemetſeld: het geen, na ſulk een langen tyd, al is een ſaak vol opmerkinge.

Het is wet ſeer oud; maar niettemin die haar ſtichtinge Merevëus, kon. van Vrankryk, toeſchryven, hebben geen wettigh bewys. Alting, Notit. 2 Part. 126 pag.

Immers, het is geſloopt, door den vreeſlyken watervloed van A. 1421; van welke ook boven, 65 en 81 bl. Balen, Dordrecht, 769 bl. nevens een afbeeldinge van deeſe waternood. Boxborn. Stedeb. 94 bl. Van Spaan, Rotterd. 30 bl. <blz 249 | 232> Van Royen, nevens een afbeeldinge, van de ruiin, 57 bl. &c.

Doch, hoe ſeer geſchonden door het water en den tyd, de juriſdictie van deeſe vierkante romp is ſich noch uitſtrekkende tot binnen Dordrecht. Gemelde Balen, 35 bl. en Boxhorn. 94 bl.

Nu van de Naamreden; want die moet 'er weeſen, of het ſpel is onvolmaakt. Trekſe dan af, of van de Merwe; een gemeene griff van Maas en Waal, by het ſlot Loeveſtein. Alting. Notit. op gemelde 126 bl.

Of van kon. Merovëus; maar, by Jac. van Oudenhove (Oud-Holland, 153 bl.) is een Latynſſe Brief van Ger. Voſſius, aan Hadrian. Blyenburg; trekkende de Naam niet van Merovëus, maar van mer-wede, dat is, paarde-wey. De gedachte kan my behaagen; want de Naamredenen altyd van oude vorſten of oude volkeren te willen aſtrekken, is eer belachelyk als ſmakelyk en lofverdienend. Sie deſelve Brief, by Van Leeuwen, Batav. 37 bl. en Balen, 35 bl.

Eindlyk wil ik wel, nevens Jakob. Eindius (ſie ſyn Chron. Zeland. 1 lib. 17 cap. 104 pag.) in het algemeen de Franken aanneemen voor de bouwers van dit kaſteel, ſoo wel als van Kats, Batenburg, &c.

Van de Franken ſpraken wy, 92 bl. en verder, ſie van het Huys te Merve, Junius, Batav. 8 cap. 112 pag. en weder, 19 cap. 546 pag. Goudhoeve, 78 bl. Meurs, XVII. Provinc. 2 D. 455 bl. en de oudere Schryvers, Heda, 116 & 130 pag. Dithmarus (A. 1018, overleden) in Chron. &c.

2.17.32 MIDDELBURG

MIDDELBURG; een kaſteel tuſſen Torenburg en Nyenburg, tegens de Weſt-Frieſen, ontrent A. 1238, geſticht van gr. Floris de V, ontrent Alkmaar. Stoke en Beka, by Alting, weder Notit. 2 part. 128 pag. Nu, door de vernielſieke Tyd, al lang omver gemaaid, ik ſeg, door het Kaas- en Broods-volk ten gronde toe vernield. Heemskerk, Arkad. in de Aanteek. 270 bl. Saanl. Arkad. 4 B. 507 bl. Scotanus, Frieſſe Geſchied. 145 bl. Goudhoeve, 85 bl.

2.17.33 MY

't Huys te MY; in Leyerdorp, niet verre van de kerk; al meê verwoeſt, doch naderhand vernieuwd. Van Leeuwen, Rhynl. Koſtuim Inleid. 52 bl. Goudhoeve, 82 bl.

2.17.34 MYNDEN

MYNDEN; een riddermatige Hofſtede, ſich ſeer wyd uitbreidende, en wel ontrent de 100 leenen beſittende; is gelegen ontrent Loenen en Kroonenburg, tegen over de luſtplaats Nieuwerhoek, by de Vecht. Siet de Loosdrecht van Nic. Viſſcher.

<blz 250 | 233>

A. 1704, den 22. Decemb, gaande het geſicht van Mynden opneemen, bevond ik het te ſyn alleenlyk een ruigen heuvel, van puin en aarde, met een uitgedroogde wyde gracht omringt.

De bouheer ſou ſyn geweeſt Heer Gillis van Amſtel, de broeder van Gysbrecht an Amſtel, welke ook (A. 1227) Gillis Van Amſtel en niet Van Mynden wierd genoemd. Hy leefde, noch, A. 1235.

A. 1296, was Heer Amelis van Mynden, de ſoone van Heer Willem, een leenman van de Graafllykheid.

Ondertuſſen is my tot noch toe niet voorgekomen, op welken wyſe en door wie dit Huys tot een puinhoop is geraakt.

Heden behoord het de Hr. en Mr. Jeron. de Haze de Georgio, Burgem. van Amſteldam; door wien een nieuwe Woning en Huys, nevens het Myner ſluisjen, is geſteld. Voor hem beſat het de Hr. Gruiter, in Suriname, met de hoedanigheid van Generaal overleden. Deeſe had het gekregen van de Vrouw van Hoeflaken, terwyl de Hr. Geereſtein, haar ſoon het aan den Hr. van Kronenburg had verkocht. Hier uit is geſchil ontſtaan, en gemelde Heer Burgemeeſter heeft op het einde getriomfeerd. Dit weder, uit de Aanteekeningen van Korn. Kooten, wegens de ſtamboom van de Heeren van Mynden, my wyſende tot de Inleidinge van de Beſchryv. van Amſteldam, 154 bl. en Van Leeuwen, Batav. 830 bl.

Siet ook Schook (Belg. Fœderat. 13 lib. 7 cap.) van dit Huys gewagh maaken.

2.17.35 MYSEN

MYSEN; een ſeer oude bedykkinge ontrent Schermerhorn, in Noord Holland; gelyk, by Heiloo, ten Ooſten, het Myſer kerkhof en, ten Weſten, de Myſer ſteiger; alwaar die van Myſen haar goederen ſcheepten, den Rhyn ſullende afkoomen. Vander Woude, Alkmaar, 133 bl.

Van den Rhyn, in deeſe landſtreek, is ook geſprooken, by gelegenheid van het Huys te Brederode, 43 bl. gelyk by het watertje de Eg, 76 bl. en noch elders.

Sie de Myſer coog, in Nic. Viſſchers ſeer keurigh uitgevoerd Noord Holland.

2.17.36 MOERKERKEN

MOERKERKEN; tegen over Jaarsveld, in Suyd Holland; door Rochman drieſins afgebeeld. Heb daar af niemendal te ſeggen.

2.17.37 MOERSBERGEN

MOERSBERGEN; in het Sticht, by Doorn en Kleen Geereſtein; ook onder de Geſichten van Rochman. <blz 251 | 234> Heb van dit Huys ook niets. Sie Viſſchers Sticht.

2.17.38 MONTFOORT

MONTFOORT; is een groot en oud ſlot in de ſtad Montfoort, gelegen aan den Yſſel, tot een grensplaats tegen de Hollanders, door biskop Godefried geboud. Beka, in Godefr. de 28ſte bisk. 55 pag. Meurs, XVII Provinc. 2 D. 879 bl.

Voorts verpande dit biskop Jan van Naſſau (ondanks de gemeente van Uittrecht) aan Heer Harmen van Woerden, gelyk hy by den Hr. Gysbr. van Amſtel dede, met Vredeland. Beka, in bisk. Jan. 95 pag. en Heda, in den ſelven 39ſten bisk, 222 pag.

Naderhand wierd het door gr. Floris de V belegerd; en met 2 blyden beſtormd; maar gemelde Van Woerden Montfoort wel verſterkt hebbende, is het ſlot naa een langduirigh belegh, vechtenderhand gewonnen; waar op de ſwevende geſchillen ſyn bygelegt. Het kaſteel is, nevens Vreêland, biskop Jan, op ſekere voorwaarden, weergegeven. Heda, in bisk. Jan, 235 pag. Beka, in den ſelven, 98 pag. Scriverius, in gr. Floris de V, 230 bl. Stoke, in gr. Floris, 102 bl. Sie mede boven, uit Vondel, 90 bl. en Amſteld. Beſchryv. 2 B. 52 bl.

A. 1301, ſneuvelde, op Hogewoert ontrent Montfo[o]rt, Willem, de 41ſte biskop, die van Utrecht te reukeloos [b]evechtende. Sie boven, in Hoogewoert, 142 bl.

A. 1490, wierd Montfoort door den hertog van Saxen de Hollanders belegerd; doch de ſaak wierd midlerwylen ook bygelegt.

Sie meerder van dit ſlot, Slichtenhorſt, 6 B. 79 bl. Hortenſius, Hiſt. van Uitrecht, 4 bl. Junius, Batav. 8 cap. 108 pag. en 11 cap. 234 pag. Scotanus, Frieſſe G. 144 bl.

2.17.39 MONIKEDAM

MONIKEDAM, ſoo geheeten naar de Monik, een waterloop, midden door de ſtad vloeyende. Guicciardin. XVII Provinc. 3 part. 123 pag. Parival, Verm. van Holl. 179 bl.

Was aan de ſyde van Vrouw Jakoba, toen ſy, A. 1426, van de Kennemers wierd ingenoomen. Boxhorn. Stedeb. 369 bl.

Voorts doet haar Huygens, anders de Hr.van Zuilechem, op deeſe wyſe, den Leeſer aanſpreeken:

Zuid-Ooſte Purmer-end beſet ik met den dam, Die van een Monik-meer wel eer ſyn doopſel nam. Maar eertyds, nu niet meer, hoe ſien ik uwe baaren Van baaren ingeſ[l]okt? als minder viſſen vaaren

<blz 252 | 235>

Van die haar meerder ſyn. En vraag ik 't ook de Faam, 'K en leere geen beſcheid van ouder baaren naam. Al vult gy dan myn ſchild, ſtaa buiten, halve paapen, Om blyven dat ik ben, behoef ik meer als gaapen: Myn borgers moeten by Godsdienſtigh ſyn en koen; Hun welſyn hangt gelyk aan 't bidden en aan 't doen.

2.17.40 MORINI

MORINI; extremique hominum, Morini, dat is, Morini, de wydſtafgelegene der menſſen; ſegt Virgilius, in het 8 B. van ſyn Eneis, 727 vers.

Dit ſyn de Vlamingen, de naaſte aan Engeland, woonende in een landoord vol moeren en veenen. Cæſar, Gall. Oorl. 4 B. 20 H. Pikardt, Drenth. 37 bl. N. N. by Blaeuw, in ſyn Britannia, 10 pag. trekkende de benaaminge Morini van mor, in het oude Brits beteekenende de zee. Want ſoo ſyn de civitates Armoricæ, ſteden ar-mor, dat is, aan zee. Siet ook Flud à Ghilde, over Kluverius, 2 D. 192 bl. nevens Merula, Bertius, Marchand, Pontanus, &c.

2.17.41 MUYDEN

MUYDEN; van deeſe ſtad, op de mond van de Vecht en aan de Suyder zee gelegen, kan de Leeſer naarſien Boxhorn. Stedeb. 335 bl. behalven Guicciardin, &c.

Maar van haar ſlot kan ik niet beter ſpreeken, als gebruikende de woorden van Antonides, Yſtroom, 4 B. 108 bl.

Maar aan den Ooſterkant verheft ſich 't Muyder ſlot, Befaamd door Floris dood, hier van ſyn ſtam geknot; Toen Velſen, ſoet op wraak, met ſyne vloekgenooten, De graaf, ſyn wettigh vorſt, den dolk in 't hart dorſt ſtooten, En Gooiland verwen, met het bloed van ſynen heer; Dat wraak riep, daagende heel Holland in 't geweer, Toen Woerden en Reneſſe en andre wraakverwanten, Op 't hooge Kroonenburg, vergeefs hun ſtandert planten; Alſaamen jammerlyk geſneuveld in elend. Soo valt hy in ſyn ſtraf, die 't recht der vorſten ſchend!

De ſtichter is gemelde gr. Floris, ontrent A. 1290. Montanus, Amſtelheeren, 81 en 109 bl. blyvende als noch heden in weeſen; te weeten de wooning der Droſten van Muyden en Baljuwen van het Gooiland, als: de Hr. Petr. Korn. Hoofd, ridder van S. Michiel, &c. en vervolgens de Heeren, Bikker, Papekop, Fontein &c.

<blz 253 | 236>

Wat de ſtad betreft, (van welken ook aldus Antonides, 110 bl.

          Een ander magh beklyven, Maar 't nedrigh Muiden ſal voor eeuwigh Muiden blyven.

)

Sy was wel eer (A. 953) wegh geſchonken, aan de kerk van Uitrecht, door keiſer Otto den I; hebbende toebehoord Hr. Walger, de vader van gr. Hatto, met de tollen aldaar. Buchelius, in Hedam, 86 pag. welke gifte, door keiſer Frederik, A. 1171, wierd beveſtigd. Heda, in Balduin. 181 pag.

A. 1204, wierdſe verbrand. Stoke, in Ada, 69 bl. behalven Heda, Beka, &c.

A. 1356, is het, nevens haar ſlot, ingenomen en verbrand, door bisk. Jan van Arkel. Goudhoeve, 94 bl. Parival, Verm. van Holland, 162 bl. behalven Beka, &c.

A. 1374, heeftſe weder tot een roof geweeſt. Scotanus, Frieſſe G. 151 bl. ſpreekende van bisk. Willem.

A. 1508, wierdſe van de Gelderſſe ingenoomen en verbrand; doch het geſchil is eindlyk bygelegt. Goudhoeve, 571 bl.

En wat de afbeeldinge van het ſlot aangaat; wy hadden 2 Teekeningen, maar wy verkooſen die van Rochman; te weeten het Geſicht op de rechterſyde.

Eindlyk ſie mede van dit ſlot, Junius, Batav. 17 cap. 481 pag. &c.

2.17.42 MUIDERBERG

MUIDERBERG; alwaar gr. Floris de V. gebracht ſynde, aan ſyn wonden is overleden. Scotanus, Friesſche Geſchied. 146 bl. op het jaar, 1206.

Heeft een oude kapelle, deſwegen op deeſe plaatſe geſticht. Matheus, Analector. VI Tom. 117 pag. uit een Geſchrift van gr. Willem, van het jaar, 1324.

Vorders is het by myn in een Teekeningh; doch anders gaat het in druk, met 3 Geſichten, ook onder myn Vaderlandsſe Landgeſichtjes haar legplaats hebbende.

Eindlyk, een liefhebber Van Landlevens te leeſen, vermaake ſich hier met de Muider-berg, van den Hr. Six, loflyker geheugen, Burgemeeſter van Amſteldam; by Van Royen, Leermeeſter der Seden, 109 bl.

2.17.43 MUILWYK

MUILWYK; een Huys en ridderlyke hofſtede in Suid-Holland; behoorende tot de Muilwykken, uit den huyſe van Merwede afkomſtigh. Van Leeuwen, Batav. 1233 bl.

2.17.44 MUNT

MUNT; ontrent welkers aloudheid, ik niet meen op te haalen, hoe men eertyds handelde, alleen met ruylen en <blz 254 | 237> verwiſſelen; hoe men, dagelyks in deſelve groote wanorders bevindende, eindlyk aan het geldmunten is geraakt; en hoe men de gemunte ſtukken noemde pecunia, à pecore, dat is; van het vee, allereerſt daar op afg[e]beeld. Deeſe ſtoffe vind gy verhandeld by die Latiniſten, welke over de Geldmunten, en, ſoo Roomſſe als Griekſſe, Gedenkpenningen hebben geredenkaveld: doch ſiet ook Jak. van Oudenhovens Dordr. 7 H. 247 bl. en Alkemade, in het Voorbericht van ſyn Graaflyke68 Geldmunten.

Maar ik keere my alleenlyk tot de Munt van het graafſchap Holland; hebbende daar af, A. 1064, Dordrecht het recht ontfangen van keiſer Henrik de IV. Handveſt Chron. 2 D. 7 H. 118 bl. by gemelden Oudenhov. 224 bl. welk recht is bekrachtigd door verſcheidene handveſten van hert. Jan van Beyeren, Albert en Willem van Beyeren, Filip den I, Maximiliaan en Filip den II, Vrouw Maria en keiſer Karel den V. Balen, Dordr. 679 bl.

Dit van haar oudheid; nu van de Geldmunten in het byſonder.

A. 1597, is, door eenen Dordtenaar, Eraſmus van Houweningen, uitgegeven een Beeldenaar van goude en ſilvere ſtukken, te Dordrecht geſlagen; beginnende met gr. Diderik de VII, of A. 1113, en met Filippus, hert. van Burgondie, of A. 1467, beſluitende. Noch eens, Oudenhov. 247 bl. en Balen, 679 bl.

Waar nevens gevoegd moeten worden de Goude en Silvere Gangbaare Penningen der Graven en Gravinnen van Holland, vertoond en behandeld, A. 1700, door Kornelis van Alkemade, boven, met lof meermaalen aangetogen; als 7 bl. &c.

Maar, ſiet hier eenige benaamingen van onſe oude Munten aangehaald.

I. Andries-gulden; vertoonende S. Andries met ſyn kruis; van welke boven, 189 bl. dede 18 ſtuiver. Goudhoeve, 560 bl. doch, A. 1496, op 28 ſtuiver geſet. Scotan. Frieſ. Geſch. 452 bl. ja, naderhand tot 58 ſtuiver gereeſen. Van Meteren, Hiſt. 7 bl.

II. Burgoenſſe Schilden of Filip-klinkers, golden 2 gl. 3 ſt. Goudhoeve, 471 bl. hoewel ſy allereerſt deden, 15 ſtuiver. Heemskerk, van het verhoogen en verlaagen ſpreekende, Arkad. 224 bl.

III. Botdrager; verbeeldende een gehelmde leggende leeuw; ſynde van gr. Willem de V. Alkemade, 82 bl.

Van deeſe is, voor eenigen tyd, een menigte opgedolven <blz 255 | 238> in het vertimmeren van een Landhuys, in de provincie van Groningen; hebbende naderhand de eigenaar eenige Muntkabinetten van Holland, door myn handen, daar mede verſien.

IV. Davidsgulden; A. 1497, van 25 ſtuiver; doch, A. 1489, 57 ſtuiver hebbende gedaan. Scotan. Frieſſe G. 452 bl. ook, 449 en 450 bl. ſpreekende van het ſteigeren in verſcheidene Munten, veel onheil in Nederland verwekkende. Sie boven, 159 bl.

V. Delffs oortjes; (onder de myne mede geplaatſt) ontrent A. 1545, geſlagen; te weeten, voor de Geeſt-armen, raakende het collegie van den Heiligen Geeſt, binnen deeſe ſtad. Bleiswyk, Delff, 46 en 503 bl. by Pars, Katw. 186 bl. deſelve ook afbeeldende.

VI. Drielanders. Alkemade, 100 bl. aldaar ook der Grieken Munt-benaamingen aanhaalende.

VII. Engel, met 2 ſchilden, tuſſen deſelve ſtaande; van gr. Filips den I. Alkemade, 130 bl.

VIII. Filipsklinker; nu verhoogd en dan verlaagd; nu 15 ſtuiver en dan weder wel 2 gl. 10 ſt. Sie boven, de Burgoenſſe Schilden.

IX. Oude Groot; de eenigſte munt van gr. Floris de V; hebbende een kruis. Alkemade, 54 bl.

X. Oude Groot; van gr. Jan de I; de laatſte uit het oude Huys van Holland; volgens het bovengeſchrevene, 112 en 155 bl. in beeltenis met die van Floris de V, overeenkomende. Alkemade, 62 bl.

XI. Oude Groot van gr. Willem de III; waarop allereerſt alle titelen volkomen ſyn uitgedrukt. Alkemade, 69 bl.

XII. S. Katrine Doit; (ook in myn kasje te vinden) voerende het rad vol vilmeſſen, het wapen van S. Katrynen Gaſthuis, binnen Leiden. Van Leeuwen, Leid. 475 bl. by Pars, Katw. 360 bl. en niet het rad van Avontuiren; een belachelyke misduidinge in de Medal. Hiſtor. 24 bl. * *

Van S. Katryn, maget en martelareſſe, is boven geſprooken, 18 bl. Doch dat het geheele leven van deeſe Egiptiſſe heilige een kinderſpreukjen is, vertoond ons Daniel Papenbroek, beſchuldigende Baronius, by Matheus, Fundation. & Fat. Eccleſiar. 10 Fundat. 189 pag. voeg by deeſen, Hadrian. Valeſius, in Poſthumis.

XIII. Kromſtaart, naar de kromme Leeuwe-ſtaarten ſoo geheeten. Alkemade, 121 bl.

<blz 256 | 239>

XIV. Goude Lam, verbeeldende het Vredelam, met ſyn kruisbanier. Alkemade, 86 bl. en ook daarenboven in ſyn Voorbericht, tegens Goudhoeve, betuygende, dat deeſe Lammen van kon. Willem niet ſyn gemunt. Sie Goudhoeve, 313 bl.

XV. Heele en halve Hollandsſe Leeuw. Alkemade, 100 bl. in gr. Willem de VI.

XVI. Vlaamſſe Leeuw; onder een kerkdakje; van gr. Filips den I. Alkemade, 130 en 134 bl.

XVII. Ponden Tornois; namaals ponden Vlaams geheeten; waar mede de Graaflyke ſchattingen wierden gereekend. Alkemade, 59 bl. Is geene Munt, maar een ſomme gemunt geld; even als de Braſpenning, van welke boven, 59 en 97 bl.

XVIII. Ryder, of een ridder, op een gedekt tornooipaard. Alkemade, 134 bl. in Jan den II. Sie boven, in Dekkleden, 52 bl.

XIX. Dubbelde Saſſener; A. 1498, te Gent gemunt. Alkemade, 164 bl.

XX. Schuitjes; van 24 ſtuivers. Van Meteren, Hiſt. 8 bl.

XXI. Thuin, en daar in een Engel of een Leeuw. Alkemade, 101 bl. in gr. Willem de VI; betuiner van Hageſtein. Boven, 122 bl.

XXII. Vlies; naar het Vlies, of van Jaſon of anders Gideon. Alkemade, 161 bl. in Filips de I, &c.

XIII. Heele en halve Voetdragers; vertoonde een arend, met een wapenſchild aan ieder voet. Alkemade, 94 bl.

XIV. Eindlyk de Vuir-yſers, een vuirſlagh vertoonende; de enkele 2 blanken doende. Alkemade, 134 bl.

Hier mede ſluit ik deeſe Verhandelinge van de Geldmunten; alleenlyk daar noch byvoegende, dat, voor A. 1580, geen Munt in Zeeland is geweeſt. Alkemade, 154 bl. en in ſyn Voorbericht. en daar nevens, dat, onder het Grave-geld, de Munt van Diderik de VII, als de eerſte en oudſte, word aangemerkt. Deſelve Alkemade, 34 bl. ondertuſſen overſlaande de Munten van byſondere ſteden, als; van Medenblik. Deſelve, 46 bl. en in ſyn meergenoemd Voorbericht. of van Sevenbergen. Oudenhove, Dordr. 247 bl.

2.18 N

<blz 257 | 240>

N.

2.18.1 NAALDWIJK

NAALDWYK; een groot, oud en ſterk ſlot weleer, door haare Heeren, in de Jaarboeken, alom bekend.

Lagh in Delfland, tuſſen Lier, Graveſande en Honſlardyk. Goudhoeve, 93 bl. Alting. Notit. 2 part. 131 pag. uit een Geſchrift van gr. Diderik de VII, van het jaar, 1193; alwaar men leeſt: Naltwik, een dorp, by den aanvang van de Liora.

Sie van Graveſande boven 114 bl.69

Sie van Honſlardyk boven 145 bl.

en van de Liora, in de Letter R. op Rieviertjes.

2.18.2 NAAMREDEN

NAAMREDEN; ontrent ſommige ſteden en volkeren, ſeer dikwyls onnoſel, en ten eenemaal beſpottelyk. Let alleen op deeſe weinige ſtaaltjes.

I. Arkel; van Herkules, quanſuis het hoofd van dit edel ſtamhuis. Boven, 20 bl.

II. Braband; van Salvius Brabo, krygsgenoot van den wydberoemden Romein, Kajus Julius Cæſar. Jak. Aartz Kolom, in de Vuirige Kolom, 1 bl.

III. Britanje, quanſuis anders Brutanje; naar een gevondene koning Brutus. Cambdeni Compendium, 12 pag. &c.

IV. Dania of Deenmarken; van Dan, eene der 12 ſoonen van den artsvader Jakob.

V. Engeland, of beter Angulland; naar eenen koning Angull, Humbaltsſoon.

VI. Frankryk; naar Francio, de ſoon van den Trojaanſſen Hektor. O onbeſchaamde monike praat! Boven, 92 bl.

VII. Frieſland; naar Fryx of een Phrygiaan, uit Aſia herwaars overgevlogen. Boven, 95 bl.

VIII. Groningen, of anders Gruningen; naar Gruno, mede een opgeraapten Trojaan, uit Aſie overgekomen. Boven, 115 bl.

IX. Haarlem, anders Heerlem; naar jongkheer Lem, een Fries. Boven, 123 en 202 bl.

X. Juliacum, of Gulik; naar reedsgenoemden krygsoverſte, Julius Cæſar.

XI. Iſt, in Friesland; van Ilium, anders geſegt Troje, van koning Ilus geboud. Boven, 156 bl.

<blz 258 | 241>

XII. Medemblik; naar de toveres Medea, quanſuis als een afgod in deeſe landſtreek geëerd. Boven, 225 bl.

XIII. Rotterdam; naar Rotharius, een ingebeelde koning van Vrankryk. Boxhorn. Stedeb. 265 bl.

XIV. Schotland; naar Scota, de dochter van koning Farao, uit Egipte geſeild en hier geland of geſtrand.

XV. Tornacum, of Doornik; naar Tornus, een vreeſſelyke ridder, van bovenmenſlyke ſterkte.

XVI. En ten laaſten (alſoo deeſe miſlyke Naamredenen my, en buiten twyfel ook den Leeſer, allang verveelen) Viane; naar Fye Jans; een mooi menſch, mar ſekerlyk ſonder vaâr of moêr.

Sie, voor alle andere, Van Leeuwen, Leidens Beſchryv. Voorrede, 6 bl. en daar op Nader Bewys, 264 bl. &c.

2.18.3 NAAMEN

NAAMEN, ſpotnaamen, of anders geſegt, bentnaamen, gelyk daar ſyn, in de Roomſſe Jaarregiſters, Kaligula of laarsmannetje; Karakalla of de keiſer met de paltrok, &c. welke Naamen in de Medalien, Opſchriften of andere Gedenktekenen nooit worden gebruikt.

Soodanige ſyn ook de volgende, in de Neerlandſſe Geſchiedeniſſen u voorkomende.

I. Albert de Beer; hertogh van Saxen. Scotan. Frieſſe G. 90 bl.

II. Den Dollen hertogh; anders Chriſtiaan, hert. van Brunswyk. Waſſenberg, Duitſche Florus, 37 bl.

III. Diderik de Vlieger; grave van Kleef. Slichtenhorſt, Gelders. G. 5 B. 56 bl.

IV. Floris de Vette; graaf van Holland. Boven, 86 bl.

V. Floris de Swarte; broeder van gr. Diderik de VI. Goudhoeve, 276 bl. Beſchryv. van Hoorn, 27 bl. Beſchryv. van Alkmaar, 17 bl. &c.

VI. Floorke Dun-bier; anders Heer Floris van Egmond. Beſchryv. van Leeuwarden, 302 bl.

VII. Govert de Bultenaar; overweldiger van Holland. Boven, 110 bl.

VIII. Swarte Griet; gravin van Vlanderen. Goudhoeve, 311 bl. Scotan. Frieſſe G. 132 bl.

IX. Quaâ Griet; moeder van vrouw Jakoba. Goudhoeve, van haar wreedheid ſpreekende, 448 bl.

X. Henrik de Leeuw; naneef van Henrik de Dikke. Scotanus, 3 B. 93 bl.

<blz 259 | 242>

XI. De Swarte Hertogh; anders keiſer Henrik de III, ſoone van Koenraad. Goudhoeve, 256 bl.

XII. Jan, ſonder Genade; anders de graaf van Oſtervant. Scotan. 5 B. 154 bl.

XIII. Jan met de Bellen; de 20ſte Heer van Egmond. Boven, 80 bl.

XIV. Manke Jan; eerſte graaf van Egmond. Boven, 81 bl.

XV. Karel de Kaale en weder Karel de Simpele of eenvoudige: beide koningen van Vrankryk. Boven, 164 bl.

XVI. Karel de Stoute, anders de Koene, of de Strydbaare. Boven, 164 bl.

XVII. Lodewyk de Stamelbout, en weder Lodewyk de Luyaard of Doe-niet; beide Franſſe koningen. De la Croix, Algemeene Wereldbeſchryv. 2 D. 100 bl.

XVIII. Otte met de Paardevoet; graaf van Gelder, noch voor de hertogen. Slichtenhorſt, Gelders. G. 6 B. 92 bl. Goudhoeve, 314 bl.

XIX. Lange Pier, anders Groote Pier, en, by de Latiniſten, Pyrrhus Magnus geheeten; A. 1517, opperammiraal der Gelderſſe Frieſen. Van hem ſal beneden worden geſproken in de letter P; maar ſie midlerwylen ſyn drollige eertitelen, by Slichtenhorſt, 11 B. 350 bl. en ſyn Grafſchrift, by Matheus, 176 cap. Epiſtolar. & Teſtamentor. uitgegeven A. 1708.

XX. Reinoud de Swarte; de laatſte graaf en eerſte hertogh van Gelder. Slichtenhorſt, 7 B. 118 bl. Scotan. 5 B. 169 bl.

XXI. Willem ſonder Land; graaf van Ooſt-Friesland, naderhand gr. van Holland, met de naam van Willem de I. Beſchryv. van Alkmaar, 22 bl.

XXII. Quade Wouter; de 12ſte Heer van Egmond. Boven, 80 bl.

2.18.4 NAARDEN

NAARDEN; in Gooiland, aan de Suider Zee; wel eer belegerd, verbrand en vernield; en deſwegen heden niet als een droeve puinhoop, van de genoemde zee verſwolgen.

Immers ſiet men noch (met een geſtadigh waayen van ſekere wind, de zee te rugh loopende) ruiinen van kerken, met takken van afgeknaagde boomen omſet. Parival, Vermaak van Holl. 160 bl. Het Geſchrift van keiſer Ott den III. van het jaar, 996, by den Heer Alting, 131 pag. Notit. 2 Part.

Maar, wanneer en van wien is Naarden op deeſe wys, tot een puinhoop geworden? Men ſegt, hoewel ſonder getuigen, door Jan van Arkel, de 47ſte biskop van Uitrecht, ontrent A. 1348. Boxhorn. Stedeb. 318 bl. Saanl. Arkad. 1 B. 26 bl.

<blz 260 | 243>

Voorts toonden die van Naarden, A. 1296, een ongemeenen yver en trouw voor graaf Floris de V. Stoke, in Floris de V, 125 bl. Wachtendorp, in het 6 B. van ſyn Rymchron. deeſe woorden gebruikende:

Niet ver van Kronenburg, daar ſiet men in de velden De Naardenaars, die ſtraks haar in de wapens ſtelden, Heer Gerrit ryd voor uit en vraagt wat datſe doen? Waar om die mannen haar met oorlogstuigh ontmoën? D'oudſte der burgery ſegt: 't is, de graaf te wachten. Toen ſtaan de troepen ſtil, die haaren landsheer brachten. Heer Gerrit wykt te rugh, en naar de grave ſteekt, Die keerd ſyn paart, dat ſpringt, maar valt en ſyn been breekt. Toen was 't onmogelyk den grave te bewaaren, alſoo de Naardenaars haar op de hielen waaren; Van Velſen ſteekt den graaf. &c.

Voeg hier noch nevens Arn. Montanus, Leven der Amſtelheeren, 2 B. 94 bl. en alle de aangehaalde by meergenoemde Alkemade, in de Bylagen, betreffende de Moord van graaf Floris.

Maar, wat nu het hedendaagsſe Naarden aangaat, dat is, ontrent A. 1350, by vergunninge van gr. Willem, hertogh van Beyere, geſticht niet verre van het oude ruiin, op de ſlinker ſyde. Guicciardin. Additament. 3 Part. 124 pag. Parivall, Verm. van Holl. 18 H. 159 bl. &c.

Ondertuſſen, terwyl my niet en luſt ſoo laagh in onſe jaarregiſters te treden, ſoo kan de Leeſer opſoeken, by Hoofd, Meteren, Goudhoeven, &c. het jaar 1572; waar in, op den 1 Dec. de ontmenſchte Spanjaard, onder Frederik, de ſoon van Duc de Alva, deeſe ſtad in het bloed haarer inwoonderen bynaar deê verdrinken.

Is heden een nieuwe en vaſte fortificatie; ſedert het, A. 1673, den 13 Sept. den Franſman, door de wapenen der Geallieerden is ontrukt.

2.18.5 NACHT

NACHT; by welke te teekenen was een plechtigheid, A. 1483, al in gebruik. Gabbema, Leeuward. 38 bl.

Hoe, niet eerder? by de oude Germaners, Kelten en Gallen is dit al in gewoonte geweeſt. Cæſar, Gall. Oorl. 6 B. 18 H. Tacitus, German. 11 H.

Sie verder, Kirchmayer, over de genoemde plaats van Tacitus, 190 bl. betuigende, uit Egid. Strauchius, die landwyſe <blz 261 | 244> mede in Polen en Bohemen te ſyn; Kambden, Britan. compend. het ſelve ſeggende van Engeland, en ſpreekende van wythnos70, dat is, 8 nachten, en pentheſnos71, of 15 nachten; 16 pag. Joh. Smit, of Smetius, Oppid. Batavor. 9 cap. 112 pag. over de koſtuimen binnen Nimmegen handelende. Sie ook daarenboven, Cujacius, Obſervation. 15 lib. 32 cap. Berneccerus. 53 Quæſtion. Bodinus, de Republ. 4 lib. 2 cap.

Dus ſprakmen, ontrent de rechtbanken, van binnen 11 of 12 nachten te betaalen; dus wierden de rechtdagen geheeten, genachten; dus haddenſe dwarsnachten, &c. W. van Velden, in de Aanteekeninge, op ſyn Hoftapyt, 8 bl. en meergenoemde Kilianus, in ſyn onverbeterlyk Woordeboek, 134 bl. in de Antwerpsſe druk, van het jaar, 1599.

2.18.6 NATEWIS

NATEWIS; een aanſienlyk Heeren-huys in het Sticht van Uitrecht, ontrent den Rhyn, tuſſen de ſtad Wyk te Duirſtede en de Vrye Heerlykheid Amerongen. Is mede onder de Geſichten van Rochman. Heb verder geen ſchryfſtoffe.

2.18.7 NAVALIA

NAVALIA; men vind het woord by Tacitus, Hiſt. 5 B. 26 H. Maar, wat is nu, Navalia? wie ſal het ſeggen?

I. Is het de ſtad Kampen of Deventer? Junius, Batav. 3 cap. 63 pag.

II. Is het mogelyk een hoogte, by Kampen, ontrent het dorp Wilſen? N. Kondewyn, in ſyn Verſaamelingen.

III. Is het dan ook de rievier de Waal? Lipſius, over Tacit. 540 pag. in octav. behalven Beat. Rhenanus, &c.

IV. Of is het de Nahe, by Bings? Handveſtchron. 2 D. 80 bl.

V. Of liever, is het de Yſſel, ontrent Duisburg. Kluverius, Rhynmond. 2 D. 22 H. 218 bl. of in ſyn Germania Antiq. 3 lib. 59 cap. Sie mede Slichtenhorſt, Gelders. G. 1 B. 4 bl. en Alting. Notit. 2 Part. 100 pag.

Maar, ondertuſſen ſnyd een Criticus, dat is, een Latynſſe Lettergiſper, de Gordiaanſſe knoop van deeſe twyfeling, met ſyn ſwaard aan ſtukken. Hy leeſt, by Tacitus, niet: ſcinditur Nabaliæ fluminis pons, dat is, de brugh van de rievier Nabalia word afgebrooken, maar; ſcinditur navalis fluminis pons, dat is, de ſchipbrug van de rievier word afgebrooken: te weeten een brug van balken en planken, welke, aan weerſyden, wierd afgebrooken en opgenomen; op dat de veldheeren, buiten vrees van hinderlagen, onverhinderd een geſprek mogten houden. Junius, Batav. 11 cap. 239 pag. Boxhorn. Epiſtolar. 23 p.

Soo gy nu ondertuſſen hebt gelegenheid om, te <blz 262 | 245> Amſteldam op het ſtadhuys omme te wandelen, ontſet u daar niet over den freſco-ſchilder; hebbende, in deeſe geſchiedenis, een afgebrooken boogh van een hooge en ſwaare hardſteene brugh, durven vertoonen.

2.18.8 NEHALENNIA

NEHALENNIA; een vreemde godinne, van welke wy boven gewagh maakten, 106 bl. Doch, hier dan wat omſtandiger.

Domburg is een plaats in Zeeland, op het eiland Walcheren, in het N. Weſten, tuſſen Ooſt- en Weſt-kappel. Hier ſyn, A. 1647, den 5 Januar. in het duin, aan den oever opgegraven verſcheidene ſwaare ſteenen, en wel in ſulk een menigte, dat u weinige plaatſen in Zeeland ſullen ontmoeten, niet met deeſe ſteenen pronkende. By voorbeeld, het Huys Steenhove, Smallegange, Zeeuſch. Chronyk, 671 bl. het Huys te Wateringe. Deſelve, 674 bl. &c.

Nu was op deeſe ſteenen afgebeeld een ſittend vrouwmens, hebbende een fruitmandeken op haar ſchoot, en meermaalen een hond, aan de een of de andere ſyde geplaatſt. Deſelve, 82 bl.

De inhoud van de Latynſſe Byſchriften beſtonden meerendeels in kerkbeloften van Dacinus, Exomnianus, Nertomarius Sumaronius, Tarinus, Fletus, Satto, Feſtius, &c. alle onbekende menſſen, ontrent de woorden; DEÆ NEHALENNIÆ, dat is, aan de Godin Nehalennia. Deſelve, 83 bl. ons aldaar verſcheidene afbeeldingen verleenende; gelyk mede Boxhorn. in een Redenvoeringe over deeſe Nehalennia, en Van Royen, over Verſtege, 10 bl.

Ondertuſſen is deeſe Nehalennia, alleenlyk hier en nergens by de oude Schryveren, noch in de oude Gedenkteekenen bekend.

Want, alhoewel ook by Gruterus (Theſaur. 1 part. 89 pag.) een oude Inſcriptie, te Duits, by Keulen gevonden, de naam heeft van Nehalennia; wat ſal ik ſeggen? Het afſchrift was Freherus toegeſonden door eenen Kampius; en quam dus eindlyk aan Gruterus.

Maar wat brengt ons de Hr. Alting, Notit. 1 Part. 101 pag.? Nehalennia, ſegt hy, is Nie hell, het Nieuwe Licht, of de Nieuwe Maan; waarlyk, een godin niet wanſchiklyk hier op de zeeſtrand geplaatſt, om van koopluyden en andere zeevaarende met kerkbeloften gepaaid te worden.

Want, met de Roomskatelyke meen ik my hier niet op te houden, gelovende, volgens de Brugsſe Kourant, dat, op <blz 263 | 246> het eiland Walcheren, waaren gevonden eenige oude beelden van de H. Maagd Maria, maar datſe, door toedoen der Predikanten waaren verdonkerd en vernietigd. Boven gemelde Boxhorn. by Blankard. Holl. Jaarregiſter, 3. Cent. 11 Aanmerk. 186 bl.

Vorders, die de Byſchriften, in het byſonder wil leeſen en ten deele verſtaan, vervoege ſich by genoemde Gruterus, Reineſius, Vredius, Sponius, Gelenius, &c. terwyl ik hier noch achtervoege, uit Smallegange, (631 bl.) dat de grondſlagen van Nehalenniaas tempel nu wel 200 roeden in zee zyn gelegen.

Maar ſacht, niet al te ſchielyk. Niet alleenlyk wierd hier Nehalennia op de ſteenen verbeeld; maar ook, op de ſelve wyſe, in huysjes of niſſen, Jupiter, en Neptunus. Smallegange wederom, 82 bl.

En ſoudge nu noch meer willen weeten? wel aan, deeſe Smallegange (85 bl.) ſal u de Gedenkpenningen vertoonen der Roomſſe keiſeren; van Vitellius, Trajanus, Severus, Poſtumus, Tetrikus, Victorinus, &c. behalven de Burgemeeſterlyke, in menigte, by deeſe ruiinen, uit de grond gehaald.

2.18.9 NEMUS SACRUM

NEMUS SACRUM; Deeſe keurſtoffe is boven meerendeels afgedaan. Immers, daar is, 37 bl. geſegt van de oude Duitſchers, onſe voorvaderen: nemora conſecrant. Dat is, ſy wyden wouden.

Deeſe wouden wierden ook geheeten luci; van lux, het licht, per antiphraſin ſeggen de Grammatici, door een ſpreekwyſe, het tegendeel beduidende; te weeten, luci, om dat die duiſtere eikenboſſen van het licht geheelyk waren beroofd. Maar de verſtandigere neemen het naar de ſin eenvoudelyk; luci, van lux, of lucere, om dat het aldaar dagelyks vol licht was, door het geduirigh flikkeren en oplichten der heilige offervuiren. O ſchoone ſtukjes van de fyne Schoolgeleerde! Siet Fabri Sorani Theſaurus, op Antiphraſis en Lucus, behalven de rechtſinnige Voſſius, in Etymolog. Bebelius, Fink, &c.

Deeſe wouden en wilde boſſen waaren nu de Nemora Sacra. Maar onſe Vaderlandsſe Schryvers willen perfors een eening Sacrum Nemus hebben; het ſelve ſtellende, gelyk, 37 bl. is aangeteekend, by 's Graven Hage, of Ter Tolen, of Nimmegen of Kuilenburg, &c. met de ydele benaaminge van het Schakerboſch, Schakerloo, het Haagsſe boſch, Rykswalt of Hogewalt, &c. Simpele beuſelpraat! aangeſien dit boſch, daar ieder ſoo van is ſchreeuwende, geen eenigheid <blz 264 | 247> van plaats kan worden toegevoegd. Wilje ondertuſſen noch eenige Schryvers hebben? Sie daar! Junius, 12 cap. 249 pag. en 13 cap. 295 bl. Slichtenhorſt, Gelders. G. 1 B. 37 bl. en 2 B. 11 bl. ſpreekende van het geſchil, over dit Sacrum Nemus, tuſſen de Gelderſſe en de Hollanders. De Handveſtchron. 4 B. 1 H. 51 bl.

2.18.10 NES

't Huys te NES, naderhand geheeten Rhyneſtein; van welken op den letter R.

2.18.11 NEUSTRIA

NEUSTRIA; is Normandye, in Vrankryk. Die vermaarde Deen Rollo, Chriſten ſynde geworden, kreegh het ten huwlyk met de dochter van Karel de Eenvoudige, koning van Vrankryk. Boxhorn. Stedeb. 41 bl. Scotanus, Frieſche G. 3 B. 140 bl. Siet De la Croix, Wereldbeſchryv. 2 B. 140 bl. Hubner, Oude en Nieuwe Geograph. 64 bl.

Van Rollo ſal meerder geſegt worden, op den letter R.

2.18.12 NEDERBLOKLAND

NEDERBLOKLAND; een Huys in Suid Holland, ten eenemaal vergaan, ſynde daar of alleen de plaats bekend. Oudenhoven, Suid Holl. 411 bl.

2.18.13 NEDERHORST

NEDERHORST; heden het Huys van de jonge Heer van Welland. Sie boven, in de Letter H. 147 bl.

2.18.14 NEDERHOVEN

NEDERHOVEN; noch heden een koſtelyke en vermakelyke timmeragie in Suid Holland, in de Groote en ten deele in de Kleene Lind; ongemeen vergroot en verbeterd van de Hr. Pompe, Heer van Slingeland, Baljuw, &c. Oudenhoven, Suid Holl. 224 en 412 bl.

2.18.15 NYENRODE

NYENRODE, anders Nieuwenrode; by Breukelen, aan de Vecht; in een Geſicht gebracht door Rochman, N. N. Vinkeboom, N. N. en A. 1700. door K. Specht; van elkander geweldigh verſchillende.

A. 1481, den 7 Sept. is dit Huys, door die van Uitrecht, belegerd, ingenomen en verbrand. Heda, in Gysbr. en David, 296 bl. de Annales van Uitrecht, by Matheus, Analector. II Tom. 16 bl.

A. 1672, is het vernieude Huys, door de Franſſen met den vuire vernield. L. Sylvius, Verv. van Aitſema, 343 bl.

2.18.16 NIEROP

NIEROP; een dorp in Waterland, tuſſen Winkel en Hooghwoude, in de Oude Nieudorper polder; in de Oude Landchronyken geheeten Nethdorp en Nieudorp. Scriverius, in gr. Floris de III, A. 1180, Nieuwdorp en Winkel verbrandende; 152 bl.

2.18.17 NIEVELD

NIEVELD; onder Vleuten, in het Sticht van Uitrecht, aan den Ouden Rhyn of den Leidsſen Vaart.

<blz 265 | 248>

A. 1356, kreeg Egmond, derwaars geſonden van den hertogh, dit kaſteel, by verdragh, maar wierp het om verre, tegens ſyn gegeven woord. Scotanus, Frieſch. G. 6 B. 186 bl.

Is verder, door Rochman, in een Geſicht gebracht.

2.18.18 NIEUWBURG

NIEUWBURG; heden alleenlyk een ſeer dikke brok van een oude muiragie (gelyk ik daar af heb een Afſchetſing van Sieuwert van der Meulen) ontrent Alkmaar, by Outdorp.

Dit ſlot was geſticht door gr. Floris de V, op den ingang van Frieſland, ontrent A. 1288. Goudhoeve, 85 bl. Scotanus, Frieſch. G. 5 B. 145 bl. Saanl. Arkad. 73, 212, en 249 bl. Alkm. Beſchryv. 28 bl. de Scoreler, Medenbl. 134 bl.

Of liever, van kon. Willem, de II, ontrent A. 1255. de Gouwenaar, 70 bl. Scriverius, in Willem, 204 bl.

Doch, A. 1491, is dit ſlot, van de Kaas- en Broodslieden verwoeſt. Wederom, Scriverius, in Floris, 237 bl. Saanl. Arkad. 488 en 514 bl. alwaar de ſchryver verklaard deſelve te hebben uitgeteekend. Heemskerk over ſyn Arkad. 270 bl.

Ondertuſſen gelieve men te weeten, dat Nieuwburg of Nyenburg is geweeſt eene der 5 caſteelen, waar mede Floris de V, de ſoon van kon. Willem, de wrevelige Weſt-Frieſen ſocht te muilbanden; ſynde de andere, Enigenburg, Middelburg, Munnikeburg en Nieuwdoorn. Weder, de Saanl. Arkad. 73 bl.

2.18.19 NIEUWEJAARS-GIFT

NIEUWEJAARS-GIFT. Hoe overoud het is, niet alleenlyk een goed begin van het Nieuwejaar malkanderen toe te wenſſen, maar ook eenige giften daar nevens te voegen, heb ik, over den Almanak van Ovidius aangeweeſen, 1 B. 3 H. 151 bl.

Maar het plagh in Holland de gewoonte te ſyn, in de maand van January, dat men aan de mannen of vryers ging pontsſen, dat is, een giftje toeſenden, op den 14 Januar. de vierdagh van S. Pontiaan.

Doch hier tegen plagh het manvolk te nieten, dat is, de vrouwen of vryſters een vereeringkje weder over te ſtieren, op den 21 Januar. de feeſtdagh van S. Agnes of Agniet. Junius, Batav. 16 cap. 388 pag. den dagh van S. Pontiaan, te recht, op den 14 Januar. plaatſende, en geenſins op den 19 Novemb. gelyk we vinden by Schook, de Inundat. Belgii, 1 Diſp. ad A. 1552; en Gabbema, Neerl. Watervl. 247 bl. van Schook buiten twyfel misleid.

Sie mede, over dit pontsſen of pontſenden en nieten, L. <blz 266 | 249> Meyer, Woorden-ſchat, 3 D. 695 en 709 bl. en Korn. Kilianus, in ſyn deftige Dictionarium, 338 en 411 bl.

2.18.20 NIEUWPOORT

NIEUWPOORT; een ſtad aan de Lek, tegen over Schoonhoven; in de oorlogen tuſſen Holland en Gelderland, veel elenden en wederwaardigheden onderworpen.

A. 1489; isſe belegerd, volgens laſt van de graaf van Holland en beſtel van die van Dordrecht, veroverd, afgebrooken en geſlecht.

A.1514; weder afgebrand.

A. 1516; weder overvallen en uitgeplonderd, door de Gelderſſe.

A. 1517; wederom afgebrand.

A. 1524; driemaal, van de gemelde Geldersſe, ingenomen, geplonderd en verbrand. En des wegens moet het u niet als iets ſeldſaams voorkomen, dat deeſe ongelukkige ſtad allenskens is verarmd en voor het grootſte gedeelte van burgery ontbloot. Goudhoeve, 93 en 528 bl. Oudenhove, Suid Holl. 226 en 312 bl. Slichtenhorſt. Gelders. G. II B. 345, 349 en 357 bl.

Vorders is het een leen van de Graaflykheid; houdende het, voor de eene helft, de welgeboorn. Heer van Langerak, en voor de andere helft, ſyn Excell. Willem Frederik, gr. van Naſſau, Stadholder van Frieſland, Groningen en Ommelanden, &c. als Heer van Lieſveld. Oudenhoven, wederom, 314 bl.

2.18.21 NIMMERGER-SLOT

't NIMMEGER-SLOT, anders geheeten het Valkenhof; of ook wel het Waalen-Hof, Vandaalen-Hof, ja Franken-hof; een over oud gebouw, binnen72 Nimmegen, op den Hoener-berg, aan de Kleefsſe ſyde van de ſtad. Doch wy verſchuiven het overige tot op den letter V; Valkenhof.

2.18.22 NODA

NODA; een moerigh watertje in Gelderland, boven Rheenen, loopende in den Rhyn. Slichtenhorſt, Gelders. G. 1 B. 103 bl. en weder, 6 B. 79 bl. Is heden de Grebbe geheeten. Beda, in Arn. en Dirk, 61 pag. Heda, in Jan den III, 242 pag. Alting, Notit. 2 Part. 133 pag. uit een Uiterſch Geſchrift van het jaar, 1196.

2.18.23 Huys ter NOOD

't Huys ter NOOD; door Rochman in Teekening, en C. Elands, in Print; gelegen onder Delff en dicht by 's Gravenhage, aan de Suidhoudsſe Wegh, op de wegh naar Leiden.

Is geboud, door Heer Karel van der Nood, A. 1614, overleden. Goudhoeve, 99 bl.

2.18.24 NOORDELOOS

NOORDELOOS; een Huys, of liever een Hof, in <blz 267 | 250> Suid Holland; heden vervallen, ja geheelyk verdweenen. Goudhoeve, 78 bl. Oudenhove, Suid Holl. 315 en 412 bl.

2.18.25 NOORMANNEN

NOORMANNEN, of Noordmannen; tot deeſe landen, uit het Noorden, als by ſwermen, ontrent A. 800, afgedaald, waaren meeſt Noorwegers, Deenen en Sweden, Gothen, en Vandaalen, Herulers, &c. onder de regeeringe van keiſer Karel de Groote. Eginarth. in Karolo. Otto Friſingenſis. 5 lib. 30 cap. Urſpergenſis. de Annales Fuldenſes. Eindius, Chron. Zeland. 1 lib. 20 cap. 127 en 129 pag. Slichtenhorſt, Gelders. G. 4 B. 34 en 36 bl.

Van de Deenen is al geſprooken, 54 bl.

2.18.26 NOORMANNEN, KLEEDING en OORLOGHSTUIGH

NOORMANNEN, KLEEDING en OORLOGHSTUIGH; deſelve voornaamlyk beſtaande in,

I. Een gladgeſchooren kop. Junius, Batav. 9 cap. 173 bl. of met een knoop, boven in het hair. Martialis, 3 Schouburgsd. of 5 lib. 39 Epigr. of ook wel lang ongeſchoren hair. Sidonius, 12 Carmin. en met de kam geſcheiden. Agathias, Gothic. 1 lib. 5 cap. by gemelde Junius, 173 pag. Mela, 2 lib. 1 cap. &c. Tacitus, Duits. Sed. 38 H. Seneka, van de Gramſchap, 3 B. 26 H.

II. Lange baarden en lange knevels. Diodorus, 5 lib. 28 H. Ovidius, Klaagbr. 5 B. 7 Br. Antonidus, boven, 162 bl.

III. Nauwe en over het lyf geſpanne klederen. Tacitus, Duitsl. 17 H. Sidonius, 5 en 7 Carmin. by Junius, Batav. 9 cap. 191 pag. of alleenlyk ruwe en ruyge beeſtevellen. Ovidius, Klaagbr. 3 B. 10 Br. Tacitus, Duitsl. 17 H. Cæſar, Gall. Oorl. 6 B. 21 H.

IV. Broeken. Ovidius, Klaagbriev. 3 B. 10 Br. en 5 B. 7 Br. en elders.

V. Saga, of korte manteltjes. Strabo, by Kirchmayer over Tacitus, Duitsl. 17 H. 250 pag.

VI. Ruwe ſchoenen; alleenlyk van onbereide beeſtevellen. Sidonius, op de gemelde plaatſen.

En dit was wel meerendeels het daaglyks gewaad der Noordsſe volkeren; ſonder dat men evenwel, met een nette tydorder, ſou konnen ſeggen; dit was de dragt der oude Germannen, dit der Cimbers, &c.

Niettemin, ſie der Gotthen kledinge, in het byſonder, by Sidonius, 5 en 6 Carm. of in ſyn 20ſte Sendbr. ſpreekende van den jongen Sigiſmer en ſyn gevolgh.

Ja ſelf der Longobarden; by Junius, Schilderk. 140 bl. ſpreekende van de geſchilderde Geſchiedeniſſen der <blz 268 | 251> Longobarden, in het paleis van de koningin Theodolinde. Siet de ſaak, by Paul. Diakonus, anders Paul. Warnefridus, de Geſtis Longobardor. 4 lib. 268 pag.

Doch laaten wy ons nu wenden tot het oorloghtuygh; te weeten,

I. Een opgeſperde muil van het eene of het ander boſchdier, in plaats van een helmet. Plutarchus, in Mario, 260 pag. by Kluverius, in ſyn Germania Antiq.

II. Halsband. Diodorus, 5 lib. 27 cap. Dio, 62 lib. 699 pag.

III. Armring. Strabo, 4 lib. Diodor. 5 lib. 27 cap.

IV. Yſer en pantſer, van haakjes. Diodorus, 5 lib. 30 cap.

V. Lang-vierkant ſchild. Strabo, 8 lib. Diodorus weder, op de ſelfde plaats.

VI. Korte degen. Junius, Batav. 9 cap. 191 pag. of in tegendeel ſomwylen een lange. Diodorus, wederom 5 B. 30 cap. Polybius, 3 cap. 114 cap. 237 pag.

VII. En ten laatſten

Knodſen. Ammianus, 31 lib. 8 cap. ſpreekende van de Gotthen.

Frameæ, Spietſen. Tacitus, Duitsl. 6 H. Junius, weder, Batav. 9 cap. 191 pag.

Bylen of helbaarden. Plutarchus, in Mario, op de geſtelde pag. Agathias, 2 lib. 3 cap. ſpreekende73 van de Germaanen.

Pyl en boog. Tacitus, Duitsl. 46 H. ſpreekende van de Fernen.

Slingers. Defelve.

2.18.27 NOORDWICH

NOORDWICH, of Noordwyk; even als Suidwyk en Katwyk, een dorp der oude Katten of Heſſen. Junius, Batav. 17 cap. 509 pag. wiens Hout ſich uitbreide van Saſſem of Teilingen, tot aan de ſtad Haarlem. Merula, de Sylvis a[e] Memoribus. Pars, Katw. 15 en 16 bl. behalven Douſa de Oudere, &c. Siet ook Boxhorn. Stedeb. 214 bl. Oudaan, Room. Mogenh. Inleid. 15 bl. Van Leeuwen, Leid. 355 bl. &c.

2.19 O

O.

2.19.1 OESTGEEST

OESTGEEST, anders geſegt Kerkwerve; in Rhynland, ontrent Rhynsburg; is eene der oudſte kerken (gelyk ik ook heb aangemerkt, den 6 Junii, des jaars, 1705) van geheel Holland; ſtaande, ſeer hoogh verheven, op de grondſlagh van een Roomſſe burgh. De Transactie van Epternach, des jaars 1063; en in een Geſchrift van A. 1205, by Alting, <blz 269 | 252> Notit. 2 Part. 107 bl. Van Leeuwen, Koſtuim. van Rhynl. Inleid. 22 bl. Oudaan, Room. Moog. Inleid. 22 bl. ſpreekende van de tras-ſteenen waar mede de toren is geboud, op een ronde verhevenheid, met diggelen en ſcherven van Rooms aardwerk beſaaid. Boxhorn. Stedeb. 214 bl. behalven Pars, Douſa, Junius, &c.

2.19.2 OFHEM

OFHEM; een Huys in Rhynland, te Noordwyk. Van Leeuwen, Batav. Illuſtrat. Geen ſchryfſtoffe!

2.19.3 S. OLOF

S. OLOF, anders Odulphus; van Arſchot geboortigh, die van Stavoren toegeſonden, door Frederik, biskop van Uitrecht. Op en ondergang van Stavoren, 4 B. 81 bl. Goudhoeve, 65 bl. Anton. Matheus, Analector. VI Tom. 74 pag. uit Heda en Beka, Henric. Thaborita en Buchelius.

Hy wierd voornaamlyk, als hun beſcherm-engel, aangebeden van de ſchipluiden en buisvaarders, en met allerhande ſlagh van offergiften vereerd. Saanl. Arkad. 375 bl. ſpreekende met een van het ſchoone feeſt en den ſtatelyken ommegang van den goeden S. Olof, te Wormer.

Immers hadden de Heidenen mede ſulke ſtrandgoden en ſtrandgodinnen, de zeevarende in ſtorm en onweder byſtaande: want ſoodaanige waaren de Dioſcuri of Tyndaridæ, Kaſtor en Pollux. Siet myne Aanteekeningen, over de Uitgekipte Stede-Penningen van Jak. de Wilde, 50 en 58 pag. foodanige was ſelf de Nehallenia; van welke boven, 106 en 245 bl.

A. 1391, is ſyn klooſter van de Weſt-Frieſen in brand geſtooken. Scotanus, Frieſſche G. 7 B. 216 bl.

A. 1430, ontdekten ſich, niet verre van Stavoren, de ruiinen van het gemelde klooſter, te weeten de kapel met de ringmuir van het kerkhof; door het geweld der wateren verder in ſtukken geſpoeld. Stavoren, 5 B. 148 bl.

Eindlyk is gedenkwaardig de S. Olofs vaart; ſynde het gat tuſſen Vlieland en de Schelling een gracht in de Noordzee van den abt van S. Olof. Saanl. Arkad. 1 B. 31 bl.

Ondertuſſen ſie ſyn gewaande Afbeeldinge by Soutman; aangetogen by S Albrecht, 9 bl.

2.19.4 OORLOGHSTUIGH

OORLOGHSTUIGH; wiens duiſtere benaamingen, ons in de oude Rymchronyken en andere Jaarregiſters voorkomende, op deeſe wyſe worden verklaard en uitgelegt.

  1. Angienen

    I. Angienen; machynen of ſtormtuygen. Matheus, Analector. V Tom. 561 bl. &c.

  2. Armborſten

    <blz 270 | 253>

    II. Armborſten, en bank-armborſten; voetbogen, die men op een bank moeſt ſetten en afſchieten. Scotanus, Fries. G. 5 B. 161 bl. Stoke, in Floris den V. 104 bl. en in Jan den II. 238 bl. de Gouwenaar, 64 en 110 bl.

  3. BEEREN

    BEEREN; hoogtens, anders Katten geſegt; waar op de ſtormtuigen wierden geplaatſt. Boven, 169 bl.

  4. BLYDEN

    BLYDEN; Vondel doet in ſyn fraaye Gysbrecht, of de Verwoeſting van Amſteldam (1 Bedr. 3 Ton.) die ſchalke Vosmeer deeſe woorden ſeggen:

    'k Had ſomwyl door de gracht, by duiſternis geſwommen, En al de wacht beſpiet, en 't groot Rondeel beklommen Dat aan de hoek van 't Y uw ſterke ſtad bewaart. Hier lagen blyden in en ander krygsgevaart.

    Immers, daar is een tyd geweeſt, waar in ik deeſe woorden geenſins heb konnen verſtaan; maar ben naderhand van onſe Schryvers, onderrecht, dat het waaren ſtormtuygen, hangende op 2 balken, waar mede, als met een ſlingerkom, ſteene klooten, ſomwylen wel van 300 ponden, worden uitgeworpen.

    Sy worden beſchreven van Scotanus, Fries. G. 5 B. 160 bl. in Slichtenhorſt, Gelders. G. 8 B. 158 bl. en u in een Print vertoond, by Goudhoeve, 82 bl. de Handveſtchronyk. 2 B. 129 bl. en by Lipſius, Poliorcet. 3 lib. 3 cap. ſive dialog.

    Vorders, word van dit ſchietgeweer gewagh gemaakt, by Stoke, in Floris de V. 120 bl. en Jan de II. 223, 224 en 230 bl. de Gouwenaar, 69 en 110 bl. en het Regiſter van het Uitrechts Magaſyn, by Matheus.

    Van het ſelve ſtormgevaarte hebben ook de Blyenburgen hun Geſlachtnaam, volgens het reeds aangeteekende, 35 bl.

  5. DONDERBUSSEN

    DONDERBUSSEN; en daar op volgende het gebruik van het alvernielend BOSSEKRUIT.

    Sy ſyn allereerſt geſien, te Lubek, A. 1360; of liever te Santvliet, A. 1357, in het ſlaan tuſſen de Brabanders en Vlamingen. Slichtenhorſt, Gelders. G. 7 B. 148 bl.

    Doch, wat'er ook af ſy, de vinder van dit BUSPOEDER [is] volgens de meeſte Schryveren, Bartelt Schwartz, een Hoogd[u]itſe monik, geweeſt; ontrent A. 1354. Polydor. Virgilius, Rer. Invent. 2 lib. 11 cap. geen uitvinder noemende. Oudenhove, Dordr. 167 bl. Buchelius, in Hedam, 282 bl. Munſterus, Coſmogragh. 489 pag. Godfrieds Chron. 794 bl. Slichtenhorſt, Gelders. G. 7 B. 148 bl. Salmuth ad Panciroll. 2 lib. 18 cap. evenwel Figueroa, een Spanjaard, aanhaalende, welke verhaald, <blz 271 | 254> dat dit heilloos moordtuygh al A. 1343, voor Algiers is in het werk geſteld.

    Van het bus- of boskruid gewaagt ook Jan Vos, in ſyn malle Medea, (in woorden en gedachten, van ſyn deftigen Titus ſoo byſter verſcheelende) 3 Bedrf. 7 Ton. alwaar Medea van Proſerpina, op deeſe wyfe, word aangeſprooken:

    Ik heb drie ſtoffen, van een overgroote kracht; Ja ſcherpe ſtoffen, met geen tongen uit te ſchreeuwen, Die, naa 't verloopen van ruim ſes en twintigh eeuwen, Met yſer, ſtaal en lood, in 't woeſte legerveld, Soo woeden ſullen, dat de menſſen, door 't geweld De lichte blikſemen en ſwaare donderſlagen, Self 't brullend ongediert, in boſſen en in haagen Verſchuilen moeten, om hun ongeval te ontgaan: De bergen ſullen, door dit ſtof, aan ſtukken ſlaan, De hoven morſelen en tempeldaken ſcheuren; Ja, 't ſal de wallen uit haar diepe grondveſt beuren, En voeren, heel doormengd met menſſen, door de lucht, Dat hemel, aarde en zee, door 't daverend gerucht, Verſchudden ſullen, ſpyt haar onverwrikbre ſpillen; Jupyn ſal, op 't geluit van huilen, ſchreeuwen, gillen, En donderen, verbaaſt van ſynen ſetel ſien, En vragen, of'er, om de wereld te gebiên, Een nieuwe Jupiter ten trots hem komt braveeren. Dan geeft men deeſe ſtof, daar 't Oorlogh by ſal ſweeren De naam van buſſekruid, ja booskruid, in den ſtryd.

  6. EEVENHOGEN

    EEVENHOGEN, of bootswagens, van welke mede Stoke, in Jan den I. 155 bl. en Jan den II. 223 en 238 bl. ſyn houte toornen, waar uit een brugh op der vyanden ringmuir word geworpen. Siet de Afbeeldinge, by Goudhoeve, 82 bl. ſpreekende van het belegh van het Huys te Rooſenburg; en by Stewechius, in Veget. 4 lib. 21 cap. op de naam van Sambuca.

  7. GLAVIE

    GLAVIE; ſie dit woordeken by Matheus; helaas! binnen weinige weeken, ons al te ontydigh ontvallen. Nu ſal men eerſt ſyn ſchriften achten en met lanteernen opſoeken. Het gaat ondertuſſen noch heden als ten tyde van Horatius, 1 B. 24 Lierd. met de woorden van Nil volentibus Arduum, op deeſe wyſe klagende:

    Och, weeſt niet nydigh op de Deugd; Dank God, dat gy haar kennen meugt;

    <blz 272 | 255>

    Want als ſy eenmaal is vervlogen, Ten hemel, komt berouw te ſpaâ; Al ſiet men haar, met weenende oogen En eindelooſe ſuchten naa. De Deugd ſal ſwaarlyk wederkeeren, Daar ſy ſich eenmaal ſagh onteeren.

    ik ſeg, Matheus, Analector. 1 Tom. 475 pag. gavel, ſchryft Goudhoeve, 263 bl. ſpreekende van het omkomen van Govert den Bultenaar. en Balen, Dordr. 707 bl. ſiet ook boven, 110 bl. of gavelyn, en javelyn, dat is, een korte werpſpiets. Bleiswvk, Delf, 51 bl. of gavelotte, javelyn en javelynken. Kiliaan, in ſyn Woordeboek of Dictionarium, 125 en 208 bl.

    Ondertuſſen is gemelde Govert met een dagge geſtoken, by Alkemade, Gravegeld, 20 bl. dat my niet kan gevallen; als ſynde een glavie of gavel een werpgeweer en een dagge by ons een degen; volgens deeſe woorden, in de bittere aanſpraak van Velſen tot gr. Floris, by der Dicht'ren Hoofd, Treurſpels, 2 Bedr. 72 bl.

    Verrader! dacht gy niet, dat jemand van myn bloed, In hooger eer verweend, en ridderlyke maagen, Die ſich, in duiſt'r en licht, gewoon ſyn preuts te draagen; Dat jemand van myn groote en eedle ſwagery, Den lande deur ontſien; dat jemand van dit vry En vrank Hollanſſe volk ſyn dagge eens ſon ontblooten, Om, door ſyn eigen borſt, ook u in 't hart te ſtooten.

  8. HAAKBUSSEN

    HAAKBUSSEN; ſyn roers om te ſchieten; en hier af komt harkebuſeeren, anders haakebuſeeren. Matheus, 1 Tom. 491 bl. &c.

  9. HANDBOGEN

    HANDBOGEN; welke by de archiers of ſchutters met de hand, gelyk de grootere met de voet, geregeerd worden.

  10. KATTEN

    KATTEN; van welke Stoke, in Jan den I. 155 bl. en in Jan den II, 223, 224 en 230 bl. waaren hoogtens, gelyk de beeren; waar op de blyden wierden neergeſet. Sie boven, 169 bl.

    Van deeſe hoogtens, van opgeworpene aarde, heette men de ronde ſteenen, uit de Blyden voortgedreven, Kattebollen ven 100 en meer ponden. Boxhorn. over Veldenaars Chron. 93 bl.

  11. KLOVER

    <blz 273 | 256>

    KLOVER, kolver of kolubrine; is een roer of haakbuſſe van van welken Matheus (ſiet, of men deeſe Schryver kan miſſen!) Analector. I Tom. 491 bl. of V Tom. 561, 564, 612, 623 630, &c. pag. Alkmaar, Beſchryv. 59 bl. Balen, Dordr. 780 bl. en hier af hebben de Kloveniers Doelen haare benaaminge. Amſterd. Beſchr. 4 D. 210 bl.

  12. KLUITBOGEN

    KLUITBOGEN, ook al by den ſelven Matheus, op de genoemde plaatſen.

  13. MAGNELEN

    MAGNELEN (in het jongere Latyn mangena. Lipſius, Poliorc. 3 lib. 3 dialog.) ook een groot ſteen-uitwerpend ſpangeſchut. Goudhoeve, in Didrik de VI, 227 bl. Scotanus, Fries. G. 4 B. 101 bl.

  14. NAGEL

    NAGEL; een werpgeſchut. de Gouwenaar, 227 bl. Slichtenhorſt, Gelders. G. 8 B. 158 bl. aldaar ook ſeggende, dat, binnen Kampen, in het Wapenhuis van den H. Geeſt, noch ſoodanigh een ſtormtuigh vertoond.

  15. OSTELEN

    OSTELEN, of oeſtelen; pylen uitwerpende; mogelyk even als de Roomſſe catapulta. Stoke in Jan den II. 225, 237 en 238 bl. Scotanus, Frieſſe G. 5 B. 161 bl.

  16. QUAREELEN

    QUAREELEN; van welke Stoke in Floris de V. 105 bl. of in Jan den I. 165 bl. en Jan den II. 227 en 237 bl.

  17. SPRINGAALEN

    SPRINGAALEN; by Stoke, in Jan den II. 237 en 238 bl. en Scotanus, Frieſſ. G. 5 B. 161 bl.

  18. TUYMELAARS

    TUYMELAARS; anders blyden. Boven. Siet ook de Rekening van den ontfanger van gr. Albrecht des jaars, 1387, by Matheus, in Analectis.

  19. VOETBOGEN

    VOETBOGEN; die met de voet worden geſpannen. Matheus, op de gemelde plaatſen van ſyn Analect. welke ook, de Nobilitate, 4 lib. 32 cap. 1135 pag. wegens een Uitrechtsſen burger is ſpreekende, van ſyn harnas, ſyn lyfyſer, ſyn panſier, ſyn plaate, ſyn ſcote, ſyn ketelhoed of ſchutkovel.

2.19.5 OOSTERA

OOSTERA; weleer een afgodinne der oude Saxen. Ja, deswegen heetmen noch heden, in Weſtfalen (ik heb het te Munſter meer als eens gehoord) de hooge vierdagh van Paaſchen, het Ooſterfeeſt. Sie Schildius, de Chaucis, 2 lib. 3 cap. 118 p.

2.19.6 OOSTERVANT

OOSTERVANT, of Oeſterbant, of wel Auſterbanten; is een kleen gedeelte van Henegouw, wel eer een graafſchap, van welke Buchain de hoofdſtad. Nu was, by de ouden, bant een grens of landſcheidinge.

Ondertuſſen is hier aan te merken, dat de eerſtgeboren ſoonen der graven van Henegouw vercierd wierden met den titel van Graaf van Ooſtervant. Matheus al weder, Analector. VI Tom. 622 bl.

2.19.7 OOSTERWYK (Holland)

<blz 275 | 257>

OOSTERWYK; anders het Huys te Foreeſt; een vierkante ruiine met ruigte en kreupelboſch bewoſſen, in een laantjen, ontrent de werf van een boeren huys; tuſſen het Huys Adrichem en de ruine van Oud Haarlem. Sie. Boven, 91 bl. in de letter F.

Is ongetwyffeld ten tyde van de Hollandsſe krygsorkaanen mede omvergeworpen; ſynde, gelyk ik, A. 1705 geſien heb, niet heel grof van muirwerk, vervolgens mogelyk van geen hoogen oudheid.

2.19.8 OOSTERWYK (Sticht)

OOSTERWYK; in het Sticht, ontrent Heukelom; weleer geheeten Eterwyk. Junius, Batav. 17 cap. 510 bl.

Was, voor eenige honderd jaaren, onder het beſit van de Heeren van Arkel; die ook de bynaam van Ooſterwyk hebben gevoerd. Slichtenhorſt, Gelder. G. 8 B. 194 bl. doch naderhand behoorende aan het ſtamhuys van Haarlaar; naderhand aan den Hr. Splinter van Hargen; laater aan Jonkh. van Malſem, heer van Tilborg, &c. noch laater, aan Jonkh. Willem Van Lier, heer van Ooſterwyk, ambachtsheer van Berkenswoude, &c. ambaſſadeur in Vrankryk, &c.

Het is, even ſoowel als dat van Kennemerland, onder de Stamhuyſen van Roeland Rochman.

2.19.9 OOST-VOOREN

OOST-VOOREN; in Schieland, of in den lande van Vooren en Putten; heden een ruine van een vervallen kaſteel, genaamt het Hof van Vooren. Siet het hier u door Rochman vertoond, lees 'er af (doch daar is, eilacen, weinigh af te leeſen) de Handveſt-Chronyk, 1 D. 136 bl. en Van Leeuwen, Batav. 1305 bl. gebruik hier, onder het beſien van nevensgaande Printje, en de woorden van den Nederlandſſen Theokritus, J. B. Wellekens, in ſeeker Lofdicht:

Hoe blonk hier menig Slot in velden en in duin, Waar van de Naam alleen noch leeft in luttel puin!

2.19.10 OOSTWAART

OOSTWAART; heden een plat boeren Huys, in het Sticht, tuſſen Suilen en Maarſſen, aan de Vecht. Haar dikke muiren en geweldige welfſelen betuigen een oudheid; echter my mede niet bekend.

2.19.11 OPROER

OPROER; in welken, te Uitrecht, geſchiede de bekkenſlagh, in alle ſtraaten. Op welk teeken een ieder van de gemeente, om alle muitery te ſtuiten, gewapend op ſyn beſtemde plaats verſcheen. Matheus, Analector. II Tom. 356 bl. uit Veldenaar, over Jan van Leidens Brederod, 53 H. Goudhoeve, 466 bl.

2.19.12 OP en ONDERGANG

<blz 275 | 258>

OP en ONDERGANG van verſcheidene Steden en Dorpen; ſiet op Flardinge, Geervliet, Beverwyk, Nieupoort, Vronen (ſoo men voorgeeft) &c. wel eer groot, ryk, en welvaarend; heden gering, arm en vervallen. Boxhorn. Stedeb. 337 bl. en Meurs, XVII Provinc. 2, D. 769 bl.

Diergelyke ſtaatverwiſſelinge bemerktmen in de dorpen; de Geer, Houterik, Ooſtdorp, Polaanen, Sloten, Sloterdyk, Spaarwouw, &c. heden alle verminderd en verarmd. Oudenhove, Haarl. Wiegh, 23 bl, Bedenk. 79 bl. Sie boven, hier over geklaagt by Vondel, 15 bl. en voeg daar nevens (ik had dit voeglyker by de Meeren geplaatſt) de Hr. Andries Pels, op deeſe wyſe redeneerende, op het 4 bl. van de Vertaalde Dichtkonſt van Horatius:

Wy, onſe werken, ſtaat, gebouwen, rykdom, vreugd 't Is al vergangklyk: 't ſy men ongemeene Meeren Uitmaale, of een Stroom in haaren loop gaâ keeren, En elders heene leid', door hulp van ſluis of graft; Of maak', dat ons die Plaats nu kaas en boter ſchaft, En kruid, en ooft en brood; en word beboud van boeren, Waar in, voor weinigh tyds, ontelbre ſchepen voeren, Al dit en wat wy doen, moet eindelyk vergaan.

2.19.13 OPSTALLESBOOM

OPSTALLESBOOM, anders Upſtallesboom, een gericht ontrent Aurik, in Ooſt Frieſland. Boven, 39 bl.

Ik ſeg, het was een vlakte, in het S. W. van Aurik; hebbende 3 hooge eikeboomen, met kroon en takken in malkanderen gegroeid.

Hier wierden tenten geſet en de ſittinge der Ooft- en Weſt-Frieſen geſchiede onder den blauwen hemel, op banken van uitgegravene aarde; te weeten, op Pinxteren. Scotanus, Fries. G. 5 B. op het jaar, 1312; 166, 170 en 173 bl.

2.19.14 ORDALIUM

ORDALIUM, een ſeer oude proef van verdachte kuisheid; ſynde de gedaagde, nevens eenige plechtigheden, genoodſaakt, ſonder ſich te beſeeren, over gloeyend yſer te gaan. Olaus Wormius, Monumentor. Danicor. 1 lib. 11 cap. ſpreekende van heete ploeg-yſers. Heliodorus, Æthiopicor. by Kauſinus, Eloquentiæ, 12 lib. 801 pag. Goudhoeve, 252 bl. ſpreekende van koningin Kunigonde. Alkemade, noemende het yſer, Korſned; Kamprecht, 56 en 57 bl. Temple, Inleidinge tot de Hiſtorie van Engeland, &c.

2.19.15 OTTOOS-GRACHT

<blz 276 | 259>

OTTOOS-GRACHT, heden geheeten Hotſond, of by verkortinge, de Hond; is de Schelde, naar de Noordzee afgeleid, tuſſen Katſand en Walcheren. Alting, Notit. 2 Part. 59 pag. Boxhorn, by Smallegange, Chron. van Zeeland, 120 en 231 bl. Van Leeuwen, Batav. 129 bl. Guicciardin. in Flandr. 360 pag. Van Royen, over Verſtege, 6 bl.

Was van keiſer Otto den III; te weeten, wanneer, ontrent A. 980, Fliſſingen noch was gelegen op een deel van Vlaandere. Siet deeſe gracht in Oud-Belgium; de landkaart van den wereldkundigen Abrah. Ortelius; wiens beeltenis ik noch deeſe morgen, op een Gedenkpenningkje, in myn Muntkas, met genoegen heb aangeſchoud.

2.19.16 OVERDRAGT

OVERDRAGT; welke, in het landſchap Drenthe, geſchied met een ſtoklegginge. Dat is. De verkoper, van een lap lands legt de ſtok, in het byſyn van het Gerecht, op het aardryk; welke van de kooper plechtelyk word opgevat. Siet de Rechtsgeleerde, de Effeſtucatione.

Met diergelyk een opſicht, wierde wel eer den kooper een groene tak, in een groene ſoode geſtooken, opgedragen. Buchelius, in Hedam, 102 pag. Sie beneden, in Stokleggingbrief.

2.19.17 OVERLYDEN

OVERLYDEN, en land-gewoontens ontrent de ſelve; van welke boven, in de letter D. 62 bl. en in de letter L. 203 bl.

2.19.18 OVER-VEST

OVER-VEST; een Heeren Huys in Delfsland, buiten Delf, by de Schoolpoort. Van Leewen, Batav. 1290 bl.

2.19.19 OUDAAN

OUDAAN; van welk Heeren Huys, heden een Huishofſtêe, boven; 3 bl.

2.19.20 OUDEWATER

OUDEWATER; of liever Oudewaarter, als of gy ſeggen woud, Oud-Eiland; is gelegen aan den Yſſel, met Woerden en Montfoort, een driehoek uitmaakende: volgens de Brief van hert. Albrecht, van den jaare, 1400, eene der voornaamſte ſteden van Holland. Boxhorn. over Veldenaar, 187 bl.

A. 1349, is deeſe ſtad, door biskop, Jan van Arkel, ingenoomen en ten deele met het vuir verdelgd. Voorts vinde ik, voor deeſe tyd, van Oudewater geen gewagh. Boxhorn. Stedeb. 312 bl. Goudhoeve, 91 bl. Scotanus, Fries. G. 6 B. 183 bl. en Van Leeuwen, Batav. 1304 bl.

A. 1575, is ſy van de Spanjaarden, onder de regeeringe van Requeſence veroverd, als wanneermen haare burgers, op allerhande wyſen, deerlyk heeft mishandeld. Er[c]mund[u]s, <blz 277 | 260> Belgicor. Tumult. 254 pag. Hoofd, 10 B. 402 pag. Van Meteren, 5 B. 110 bl. de Onſtelde Leeuw van Pers, 527 bl. &c.

Van Vliet, een tooren, het overſchot van een oude burgh by Oudewater, ſal men beneden ſpreeken, in de letter V.

2.19.21 OUDDORP

OUDDORP of Oldorp; of, volgens de oudere Schriften, Oxdorp en Okesdorpe; is een dorp in Kennemerland, dicht onder Alkmaar. Beda, Stoke en andere oude Chronyken, by Scriverius, in Diderik de VI, 140 bl. aldaar gewagende van een gevecht tegens de Frieſen.

2.19.22 OUD-GAIN

OUD-GAIN; heden een nieuw gebouw, op oude grondſlagen. Buchelius, in Hedam, 255 pag. anders Snooyen toren geheeten, om dat hier de Snoyen woonden, ontrent A. 1288 en A. 1290, &c.

Sie van deeſe plaats; boven, 101 bl. in 't Gein, en beneden, in Snooyen toren. Is ook onder de Heeren Huiſen van Rochman.

2.19.23 OUSTRITT

OUSTRITT of Onſtrokte, wel eer een rieviertje buiten Dordrecht. Van Someren, Batav. 7 H. 72 bl. uit de Saxonia van Krantzius, ſpreekende van een tol, welke op Stryemonde, dat is, deeſen Ouſtritt, plagh te leggen.

Ondertuſſen ſchynt het my vreemd, dit watertje noch by Oudenhove, noch by Balen, in hunne Dortſſe Beſchryvingen, te ontmoeten.

2.20 P

P.

2.20.1 PAAPENDRECHT

PAAPENDRECHT; een dorp van geen hooge oudheid, in Suyd-Holland, tegen over Dordrecht, aan de rechterhand, naar het Huys te Merwe. Oudenhove, Suid Holl. 315 en 412 bl.

2.20.2 PAARD

Een PAARD; by de Neerlanders, wel eer onder de vorſtelyke geſchenken. G. Brand, Aanteekening over de Vertooningen van ſtaat, 338 bl.

Van gelyken was een Paard hier eertyds onder het geen de vrouwen, als huwelyksgoed, de mannen toebrochten. Brand, in gemelde Aanteekeningen, 322 bl. Sambucus, in Emblemat. Conjugium laborum, 276 pag. Kirchmayer74, over Taciti German. 18 cap. 265 pag.

Ook is een Paard geweeſt het wapen der oudſte Saxen. Kirchmayer. 10 cap. 176 pag. Blaeuw, in Britannia, &c.

En wel byſonder een ſwart paard, die ſy ook in haar banieren gebruikten. Maar toen dit volk tot de Chriſtelyke <blz 278 | 261> Godsdienſt is overgetreden, heeft men het ſwarte in een wit paard verwiſſeld. Schildius, de Chaucis, 2 lib. 11 cap. 203 pag. Bertius, German. 2 lib. 149 pag. Buchelius over Heda, 277 pag.

Hier van daan is het, dat Weſtphalen, van ſommige Weisfalen word genoemd; te weeten van het witte veulen of paardtjen, in het Saxiſch wapen. Buchelius, op de geſeide 277 pag.

Hier uit ryſen ook de naamen van den verdichten Hengiſtus of Hengſt en ſyn broertjen, Horſus. Malle praat! Van Royen, over Verſtege, 59 bl.

Eindlyk, volgens de overoude wyſe der Batavieren, moeſten die van de Overheid, te Nimmegen, onder eede, een paard houden. Doch die gewoonte is allenskens verdweenen en te niet gegaan. Jan de Laat, Vertaalde Nederl. 6 H. 19 bl.

2.20.3 PADDEPOEL

PADDEPOEL; een Huys in Rhynland, onder Oeſtgeeſt, buiten de Rhynsburgerpoort van Leiden.

A. 1420, toen een nonneklooſter ſynde, is het by die van Leiden, door Jan van Beyeren overheerd, ter neergeſmeten. Boxhorn. Stedeb. 191 bl. Goudhoeve, 82 en 407 bl. Junius, Batav. 8 cap. 110 pag. Van Leeuwen, Rhynl. koſtuim. Inleid. 50 bl.

2.20.4 PALESTEIN

PALESTEIN; een oud aadlyk Huys, in Rhynland, onder Segwaart, by Soetermeer. Deſelve Van Leeuwen, in de ſelve Inleid. 50 bl.

2.20.5 PEEL

De PEEL of Peelland; een donker vaal ſtuk lands, in Braband, tuſſen Helmond en de Maas, ontrent Venloo; hebbende een waterige grond, met een korſt overtogen; tot de paſſagie geheel onbequaam; gevende een vaale turf, wel haaſt aan brand, maar ook haaſt verbrand.

Volgens het beſte gevoelen, is de Peel uit een inundatie voortgekomen. Want ongetwyfeld is hier een boſch geweeſt; door ſtorm en ſtroom ſyn de boomen omvergeworpen; en de gemelde opperkorſt is uit de verrotte ſchorſſen en bladeren geſproten. Immers worden hier noch wel ſomwylen boomen uitgegraven. Oudenhove, Suid-Holl. 10 bl.

Van opgegraven boomen ſprakenwe mede boven, 39 bl.

2.20.6 PERSSYN

PERSSYN; ook onder de Geſichten van Rochman; is gelegen in Rhynland, naar de duinkant, onder Waſſenaar, by het Boſch, aan de wegh tuſſen den Haage en Leiden. Van Leeuwen, Rhynl. Koſtuim. Inleid. 30 bl. Goudhoeve, 98 bl.

2.20.7 PETHEM

PETHEM; een zeedorp in Kennemerland, aan de mond van de Kinhem. Alting. Notit. 2 Part. 142 pag. uit de /Transactie <blz 279| 262> van Epternach, des jaars, 1063/; en uit het Geſchrift van keiſer Henrik den IV, van het jaar, 1064. Sie vorder de Scoreler, Medembl. 281 bl. gebruikende de Saanl. Arkad. 4 B. 528 bl. &c.

2.20.8 PHILIPS de Goede

PHILIPS, of Philippus; geſegt de Goede, volgens de gemeene rekeninge, de 30ſte graaf van Holland; van welke Oudaan:

O ruward, ruw van aart! hoe kon u erf gebeuren, Als van de ſpil-ſy aan? en kond gy 't erf verſteuren In uw beſtreden Nicht, als had gy recht daar toe? Syt gy de Goede Philips, men houd het u te goe; Borgonje wint meer velds, maar kan het weêr verlieſen. Nu recht gy 't Ridderſchap en pronkt met Gulde Vlieſen: Dit magh het voorſpook ſyn, dat eens uw Stam, met kracht, In 't Kolchos van Peru, verkryg de gulde vacht!

Hy was de ſoon van Jan Onverſaagd, van Burgundie; een koſtelyke graaf aan deeſe landen; en ſynde een kaalkop, wierden, hem ter eeren, alle ſyn hovelingen kaalkoppen. Kamerarius, in ſyn Uiren, 1 Hondert. 36 H. Broêr, G. V. Leven en Daaden, der Hertogen van Braband, in XIImo, in het jaar, 1664, tot Antwerpen uitgegeven, 253 bl.

Ontblootte Jakoba van haar ſtaat en waardigheden; quanſuis, by vrye overgevinge. Siet het aangetekende, 41 en 153 bl.

A. 1430, heeft deeſe graaf de order van het Vlies ingeſteld. Boven, 189 bl.

Syn ſtadhouder was Hugo van Lanoy, heere van Saintes. Scriverius, by Goudhoeve, 459 bl.

A. 1432, kreegh hy een ſoon, by Iſabelle van Portugal, S. Martens avond, binnen Dion; geheeten Karel Martyn, die by de doop wierd ridder geſlagen en daar op gemaakt grave van Charlois; volgens het reeds geſchrevene, 164 bl.

Met deeſe had hy ſomwylen een ſeer groote oneenigheid. De vader leefde veel te lang voor ſyn oorlogsgeſinde en regeerſieke ſoon. De Vader wierd opgemaakt door quaadaartige oorblaſers. Boven, 164 bl. De vader poogde de ſoon in arren moede te doorſteeken; even als, by Juſtinus (9 B. 7 H.) Philippus de Macedoner ſyn ſoon, Alexander. Maar Karel bad, op ſyn knyen, en verkreeg, door ſyn traanen, vergiffnis, aan 's vaders ſterfbed; Philippus uit het leven ſcheidende, A. 1467. <blz 280 | 263> Kamerarius; in gemelde Uiren, gemeld Hondert. 35 H. behalven Goudhoeve, &c.

A. 1436, wierd Kalais door hem belegerd, doch hy wierd genoodſaakt weder op te breeken, en die ſtad te verlaaten.

Doch die van deeſe prinſſe en ſyn hoedanigheden meer begeerd te weeten, keere ſich tot Barlandus, Comit. Brabant. het Anonymi Chronicon Ducum Brabant. door Matheus in het jaar 1707, uitgegeven. Vredius, in Diplomat. de Gouwenaar, &c.

Maar ondertuſſen is hy de eerſte der Graven, wiens beeld en gedachtenis op een Medalie word bewaart; ſynde onder de myne eene, wiens ruggeſtuk, met AUTRE NARAY, boven is beſchreven, 188 bl.

2.20.9 PHILIPS de Schoone

PHILIPS de Schoone, was de ſoon van Maximiliaan (van welken, boven, 224 bl.) en Maria (van weiken, 217 bl.) de 34ſte Graaf van Holland, overleden, A. 1506. van welken dus Oudaan:

De keiſerlyke kroon hing, met Philips den Schoonen, Aan eenen erfgenaam en ſpant nu ſoo veel kroonen Als ſoonen, fris van bloei, uit ſyne lenden ſtaan; En ſelve ſag hem 't Ryk naauw voor een ſchaduw aan: Duik, duik, ô Geldre! en laat hem vredigh heene reiſen, Dien Burgos, als een ſon, begroet in haar paleiſen, Ja ſon, die ondergaat, niet als in zee de ſon, Maar als een toorts, die plots gedompt word in een bron.

Hy wierd ten doop gebracht van Vrouw Margriet, van Jork, de 3de huysvrouw van Karel de Stoute, vergeſelſchapt, ter rechter, met de Vrouw van Raveſtein, en, ter ſlinker ſyde, met de Heer van S. Pol. Het gouden bekken wierd gedragen door den Heer van Gruithuyſen. Nu, aangaande de vont giften, by de vonte of doopſteen; de Hr. van Raveſtein gaf een gulden ſwaard; de Hr. van S. Pol, een gouden helm; Margriet van Jork, een cierlyk afhangſel, met koſtelyke geſteenten beſet. Van den doop gekeerd ſynde, vertoonden ſy, op de merkt, in het openbaar, het mannelyk teellit van dit jonge prinsje, om op die wyſe de mond te ſtoppen aan veel quaadſpreekende Franſſen, voorgevende dat dit kind een meisje was. Jooſt Damhouder, Beſchryv. van Brugge, in het leven van Maximiliaan, 244 bl.

A. 1482, overleed ſyn moeder; komende hy toen, 4 jaaren oud, onder de voogdye van ſyn vader, Maximiliaan. Boven, 219 bl.

<blz 281 | 264>

A. 1495, troude by Johanna, dochter van Ferdinand, koning van Spanje, te Lier, by naar ſonder ſtaatſie. Goudhoeve, 560 bl.

A. 1500, kreegh hy, by deeſe, een ſoon, binnen Gent; geheeten Karel en namaals keiſer, met de naam van Karel de V. Ulloa, in het Leven van Karel, 1 B. 1 bl. Heuterus, in Auſtriacis, 8 lib. 1 cap. &c.

Maar ondertuſſen bevind ik dit Boekje niet ſonder gebreken te ſyn en mistaſtingen; hoe? moet den moetwilligen al-bediller, die de volmaakſte Schriften vinnigh en onvervaard durft aantaſten, hier ook niet wat ſpeelens hebben? Hy weete dan, dat ik keiſer Karel de V, als Graaf van Holland, boven, in de letter K, heb over het hoofd geſien, en dat hy nu, met het Puntdicht van Oudaan, ſich ſal te vreeden moeten houden. Sie daar dan, myn liefſte Momusje! het ſal naa deeſen niet meer beuren:

Wie dart het aangeſicht des Grooten Karels nad'ren, Die 't aanſien overtreft van ſyn beroemde vad'ren, Met wysheid, dapperheid, vlyt, arbeid en geluk. Die koning, hertogh, graaf deê dragen boey en juk; Hier, voor Pavi, Valois, daar Hairad, in Afryken, Ginds Sax en Heſs, te Gent. Die ſulk een ryſt van rykken Tot ſchuttrauwanten had om 't bloeyend Keiſerdom, En toen 't Geluk verving, eer 't wierp de hielen om.

Siet verder Philips bedryven, aangaande Staat en Oorlogh, by gemelde Goudhoeve, Heuterus, Barlandus, &c.

Ik heb ook ſyn beeltenis op een Gedenkpenning, dragende 't Fortuin op haar ruggeſtuk, nevens de woorden; VIRTUTE ET CONSTANTIA; Dat is; Door manhaftigheid en ſtandvaſtigheid.

2.20.10 PHILIPS de II

PHILIPS; de ſoon van keiſer Karel de V, doorgaans geheeten Philips de II, de 38ſte en laatſte Graaf van Holland; van welken Oudaan:

Heeft ook den ſteen gelegt, om hooger op te ſtappen, Om laager naderhand te rollen langs die trappen Dat ſich Philips de Tweede en niet de Derde dacht, Dat 's Koning en niet Graaf; daar Holland onder magt Dan 's graven nooit erkoſt, in haare heerſchappye; 't Sy keiſer dees' of graaf of hertog quam te vlyen;

<blz 282| 265>

Den hairband afgeſet, en 's konings-praal begoſt, Is de eerſte ſelf verlegt en de ander niet erkoſt.

A. 1598, is hy, in het Eskuriaal, aan een vuil en beklaaglyk ongemak overleden; oud 71 jaaren en 4 maanden. Boterejus, Commentarior. 5 lib. 421 pag. Meteren, 20 B. 417 bl. 't Vervolgh van Goudhoeves Chronyk, 284 bl. &c.

Vorders ſyn ſyne Uitvoeringen, in onſen Neerlandſſen oorlogh, door de doorwrochte Schriften van Hoofd en Grotius, Bor en Van Meteren, Strada en Bentivoglio, genoegſaam alom bekend; ſynde, met eenen, ook ſyn Medalien en Legpenningen, by de Liefhebbers veelvoudigh en gemeen.

Maar ondertuſſen, fal het ook de Leeſer naar en buitenſporigh noemen, dat ik, achter deeſen laatſten Graaf, een lyſtje van alle de Graven laat volgen? Ik ſal het evenwel doen; en ſie daar!

I ADA. Boven, 7 bl.
I ALBRECHT. 10 bl.
I ARNOUD. 22 bl.
VII DIDERIKKEN. 55 bl. &c.
V FLORISSEN. 85 bl. &c.
I GEERTRUID. 99 bl.
I GOVAARD. 110 bl.
I JAKOBA. 152 bl.
III JANNEN. 145 bl. &c.
II KARELS. 164 bl. en 264 bl.
I MARGRIET. 219 bl.
I MARIA. 217 bl.
I MAXILIAAN. 224 bl.
III PHILIPPEN. 262 bl.
I PIETERNEL. 266 bl.
I ROBERT. beneden, in de letter, R.75
VI WILLEMEN. beneden, in de letter, W.

2.20.11 PIER

PIER, anders geheeten Lange- of Groote Pier; ja by de Latiniſten, Pyrrhus Magnus; was der Gelderſſe Frieſen opper-ammiraal, in de jaaren, 1517 en 1518. Gabbema, Leeuward. 336 bl. Soeteboom, Stavoren, 5 B. 175 bl.

Deeſe plonderde Hoorn. Slichtenhorſt, Gelders. G. II B. 353 bl. Chronyk van Hoorn, 54 bl.

Won Alkmaar, Beverwyk en Medeniblik. Deſelve Slichttenhorſt, 349 bl.

<blz 283 | 266>

Plaagde de Borgoenſſe Frieſen en Hollanders. Weder Slichtenhorſt, 338 bL

Noemde ſich, in een kreupel Duits rymtjen, aan de Borgoenſſe, koning van Frieſland, hertog van Sneek, Grave van Sloten, Vryheer van Hindelopen, opperoverſte van de Suider zee. Daarenboven ook de naam voerende van verwoeſter der Deenen, wreeker van de Bremers, verraſſer van de Hamburgers, een kruis voor de Hollanders. Noch eens Slichtenhorſt, II B. 350 bl. en de bovengemelde Chronyk van Stavoren, 5 B. 175 bl.

Overleed eindlyk binnen Sneek, A. 1520. Sie ſyn Graftdicht, van 10 regelen, uit een oud Tydſchrift, by Matheus, in het 176ſte H. van een Bundel Brieven en Teſtamenten, uitgegeven, in het jaar, 1708.

2.20.12 PIETERNEL

PIETERNEL; waarlyk een wys en ſtaatkundigh wyf; de weduwe van gr. Floris de II, of de Vette; de moeder van Diderik de VI. Boven, 60 en 87 bl.

Word in de lyſt der Graven meerendeels uitgedaan, derhalven ook, door Oudaan, met geen puntdicht vereeuwigd.

Scriverius, over de Gouwenaar, uit Ubbo Emmius, 242 bl. behalven Alkemade, &c.

Deeſe ſtichtte, op de grond haares kaſteels, dat Rhynsburg was geheeten, een Nonneklooſter, van S. Benedictus order, ter eeren Gods, ter eeren de Moeder Maagd en ter eeren S. Laurens. Goudhoeve, 271 bl. Pars, Katw. en Rhynsb. 323 en 324 bl. Doch ſie beneden, in de letter R.

Sy overleed, A. 1144; maar ondertuſſen ſiet gy ſe, tegens haar ſoon over, knielende afgebeeld, boven het poortjen in de muirbrok van Egmonds vervallene Abdy. Boven, 76 bl.

Siet vorder van deeſe Vrouw, Stoke, 42 bl. Buchelius, in Hedam, 150 pag.

2.20.13 PINAKER

PINAKER; een ſeer oud dorp, by Delf, naar de ſyde van Gouda. Alting. Notit. 2 Part. 143 pag. uit een Geſchrift van gr. Willem den I, van het jaar, 1222.

2.20.14 PLETTENBURG

PLETTENBURG; in het Sticht van Uitrecht, by Jutfaas; heel onaardigh uitgegeven76 in een Print, door Kaſp. Specht; doch heel cierlyk ſich vertoonende in Rochmans Teekening. Heb ook, aangaande dit Huys, niet anders te ſeggen, en plaats het hier daarom alleen; te weeten om alle de Huyſen en Sloten van Rochman; in dit myn Werkje, ten minſten op te neemen.

2.20.15 POELENBURG

<blz 284 | 267>

POELENBURG; in Kennemerland, tuſſen Heemskerk, en Uitgeeſt, ook onder de Geſichten van Rochman.

A. 1705, den 10 April, ſagh ik dit Huys van buiten; ſynde de Heer noch ſoo onlangs overleden.

Ondertuſſen ſie Goudhoeve, 79 bl.

2.20.16 Oud-POELGEEST

Oud-POELGEEST, (op een geeſt, of hoogte, by een poel gelegen) anders Alkemade; by Leiden, in de ambachte van Oeſtgeeſt, aan de Maare, niet verre van Warmond.

Het is weleer ingenoomen, door Hr. Jan van Montfoort en Hr. Jan van Naaldwyk; maar de ſteden van Holland kregen het weder en braken het af tot aan de grondſlagh. Goudhoeve, 81 bl. Van Leeuwen, Leiden, 582 bl. Rhynl. Koſtuim. 35 bl. en Batav. 158 bl. Junius, Batav. 8 cap. 110 pag. en 19 cap. 557 pag. ſpreekende van haar ruiinen en ingeſtorte gewelfſelen.

Het is ook onder de Geſichten van Rochman; en vorders, ſie boven, in Alkemade, 12 bl.

2.20.17 POELGEEST

POELGEEST; in Rhynland, aan den Rhyn, tuſſen Kaukerk en Oudshoren, tegen over Haſerwouw, wel 300 jaaren bewoond. Ook het Huys te Hoorn wel eer geheeten, en, ontrent A. 1489, in den verderflyken tweeſpalt der Hoeksſe en Kabeljauſſe omvergeſmeeten; maar naderhand, met bewilliginge van keiſer Karel de V, door den ridder, Gerard van Poelgeeſt, weder opgeboud. Junius, Batav. 19 cap. 558 pag. Parivall, Verm. van Holl. 93 bl. Goudhoeven, 81 bl. Boxhorn. Stedeb. 219 bl. Van Leeuwen, Rhynl. Koſtuim. 50 bl. Alting. Notit. 2 Part. 143 pag. uit het Geſchrifte van Vrouw Alyt, de voogdes van gr. Floris; van den jaare, 1253. Orlers, Leiden, 4 bl. aldaar ook ſpreekende van kleen-POELGEEST, het derde huis dan van deeſe naam.

2.20.18 POLAANEN (Rhynland)

POLAANEN; in Rhynland, van de Delvenaars belegerd, om het belegh van het Huis te Heemskerk (boven, 222 bl.) te doen opbreeken. Wat geſchiet 'er verder? Sy wonnen dit Huys ſtormenderhand, en, om de Hoekſſe krachtigh te benadeelen, braken ſy het nevens Binkhorſt; tot aan den grondsſlag. Heemskerk, Batav. Arkad. 267 bl. Junius, 18 cap. 525 pag. Goudhoeve, 94 bl. op het jaar 1359. Scotanus, Fries. G. 6 B. 196 bl. behalven Van Spaan, Rotterd. &c.

Maar, magh ik vragen; waar heeft toch dit Huys geſtaan? het Huis ter Hart, anders Swanenburg, antwoord Van Leeuwen (Leiden, 156 bl.) ſtaat op de grondſlagen van het oude <blz 285 | 268> Polaanen. Soo ſpreekt mede de Saanl. Arkad, 3 B. 176 bl. Bewys. Wel aan; andere verſchuiven de grondſlagh, een weinig, naar de Amſterdamſſe ſyde, en ſettenfe, aan de Trekvaart, onder Polaanen; heden de Luſtplaats van den Hr. KLAAS KORNELISZOON KALF, eensdeels, wegens ſyn reiſen door Italie, Duitſland en Spanje; en eensdeels, wegens ſyn liefde ontrent boeken, gedenkpenningen, en andere overblyfſelen der Grieksſe, Roomsſe en Nederlandsſe oudheden, by de Liefhebbers bekend en bemind. Maar nu, noch eens, wat bewys? het ſelve dat veel vervallen Huyſen hebben; kelders en gewelfſelen, welke hier, aan den dyk, onder het uitgraven, ſyn ondekt.

2.20.19 POLANEN (Delfsland)

POLANEN; een Heeren Huys in Delfsland, ontrent Graveſande, tuſſen Monſter en Loosduinen. Van Leeuwen, Batav. 1290 bl.

2.20.20 POLDERS

POLDERS; ſyn opgedroogde landeryen, met kaadyken, tegens het geweld der wateren verſekerd. Hier af komen poldermeeſter, &c. De naam is van de poelen, of ſtaande wateren voortgekomen. Junius, Batav. cap. 326 pag.

2.20.21 POUDEROYEN

POUDEROYEN, of, by verkortinge, Pouroyen, quanſuis arx puerorum, het kinderſlot; te weeten de kinderen van de gravin van Henneberg, waar af boven, 210 bl. Hoe, klinkt u dit ſoo vreemd in de ooren? de 365 venſteren aan dit Huys bewyſen het getal der kinderen. Ergo. Al lacht gy, Schryver juiſt om deeſe conſequenci. Waarom, voor Parival, aan u de præferenci? Deeſe man ſet deeſe ſaak twyfelachtigh, ſelver in deeſe ſotteklap niemandall beſluitende. Vermaak van Holl. 129 bl. Siet ook Junius, Batav. 20 cap. 573 pag. en ondertuſſen een woordje.

Gy moet my boven, 212. bl. wel verſtaan, aangaande het vaſtſtellen van dit ſeldſaam wonderwerk. Ik kan het aanneemen, volgens de leere der Ovaria of eyerneſten, en het ſelve defendeeren, more Academico, volgens het Hooge-ſchool gebruik; maar anderſins is het by my beuſelpraat, gelyk ik ook, 32 bl. heb geſteld. Dit moeſt 'er uit, of Momusje ſou my anders op de knokkels geklopt hebben.

Vorders, is het gelegen in de Bommelerwaart, met Loeveſtein en Brakel maakende een langen driehoek, aan de Maas.

Was allereerſt geſticht van Robert, grondheere van Heuſden. Slichtenhorſt, Gelders. G. 5 B. 47 bl. op A. 916.

Naderhand, door Jan Moliaard, den prooſt van Uitrecht <blz 286 | 269> opperſte raad van Reinoud, eerſten hertogh, in haar bouvalligheden vernieuwd. Deſelve, 7 B. 141 bl.

A. 1505, is het van de Burgunders, wegens den Koning van Kaſtilie, aangetaſt. Deſelve, 1177 B. 320 bl.

A. 150878, is het weder belegerd van de Hollanders en die van 's Hertogenboſch, onder het bewind van Hr. Jan van Egmond, die het inkreegen, niettegenſtaande de dappere verweering van de maarſcalk van Gelder, geſegt Guidewind en Sneewind by verkortinge, met verdragh; die het daar op afbraaken, en de Maas 'er door afleiden. Slichtenhorſt, wederom, 11 B. 325 bl. en de drollige verteller, Jan Martyn, by den ſelven, 586 bl. Oudenhove, Suid Holl. 94 bl.

2.20.22 PRIESTEREN

PRIESTEREN; deeſe ſtoffe knoopende aan het reeds geſchrevene, ontrent de Goden der oude Duitſche en hunne nagebuiren, 103 bl. begin ik met de

I. DRUIDEN; prieſteren der Duitſers, Franken en Britanners. Ovidius, Klaagbr. 4 B. 2 Sendbr. Lukanus, Burg. Oorl. I B. Tacitus, Germ. 9 H. Scedius, de Diis German. 2 lib. 1 cap. behalven Van Royen, 118 bl. &c.

De naamreden haalenſe doorgaans van δρùς, dat is, een eikeboom; de ſlachtofferen meerendeels in eikenboſſen voorvallende. Plinius, H Natuirl. 16 B. 44 H. maar Caſaubonus (by Saubertus, de Sacrific. 152 pag.) ſou liever de naam uit het Hoogduitſch haalen. Raunen of runen is, by hem, fluiſteren of ſacht ſpreeken. Dus de Druiden, de runende. Ik word 'er koud af, ſulke koude Naamredenen aanhoorende.

Ondertuſſen hunne dienſt beſtaande in het ſlachten en opofferen van gevangene menſſen. Tacitus, 14 B. 30 H. Cæſar, Gall. Oorl. 6 B. 16 H. Prokopius, &c. by Van Royen, 144. bl.

Van de Druïden gewagen ook Strabo, 4 lib. Diodorus 5 lib. &c.

Voorts quamen by deeſe de

II. BARDEN, bewaarders der oude Geſchiedeniſſen (Nota, dat die dan altyd by naar by de Geeſtelyken ſyn geweeſt) die ſy in vaarſſen den volke voorſongen. Lukanus, Burg. Oorl. 1 B, Scedius, 2 lib. 41 cap. Wederom, Van Royen 118 en 143 bl.

Van deeſe Bardes trekken onſe Woordeſifters het woord baaren, dat is, ſchreeuwen, om dat de Barders, ſeggenſe, de lofdichten der Duitsſe helden met een groot geſchreeuw uitſchreeuden.

Onder deeſe was ook eene

<blz 287 | 270>

III. Velleda; onder de Brukteren, by Weſel, over de Lippe; wegens haare voorſpellingen by naar voor een godin geacht. Tacitus, 4 B. der Hiſt. 65 H. en weder, 5 B. 22 H. en noch eens, Germ. 8 H. S[tati]us Mengeld. 1 B. 4 D. en voorts Junius, Batav. 16 cap. 382 pag. en 23 cap. 674 pag. Scildius, de Chaucis, 4 cap. 133 pag. Montanus, Inleid. van Amſt. 1 B. 26 bl. Scedius, 3 lib. 9 cap, 488 pag. Slichtenhorſt, Gelders. G. 1 B. 15 bl. by welke (is dat niet kluchtigh?) Velleda is een ſtout vel; gelyk, by Junius (en noch mooyer!) een wyf, den volke veel leets verkondigende. 't Spul heeft, gelyk gy ſiet, geen aart, Daar geen Naamreden 't woord verklaard.

Van het Menſſenoffer vind gy genoeg by Kluverius, Germ. Antiq. Kirchmayer, over de Germ. van Tacitus, en Van Royen, 121 bl.

2.20.23 PRINCESSEN HUIS

PRINCESSEN HUIS, in het Haagſſe Boſch; is geboud door Amelia, weduwe van prins Frederik Henrik, door ſyn krygsbedryven in onſe Hiſtorien uitmuntende; daar in vertoonende het ſtryden en het zegepraalen van haar overledene echtgenoot. Jan Soet, Gedichten, 175 bl. Parivall, Vermaak van Holl. 145 bl.

Het is, in het groot, met haar Geſichten, uitgegeven door Nik. Viſſcher, gelyk in het kleen, door C. Elands en P. Schenk.

Gemelde Amelia, douagiere van Oranjen, overleed, A. 1675. Neuville, Hiſt. van Holl. 3 D. 118 bl. na dat prins Frederik Henrik was geſtorven, A. 1646. Neuville 2 D. 91 bl. Montanus, in ſyn Leven, &c.

2.20.24 PROCES

PROCES, of Rechtspleging; welke, in onſe Graaflyke Hiſtorien tweemaal voorkomt; tweemaal onwaarſchynlyk, vals en logenachtig.

I. Voor gr. Willem de III, anders de Goede; over een koe, door den baljuw van Suid Holland, een arme boer ontvreemd. Balen, Dordr. op het jaar quanſuis 1326, 375 bl. nevens een ſeer wei[t]ſe konſtplaat van den opproppenden uitvinder, Romein de Hooge. Scriverius, by Goudhoeve, 374 bl.

II. Voor hert. Karel den Stouten; over een vrouwe-kracht. Pontus Heuterus, eerſte verteller van dit wyvepraatje, Burgundicar. Rer. 5 lib. 5 cap. Exnerus, in Valer. Maxim. Chriſtian. 244 pag. aldaar ſpreekende van de Gerechtigheid. Lipſius, Staatkundige Voorbeeld. 2 B. 9 H. Scriverius, weder by Goudhoeve, 503 bl. Van Leeuwen, Leiden, 14 en 368 bl. en eindlyk P. Verhoek, in ſyn hertverrukkead Treurſpel, meermaalen boven aangehaald.

2.20.25 Willem PROCURATOR

<blz 288 | 271>

Willem PROCURATOR, dat is, de Koſtbeſorger (te weeten van het Egmonder convent word ook wel de Onbekende Klerk geheeten. Hy leefde onder gr. Willem de Goede, onrrent den jaare 1300; ſchryvende van A. 647 tot aan A. 1333. Matheus, hem uitgevende, Analector. IV. Tom. 1 pag. Pars, Naamrol, 29 bl. Goudhoeve, 217 bl. Ger. Voſſius, ons hem ſeer aanpryſende, Hiſtoric. Latin. 1 Part. 2 lib. 511 pag.

2.20.26 PUL

PUL; een gering watertje by Naaldwyk, in Delfsland. Alting. 2 Part. 144 pag. uit een Geſchrifte van gr. Diderik de VII; van het jaar, 1193.

2.20.27 PURMERENT

PURMERENT, van welke ſtad aldus de Hr. Huygens:

Hoe oud en ben ik niet, die 't ſelver niet en weet? Hoe weet ik 't, die, ſoo jong, ſoo menigh meeſter ſleet? Sint Eggarts dikke beurs den jongen Vorſt verbonde, Die, my tot dankbaarheid, het hooge Huis vergonde. Maar dubbel was de gonſt, al was ſy 't by geval, Van die myn woningen beſloten in een wal; Met wierd ik Stad genoemt, met heb ik ſtad gegrepen In 's vaderlands bewint; daar ſeg ik, onbegrepen Of ja, wanneer 't my luſt, of, als ik weiger, neen. Wat ſchaad myn kleinigheid? de grootſte ſyn maar een.

Is gelegen in Waterland, nevens het uitgedroogde meer, de Purmer; maakende een driehoek met Edam en Monikedam.

Sie van het Purmermeer, 73 bl.79
Sie van Edam, 73 bl.
Sie van Monikedam, 234 bl.

Graaf Willem de VI maakte ſyn gunſteling, Willem Eggart, (een Waterlander, woonende te Amſteldam, in den Bril, tegen over de Waagh) ſchat- en hofmeeſter deeſer landen, hem te gelyk begiftigende, met een leen; te weeten, met de heerlykheid van Purmerend, nevens de dorpen, Nek en [Ilpen]dam.

Dus heeft gemelde Eggart, ontrent A. 1410, ten Weſten van de ſtad, een ſlot geboud, geheeten Purmerſtein. Boxhorn. Stedeb. 371 bl. Goudhoeve, 94 bl. Junius, Batav. 17 cap. 503 pag. Vronens Op- en Onderg. 4 B. 235 bl. Van Royen, 177 bl.

Na de dood van Willem Eggart, op het ſlot, 2 dagen na de dood van ſyn weldoender, gr. Willem, overleden, was hier Heer, ſyn ſoon Jan Eggart, die, naar Vlaanderen <blz 289 | 272> trekkende, het verkocht aan Heer Gerrit van Zyl; deeſe weer aan Heer Jan, de burggraaf van Montfoort; deeſe daarop aan Heer Balthaſar van Valkeſtein, krygsoverſte van keiſer Maximiliaan; en eindlyk deeſe aan Heer Jan, den eerſten graaf van Egmond: waar op de ſtad Purmerent nevens Purmerland, Nek en Ilpendam, aan het graafſchap van Egmond ſyn gevoegd, en ook daar aan gebleven, tot A. 1590; als wanneer de weduwe des Graven van Egmond, te Bruſſel onthalſt (boven, 81 bl.) het ſelve aan de Staaten van Holland heeft verkocht. Soeteboom, Soetſtemm. Swaan, 158 bl. Parivall, Vermaak van Holl. 181 bl.

Vorders is dit ſlot, aan 3 ſyden, van Rochman uitgebeeld en ook door Viſſcher en Van Royen, aan eene kant, in een Konſtplaat gebracht.

Endlyk, voeg ik hier achter, dat van deeſe Willem Eggart is afkomſtigh paus Adriaan van Uitrecht, ook hebbende een ſelve wapen. Gemelde Soetſtemmende Swaan, 127 bl.

2.20.28 PUTTE

PUTTE, ook anders geheeten Pitte; een oud ſlot, gelegen boven Geervliet, in den lande van Vooren en Putten. Alting. 2 Part. 143 pag. uit Stoke, in gr. Jan den I, 163 bl.

2.20.29 PUTTESTEIN

PUTTESTEIN; in Suid Holland, by Heinoort en A. 1375, door bisk. Arend van Hoorn, Heer Herbern van Putteſtein ontweldigd en geſloopt. Scotanus, Frieſſe G. 6 B. 197 bl.

A. 1593, ſyn, na veel gravens, haar grondſlagen ontdekt. Goudhoeve, 78 bl. Oudenhove, Suid Holl. 412 bl. Boxhorn. (by wiens tyd het al was afgeſmeeten) Stedeb. 95 bl.

2.21 Q

Q.

2.21.1 QUADI

QUADI, of Quaden; is een Noordſch volk, ontrent de tyden van keiſer Mark. Aurelius, in het hert van Duitsland neêrgedaald. Van Royen; ook deſelve in een Print vertoonende, 78 bl. Doch Neerland heeft aan deeſe menſſen geen kennis. Siet Karrio, Chron. 229 pag.

2.21.2 QUEESTEN

QUEESTEN; is een ſoort van vryen, op Teſſel, Wieringen, Flieland, ter Schelling en andere eilanden, ja ſelf op Huisduinen in gebruik. Het gaat 'er ſoo toe, by de jonge lieden.

De vryers klimmen 's nachts in de huyſen; ſynde een ruit, boven of ontrent een venſter, op- of open gebrooken; waar door men den erm ſteekende, het venſter open doet.

<blz 290 | 273>

Voorts gaan ſy by de dochters, doch boven op den deken, te bedde leggen; houden een lekker praatje met die lieve kinderen, en mogen daar ſoo blyven leggen tot een uur voor den dagh. Alsdan moeten ſy in ſtilligheid vertrekken, het venſter ſluiten en ſoo ſich beſcheiden van daar maaken.

Ondertuſſen geſchied dit alles, ſonder de meisjes eenige onbeſchoftheid te vergen, of andere moetwil te plegen. Want, word 'er ergens onbeleeftheid begaan, men ſlaat aanſtonds op de ketel; welk geluid de buiren ſaamen haald en de moesjanker is in lyfsgevaar. Nein, Luſthof der Huwelyken, 166 bl.

2.22 R

R.

2.22.1 RADBOD (Frieſland)

RADBOD; of Radebout, is geweeſt de 6ſte koning van Frieſland, een wreede geweldenaar. Hield ſyn hof te Stavoren. Van de Deenen en Noormannen overweldigd, wierd hy op ſekere voorwaarden losgelaaten en herſteld, A. 678. Stavorens Onderg. 3 B. 52. bl. Van Royen, 104 bl.

Nam vorders Uitrecht. Verjoeg de Chriſtenen. Hinderde Wilebrord in het prediken. Wierd geſlagen van Pepyn; en wederom, A. 717, van Karel Martel, die hem dwong het Chriſtendom aan te neemen. Maar als hy hoorde waar ſyn ongedoopte voorouderen gevaaren waaren, trat hy uit de vont, voorgevende liever by hen als in den hemel te willen ſyn. Overleed, krankſinnigh, A. 719. Sigebertus, by Junius, Batav. 17 cap. 502 pag. en weder, 19 cap. 542 pag. de Scoreler, 53 bl. ſpreekende van ſyn afbeeldſel. Godfried, Chron. 561 bl. &c.

Doch, wat deeſe geweigerde doop aangaat, gy behoeft het niet te geloven, Leeſer. De ſaak is verdacht gehouden en het is een ſpinrokkens vertellingkje, by . . . . maar quijt ben ik den Schryver. Ik heb het aangeteekend en echter is het heden myn geheugen ontſlipt.

2.22.2 RADBOD (Egmond)

RADBOD; de broeder van Gundibald, op de Pyreneën geſneuveld, tegens de Saracenen vechtende. Deeſe was Chriſten en boude, naa het afbreeken van het Huis te Reinegom, het ſlot te Egmond. Junius, wederom, 542 pag.

Van het ſlot te Egmond ſie boven, 79 bl.

2.22.3 RAMSBROEK

RAMSBROEK, of anders Randenbroek, heden een hofſtede met hoogh en wild houd, hebbende ſeer aangenaame geſichten naar beneden (gelyk ik, den 24 Julii, A. 1707, heb ondervonden) tuſſen Amisfort en de Luſtplaats, den Heiligen Bergh.

<blz 291 | 274>

Is al bekend in de Brieven der jaaren, 1349 en 1359. Matheus, in Notis ad Amisfurt. Verhoev. 215 bl.

Van den Heiligen Berg is boven geſprooken, 133 bl.

2.22.4 RAAPENBURG

RAAPENBURG; is een vermaarde burgwal binnen Leiden; voor het vergrooten van de ſtad, in Soeterwoude ten deel gelegen. Mogelyk heeft hier ook wel een burg of huys geſtaan.

Sy voerd deeſe Naam van de Heeren Raaphorſt; beſitters van het leen, Soeterwoude, voor 20 ſchellingen of een paar wapen[-]handſchoenen. Van Leeuwen, Rhynl. Koſtuim. 16 bl.

Van de handſchoenen, in het leenverheffen, is boven een aanmerkinge gedaan, 158 bl.

2.22.5 RAAPHORST

RAAPHORST; een Huys in Rhynland (ook onder de Geſichten van Rochman) by Waſſenaar, tuſſen Leiden en den Haagh; al voor meer als 350 jaaren bewoond. Van Leeuwen, Rhynl. Koſtuim. 30 bl. Batav. 1262 bl. Boxhorn. Stedeb. 191 en 219 bl. Goudhoeven, 81 bl.

Sy voerd haar Naam of van een raap (rapa) of van raapen (rapere) volgens Junius, Batav. 19 cap. 562 pag.

A. 1709, in het laatſte van Julii, is dit Huys, als de hoogſte prys, de Lotteryen onderworpen, even als het Huys te Marquette. O tyden! tyden!

2.22.6 RHEENEN

RHEENEN; in het Sticht, aan de Rhyn; een ſeer oude ſtad, gelyk dat de muiren genoegſaam te kennen geven. Junius, Batav. 11 cap. 232 pag. als ſynde van bisk. Jan van Arkel. Slichtenhorſt, Gelders. G. 7 B 137 bl.

Maar hier is men weer aan het kibbelen, onder de Latynſſe Geletterden, de ſteden en ſloten, waar het hen luſt, verkruyende.

Van Leeuwen, Batav. 176 bl. noemt Rheenen Grinnes80 (gy vind dit by Tacitus, Hiſt. 5 B. 20 H.) even als Ortelius, die de oude plaatſen durft ſetten, daar de ſteden ons heden ontmoeten.

Maar, volgens Kluverius, (van de Rhynmond. 13 H. 269 bl.) is Grinnes geen Rheenen, Arenacum, geen Arhnem; Vada, geen Wageningen; Batavodurum, en Batavorum oppidum (en dat is ook waar!) geen Nimmegen: vertoonende dat, uitgenoomen Batavodurum, alle deeſe plaatſen ſyn gelegen op den anderen oever van de rievier. Sie mede Rycquius, in Tacitum; alwaar deeſe 4 plaatſen vici modici worden genoemd; Van Someren, houdende de ſtelling van Ortelius, Batav. 6 H. 49 bl. J. Flud à Ghilde, in de Voorreden van den Vertaalder Kluverius, 2 D. 57 bl.

<blz 292 | 275>

Sie daar! het verſchil is, of de genoemde ſteden van binnen naar buiten ſyn verplaatſt; dit behaagt Kluverius, en ſelf ook onſe Grotius, libello de Antiquitate Reip. Batav.

Dan, of wel de loop des Rhyn is veranderd; en ſoo wil Bertius, Germaniæ, 1 lib. 21 cap.

Ondertuſſen hebt gy, boven deeſe ſtad, aan den Rhyn, op den bergh, by de Grebbe, een ſeer ſchoon geſicht over het rondſomgelegene, ruim ſoo goed als by de Doorewaart.

Maar, wat nu de krygsgevallen betreft, ten tyde der Romeinen, is Rheenen beſtormd door Klaſſicus. Tacitus, Hiſt. 5 B. 21 H. by Slichtenhorſt, Gelders. G. 2 B. 15 bl. doch ook naderhand, A. 1527, door hert. Karel, onder het beleid van eenen Jakob Tuk, met verraſſinge gewonnen. Deſelve, 11 B. 396 bl.

Van de Noda is boven gewagh gemaakt, 249 bl.

2.22.7 REEWYK

REEWYK; een Huys in Kennemerland, by Heemskerk. Goudhoeve, 79 bl. Van Leeuwen, Batav. 1249 bl. Heemskerk, Batav. Arkad. &c.

2.22.8 REIGERSBOSCH

REIGERSBOSCH, was wel eer in Amſtelland, te Ouwerkerk; mogelyk, A. 1172, door een watervloed omvergeſmeeten. Kommelyn, in de Aantekeningen over de Beſchryv. van Amſteldam, 2 B. 143 bl. Maar, hoe, Kommelyn, dit is hier misgetaſt; niet A. 1172, maar 1173, was die hooge vloed, waar op gy ſchynt het oogh te hebben; volgens alle de Chroniikken, by Gabbema, Neerl. Watervloeden, 45 bl.

Van dit Reigersboſch gewaagd mede de Soetſtemm. Swaan, 49 bl. en ſie boven, 39 bl.

2.22.9 REINEGOM

REINEGOM; by Egmond gelegen, waar ontrent van ouds de Rhyn verby ſtreefde. Hier ſtond wel eer (voor het bouwen van Egmonds ſlot) een oud huys, te weeten, ontrent een groote poel. Saanl. Arkad. 116 en 167 bl. met eenen die beriſpende, welke van gevoelen ſyn dat het Huys te Reinegom en het ſlot te Egmond een het ſelve ſou ſyn geweeſt.

2.22.10 RENSWOUDE

RENSWOUDE; een Heeren Huys, Ooſtw. van Uitrecht, tuſſen Lunteren en Scherpenſeel, ja bynaar tuſſen het koninglyk Loo en Amisfort; in het jaar, 1699, door C. Specht in een Print gebracht.

2.22.11 REUSEN

REUSEN; menſſen van een ongemeene grootte vondmen in alle eeuwen, aan alle oorden des werelds, ſoo in het leven als in 'er geraamte, naa de dood.

Van de levende gewaagen ſelf de H. H. Bladeren, Samuelis, 1 B. 17 H. 4 vers.

<blz 293 | 276>

Doch waar toe de gryſe aaloudheid aan te haalen, daar onſe lieden hebben geſien, in hunne tyden, de Sparwouwer reus en den boer van Lekkerkerken? Sie boven, 174 en 175 bl.

Maar aangaande de opgegravene; Plinius, Hiſt. Nat. 7 lib. 16 cap. ſpreekt van het geraamte van Orion, van 47 cubiten, gevonden op het eiland Kreta, naa een aardbevinge. Siet ook Junius, Batav. 2 cap. 35 pag. uit Plinius, gewagende van Oreſtes, lang 7 cubiten. Pikard (Drents. Oudh. 5 H. 32 bl.) gewaagd van een reuſinnen lichaam, A. 1488, ergens uit een graf opgeſpoeld, en op het eiland ter Schelling aangedreven; noch van een reuſen lichaam, ſonder eenige verrottinge, by Sneek in Frieſland, ontdekt; noch van een reuſengebeente, uit het topbergje gegraven, by Weſterborg, in het landſchap Drenthe; noch weder van andere, te Roomburg by Leiden en ontrent Angoulême in Vrankryk, gevonden. Slichtenhorſt eindlyk (Gelders. G. 1 B. 110 bl.) verteld van een ongemeen groot lichaam, op de wyſe van Herkules, hebbende een oſſenhuid onder ſyn ermen geſlagen; in de Rheenſſe Veenen opgedolven.

Ja ſelf, indien gy Gramondus kond geloven (Hiſt. Gallic. 13 lib. 579 pag.) verbeeld het indrukſel van S. Marie Magdelenen lichaam, in de grot te Marſellje, noch heden, een reuſinnen geſtalte.

Maar dat is hier de vraag niet, en deeſe vertellingen worden juiſt niet tegengeſprooken. Men onderſoekt, of 'er ooit, in Oud Nederland, ten minſten tuſſen Rhyn en Elbe, of liever in het Noorder Europa, ja ſelf op den geheelen aardbodem, een geheele natie van reuſen heeft gewoond?

Voor my, ik weet het niet. Ik vinde wel wederom in de reedsaangetoogene H. H. Bladeren, Numeror. 13 H. 33 vſ. dat die van Iſraël de kinderen Enaks ſagen, by we[l]ke ſy ſpringhaanen ſcheenen; maar, ſie daar! dit is myn vaſt ſtellinge; of het menſchdom is, in de allereerſte tyden grooter en onbeſuiſder van lichaam, of ſterker en geweldiger van krachten geweeſt. Want

Hoe ſouden ſommige der hedendaagsſe Kapitanoos die ſwaare kasketten op hunne dikgepoeijerde paruiken durven ſetten? Wie van hen ſou nu een panſer van yſere malien om ſyn tedere ribbetjes konnen veelen? Wie ſou nu een uir in een vol curaſs konnen gaan? Wie met die wichtige ſlagſwaarden vechten?

Ondertuſſen is het de pyne waard deeſe wapenen of in de <blz 294 | 277> oude magaſynen en tuyghuyſen, of liever, langs de ſtraat, by de harnasmaakers en ſwaardvegers, met aandagt en opmerkinge aan te ſchouwen.

Immers, Virgilius (in het 12 B. van ſyn Eneis) beſchryvende den doodlyke tweeſtryd van Turnus en Eneas, gebruikt, volgens Weſterbaans Overſettinge, deeſe woorden:

Meer ſey hy niet, en heeft een ſwaare ſteen genoomen, Een oude ſwaare ſteen, die eertyds daar in 't veld Tot een afſcheiding van de landen was geſteld: Tweemaal ſes mannen, ſoo als nu de menſſen vallen, En ſchorten hem niet op hun ſchoudren, met hun allen. Hy vatſe, en heft ſyn erm om hoog en, metter haaſt Toeloopende, werpt hy, verbyſterd en verbaaſt Hem naar Eneas toe.

De juyſte woorden van Virgilius (Nota, Homerus, al in ſyn tyd ſoo ſpreekende, in de 5de Iliade ontleend) luyden aldus:

Qualia nunc hominum producit corpora tellus.

Doch, mogelyk ſal dit niemand ontkennen, ſelf overtuygd door Plinius, H. N. 7 lib. 18 cap. Gellius, N. A. 3 lib. 10 cap. behalven Lucretius, Juvenalis, &c. ja niemand kan het ook met gegronde bewyſen tegenſpreeken, ſyn oogen ſlaande op de ſwaare STEENHOOPEN, in Drenthe, Weſtfalen, &c. die de aloudheid, niet ſonder reden, noemde de pilaaren van Herkules; als ſynde met de handen van Herkuleſſen op een geſtapeld. Siet boven, 136 bl.

Voorts die van hen, in deeſe ſtoffe, noch omſtandiger wil onderrecht ſyn, ga tot Merula, Coſmograph. General. 1 Part. 3 lib. 14 cap. Jonſtonus, Thaumatograph. Admir. Hominis, 4 cap. 1 art. Camerarius, Horar. 1 B. 82 H. de Bruin, Wetſteen der Vernuft. 2 D. 1 B. 2 H. Du Mont, in ſyn Reyſen, 7 bl. behalven Olaus Magnus, bekennende de eerſte (tot myn ooghwit) dat de Noordelyke volkeren altyd grooter en ſterker ſyn geweeſt: daarenboven, tot Martinus Polonus, Cœlius Rhodiginus, Jul. Cæſ. Scaliger, M. Ant. Delrio, Saxo Grammaticus, Hektor Boëthius, &c. behalven de oude; ſoo Grieken, als Herodotus, Pauſanias, Philoſtratus, Glycas, Zonaras, &c. als Latynen, reedsgenoemde Plinius, Solinus, &c

2.22.12 RHETORYKERS

<blz 295 | 278>

RHETORYKERS, by verkortinge Rederykers; welke hunne Broederſchappen en vergaderingen hadden, niet alleenlyk in Holland en Zeeland, maar ook in Braband en Vlaandere. Pars, Katw. 223 bl.

Voorts waaren hunne beſigheden deeſe volgende:

I. Sy ſtelden Wedſtryden aan op de Vergaderkameren, ontrent gedichten en ſnelle ſinſpreuken; waar in de voorſte, hy ſy dan een litmaat of een genoode vreemdeling, de geſtelde prys quam te winnen. Van Meteren, 1 B. 29 bl. ſpreekende van het Landjuweel, of de Kameren van Braband; ei lieve! lees ſyn verhandelinge.

II. Men gaf ook acht, in het ſchryven en ſpreeken, alle uitheemsheid verdryvende, op een ſuivere taal en juiſte ſpelling.

III. Men deede, doch gevalligh, ook voordeel in het herformen van de bedorvene Godsdienſt. Hier op hoord de Hr. Hoofd (Neerl. Hiſt. 1 B. 55 bl.) eens ſpreeken:

Een ouwde oeffeningh in meeſt alle Nederlandſche ſteeden, en veele dorpen was die van de rymkonſt; waar toe de aardigſte en blygeeſtighſte vernuften hunne vergaaderinge hielden, op plaatſen hun by de wethouders verſchaft, die Rethorykkamers genoemt werden. Deeze waaren gewoon niet alleen verſcheide gedichten uit te geeven, en van handt tot handt te laaten loopen, maar zelfs in openbaare heele perſoonaadje ſpeelen te vertoonen, waar in zy, nu boertwys, dan met ernſt yeder 't geen zynen plicht betrof te gemoet voerden. Een ſtichtelyke vermaakelykheit, een ſoorte van zangh, die, mits d'overigheit de maat ſlaa, van geenen geringen dienſt is, om de gemoeden der meenighte te mennen. Want, zynde de Redenaars uit de weereldt, en t'onzen tyden maar twee manieren oover, om't volk by de ooren te leiden, naamelyk van preekſtoel en toonneel; zoo heeft de Magiſtraat geen maghtiger middel dan dit, om 't graauw een ruſthoudende onderdanigheit in te ſcherpen, en haare achtbaarheit te handhaaven, teeghens 't gezagh der geeſtelyken, dewyl 't beſchooren ſchynt, dat zy dwars dryven moeten teeghens alle regeerders, die juiſt de looze van hun niet haalen. Ende niemand waane met ſtrooyen van ſchriften oft gedrukte boexkens op te mooghen teeghens de ſcharpheit van een gladde tong, die een groot getal teffens van allerley menſchen, op een' uure beleezen kan, en hun de hartstoghten des woordtvoeders wel anders weet in te boezemen. De vryheit van monde dan <blz 296 | 279> deezer luiden ontzagh zich niet, daar 't pas gaf, (en 't gaf dikwyls pas) den paapen op hun zeer te taſten; en zoo wel de plompe misbruiken te beſchempen, als de bitterheit der vervolginghe haatelyk voor te ftellen.

Siet ook het ſelve by D. P. Pers, Onſtelde Leeuw, 140 bl.

Ondertuſſen had ieder kamer ſyn blaſoen of ſinnebeeld (doorgaans geeſtelyk) en devys of ſinſpreuk. By voorbeeld.

Middelburg had een kamer, onder het blaſoen, het Bloemken Jeſſe; de ſpreuk: in minne groeyende.

Romerſwale (noch A. 1507.) eene, geheeten de Korenbloemkens, onder de ſinſpreuk: in minne verſaamd. Smallegange, Zeeuwſ. Chron. 1 D. 4 B. 448 bl.

Doch alle de Kameren, ſoo der Hollandsſe en Zeeuwsſe ſteden als der dorpen, nevens haare blaſoenen en devyſen hier op te tellen, is ſeer onnodigh; ſynde het ſelve wel uitgevoerd by Pars, Katw. Oudh. 2 H. 224 bl.

Nu waaren deeſe de naamen hunner gedichten: Rondeelen, Refereinen, Kniegedichten, en noch veel andere, in deeſe veerſſen begreepen by Andr. Pels, in de Vertaalde Dichtkonſt van Horatius, 30 bl.

Al dit belette niet, of 't volk, in liefde ontſteeken Ter Dichtkunſt, wilde ook die geneuglykheid den leeken Deelachtig maaken, dies men door ganſch Nederland Vergaderplaatſen tot dien einde heeft geplant; Wier kunſtgenooten ſelf ſich Rederykers noemden En met ſinſpreuken en blaſoenen ſich beroemden Elk van de meeſte liefde en ſucht, tot deeſe kunſt In welke Broederſchap men aannam, ſonder gunſt, Geleerde en ongeleerde, als de oefening en ſeden Niet met de voeglykheid eens goeden burgers ſtreeden. Uit deeſe Kamers, daar 's Lands opperhoogheid veel Voorrechten aan vergunde, ontſtond dat Landjuweel By Meet'ren aangeroerd, als wel gedenkens waardigh Waar in de meeſte, meer op ſwier en pracht hovaardigh Als wel op taal of kunſt, te wagen, ſcheep en ſchuit Verſcheenen, leverende een ſlagh van dichten uit, Meeſt ſonder trant, vercierd met ſulke vreemde naamen, Dat hun waardy daar uit ſeer lichtlyk is te raamen; In wier verſcheidenheid beſtond het grootſt cieraad; Als Retrograden en Baladen intricaat, Met Rikkerakken en Sonnetten en Simpletten,

<blz 297 | 280>

Ook Bagenauwen en Kreeftdichten en Doebletten, En Kokarullen; daar de Boeren nu ter tyd Sich hier in 't Land noch ſterk in oefenen, om ſtryd. Ook gaf de Kamer, die beriep, verſcheiden pryſen Van waarde uit, om aan ſulk een Kamer toe te wyſen; So die het grootſt getal van Rederykers bracht; Als die ſich voordeê met de koſtelykſte pracht; Ook die 't kortſte antwoord op een ſin-vraag wiſt te ſeggen; Als mede aan die, wiens gek het geeſtigſt af kon leggen; Maar nooit een prys aan die 't bekoorelykſt gedicht Van ſtelling, ſtyl en taal en maatklank gaf in 't licht, &c.

Siet ook Vlaardings Rederyk-berg, met middelen beplant, Die nodigh ſyn 't Gemeen en voorderlyk het Land; uitgegeven, in het jaar, 1617, met de afgebeeIde blaſoenen der voornaamſte plaatſen.

Ondertuſſen, deeſe Rederykers of Kameriſten, en deeſe Kamers hebben gelegenheid gegeven tot het bouwen van den Amſteldamſſen Schouwburg, welke geſchiede, A. 1637, ter plaats, alwaar de Akademie van Samuel Koſter, Geneesheer, had geſtaan; te weeten naa 't vereenigen der beide Kameren van Yver en In Liefde bloeyende. Amſteld. Beſchryv. IV D. 204 bl.

Maar deeſe lieve ſchryſtoffe ſou myne gedachten te ſeer overweldigen, en het bepaalde werk doen uitſpatten.

Sie dan liever Brand, in het Leven van den Hr. Hoofd, en in ſyn Inleidinge tot de Beſchryvinge der Vertooningen van den Opkomſt der Batavieren, 260 bl. Ampzing, Haarlem, 398 bl. Schook, Belg. Fœder. 16 lib. 13 cap. Parival, Vermaak van Holl. 261 bl. Pars, Katw. Oudh. 241 bl. met eenen meldende, hoe deeſe Kameren allenskens ſyn uitgeteerd en verdweenen, wegens haar ontucht, van de predikſtoel, meermaalen geblikſemd.

2.22.13 RIDDERS

RIDDERS; van welke, voor weinige jaaren, door Adriaan Schonebeek, volgens hunne Orders, in ſeer nette afbeeldingen uitgegeven, Van Leeuwen, Batav. 730 bl. wiens gewoone wydloopigheid wy, in deeſer voegen ſullen verkorten, te weeten; met of en by te voegen.

I. De ridders waaren eigentlyk milites, dat is, ryders, en ruiters. Boxhorn. over Veldenaar, 161 bl.

II. Sy waaren ridders of van afkomſt, of uit eigene verdienſten. Otto Friſingenſis, by Van Leeuwen, ſpreekende, 2 lib. 18 cap./ van een gering ſoldaat, alleenlyk gewapend met <blz 298 | 281> een enterbyl een belegerd kaſteel beklimmende. Sigebertus, in Chron. ad A. 1160. Petrus de Vine[i]s, 3 lib. 20 Epiſt. en weder, 6 lib. 7 Epiſt.

III. Sy wierden gemaakt met verſcheidene ceremonien of plechtigheden.

Onder andere kregen ſy een kinnebakſlag van die haar ridder maakte. Beka, in bisk. Otto den III, 77 pag. Matheus, de Nobilitate, &c.

Ook ontfingen ſy een halsſlagh, met den platten degen, driemaal hervat. Eneas Sylvius, in Fred. III. by Matheus, Analector. V Tom. 554 pag. J. van Leiden, in de Brederod. 76 H. by Matheus, Analector. II Tom. 427 pag. Veldenaar en weder J. van Leiden, by Matheus, de Nobilitate, 4 lib. 1018 pag. Scotanus, Fries. G. 4 B. 128 bl.

Diergelyk gebruik is 'er noch in Sweden en andere geweſten van het Noorden; wanneer een heer of meeſter een trouwen dienaar tot een keerl wil maaken. Boxhorn. over Veldenaar, 159 bl. het geen immers geheelyk overeen komt, met der Romeinen alapa; van welken onſen Nic. Diſpontinius, in Phædrum, 2 lib. 5 Fab.

Sie vorder, van de wolle of lakene tabberd, naderhand (A. 1478.) in een fluweele veranderd, Van Leeuwen, 700 bl. aldaar de voornaamſte ridderorders optellende en beſchryvende; van het ſwaard aan te gorden. 732 bl. &c.

2.22.14 RHIEDE

RHIEDE; een Heerenhuis in Suid Holland; A. 1421, in S. Lysbetten groote vloed, ten onder gegaan. Oudenhove, Suid Holl. 162 en 412 bl. Goudhoeve, 73 bl. Van Leeuwen, Batav. 135 bl. Meurs, XVII. Provinc. 455 bl.

2.22.15 RIEMTAL

RIEMTAL; te weeten de Neerlandſſe galeyen; van welke beneden, op Schepen, in de Letter S.

2.22.16 RIETWYK

RIETWYK; een ruiine, in Kennemerland, ontrent het Huys Poelenburg; in het geboomte verſchuilende; door Rochman, om noch eenigſins haar geheugenis te bewaaren, uitgeteekend.

2.22.17 RIEVIERE

RIEVIERE; een ruïne en enkel muirwerk, in het water ſtaande, niet verre van de Maas, in Delfland. Junius, Batav. 17 cap. 493 pag. en 18 cap. 518 pag. Boxhorn. Stedeb. 277 bl. Goudhoeve, 87 bl. Van Leeuwen, Batav. 1297 bl. Hantveſt-chron. 1 D. 135 bl.

Maar deeſe ruïne moet van die van het Huys Mateneſſe; van welke boven, 224 bl. (de ſtand en gelegenheid het ſelve ook uitwyſende) worden onderſcheiden.

2.22.18 RIEVIERTJES

<blz 299 | 282>

RIEVIERTJES en Watertjes; welke meeſte ik hier, volgens het A. B. C. ſal optellen; u vooraf ſeggende, dat ik geene wateren voor Rievieren aanneem, als die ſyn voortgekomen uit hooge bergen, met een valwater; of op een dalvlakte, door opwellinge.

Soodanige ſyn de Maas; van welke boven, 214 bl. de Rhyn; van welke, 284 bl.: en ſoo verder, de Ebro, in Spanje; de Poo, in Italie; &c. gaan wy voort.

  1. Aa

    AA; op veelerhande plaatſen; van welke boven, omſtandelyk, 1 bl.

  2. Amstel

    AMSTEL, in Amſtelland. Boven, 16 bl.

  3. Angstel

    ANGSTEL; by Nieuwerſluis. 19 bl.

  4. Burdonum

    BURDONUM; in Amſtelland; heerlyk weleer en heden verdweenen. Saanl. Arkad. 3 B. 209 bl.

  5. Beek

    BEEK; te Haarlem uit het duin opwellende en in het Spaar neervallende. Junius, Batav. 3 lib. 47 bl. Ampzing, Haarl. 29 bl. Oudenhove, Haarl. Wieg, 28 Bedenk. 105 bl.

  6. Born

    BORN; in Frieſland. Boven, 40 bl.

  7. Chimelofara

    CHIMELOFARA; in Frieſland. 49 bl.

  8. Delff (Groningerland)

    DELFF, anders Fivel-aa; in Groningerland. 53 bl.

  9. Devel

    DEVEL of Dubbel; ontrent Dordrecht. Boven, 67 bl. Oudenhove, Dordr. 2 H. 93 bl. ieder naam aan een beſonder water gevende.

  10. Diem

    DIEM; by Diemen, onder Amſteldam. Amſteld. Beſchryv. &c.

  11. Does

    DOES; by Leiden. Boven, 62 bl.

  12. Dorta

    DORTA of Dort; by Dordrecht; al lang verdweenen. 65 bl.

  13. Dummel

    DUMMEL; by 's Hertogenboſch. Boven, 71 bl.

  14. Dunge

    DUNGE; by Geertruidenberg. 71 bl.

  15. Durlede

    DURLEDE; by Schiedam. 72 bl.

  16. Ea

    EA; by Leeuwarden. 74 bl.

  17. Eem

    EEM; by Amisfort. 74 bl.

  18. Egge

    EGGE; in Kennemerland. 76 bl.

  19. Fivela

    FIVELA; is de Delff. 53 bl.

  20. Gaasp

    GAASP; by Weeſp. Beneden81.

  21. Gein

    GEIN; by Abkoude. Boven, 100 bl.

  22. Gouwe

    GOUWE; by de Goudsſe ſluis. 110 bl.

  23. Grebbe

    GREBBE; by Wageningen. Slichtenhorſt, Gelderſſe G. 1 B. 102 bl.

  24. Heem

    HEEM of Heim; by Heemskerk, door den tyd weghgedroogt. Saanl. Arkad. 3 B. 208 bl.

  25. Hunesus

    <blz 300 | 283>

    HUNESUS, of het Schutendiep; in Groningerland. 148 bl.

  26. Het Ye

    HET YE; voor Amſteldam, immers geen rievier? en wat dan? eigentlyk alleen een boeſem van de Noordzee; beginnende by de ellanden, Texel en VIieland, tuſſen Stavoren en Enkhuyſen, maakende de Suider zee en ſtuitende, by Beverwyk, ter plaatſen, van den Hoofddichter, in ſyn Velſen (inde rei van het 1 Bedr.) aangeweeſen.

    De Graaf reed heen naar 't Slotelyn, Dat in 't geboomt verſchuilt ſyn kruinen, Daar Holland op ſyn ſmalſt magh ſyn, En krimt, voor 't ſtuiven van de duinen;   Duinen, die, by verwaaid onweer, Met grond met al, de vruchten ſnoepen, Als de Noordzee en Wykkermeer Sich met oneeve keel beroepen.

  27. Keene

    KEENE; in Delfsland. Boven, 170 bl.

  28. Kinnem

    KINNEM; in Kennemerland. 173 bl.

  29. Lavica

    LAVICA of Lauwers; Frieſland en Groningerland afpaalende. 193 bl.

  30. Lea

    LEA; by Leeuwarden. 193 bl.

  31. Lie

    LIE; by Haarlem. Saanl. Arkad. 3 B. 177 bl. Oudenhove, Haarl. Wieg. 26 Bedenk. 99 bl.

  32. Liefde

    LIEFDE; is de Linge. Boven, 23 bl.

  33. Liora

    LIORA; by Naaldwyk. 240 bl.

  34. Maare

    MAARE of Maarne; by Leiden. 214 bl. en Saanl. Arkad. 3 B. 170 bl.

  35. Medemelaca

    MEDEMELACA; by Medenblik. 225 bl.

  36. Noda

    NODA; by Rheenen: doch, by Slichtenhorſt ſchynt men ſlechts een dam of dyk te verſtaan; Niedam. 6 B. 79 bl.

  37. Navalia

    NAVALIA; nergens: nademaal men Boxhorn. (boven aangehaald, 244 bl.) ſiet leeſen; navalis fluminis pons: het geen ook word aangenoomen, by J. Flud à Ghilde, over Kluver. Rhynmond. 2 D. 238 bl.

  38. Oustritt

    OUSTRITT; by Dordrecht. Boven, 260 bl.

  39. Pul

    PUL; by Naaldwyk. 271 bl.

  40. Rotte

    ROTTE; by Rotterdam. Van welke beneden82.

  41. Saan

    SAAN; by Sardam. Van welke beneden.

  42. Seil

    SEIL; by Leiden. Van welke beneden83.

  43. VOLOSCENA

    VOLOSCENA; by Adrichem. Van welke beneden84.

  44. WIDEL

    WIDEL; by Geervliet. Van welke beneden85.

2.22.19 RIKDORP

<blz 301 | 284>

RIKDORP; een Heeren-Huys, door C. Elands, in een Print gebracht; is gelegen in Rhynland, by Waſſenaar, ontrent Leiden. Van Leeuwen, Batav. &c.

2.22.20 RHYN

RHYN; welken ik wat ordentelyk meen te behandelen; ſullende, I. ſyn Naamreden. ô, daar is by de onſe te veel aan gelegen! II. ſyn loop, uit Switſerland naar Holland; III. ſyn ſtoppinge, by Katwyk: en IV. de toeſluitinge aan den Rhynmond, by Petten aanwyſen.

I. De Rhyn dan bekomt ſyn naam van het woord rein of ſuiver; ſynde deſelve van ſulk een onbeſmetten kuisheid, dat hy geen hoerkinderen noch baſtaarden kan verdragen. Te weeten, in de overoude tyden.

De Celten, ſchryft Junius (Batav. 22 cap. 623 pag. en ook, 8 cap. 96 pag.) uit Galenus, Nonnus en Klaudianus, om van de huwlykstrouw een proef te neemen, ſetteden haar versgeboren kinderen in ſyn water. Waaren ſy echt, ſy dreven ongeſchonden; maar onecht, ſy wierden met de draaikolken van deeſe rieviere weghgerukt. Sie dit mede beveſtigt, door Gregoor. Nazianzen. Juliaan den Apoſtaat, by de jongere Schryveren, Lipſius, in German. Tacit. 19 cap. Scriverius, Kluverius en Pars.

Hy neemt ſyn aanvang in het hoogſte deel van Duitsland. Hoor onſe Beſtevaâr, eens, in ſyn toverachtige Rhynſtroom, aan den Hr. J. Wolfaard, heere van Brederode, ſoo ſielroerend dit beveſtigen:

Doorluchte Rhyn, myn ſoete droom, Van waar ſal ik u lof toeſingen? Myn trekkende geboorteſtroom, Gy komt uit Switſerſſe Alpes ſpringen, Als hoofdaêr der begaafde Euroop. De Donau, uw afkeerigh broeder, Nam Ooſtwaart op ſyn ſnellen loop Gy Noordwaart, toen een ſelve moeder, Begort van regen, ys en ſneeuw, U baarde, voor ſoo menige eeuw.

Te weeten, met twee oorſprongen. De eene, de Boven-Rhyn geſegt, komt uit de Kriſpalter- en de andere, de Beneden Rhyn geheeten, uit de Lukmanner-bergh.

By Chur vereenigd en de Bodenzee ſynde doorgeſtreeken, maakt hy, by Schafhuſen een groote waterval.

<blz 302 | 285>

Baſel daarop verbyſtrevende en Switſerland verlaatende, komt hy in der Elſas, van daar in de Pals, van daar in het ſticht Keulen en Kleefland.

Hier verdeeld hy ſich in tweën, boven Schenkenſchans, en beneden Emmerik.

Dan word ſyn Suiderdeel de WAAL geheeten, dat, verbyſchuirende Nimmegen, Tiel en Bommel, beneden Loeveſtein, ſich met de Maas vereenigd.

Maar het Noorderdeel ſpoeid ſich naar Arhnem, alwaar de FOSSA DRUSI van hem af wykt. Boven, 67 en 157 bl.

Als dan ſakt hy allenskens, verby Wageningen en Rheenen, tot aan Wyk te Duirſtede; alwaar de LEK van hem af is lekkende; die weder Kuilenburg, Vianen en Schoonhoven verby loopende, ontrent het dorp Krimpen, van de Maas of Merwe word ingenoomen. Sie van de Lek, boven, 202 bl.

Voorts trekt ſyn middeltak, van Wyk te Duirſtede naar Uitrecht, Woerden, Leiden en ſoo naar den oceaan of Noorderzee, eer hy was by Katwyk toegeſtopt. Sie deeſe loop des Rhyns, by Guicciardin. Belg. Fœd. 17 pag. Kluverius, van de Rhynmond 9 H. 160 bl. &c. Saanl. Arkad. 3 B. 150 bl. Slichtenhorſt, Geld. G. 1 B. 9 bl. Veronaas Onderg. 1 B. 50 bl. behalven Junius, Van Someren en gewiſſelyk meer Andere.

II. Aangaande de Verſtoppinge, by Katwyk, komen hier twee vraagen voor de boeg; wanneer dit opſtoppen is geſchiet, en of de middel Rhyn, alleen door dit ſtoppen en verſanden, is vermagerd en uitgeteerd?

Ontrent de eerſte vraag is dit myn antwoord. De ſaak is ſeer onſeeker; eenige (waar onder Gabbema, Watervloed. 9 bl.) willende die te ſyn voorgevallen in de gruwſaame waternood van A. 860. Andere (als Meteren, Neerl. G. 3 B. 65 bl.) deſelve verſettende op 850. Sie boven, 45 bl. en een geheele ladder van Schryveren, Heda, Joh. à Leidis, Goudhoeve, Junius, Petr. Nannius, Lamb. Hortenſius, Slichtenhorſt, Wachtendorp, Schokius, &c.

Ontrent de tweede, ſeg ik plat uit Neen; geloovende dat de Lek, een ſwaare ſchuiring krygende, de loop des middel Rhyns allenskens is verminderd en eindlyk, by Katwyk, door een aangroeijende toewellinge is opgepropt. Siet het reedsgeſchrevene, boven, 202 bl. en Pars, Katw. 4 en 53 bl.

III. Treedende eindlyk over tot het toeſluiten in Kennemerland, meen ik te konnen aantoonen, dat de Rhyn hier een uitwatering heeft gehad. Sie daar alle myn bewyſen! <blz 303 | 286> echter niet ſoo wiskonſtigh, als . . . circumcirca, uit de Abt van Epternach, de Scoreler, Medenbl. 76 bl.

  1. Wilebrord, de kruisgeſant, is, door deeſe Rhyndeur, A. 690, gekomen in Nederland. de Saanl. Arkad. 3 B. 146 bl.
  2. S. Urſel, met de 11000 Maagden, quam ook, uit Engeland ſynde overgeſcheept, by de Kennemers te landen. deſelve Schoreler, 77 en 83 bl.

    Doch gy ſult deeſe Heilige en haar optogt naar Keulen ontkennen, met Matheus, Fundat. Eccleſiar. 290 pag. Het ſy ſoo; de topographia of plaatsſtellinge is echter onwederſpreeklyk. Kyk in onſe Ovidius. Mogelyk is 'er nooit Kadmus, nooit Pandion, nooit Menelaus in weeſen geweeſt; en echter, wie ſou Thebe, wie Athene, wie Lacedemon ooit ontkennen in Griekenland te ſyn geweeſt?

  3. De Noormannen, komende uit Deenmarken, A. 884, trokken hier de Rhyn op. Rhegino, by Boxhorn. 6 bl. Saanl. Arkad. 3 B. 164 bl.
  4. Bergen, een dorp by Alkmaar lagh weleer (A. 988.) aan een Rhynſprankel. Boven, 30 bl.
  5. Het Huys te Bloemendaal van gelyken. 10 bl.
  6. Ook het Huys te Brederode. 43 bl.
  7. Eindlyk ook ſelf de ſtad Alkmaar, noch A. 1461. Komineus, 3 lib. 5 cap. ſpreekende van de overkomſt van de verdrevene koning Eduard de IV, uit Engeland. Doch ſie de Saanl. Arkad. 3 B. 255 bl. dit niet goedkeurende en Kominèe beriſpende.

Siet ook Ant. Matheus, de Nobilitate, 2 lib. 4 cap. 175 pag. gelovende dat Wilebrord door Leiden naar Uitrecht is gegaan. Oudenhove, Suid Holl. 3 H. 17 bl. ook de bovengeſchrevene86 Abt en Komineus aanhaalende. En dit dus verre van de Rhyn.

Maar hola, geen Oudheid te vergeeten. Hebje luſt aan Roomſſe Gedenkpenningen, ſie onſe Rhyn, op deſelve, bicornis, dit is. met 2 hoornen, by Oudaan, 27 Taf. 6 en 7 Penn. of Oyzelius, 24 Taf. 6 en 7 Penn. en Marc. Velſerus, Rer. Auguſt. Vindelicor. 4 lib. 61 pag.

2.22.21 RHYNEBURG (Rhynland)

RHYNEBURG; een Heerenhuys, en wel eer een ridderhofſtad, in Rhynland, tegen over Poelgeeſt, by de Schouw, of het veer van Kaukerk; buiten dyks, onder Haſerwoude. Boxhorn. Stedeb. 191 bl. Van Leeuwen, Rhynl. Koſtuim. Inleid 50 bl. en Batav. 1263 bl.

2.22.22 RHYNEBURG (Sticht)

<blz 304 | 287>

RHYNENBURG; door Rochman afgebeeld, is Z. W. van Uitrecht gelegen, ter ſyden Jutfaas en niet verre van den Yſſel. Heeft geen Hiſtorie. Ik heb het ſelve, in een Print van Broedelet, onder myn Landgeſichten.

2.22.23 RHYNEGOM (Rhynland)

RHYNEGOM; een vervallen Huys, in Rhynland, by Leyerdorp; hebbende noch eenige geringe overblyfſelen. Goudhoeve, 32 bl. Van Leeuwen, Rhynl. Koſtuim. 39 bl. Batav. 1263 bl.

2.22.24 RHYNEGOM (Kennemerland)

RHYNEGOM, anders Rinnegom; in Kennemerland, door Rhadbod den II. afgebrooken, om, op den Hoef, een heerlyker ſterkte te bouwen. Saanl. Arkad. 2 B. 116 bl. Sie REINEGOM.

2.22.25 RHYNESTEIN

RHYNESTEIN, anders de Nes; in het Sticht; tuſſen Rhyneburg en Vroneſtein: ook door Rochman afgebeeld.

A. 1326, is dit Huys afgebrooken, doch, daar op vernieuwd. A. 1416, is het weder gewonnen en ter nedergeworpen. Joh. à Leidis, Hiſtor. 31 lib. 53 cap. 't Vervolgh van Beka, op het jaar, 1355. Matheus, in Obſervat. ad Thom. Baſium, Analector. II Tom. 226 pag. de Origines Culemburg. by Matheus, Analector. VI Tom. 278 bl. Goudhoeve, 410 bl.

Sie mede boven, bl.87

2.22.26 RHYNHUYSEN

RHYNHUYSEN; door Rochman in een Teekening en Specht in een Print gebracht, is een Heeren Huys, Z. W. van Uitrecht, tegen over Jutfaas, by Plettenburg. Heb hier van niets meer te ſchryven.

2.22.27 RHYNOUWE

RHYNOUWE, anders Rhynauwe; door Rochman weder in een Teekening en door J. van Vianen, voor Specht, in een Print vertoond; een oud Heeren Huys aan den Rhyn gelegen, in het Sticht, Ooſtw. van Uitrecht, tegen over Vechten en Wiltenburg.

Van het afbranden deeſes Huyſes, door die van Uitrecht, gedenkt een Oud Geſchrifte, by Matheus in gemelde Obſervat. ad Baſium, 242 pag.

2.22.28 RHYNSBURGH

De Abdye van RHYNSBURGH heb ik naauwkeurigh bekeeken en aangemerkt, A. 1705, den 6 Junii: als wanneer my voor eerſt ontmoete een Laan van ſeer hooge boomen, recht voor het Kerkhof, en ter ſyden een brave brok vervallen muirwerk.

Ik ſag daar op, dat de peinanders of ſtutten van de kerktoren waaren van ongemeene groote moppen; maar dat deeſe aan de toren ſelf veel kleener waaren.

Achterom gaande (want het geheel is van een grooten <blz 305 | 288> omtrek, vond ik ter ſyden leggen twee ſchachten van gebrooken kolomnen, nevens haar kapiteel.

Vorders, buiten de mooye ringmuir van het kerkhof, quamen my voor twee ſwaare rompen van de Abdye; van welke de eene was ſeer hoogh met 6 kanteelen en 2 doorgaande venſteren: maar de andere romp was van een breeder omtrek, had eene poortje en veel ronde niſſen, onder een achtkant torentje.

En dus bevond ik het Geſicht van de verwoeſte en vervallene Abdye. Wat nu de Afbeeldinge betreft, die van Pars gevaltme geenſins; want men hehoorde te ſien, by den hoogen romp ſtaande, op de tweede brok en haar binnenſte niſſen of gewelfſelen. Heb dan u medegedeeld een Geſicht, in den jaare 1616, door Fredr. de Wit, in het licht gebracht.

Ondertuſſen ben ik ook in het kerkje getreden. Daar ſag ik, behalven de kapell der Vermandoyſen, in de muir de naamen van WILLEM en ALEIDIS; in deeſe kerk begraven.

Tot noch toe van de tegenwoordige ſtand deeſes klooſters; nu eens van haar 1. Gelegenheid, 2. Over-oudheid en 3. Vernielinge.

I. Rhynsburg is een dorp in Delfland, een driehoek maakende met Katwyk op Rhyn en Oeſtgeeſt, beneden Leiden. Word ſelf een ſtad geheeten by Hermannus Contractus en Lamb. Aſchaffenburgenſis, ad Ann. 1047. Sie Boxhorn. Stedeb. 8 bl.

A. 972, ſloegh graaf Diderik de II, by Rhynsburg, de Frieſen; deſelve naderhand ſtraffende met de blame van laage deuren; te weeten om niet als gekromt (een teeken van onderdaanigheid) in de huyſen te treeden. Veldenaar, in Did. de II. 10 bl. de Gouwenaar; 20 bl. Scriverius, by Goudhoeve, 244 bl.

II. Het klooſter is geweeſt eene der kaſteelen van het Roomſſe legerhoofd Druſus; ik ſegge, het is op de grondſlagh van een vernield kaſteel geplaatſt en met haar grove tras-ſteenen opgemetſeld. Van Leeuwen, Batav. 197 bl. Scriverius, Goudhoeve, Van der Houve, by Pars, Rhynsburgs. Oudh. 318 bl. van welke ik my meerendeels alhier heb bediend.

Bewys? allerhande ſteenen met Roomſſe letteren, Rooms huysraad, Roomſſe Geldmunten en Gedenkpenningen. Boxhorn. Stedeb, 214 bl. Scriverius, Nader Verklaar. van Oud-Batav. 21 bl. Orlers, Leid. 1 D. 11 bl.

<blz 306 | 289>

De ſtichter is geweeſt bovengenoemde graaf Diderik de II. naa ſyn bevochte verwinninge, hier, als een teeken van dankbaarheid, ſettende een kerk ter eeren van S. Laurens; naderhand, door vrouw Petronella, in een deftigh Benediktyner nonne klooſter verwiſſeld; te weeten, A. 1133. Goudhoeve, 224 bl. op of ontrent de grond van haar kaſteel. Beka, in Godebald. 46 pag. Heda, in den ſelven, 147 bl, mitsgaders de ſelve Goudhoeve, in Flor. de Vette, 271 bl.

Sie verder van deeſe ryke en vermaarde Abdy (ontrent haar voorrechten, &c. hier regiſters van Abdiſſen en Nonnen in te laſſchen, is van myne verkieſinge geenſins. Ik gun dit ruimer ſchryvers.) Guicciardin. Belg. Fœder.88 3 Part. 108 pag. Junius, Batav. 20 cap. 568 pag. Parival, Vermaak van Holl. 85 bl. Van Spaan, Rotterd. 45 bl. &c.

III. Haar verwoeſtinge moetſe wyten of de beelſtormery van A. 1566; of de verderf[f]lyke verwoedheid van Duc de Alv, van A. 1572; als wanneer het mogelyk door de krygsknechten der beledigden is vernield. Pars, 277 bl. daar en boven, 425 bl. noch aanmerkende, dat Rhynsburg wet eer met 2 torens was vercierd; maar dat naderhand de eene is afgebrooken, om dat ſy de ſchippers dede dwaalen, gelovende de kerk van Egmond uit de zee te beoogen.

Eindelyk is geſprooken van Druſus en ſyn kaſteelen, 67 bl. van vrouw Alyt of Aleidis, 61 bl. en van Pieternell, A. 1144. overleden, en in dit klooſter begraven, 266 bl. Van graaf Willem ſal beneden verhaald worden.

2.22.29 RYSENBURG

RYSENBURG; een Heeren huys, in het Sticht, tuſſen de dorpen, Driebergen en Odyk, Z. O. van Uitrecht af gelegen.

Is ook geteekend door Rochman, en door Vianen, in een Print gebracht, voor Specht, in het jaar 1698. Geen Hiſtorie.

2.22.30 RYSWYK (Arkel en Altena)

RYSWYK; een burg in den lande van Arkel en Altena; niet verre van Workom. Van Leeuwen. 1286 bl.

2.22.31 RYSWYK (Delfsland)

RYSWYK, het wydvermaarde Huys in Delfsland, niet verre van s'Gravenhage; anders mede geheeten Belvidere, of het Huys te Nieuwburg; welke benaaminge ook Willem van der Hoeven gebruikte, in ſyn Herders ſang: over de algemeene Vrede, geſlooten den 20 Septemb. A. 1697.

Nu, de Naamreden? om dat de Hertogh van Nieuwburg daar af den eerſten ſteen leide, toen het de prins Frederik Henrik liet opbouwen. Parivall, Verm. van Holland. 141 bl.

<blz 307 | 290>

Ik vind het afgebeeld door C. Elands; geplaatſt in de Beſchryv. van s'Gravenhage, door Van der Does, en door P. Schenk, in XIV Geſichten, ſoo van vooren als van achteren en aan weerſyden. Doch ook ſelf op de Gedenkmunten van de gemelde Vredehandelinge.

Hier moeten de waanwyſe en letterlooſe Stempelſnyers een veegh hebben; ſoo wegens het onbeſuiſd opproppen in hunne ordinantien of ſchikkingen, als wegens de buitenſpoorige krachteloosheid der epigraphen en opſchriften.

Siet alleenlyk maar die geene, welke, ter gelegenheid van deeſe Vrede, ſyn in het Licht gebracht. Hoe verre ſyn ſy van de Griekſe en Roomsſe eenvoudigheid afgeweeken! Dus is dit ook de reden, dat my geene beter gevalt, als die de Romeinen of geheel of ten deelen is ontleend. Eene ſlechts ſtrekke my tot een voorbeeld. Op deeſe ontmoeten my twee vroutjes, de Vrede en Overvloed, tuſſen 2 altaaren, de hand malkanderen gevende. 't Byſchrift. FELIX TEMPORUM REPARATIO. Gelukkige herſtellinge der tyden. Haar ruggeſtuk vertoond me eenvoudelyk de kleene tempel van Janus (uit een kopere Penning van den keiſer Nero gehaald) nevens het ſelve opſchrift: PACE TERRA MARIQUE PARTA IANUM CLUSIT. beneden. CIↃIↃXCVII. Hy ſloot de tempel van Janus, de vrede, te water en te lande, ſynde verworven; 1697.

Set hier nu eens nevens de Tempel van Janus, met ſoo veel a la mode gekleede poppetjes omheind! Doch hier af elders wat ruymer; en omſtandiger ontrent honderd onnoſel uitgevondene voorbeelden.

2.22.32 RYTEN

RYTEN; ſyn ſpleeten op de zeeſtrand, die het oploopende water ſyn onderworpen: van ryten, of in ſtukken ſcheuren. Hier af komt een reet dat is, een ſcheur in het aardryk, door het water veroorſaakt. Van Someren, Batav. 7. H. 69 bl. ſpreekende van de æſtuaria of de watten onſes oceaans.

Hier daald ook het woord, Koe-ryte. Dit was, te Groningen, myn hooghwaarde geboorteſtad, volgens de oude Koopbrieven, de benaaminge van de Gelkinge ſtraat. Dit of dat huys, ſtond 'er geſchreven, hebbende ten Ooſten of ten Weſten de Koe-ryte.

De Naamreden! de drek bleef hier in de laagte gemeenlyk leggen der koeyen, die de bewooners van de Heer- en Ooſter-ſtraat aldaar lieten uitloopen, om gelykelyk, naar de <blz 308 | 291> toen algemeene weiden, door algemeene veehoeders, gedreven te worden. Uit oude Aanteekeningen.

2.22.33 ROBERT

ROBERT, by genaamd de Fries, de voogd van graaf Diderik de V; getroud aan vrouw Geertruid, weduwe van graaf Floris de I; door Govert de Bultenaar, met wyf en kinderen, uit Holland verdreven; overleden, A. 1091. Hoor Oudaan in deeſer voegen van hem ſpreeken.

De reet van Walcheren, by Vlaming en Hollander, Soo vaak met bloed beſproeid, hecht Robbrecht aan elkander: Dies Vlaandrens-ſoon de vrouw van Holland neemt in echt. Helpt u die Bultenaar om heerſchappy, om recht; O gemaalin! ô wees! t' een ſal u Vlaendren boeten, En 't weifelend Geluk ſtaat noch op wankle voeten. Wie weet, ô Didrik, wat u toekoom by geval, Naar toe ſtiefvaders hulp u nooit gebreeken ſal.

Wy hebben reeds geſprooken van Diderik, 59 bl.89

Wy hebben reeds geſprooken van Geertruid, 99 bl.

Wy hebben reeds geſprooken van Govert, 110 bl.

Vorders ſie, van Robert en vrouw Geertruid, de Arkadia van Heemskerk, 183 bl. benevens Veldenaar, Scriverius, de Gouwenaar, en immers veel meer andere.

2.22.34 RODENRYS

RODENRYS; een oud ſlot, in Delfsland, tuſſen Tempel en Overſchie, heeft toebehoort J. van Olden Barneveld, ſoo door Gedichten als door Gedenkpenningen genoegſaam onſterflyk. Van Leeuwen, Batav. 1291 bl. Immers was het geſlacht al in weeſen, A. 1292. en A. 1302. Deſelve, Batav. 1072 bl.

2.22.35 ROLLAND

ROLLAND; een Heeren Huis, oude Hofſtad en graaflyk leen buiten Haarlem, in den banne van Tetrode, ontrent Overveen; ook wel Ramp geheeten. Was, toen ik het ſagh (den 14 April A. 1705) een Huirplaats, maar is heden, van een welhebbend koopman binnen Amſteldam, aangekocht.

Is wel eer gekomen van de Heeren van Ramp, hunne luſtplaats hebbende, ontrent het Rampenboſch, by Bergen, in Kennemerland. Sie Viſſchers keurige Landkaart van Noord Holland.

2.22.36 ROLLO

ROLLO; een vermaarde Deen, in Engeland, Vrankryk, Zeeland en Frieſland bekend.

In Engeland is van hem noch het Deenſſe Gedenkteeken, de Rol-rich-ſtones, opgerechte Steenen, in Oxfortſchire. <blz 309 | 292>0 Cambdeni Epitom. Brit. 155 pag. en Engelands Beſchryv. in XII uitgegeven, 226 bl.

In Vrankryk wierd hem, nu Chriſten geworden, door koning Karel de Eenvoudige, Neuſtria opgedragen Boven, 247 bl.

Voor welke weldaad als hem de omſtanders vermaanden, dat hy, dankbaarheid halve, de koning de voeten behoorde te kuſſen, ſeide hy: Ne ſe by God; dat is, by God, neen. Hier uit ryſt het woordeken, bygotten, dat de Franſſe ontrent bygelovige en huichelaars gebruiken. Deſelve Cambden, 54 pag.

Sie van deeſe verder, Scotanus, Frieſſe Chron. 3 B. 76 bl. Amſteldams Beſchryv. 1 D. 1 B. 21 bl. Eindius, Chronic. Zeeland. 2 lib. 7 cap. 181 pag.

2.22.37 ROOMBURG

ROOMBURG; Agrippinæ prætorium, in de Romeinſſe Reiskaarten geheeten, is niet meer in weeſen. De plaats is niet verre van Leiden, tegen over Leyerdorp, tuſſen Rhyneburg en Rodenburg.

Was mogelyk eene der 50 kaſteelen van Druſus, naar Agrippina, Neroos moeder, 't Agrippinaas rechthuis genoemt, en, ſoo veel men weet, door de Deenen en andere Noordmannen verbrand en geſloopt. Kluverius, van de Rhynmonden, 2 D. 16 H. 29 bl. Pars, in de voorrede der Katw. Oudhed. 36 bl. Van Leeuwen; Leid. 408 bl.

Hier ſyn, op verſcheidene tyden, uit de grond gehaald ſilvere en kopere Munten van Roomſſe keiſeren; een groene ſmaragdſteen; vorſtpannen met letteren; kopere beeldekens; het gebeente van een reus, in een verroeſt pantzer geſloten, &c. welke ſaaken ten deele door een kuiper, Kornelis Klaaſſen, te Leiden ſyn verſameld, en ten deele, A. 1508, aan den keiſer Maximiliaan, onſe landſtreeken beſoekende, wegh geſchonken. Junius, Batav. 10 cap. 207 pag. en 17 cap. 450 pag. Soeteboom, Saanl. Arkad. 2 B. 55 bl.

Maar, wel byſonderlyk is, A 1520, in deeſe puinhoopen opgedolven de marmere voorhoofdſteen, 4 voeten hoogh en 6 breed; betuigende dat eertyds, op deeſe plaats, een wapenhuis is geweeſt, welkers vervallene deelen, door den keiſer Septimius Severus, en Karakalla, ſyn ſoon en ryksgenoot, ſyn vernieuwd. Scriverius, Naarder Verklaar. 9 bl. Kluverius, Rhynmond. 14 H. 29 bl. behalven Gildenhavrius en Korn. Aurelius, by Alting, Notit, 1 Part. 10 pag. Hoewel eenige Schryvers liever hebben gewild, dat deeſe gevelſteen, A. 1570, <blz 310 | 293> in de ruïnen van het Huis te Britten was ontdekt. Junius, Batav. 10 cap. 200 pag.

Vorder ſtonden, op deeſe been, met meeſt in een gevlochtene letteren, de volgende woorden; volgens de leeſinge van de Hr. Borgemr. Alting:

IMPerator. CÆſar. LUcius. SEPTIMIUS. SEVERUS. AUGuſtus, & Marcus. AUrelius. ANTONINUS. CÆſar. COHortis decimæ quintæ VOLuntariorum. ARMAMENTARIUM, VETUSTATE CONLABSUM. RESTITUERUNT. SUB VALerio PUDENTE. LEGato AUGuſtali PROprætor. curante, CÆlio CIVILE BATAVONE PRÆFECTO.

Dat is; de keiſeren, Severus en Karakalla, ſyn ſoon (in de opſchriften Antoninus geheeten) hebben het wapenhuis, der vrywillige van de 15de bende, door ouderdom ingeſtort vernieuwd, onder Valerius Pudens, keiſerlyke ſtedehouder, onder opperrechter; beſorgende het de bevelhebber, Celius Civilis, een Batavier.

Doch hier ſtaat noch eene ſaak van belangen aangemerkt te worden, wegens de naam van den keiſer Trajanus; welke Jak. Gronovius, alom vermaard, Hoogvoorleeſer binnen Leiden, allereerſt op het ruggeſtuk van deeſen ſteen meend ondekt te hebben. Siet den Aanſpraak aan den Heer van Duivenvoorde, A. 1703, uitgegeven, aiwaar hy, 31 pag. deeſe woorden gebruikt:

Sed hîc venio ad memoriam diei, quam unum ex beatiſſimis vita mea habuit. dat is ten naaſten by; nu kom ik tot het geheugen van de gelukſalige dagh, die ik van myn leven gehad heb. en een weinig verder eenige regelen ſynde overgeſlagen, 33 pag. tu Domine, unus fuiſti, qui in ducentorum annorum ſpatio, ſuſtinueris non frontes modo horum lapidum, ſed & verſando terga intueri. Dat is. Gy, Heer van Duivenvoorde, ſyt de eenigſte geweeſt, die in het beſlagh van 200 jaaren, niet alleen het voorſte deeſer ſteenen; maar, al keerende ook het ruggeſtuk hebt durven beſchouwen.

Maar myn goede Profeſſor, wat moet ik van u toch ſeggen? Immers al voor een geruime tyd, is ons het opſchrift van Trajanus al by geſet van Arn. Buchelius, in Hedam, 12 pag. in deeſer voegen.

  • - Eſar. NERVA. TRAIAnus C.
  • - GERmanicus. DACICUS. OPtimus.
  • - RIBuniciæ Poteſtatis. Pater Patriæ. Conſul. V.

<blz 311 | 294>

  • - T. LUCENSIUm P. F.

Dat is; den keiſer Nerva Trajanus, &c. niet tot deeſe ſaak dienende.

Maar nu, hoe komt hier Trajanus in het ſpel, overleden, A. C. 118; gelyk Severus, A. C. 212? heeft hy ook te vooren dit wapenhuis eenigſins herſteld? hier ſwygt Gronovius. Al verder. Souden de Lucenſes ook wel Haagenaars weeſen? Immers word s'Gravenhage Lucenſium municipium geheeten, by Pighius, in Hercule Prodic. 45 en 46 pag. Sou het dan niet wel ſchynen, als of deeſe voorhoofdſteen was van een gebou dat ontrent den Haage, en niet by Leiden, had geſtaan? waarlyk het is hier duiſter en ik laat het, deeſe reis, ongeſcheiden.

Eindelyk, om eens van dit wapenhuis af te treden (het Huis te Britten was geen wapenhuis, maar een ſterk kaſteel) van Oudaan word aangemerkt (Rooms. Moogenh. Inleid. 24 bl.) dat het muirwerk, hier in de grond, niet alleenlyk van een ongelooflyke breette wierd aangemerkt, maar ook van ſoodanigen hardigheid, dat'er de hamers en houweelen op aan ſtukken ſprongen. Betoonende dus genoegſaam de bouvalligheden, van Roomburg noch overgeſchoten, een aloude ſoort van timmeragie.

Ondertuſſen ſie boven van Druſus en ſyn kaſteelen, 67 bl. van opgegravene ſaaken, 4 en 5 bl. en van opgedolvene reuſeſchonken, 276 bl.

Maar, ſie daar noch eenige invallen, waarlyk te fraai om geheelyk over te ſtappen.

Hier vond men tegelen en vorſlpannen, geteekend: EX GERmania INFeriore. Dat is uit Nederduitſland. Junius, Batav. 17 cap. 451 pag. van gelyken een ſteen, met deeſe aanmerkelyke woorden: GENS BATAVORUM AMICI ET FRATRES ROMani IMPerii. Dat is. Het volk der Batovieren, vrienden en broederen des Roomſſen Ryks. Van Leeuwen, Leiden Beſchryv. 393 bl. en Van Royen, over Verſteghe, 3 H. 66 bl.

Sie verder van Roomburg, J. Flud à Ghilde, over Kluverius, 2 D. 54 bl. behalven Korn. Aurelius, Gerard. Noviomagus, Abrah. Ortelius, Petr. Bertius, Jan Gruterus, Fenakool, Brouwn, &c.

2.22.38 ROOMPOT

ROOMPOT; wel eer een Roomſſe ſterkte, in Zeeland, aan de Schelde. Eindius en Reigersbergen, by Smallegange, Zeelands Chron. 1 D. 3 B. 6 H. alwaar ook ſelf, <blz 312 | 295> tegen over ter Veere, de uitwateringe van de Schelde geheeten word de Roompot. Van Leeuwen, Batav. 130 bl. ſpreekende noch van eenigh ſteenwerk nevens een afgeknotte tooren, in het water ſtaande.

J. Flud à Ghilde ſpreekt mede van dit Romeins kaſteel, tuſſen Schouwen en Walcheren gelegen. Hy heet het Romen​/poot/ of Roomſſe poot; of uitſteekend puntje lands; alſoo poot noch heden is een hoofd by die van Noord Holland. Siet in de Voorreden van ſyn vertaalde Kluverius, het geen hy haalde uit Eindius, by genoemde Smallegange, 49 bl. ſtellende deeſe de Roompot op de mond van de Schelde, gelyk het Huys te Britten op de Rhyn.

2.22.39 ROOMSSE Veldheeren

ROOMSSE Veldheeren, hooge en laage krygsoverſten; welke, onder de keiſeren, in deeſe landſtreeken, de kryg hebben uitgevoerd. Siet hier de nevensgaande lyſt der voornaamſte.

  1. CASSIUS. ſoo voor als onder Julius Cæſar, ſynde onder de handen onſer krygslieden, geſsneuveld. Cæſar. Gall. Oorl. 1 B. 7 en 12 H.90
  2. KARBO. ſoo voor als onder Julius Cæſar, ſynde onder de handen onſer krygslieden, geſsneuveld. Cæſar. Gall. Oorl. 1 B. 7 en 12 H.
  3. SCAURUS. ſoo voor als onder Julius Cæſar, ſynde onder de handen onſer krygslieden, geſsneuveld. Cæſar. Gall. Oorl. 1 B. 7 en 12 H.
  4. AURELIUS. ſoo voor als onder Julius Cæſar, ſynde onder de handen onſer krygslieden, geſsneuveld. Cæſar. Gall. Oorl. 1 B. 7 en 12 H.
  5. SCIPIO. ſoo voor als onder Julius Cæſar, ſynde onder de handen onſer krygslieden, geſsneuveld. Cæſar. Gall. Oorl. 1 B. 7 en 12 H.
  6. MANLIUS. ſoo voor als onder Julius Cæſar, ſynde onder de handen onſer krygslieden, geſsneuveld. Cæſar. Gall. Oorl. 1 B. 7 en 12 H.
  7. KOTTA. ſoo voor als onder Julius Cæſar, ſynde onder de handen onſer krygslieden, geſsneuveld. Cæſar. Gall. Oorl. 1 B. 7 en 12 H.
  8. TITURIUS. ſoo voor als onder Julius Cæſar, ſynde onder de handen onſer krygslieden, geſsneuveld. Cæſar. Gall. Oorl. 1 B. 7 en 12 H.
  9. AURUNCULEJUS. ſoo voor als onder Julius Cæſar, ſynde onder de handen onſer krygslieden, geſsneuveld. Cæſar. Gall. Oorl. 1 B. 7 en 12 H.
  10. VARUS; van Arminius, der Duitſen voorvechter, met ſyne Swaben en byhebbende bondgenooten verſlagen. Boven, 128 bl.
  11. GERMANIKUS, een braaf oorlogsman, de Roomſſe ryksſtaf dubbel waardigh; deede Arminius naar de Weſer deinſen; was van groote en gelukkige uitvoeringen. Boven 102 bl.
  12. CECINA; tegens Arminius ſtrydende. Tacitus, 1 Jaarb. 31, 60, &c. H.
  13. DOMITIUS; met bruggen en dykken ſich beſigh houdende. Tacitus, 1 Jaarb. 63 H.
  14. KORBULO; woelende aan de beneden Rhyn. Boven, 180 bl.
  15. OLENNIUS; in een opſtand beſtreden door de Frieſen. Tacitus, 4 Jaarb. 72 H.
  16. APRONIUS; met de wapenen ſpelende op Vlieland. Tacitus, in het ſelve Jaarb. 73 H.

    <blz 313 | 296>

  17. LABEO; ſoo wel als Apronius, van de Frieſen geklopt en te rugh gedreven. Tacitus, in het ſelve H.
  18. HORDEONIUS; oud en kreupel, onder Vitellius, aan den Rhyn en aan den Moeſel, den oorlogh voerende, Tacitus, 1 Hiſt. 9 H. en 2 Hiſt. 57 H. uit het bed van de ſyne gehaald en gedood. 4 Hiſt. 39 H.
  19. VALENS; by de Batavieren. Tacitus, 1 Hiſt. 52 H.
  20. KAPITO; een inhaalige gierigaard; die Julius Paulus met de byl liet ombrengen en Klaudius Civilis, geboeid naar Rome leiden. Tacitus, 4 Hiſt. 13 H. Sie van Civilis boven, 50 bl. ook ſelver omgebrocht. 1 Hiſt. 7 en 8 H.
  21. ANTONIUS. Tacitus, 2 Hiſt. 86 H.
  22. AQUILIUS; de Frieſen beoorlogende. Tacitus, 4 Hiſt. 15 H.
  23. LUPERKUS; door Hordeonius, tegen de Frieſen afgeſonden. Tacitus, 4 Hiſt. 18 H. ook gedood, geſonden naar Velleda. 61 H. Sie van Velleda boven, 270 bl.
  24. HERENNIUS; hebbende ſyn legerſtede te Bon. Tacitus, 4 Hiſt. 26 H. gedood. 70 H.
  25. RUFUS; nevens Luperkus, tegens de Batavieren optrekkende. Tacitus, 4 Hiſt. 22 H. ook omgebracht. 70 H.
  26. VOCULA; met de Duitſers, in een ſchermutſeling, wegens een koorenſchip. Tacitus, 4 Hiſt. 27 H.
  27. MONTANUS; afgeſonden, door gemelde Hordeonius, reeds Veſpaſiaan aanhangende, naar Civilis. Tacitus, 4 Hiſt. 32 H.
  28. CERIALIS; een reukeloos krygsman, beſtrydende Civilis. Tacitus, 14 Jaarb. 32 H. en 4 Hiſt. 68 H. en met hem ſpreekende op de afgebrokene ſchipbrugh, van welke boven, 244 bl.

Maar, Tacitus, onſen aanleider, houd hier op by dit geſprek; en wy ſullen deswegen die oorlogslieden niet verder vervolgen.

2.22.40 ROOMSE OUDHEDEN

ROOMSE OUDHEDEN; ſoo kopere of marmere beelden, als Geldmunten in drie ſtoffen, Beſchrevene ſteenen, Lampen, Potten, Vorſtpannen, Ringen, Glaſe fleſſen, en ander Rooms Huisraad; in Neerland, het ſy onder 't graven, het ſy onder 't ploegen, opgedolven: ontwyfelbaare bewysteekenen, dat hier de Romeinen wel eer hebben gehuisveſt en geoorlogd. Goudhoeve, 74 bl. ontrent deeſe ſtoffe, <blz 314 | 297> van eenige plaatſen ſpreekende, alwaar ſoodanige oudheden ſyn uit de grond gehaald. Te weeten:

  1. Roomburg. Boven, 292 bl.
  2. Voorburg. Beneden.
  3. Alphen. Boven, 11 bl.91
  4. Loenerſloot. Boven, 207 bl.
  5. 't Huis te Britten. Boven, 45 bl.

    waar nevens ik hier ben voegende,

  6. Hoogewoert, by Montfoort. 143 bl.92
  7. Domburg, op het Zeeuwſſe Walcheren. 246 bl.
  8. Nimmegen, en verſcheidene plaatſen in de buirt gelegen. Siet alleenlyk de Antiquitates Neomagenſes van de Smetii.
  9. Valkenborg, buiten Leiden. Den 17 Mey, deeſes jaars, 1710, heeft de Hr. PIETER MIDDELAND, op ſyn buitenplaats aldaar, onder het graven, eenige Roomſſe Munten ontdekt. Drie van deſelve, hoewel ſeer wegh gevreten, my van hem geſchonken ſynde, bevond ik wel de kennelykſte te ſyn van OTHO, de grootvader van den keiſer, de drieman in het munten der drie metaalen.
  10. Wiltenburg eindelyk (want waar toe deeſe reeks ſoo lang te maaken?) by Vechten; waar af beneden. Doch, dit hier ter ſnede. Den 18 Auguſt. des verledenen jaars, de Hr. ANTONI VAN HOEK, my, met ſyn vier kleppers, derwaars brengende, beſagh ik de omgeploegde grond van dit Wiltenburg en kreeg, nevens een ringetje en eenige potſcherven, een ſchoone GALBA, van de grootſte ſoort; hebbende het ruggeſtuk, een ſittende CONCORDIA, Eendracht; of mogelyk PROVIDENTIA, Voorſienigheid. Beſit ook een deftige HADRIANUS, aldaar gevonden; achter vertoonende een EXPEDITIO, Veltogt, van den uitrydenden keiſer; behalven noch verſcheide andere, van een mindere aangelegenheid.

2.22.41 ROON

ROON; een vernieuwd Heeren Huys, in Suid Holland, ontrent de Oude Maas, tegen over het Land van Putten, al bekend ontrent A. 1452; door Rochman in 3 Geſichten gebracht. Van Leeuwen, Batav. 1235 bl. Boxhorn. Stedeb. 95 bl. Goudhoeve, 78 bl. Meurs, XVII Provinc. 456 bl.

2.22.42 ROOSENBURG

ROOSENBURG, was wel eer te Voorſchoten, tuſſen Leiden en den Haagh gelegen; ontrent welkers <blz 315 | 298> grondſlagen ook vrouw Jakobaas kannetjes worden opgeviſt. Handveſt Chron. 1 B. 129 bl. Boven, 152 en 153 bl.

A. 1350, is dit ſlot van hertog Willem van Beyere belegerd, op het ſelve groot geweld doende met ſyn ſtormtuigen; doch, naa 8 of 10 weeken beleghs, wierd hy genoodſaakt dat Huis te verlaaten: ſoo dat het, volgens een opdragtbrief, noch heeft geſtaan, A. 1334; door Heer Jakob van Waſſenaar, A. 1200, geſticht. Goudhoeve 82 bl. ondertuſſen ook een blyde vertoonende, welken diergelyken de grave voor Rooſenburg heeft gebruikt. Handveſt chron. 2 B. 129 bl. alwaar ook niet alleenlyk een blyde nevens een evenhoogh word vertoond, maar daar benevens een Rekeninge wegens onkoſten voor Rooſenburg gedaan. Heemskerk, Arkad. Van Leeuwen, Rhynl. Koſtuim. Inleid. 31 bl.

2.22.43 ROOSENDAAL

ROOSENDAAL; een heerlyk Luſthuis, in de Veluwe, onder Aarnhem, tuſſen een beek en een boſch gelegen. Was al een vorſtelyk ſlot voor A. 1318; doch het wierd met torens naderhand, door vrouw Eleonore geſterkt.

Was ook, geduirende de tweeſpalt der Heekers en Bronkhorſters, afgebrand; doch is, door hertoch Reinoud van Gulik, weder herſteld en vernieuwd.

Voorts is het Huis van een veel minderen omſlagh; hebbende echter noch muiren, dik over de 14 voeten. Slichtenhorſt, Gelders. G. 1 B. 114 bl.

Ondertuſſen is, door J. Pluimer, het vermaak van haar hedendaagsſe plantagie geroemd; gelyk Van Kall, voor P. Schenk, haar cieraaden in XVI Geſichten heeft gebracht. Siet het 5de Deel van de Paradiſus Oculorum.

2.22.44 ROSSUM

ROSSUM; een vervallen ſlot, in de Bommelerwaart, bykans tegen over de Schans van S. Andries, ooſtwaarts.

Ik heb het, onder de Geſichten; in het jaar, 1616, door F. de Wit, in het licht gegeven, en gy ſult haar gelegenheid vinden in Viſſchers Holland, onlangs naukeurig uitgevoerd en met het Noorden om hoogh geſet.

2.22.45 MARTEN VAN ROSSUM

MARTEN VAN ROSSUM; welken ik eenigſins heb beſchreven; boven, 223 bl. maar hier ſal een weinigh van ſyn daaden geſprooken worden, nevens de voornaamſte ſteden, die hy met het ſwaard heeft aangetaſt.

I. Amisfoort; welke ſtad, ſonder ſlagh of ſtoot ſich aan hem overgevende, hy met ſyn Gelderſſe, tegens ſyn gegeven woord, leelyk drukte, geld afperſte en mishandelde, A. 1542. <blz 316 | 299> Boven, 16 bl. behalven Theod. Verhoeven, in Deſcript. Amisfurti, 84 pag. Goudhoeve, 613 bl. Guicciardin. Belg. in Ultraject. 3 Part. 207 pag. Meurs uit den ſelven, 2 D. 875 bl. Van Royen, over Verſtege, 157 bl. en volgend Puntdichtje:

Amisfoort was een kamp vol ſtieren, Keiſer noch koning kon haar rejieren; Maar toen Marten van Roſſum quam, Die maakte van ieder ſtier een lam.

II. De voorſteden van Antwerpen; na dat hy A. 1542, de Prins van Oranje te rug had gedreven, door verraad, de ſtad meende te vermeeſteren. Goudhoeve, 612 bl.

III. Loeven; uit de naam des konings van Vrankryk, buitenſporigheden eiſſende en, in de omliggende dorpen, rovende en brandende. Goudhoeve, ook 612 bl.

IV. s'Gravenhage; A. 1528, deerlyk by nacht van hem uitgeplonderd en bedorven. Van der Does, in ſyn 's Gravenhave; boven aangetogen, 122 bl. Meurs, 2 D. 776 bl. ſich meerendeels van Guicciardin bedienende, te weeten, 3 Part. 136 pag. Slichtenhorſt, Gelderd. G. 11 B. 399 bl.

V. s'Hertogenboſch; doch, die hy, A. 1543, wel opeiſchte maar weder verliet, ſonder, met ſyn leger, iets te verrichten. Oudenhove, Beſchryv. van den Boſch, 135 bl.

VI. Parys; die hy verſchrikte, A. 1552, met de gebuirige ſteden en ſloten in koolen te leggen. Slichtenhorſt weder, 13 B. 484 bl.

Doch eindelyk is deeſe Marten van de peſt aangegrepen, en uit het veld gebracht ſynde, is hy, A. 1556, ontrent het feeſt van Pinxſteren, te Antwerpen overleden. Goudhoeven, 629 bl.

Vorders, is hy begraven in het kerksken van ſyn heerlykheid Roſſum; boven gemeld. Slichtenhorſt, 13 B. 488 bl.

Van ſyn huys binnen Arhnem, is geſprooken, boven, 21 bl. Hy was de vyanden vreeſlyk, de ſyne goedertieren. In het vechten ſoo moedigh en geweldigh, dat hem de knevels overend reeſen, onder het aanvallen. Voegt hier noch nevens;

Dat ſyn lichaam, met de kiſt, naderhand is opgegraven, en, volgens bevel van kardinaal Andries van Ooſtenryk, naar den Boſch, als een bewaarens-waardigh puikjuweel overgebracht.

<blz 317 | 300>

Dat hy alleenlyk een ſtomgebooren dochter, geheeten Anna, achter liet; welke naderhand, ſoo men ſegt, buiten Uitrecht, wegens ſeeker rechtgeſchil, ſich ontroerende en uitberſtende, van haar ſtomheid is verloſt. Deſelve Slichtenhorſt. 13 B, 488 bl.

2.22.46 ROTTE

ROTTE; een water, in Schieland, in de draſſige velden by Benthuiſen beginnende, de veenen doorloopende, en in de Maas, voor Rotterdam ſich ontlaſtende. Boven, 283 bl. Junius, Batav. 17 cap. 488 pag.

2.22.47 ROTTERDAM

ROTTERDAM; ſoo geheeten niet naar den uitgevondenen koning Rotharius, van welke boven, 241 bl. maar ongetwyfeld van de bovengemelde Rotte. Boxhorn. Stedeb. 265 bl. Jac. Waſſington, de laude Roterdami; in den jaare, 1707, uitgeſprooken.

Haar oorſpronk is ſy (gelyk meer andere ſteden van Holland) aan viſſers, ſchippers en kooplieden verſchuldigd. Meurs, XVII Provinc. 2 B. 663 bl.

A. 1303, is deeſe ſtad van de Vlamingen ingenomen; en A. 1417, van gr. Jan van Beyeren, met argliſtigheid. Boxhorn 265 bl.

Ontrent haar leggen de vervallene en geſloopte ſlooten:

Bulgerſtein. Boven, 49 bl.
Honingen. Boven, beſchreven en afgebeeld, 145 bl.
Krooswyk. ook boven.
Weena. Beneden.

Gelyk ook tegens haar over, een lapje lands, geheeten het land van Charlois, naa Karel de Stoute, die, by ſynes vaders tyden, het dede bedykken. Goudhoeve, 484 bl. Van Spaan, Rotterd. 221 bl. daar nevens aanteekenende het jaar, 1461.

Ondertuſſen laat ons ook eens luiſteren, wat Rotterdam, by de Hr. Huigens, van haar ſelf durft melden;

T' ſy Waal of Rhyn of Maas, of alle drie te faam, T' ſy Yſſel, Merwe of Lek, of drie in eene naam, Of ſelf in eene buik, ſy moeten 't mynent buiren; Sy willen niet in zee of kuſſen eerſt myn muiren; Myn muiren ſoo gerekt, myn ſoo gerekten grond, Dat, die my nu beſiet, kan vragen waar ik ſtond. O muiren en ô grond! ô welgevoegde ſtroomen, Wykt voor de Wildernis der averechtſe boomen, Maar wykt voor haar geluk; en, Vreemdeling, ſegt gy; Hoe ver en wint het niet myn Maaſe van haar Y.

<blz 318 | 301>

Dit ſoo verre van Rotterdam. Maar, word'er niets overgeſlagen? wel neen het. Hebje dan geen kennis aan Boſſu, A. 1572, den 9 April. deeſe ſtad overweldigende, en veel borgers de hals breekende? maar, gy weet, ik tree ſelden ſoo diep in het jaar 1500. Maar noch eens, ô gruwel! denkt gy niet op Eraſmus, daar gy ſyn Samenſpraaken ſoo teder liefkooſt en ſyn Dialogus Ciceronianus ſoo vriendelyk omermd? ik beken ſchuld en, ſie daar!

Deeſe ſtad bromt ook, met reden, op den grooten Erasmus, wiens metaalen beeld ſy, aan de waterkant, op de groote merkt heeft opgerecht. Parivall, Vermaak van Holl. 137 bl. Van Spaan, Rotterd. 313 bl. aldaar ook ſpreekende van de maat der voetſtal en haar opſchriften.

Voorts is Eraſmus hier gebooren, te weeten in de Breede kerkſraat, 1467, den 28 Octob. en binnen Baſel overleden, A. 1536, den 12 Jul. oud 70 jaaren. Boxhorn. Stedeb. 267 bl. en G. Brand, Daghwyſer, 329 en 564 bl.

En wat ſyn Afbeeldinge betreft die kan ik den liefhebber vertoonen, niet alleenlyk in fraaje Portretten van uitneemende meeſters, maar ook op een ſeer groote Medalie; hebbende op het ruggeſtuk een Terminus, of grens-god, nevens de woorden: CONCEDO NULLI, ik ſwicht voor niemand. Woorden, gelyk men weet, van een dubbelde beteekenis.

2.22.48 ROUWKOOP

ROUWKOOP; anders Middelgeeſt; een Huis in Rhynland, te Voorſchoten, Van Leeuwen, Batav. 1267 bl. en Rhynl. Koſtuim. Inleid. 38 bl. Goudhoeve, 82 bl. Parivall, Vermaak van Holl. 90 bl.

2.22.49 RUIVEN

RUIVEN; een Heeren-huis, in Delfsland, by Delfgauw. Van Leeuwen, Batav. 1291 bl.

2.22.50 RUWIEL

RUWIEL, of Ruwel, Ruweel; een hooge puinhoop van een Heeren-Huis, in het Sticht, gelegen achter Breukelen, niet heel verre van het Huis ter Aa. Siet Viſſchers keurige Kaart van Mynen en de 2 Loosdrechten, tuſſen Breukelen en de Nieuwerſluis.

A. 1705, den 21 Decemb. ging ik, nevens de meergenoemde Korn. Kooten, deeſe ruïne beſichtigen en vond alleenlyk een muiragie met 2 venſteren; ſynde de hooge dam muirs, die van J. Goeree noch is geſien en uitgeteekend, door de ſtorm van den 8 Decemb. des jaars 1704, geheelyk wegh genoomen.

Voorts ſtond deeſe muiragie op een ronden heuvel <blz 319 | 302> (daarom ſeggen ook de dorpelingen aldaar, Rondwiel) midden in het water.93 Ondertuſſen was deeſe heuvel niet als een puinhoop, gelyk ik ſeg, van omver gevallen ſteenwerk, met het aardryk vermengd. Immers moet de goede Leeſer weeten, dat dit Huys, den 21 en 22 Julii, des jaars 1672, door de verwoede baldadigheid der Franſſe krygers, in aſſen is gelegt. Lamb. Sylvius, anders Van den Boſch, Vervolg van Aitſema, 641 bl. Siet het noch in haar geheel in het nevensgaande Geſicht van Rochman.

Dit genoeg van den tegenwoordigen toeſtand; keere my van daar tot haar oudheid.

A. 1265, of daar ontrent, leefde de Heer Gysbrecht van Ruwiel, die haar ſtichter ſou ſyn geweeſt.

A. 1352, is het Huys te Ruwiel verkocht aan Heer Wouther van Mynden, door biskop Jan van Arkel, ſynde, 3 jaaren te vooren, door des biskops maarſcalk, met geweld ingenomen, om dat de burgſaaten op des biskops landen quamen ſtroopen. Heda, in J. v. Arkel, 245 en 253 pag. Goudhoeve, 391 bl. Slichtenhorſt, Gelders. G. 7 B. 138 bl. Scotanus Frieſſe G. 6 B. 115 bl.

Doch naderhand heeft Heer Wouther, de ſoon van gemelde Wouther, deeſe burg wederom verkocht. Uit de Verſamelingen van de gemelde Korn. Kooten.

Heden behoord de ruïne, met haar gerechtigheden van een ſwaanedrift, de jagt, &c. aan ſeeker Heer, my tot noch toe niet bekend, in Braband woonende. Siet ook ondertuſſen Martin. Schokius, van Ruwiel gewagh maakende, Belg. Foederal. 14 lib. 11 cap.

Eindelyk word ook elders aangemerkt, dat in het leger van Willem Conqueſtor, of de Veroveraar, koning van Engeland, de boogſchutters van Ruwiel hebben gediend.

2.23 S

S.

2.23.1 SAAN

De SAAN; dit ſal ik Henrik Soeteboom ontleenen, wien ik, ontrent de Neerlandſſe Oudheden, ruim ſoo veel in onſe taal waardeere; als der ſelver erfvyanden, de Schoolgeletterde, hunne Xenophon of Thucydides, en Latynſſe Livins, Cæſar of Salluſtius. Ik ſegge dan. I. Dat Soeteboom in ſyn Arkadia (3 B. 179 bl.) getuigd de Saan te ſyn oorſpronkelyk uit de Rhyn en by gelegene meeren, ontrent Polaanen. II. Dat hy paſſeerde Ruighoord, den Hoorn, de Waart, en Holleſloot. <blz 320 | 303> 185 bl. III. Dat hy N. Weſt aan, by Petten, in zee ſtortte. 192 bl. Doch heden merk ik in de Noord Hollandſſe Kaart van Nikl. Viſſchers, de naam van Saan te verdwynen by Knollendam.

Maar ondertuſſen maakt ſyn Arkadia (3 B. 160 bl.) eene riviere van de Saan en de Kinhem. Doch hier in ben ik beter onderrecht, volgens het aangeteekende, boven, 173 bl. gelovende ieder ſyn byſondere loop naar de zee te hebben. Siet ook Alting, Notit. 2 Part. 106 pag.

2.23.2 SAANEN

't Huis te SAANEN; een adelyk Heeren ſtamhuis in Kennemerland, door de binnenlandſſe tweeſpalten ook ſoo vertreden en verwoeſt, dat daar af heden niet het geringſte overblyfſel kan worden getoond; te weeten, aan de ſyde van Weſtſaanen. Saanl. Arkad. 4 B. 298 bl. veel Heeren en Vrouwen van dat Stamhuis optellende. Van Leeuwen94, Batav. 1249 bl.

2.23.3 SAANREDAM

SAANREDAM; of, by verkortinge Sardam; een deftigh dorp, in Waterland, aan bovengenoemde Saan, in twee deelen geſcheiden; behoorende het Ooſterdeel onder Kennemerland, en het Weſterdeel onder de balluwagie van Blois. Saanl. Arkad. 2 B. 79 bl. Antonides, Yſtroom, 4 B. 102 bl. met deeſe woorden:

Sardam, ter rechterhand des ringdyks afgeweeken, Braeud vaſt de kielen, die de kruin ten hemel ſteeken, Haar armen aan de lucht verheffen, als uit luſt, Om Amſteldam, ſoo preuts en heerlyk uitgeruſt, Niet meer van verre, maar aan 't voorhoofd ſyner paalen Te ſien en ſpeelen in den ſcheepshof van de waalen, Met voorraad opgepropt van ſchepen, kleen en groot, Te ſenden, op hun tyd, rondſom de weereldkloot. Hier mengt de traage Saan ſyn vlietnat met de baaren Van't Y, in ruimer wedde en boeſem uitgevaaren, De breede ſcheepswerf en de boogh van 't vlek verby, &c.

Van haar word geſprooken in de Vergunbrief van hertogh Albert van Beyere, van den jaare, 1396. Saanl. Arkad. 4 B. 324 bl. en weder in een ander, van biskop Frederik van Blankenheim, des jaars, 1419. en noch in een ander van biskop Roelef van Diepholt, van het jaar, 1449. Deſelve, 328 en 333 bl.

Onder andere is Sardam bekend door dit deerlyk ongeval; ook in haar hoofdkerk uitgeſchilderd.

<blz 321 | 304>

A. 1647, den 29 Auguſt. wierd Jakob Ech, een Sardammer, van een raaſende ſtier omverr geſtooten en doodlyk gequetſt. Syn vrouw, op het uiterſte groot gaande, wilde hem te hulpe koomen, doch de ſtier is op haar gevallen, haar, met den hoorn, de buik opſcheurende en in de lucht werpende. De man en vrouw ſtierven kort daar aan, maar het kind, uit ſyn plaats geſtooten, en op die wyſe ter wereld gebracht, is ontrent 9 maanden oud geworden; den 23 Mey, 1648, overlydende. Job van Meekren, Heel- en Geneeskonſtige Aanmerking, Aanhangſels. 14 H. 488 bl.

2.23.4 SALII

SALII, volkeren, woonende niet aan de Saal, in Thuringen, gelyk ſommige dat ſoo verſtaan, maar aan den Yſſel, ontrent Swolle, in Overyſſel; ſy waaren mede Franken. Ook heeft de Saliſche wet, de vrovwen de Franſſe kroon ontrukkende, van deeſe haar naam bekoomen. Junius, Batav. 9 lib. 179 pag. Picardt, Drents. Oudh. 17 H. 81 bl. noemende hen Sallanders, naar den genoemden Iſala95. Sie de Gunſtbrieven van keiſer Frederik de II. en Henrik, ſyn ſoon, Rooms-koning, &c. by Alting, Notit. 3 Part. 153 bl.

2.23.5 SANDENBURG (Sticht)

SANDENBURG, in het Sticht gelegen, Z. O. van Uitrecht, aan den Krommen Rhyn, tuſſen Over- en Neder-Langbroek: is onder Heeren Huyſen van Kaſp. Specht.

2.23.6 SANDENBURG (Delfsland)

Dit huis moet ook worden onderſcheiden van SANDENBURG, in Delfsland, in het dorp Graveſande; eertyds het paleis der Graven van Holland, ſedert het verſetten van het Hof geheelyk onder de voeten geraakt.

A. 1546, wierd de grondſlagh van dit ſlot, onder het graven ontdekt, nevens eenige aarde vaatjes, van een hoogen oudheid. Van Leeuwen, Batav. 1291 bl.

Voorts van haar overblyfſelen, in de benaamingen van Hoflaan en Hofland, ſie boven, 114 bl.

2.23.7 SANDHORST

SANDHORST; een Huis (is ook onder de Geſichten van Rochman) in Rhynland, in Waſſenaar, by Suidwyk en Raaphorſt; al voor meer als 200 jaaren bewoond. Goudhoeve, 81 bl. Van Leeuwen, Rhynl. Koſtuim. Inleid. 300 bl.

Is tot een ruïne gemaakt door de krygsmagt van Koenraad Kuſer; doch naderhand weder vernieuwd. Boven, in Hodenpyl, 139 bl.

2.23.8 SAND

SAND; Het Huis, al over veel jaaren vervallen, is gelegen, Z. O. ontrent Katwyk aan den Rhyn; by de Schryvers van ſeer weinig beſcheid. Pars, Katw. Oudh. 6 H. 128 bl. Junius, Batav. 18 cap. 524 bl. Orlers, Leiden, 8 bl. <blz 322 | 305> Bokkenberg, in Waſſenariis, 145 pag. Goudhoeve, 81 bl. Van Leeuwen, Rhynl. Koſtuim. Inleid. 32 bl. en Batav. 156 bl.

Was wel eer het oud adelyk ſlot van de oude Heeren Waſſenaaren, het ſelve ook bewoonende; heden niet anders als enkel muirwerk; gelyk gy hier ſiet (ik verwerp die van C.v. Hagen, by Pars.) in een Geſicht van Rochman.

2.23.9 SANDPOORT

SANDPOORT; is tuſſen Haarlem en Velſen, een, doortogt naar de Wyk, Alkmaar en verdere plaatſen daar ontrent gelegen; naar by het Huis te Brederode en het Huis te Velſen.

Hier ſou eens een treffen ſyn voorgevallen, tuſſen de Drechter Frieſen (ontrent Hoorn en Enkhuiſen woonende) en de Kennemers.

Maar Soeteboom (Oud Saander, 8 H. 33 bl. in den Druk van het jaar, 1640.) ſchynt te twyfelen, of het gevecht niet wel elders, by een andere Sandpoort, is geweeſt.

Immers, by meend, dat A. 1155, op deeſe plaats, noch geene Sandpoort was te vinden. Sie Melis Stoke, in Didr. de VI. 48 bl. Scriverius, in deſelve Diderik, by Goudhoeve, 278 bl. alwaar my 't gevoelen van den Heer Pankras van Kaſtrikom geenſins kan behaagen.

2.23.10 SAXEN

SAXEN; een ſeer oud volk in Duitſland, hebbende ſoo men immers voorgeefd, haar naam van hunne ſachſin, ſaxen, ſaiſſen of kromme houwers. Engelhuſius en andere, by Verſtege, Neerl. Oudh. 3 H. 87 bl.

Van deeſe is genoegſaam aangeteekend, by Van Royen, over Verſtege, 57 bl. welke beide ik ſlechts 2 ſaaken van gewicht ſal ontleenen.

I. Dat Frieſland, Weſtfalen; en Holland ſelf tot aan de Schelde, wel eer de naam van Saxen, en wel tot onderſcheid van het hoogere Saxen, hebben gevoerd. Melis Stoke, Rym-Chron. Inleid. 3 bl.

II. Dat de Saxen, met de Engelen, ook een Saxiſch volk, ſich vereenigende, A. 449, naar Albion of Britannie ſyn overgeſtooken, om de Britten van den overlaſt der Schotten en Pikten te bevryden; verſeekerende dit de naamen, in Engeland, noch heden in gewoonte, van Eſſex, of Ooſt-Sax; Suſſex, of Suid-Sax, &c. Van Royen, 59 bl. Siet ook Scotanus, Frieſſe G. uit Beda, 1 B. 39 bl. Munting, Herb. Britannic. 10 cap. 89 pag. en Van Leeuwen, Batav. 25.

Van de Engelen of Angelen, is geſchreven, boven 82 bl. gelyk van het paard in hunne wapenſchilden, 260 bl.

2.23.11 SCHAGEN

<blz 323 | 306>

SCHAGEN; een ſlot in een dorp van die naam, in Weſt Frieſland, een driehoek maakende met Alkmaar en Medenblik; by Boxhorn, Stedeb. 352 bl. afgebeeld; niet ſoo volkomen als in de 3 Geſichten van Rochman; en ook niet ſoo naukeurigh, als u hier, uit een nette Teekening, onder de myne, word vertoond.

A. 1440, was haar bouheer, Heer Willem, de natuirlyke ſoon, by Maria van Bronkhorſt, van hertogh Albrecht van Beyeren. Junius, Batav. 17 cap. 512 pag. Goudhoeve, 85 bl. Parivall, Vermaak van Holl. 173 bl. de Scoreler, Dirk Burger, Chronyk van Schagen, 22 en 55 bl.

De naam is de Deenen afgeleend; nademaal men in Nik. Viſſchers Deenmarken, aan het Noordeinde van Jutland, de zeeboeſem van de Belt het Schager rak is noemende, naar het bygelegene landpunt Schagen. Rutger. Hermannides, Deenm. 723 en 760 pag. Boxhorn. Stedeb. 353 bl. Van Spaan, Rotterd. 58 bl.

Doch de gemelde Scoreler neemt het heel anders; ſeggende Kagen en niet Schagen (immers is 'er de S naderhand bygevoegd) wegens de veelvoudige Kaagen (waterige hoogtens) binnen den omtrek van Schagens effene landſtreek. De Scoreler, 10 en 11 bl.

Voort is het dorp Schagen al een oude en vermaarde plaats; aangeſien het, A. 1168, om de Frieſen te benadeelen, door de ruitery van graaf Floris den III, is verbrand. Arn. Buchelius, over Bekaas 28ſten biskop, 55 pag. Scotanus, Frieſſ. G. 4 B. 97 bl. Willem Procurator, by Matheus, Analector. IV Tom. 36 pag.

Noch onlangs hehoorde het aan Heer Dirk Floris van Beyere, graaf van Warfuſeè, overleden, A. 1706, den 24 Mey; ſynde hem daags te vooren beide beenen afgeſchooten, in de Slagh van Ramelies. De Scoreler, Schag. 74 bl.

Wat vorders deeſen graaf betreft; hy was een naaſaat van Reinier van Reneſſe, burggrave van Montenaken, geſegt de graaf van Warfuſeè; A. 1611, getroud met vrouw Alberte van Egmond, de dochter van graaf Karel van Egmond, &c.

Sie, van ſyn elendigh omkoomen, te Luik, naa 't ombrengen van den burgemeeſter, La Ruelle, A. 1637. Aitzema, Hiſt. van Staat. 17 B. Godfried, Chron. 2 D. 750 bl. Ger. Brand, Daghwyſ. op den 16 April. en Thom. Aſſelyn, in het Treurſpel van de graaf van Warfuſè.

<blz 324 | 307>

Eindelyk gewaagd ook de Hr. Alting van het dorp; Notit. 2 Part. 154 pag. aanhaalende een graaflyke Gunſtbrief van Diderik de V, des jaars, 1083.

2.23.12 SCHALKWYK

SCHALKWYK; het Heeren-Huis, ſtaande by het ſoo genaamde dorp, in het Sticht, Ooſtw. van Uitrecht, niet verre van de Lek, tegen over Kuilenburg. Is ook onder de Teekeningen van Rochman en de Konſtprinten van Specht. Meer heb ik hier niet, om voor u aan te teekenen.

2.23.13 SCHELLINGWOUW

SCHELLINGWOUW; een dorpje, in Waterland, by Raarp anders Ransdorp, in haar wapen voerende een Eſchenboom, met XII daar opgeplakte goude Penningskens. Soetſtemm. Swaan, 4 H. 18 bl.

A. 1707, den 9 Julii, beſag ik dit wapenſchild, in een ſteen boven de deur van het kerkportaaltje; vindende dit byſchrift aan wederſyden van den eſchenboom:

Het boompje van Eſſendouwe, Penningen rood van gouwe, Is 't wapen van Schellingwouwe.

Siet de gemelde Swaan, en let met eenen, hoe gebrekkelyk het veersjen aldaar is uitgeſchreven.

2.23.14 SCHELPEN

SCHELPEN; welke, diep (ja ſomwylen 2 vademen, meer of minder) in de grond, midden in het land en ſeer verre van de groote zee gevonden worden, ſyn my tot een onverwrikbaar bewys, dat aldaar wel eer, by toeval van waternood, de zee het landſchap heeft overſtroomd.

Men vind deſelve in Vrankryk in de wyngaarden, en op de hoogſte bergen van Champagne. Eindius, Zeeland. Chron. 1 lib. 3 cap.

Men vind deſelve in Italie, op de toppen der Alpen en den Apennyn. Johan Ray, s'Werels Begin en Einde, 2 Redenvoer. 4 H. 108 bl.

Men vind eindelyk deſelve, ook in Italie, boven op een berg by Bolonje, en in de rotſen ontrent Andria, in Apulie, en weder, in het gebergt by Genua. Deſelve 111 en 112 bl.

Maar96, nu kan ik evenwel niet aanneemen, met eenige al te doordringende Natuirkenners, dat deeſe fchelpen geen geheugteeken ſouden ſyn van een ſwaaren ſund-vloed, maar dat ſy van de ſpeelende natuir, in het aardryk, even als de <blz 325 | 308> bomen (van welke boven, 40 bl.) ſouden ſyn gegroeid, ſynde de geſtalte der waare ſchelpen daar in nagebootſt. Deſelve de Ray, 109 en volgende bl.

Ondertuſſen willen andere, dat deeſe ſchelpen, door hoogvliegende arenden of andere roofvogelen, van de zeeſtrand gehaald, aldaar ſoude ſyn neergeworpen.

Doch, dat ſou men van eenen enkelen ſchulp konnen te berde brengen; maar men vind'er geheele bedden, groote hoopen en ongemeene klompen van in een gegroeid ſchelpwerk.

Hoe? in een put, binnen Amſteldam, ſyn A. 1605, den 6 Julii, ontdekt bedden aarde, ſand en ſchelpen; ſchelpen, ſegh ik, wel van ſulk een ſoort, die op onſe ſtranden niet meer gevonden worden. Sim. Schynvoet, in ſyn Aantekening. over den Amboinſſen Rariteitkamer, 317 bl. Varenius, by Van Royen, over Verſtege, 1 H. 25 bl. Amſteldams Beſchryv. 1 D. 3 B. 173 bl.

Hoe? heb ik niet in myn handen gehad groote ſchelpen, gladde en geſtreepte, by Tongeren onlangs, ontrent de ſoo genaamde Zeedyk, opgedolven? Deſelve Schynvoet, 317 bl. vier ſoorten, A. B. C. D. in de LVIIſte plaat, u voor oogen ſtellende en weder een geheele klomp, in de LVIIIſte plaat, vertoonende; te Bruſſel onder het graven ondekt.

Voorts is boven ook van opgegravene ſchelpen gewagh gemaakt, 4 bl. en eindlyk gedenkt ook ſelf onſe Ovidius van ſchelpen, in het XVde B. der Herſcheppingen; daar hy Pythagoras in deeſer voegen ſpreekende invoerd:

Sic toties verſa eſt fortuna locorum, Vidi ego, quod fuerat quondam ſolidiſſima telus, Eſſe fretum. Vidi factas ex æquore terras; Et procul à pelago conchæ jacuêre marinæ; Et vetus inventa eſt in montibus anchora ſummis.

Dat is, volgens het verduitſen, van Vader Vondel:

Soo ſytge, ô Fortuin, ook mede Niet eens maar meenigmaal verhuiſt van uwe ſtede. 'K ſagh dikwyls 't vaſte land verkeerd in baare zee, De zee in 't vaſfte land; en, verre van de reê En 't water, ſchulpen; en men vond (ſoo veele ſeggen) Oude ankers op de kruin van hooge bergen leggen.

2.23.15 SCHEEPVAART

<blz 326 | 309>

SCHEEPVAART; welke ook, in de allereerſte tyden is geweeſt by de Saxen, op de zee vrybuitende, met leere ſcheepjes. Sidonius, by Junius, Batav. 9 lib. 163 pag.

Ja, ſcheepjes van leer; dit ſchynt u wonderlyk. Ga, ſiet dan, in de verkorte Cronyk van Hoorn (65 bl.) een geval (ook in een Print vertoond) van eenen Elbert Veskam, A. 1558, alleen in zee gegaan, uit de Suiderzee naar de Weiſſel, en naar Dantſik, met een ſchuitje beſtaande uit 3 koeye huiden. Doch, dit ſtout onderneemen vind gy mede by genoemde Junius, 163 bl. deeſen Elbert ſelf in vriendſchap beſtaande; ook in het Schoreler Kronycxken, &c.

In laatere tyden en onder de Graven, heeft men hier, in de binnenlandſſe oorlogen, koggen en galeyen gebruikt: om welke reden het de dorpen wierd belaſt een ſeeker getal van riemen, nevens de roeyers, op te brengen. Soeteboom, Soetſtemmende Swaan, 20 H. 86 bl. en de Saanl. Arkad. 368 bl. ſpreekende van Akerſloot, Limmen, Uitgeeſt, Kaſtricum, Ooſt- en Weſt- Saanen, en andere Waterlandſſe dorpen. Van Leeuwen, Leid. 449 bl. Alkmaar Beſchryv. 44 bl.

Die ondertuſſen van de Scheepvaart der oude Grieken en Romeinen iet ſou begeeren, bediene ſich van Herkmans Lof der Zeevaart; Schefferus de Re Navali Veterum; doch, dat alles te boven gaat, de Scheeps-Bouw van den Heer, Nik. Witſen, Burgemeeſter, &c. in het jaar 1671, met veel konſtplaaten uitgegeven.

2.23.16 SCHEPEN

SCHEPEN; in andere landen geſegt, raadsheer. Maar nu, de Naamreden? Junius en Kiliaan ſyn hier eens met het woordeken te trekken van hin-ſchaffen, dat is, de magt van aan kant te helpen. Sie den eerſten, Batav. 16 cap. 391 pag. en den tweeden, Dictionar. 462 bl.

2.23.17 SCHERMER

SCHERMER, een volkplantinge van eenige onbekende menſſen, in Kennemerland, ontrent Alkmaar; in de Giftbrieven aan de kerk van Uitrecht al genoemd in den jaare, 1062.

A. 1612, is haar kerk door een geweldige ſtormwind omver gerukt. Soeteboom, Saanl. Arkad. 4 B. 496 en 499 bl. alwaar hy getuigd haar ruïnen te hebben uitgeteekend.

Na dit dorp word een ander by gelegene geheeten Schermerhorn; het uitgedroogde meer de Schermeer, en haar landſtreek, het Schermer Eiland. De Scoreler, Medembl. 93 bl. Siet de meermaalen geroemde Kaart van Viſſchers Noord Holland,

2.23.18 SCHIEDAM

<blz 327 | 310>

SCHIEDAM, een bekende ſtad in Schieland, niet verre van Rotterdam, aan het watertje, de Schie. Boxhorn. Stedeb. 275 bl. Abrah. Goos, Nieuw Nederlands Kaart-boek, 190 bl.

Is wel allermeeſt vermaard door S. Luduina, wiens gebeenten te Bruſſel ruſten. Parivall. Vermaak van Holl. 138 bl. nevens gemelde Boxhorn.

En verder, door de ruïnen van verſcheidene kaſteelen en Heeren Huyſen. Guicciardin. Belg. 3 Part. 131 pag. ſpreekende van Matenes, Rieviere, Spieringhoek, Hodenpyl, Spangen en Steenhuiſen. Siet ook Junius, Batav. 17 lib. 492 pag.

Voorts word deeſe ſtad van den Hr. Huygens, opdeeſe wyfe ſpreekende, ingevoerd:

Twee ſtroomen ſcheiden my van 't agterleggend land, De derde ſluit de ring en geeftſe beî de hand; In 't midden ſtaat myn ſtoel op wel geſteunde ſtylen; Daar oefene ik myn jeugd op 't nodigh kennip-quylen, En 't ruggeling geſpin, die rekt haar ſpinſel uit Tot daar het licht en dicht de haringbuit beſluit, En t'mynent binnen ſleept, van daar hy met myn brieven Noch eens ter zee geraakt de wereld gaat gerieven; Die my kleen Rotterdam en groot Delfshaven noemt, Heeft niet te laagh gelaakt, heeft niet te hoogh geroemt.

Eindelyk is van de Schie boven geſprooken, 224 bl. Hodenpyl, 139 bl. Matenes, 224 bl. Rieviere, 281 bl. maar van S. Luduina, die ſy den 14 April vieren, moet gy naaſlaan, behalven de Groote Legende der Heiligen, Joh. Brugman, Andr. Brunner, &c.

2.23.19 SCHONAUWE

SCHONAUWE; een Heeren-Huis in het Sticht, aan Kuilenborg leenroerigh. Origines Culenburg. by Matheus, Analector. VI Tom. 249 bl.

Geſticht door Heer Jan de II, graaf van Kuilenborg. Slichtenhorſt, Gelders. G. 1 B. 55 bl.

Is gelegen, Z. O. van Uitrecht, tuſſen de dorpen, Houten en Schalkwyk; ſiende naar de Lek, Kuilenborg en Vianen. Is ook, door Rochman, in een Teekening en door Specht, in een Print gebracht.

A. 1527, is dit Huis, door die van Uitrecht ingenoomen. Abdiſſe Hendrine van Erp, Annales Vernaculi, by Matheus, Analector. 1 Tom. 157 pag.

2.23.20 SCHOONHOVEN

<blz 328 | 311>

SCHOONHOVEN; een ſtad aan de Lek, uit de ruïnen van het neergeſlagen Nieupoort opgegroeid; aldus van ſich ſelve ſpreekende, by meergenoemde Heer Huigens:

De beurt en wederbeurt van 't nimmer ſtaande radt Daar 's werelds wet op draait, heb ik op 't ruimſt gehad: Noch is myn overſchot van de eertyds ſchoone hoven De peeters van myn naam, voor andere te loven. Wat ſchaad my 't op en neêr? 'k heb mannelyk geleên, En meeſt al winnende, minſt wykende, geſtreên; Maar, evenwel geſtreên. Landvoogden, die de ſtangen Van dit gebied berecht, 'k weet meer als ſalm te vangen: Of 't weêr op 't prangen quam, denk hoe ik voormaals deê, En ſteld in 't wapenboek: Schoonhoven ſtaat voor twee.

Ik ſeg, ſy is gelegen aan de Lek, in de Lande van Arkel en Altena, Z. W. van Uitrecht. Boxhorn. Stedeb. 279 bl. Junius, Batav. 17 cap. 493 pag. Goos, &c.

A. 1303, of daar ontrent, heeft heer Witte van Haemſtee, door ſyn Kennemers en Frieſen haar kaſteel belegerd, met blyden beſchooten, en eindlyk, door een verdragh, veroverd. Scotanus, Frieſſe G. 5 B. 159 bl.

A. 1312, is haar ſlot, door ouderdom vervallen, weder opgemaakt en vernieuwd, door Heer Jan van Henegou, broeder van graaf Willem de Goede. Deſelve, 279 bl.

A. 1424, deê Vrouw Jakoba de ſtad beſtormen, haar, op die wyfe, tot den overgaaf dwingende; als wanneer ſich hier een andere Regulus heeft ontdekt.

Deeſe was de bevelhebber Albert Beiling, welke gevangen (als Regulus) oorlof kreegh, om voor een tyd naar huis te gaan en aldaar ſyn ſaaken te redden. Hy ging. Verrichtte het nodige. Keerde weder (als Regulus) om te ſterven volgens het gegeven woord. Goudhoeve, 89 bl. Parivall, Vermaak van Holl. 149 bl. en Van der Does, s'Gravenhage, 72 bl. op deeſe wys hem beſchryvende:

Een ſtad, die, Beiling met ſoo grooten lof kan noemen, Als Romen op de trouw van Regulus magh roemen. Den eerſten, die ontſagh de trouw meer als de dood, Dewyl hy vluchten kon en nochtans niet en vlood. Die, als by het kaſteel niet op en wilde geven Aan vrouw Jakoba, maar, met vyftigh wel bedreven

<blz 329 | 312>

Soldaaten, was geſind te ſtryden tot de dood, Maar in het laatſt geperſt door overgroote nood, Dit in te ruimen aan Kyfhoek en ſyn ſoldaaten, Op voorwaard dat men goed en leven haar ſou laaten (Gelyk aan ieder die beloften wierd voldaan) Alleen moeſt ſterven en genaadeloos vergaan, Die, tegen woord en trouw en oorloghsrecht, verweeſen Ter dood (maar in ſyn dood en ſterven nooit volpreeſen) Een maand verkreegh, om naar ſyn vrienden en ſyn goed Voor 't laatſt noch eens te ſien en op ſyn vrye voet Geſteld, die ſwaare ſtraf door ſchrik niet is ontvlooden; Maar, naa die tyd ſich ſelf heeft weder aangebooden, Aan die Gravin, die, niet bewoogen door die daad En trouw, hem levendigh in de aard bedolven laat.

'T geval ontrent den Roomſſen veldheer Regulus kond gy vinden, nevens het 51ſte Tafereel van myn Pictura Loquens, genoomen uit Horatius, 3 lib. 5 Odar.

Eindlyk, A. 1488, quam de ridder, Jan van Naaldwyk, de Hoekſſe aanhangende, met 1000 man, te water, voor Schoonhoven; maar hy wierd van de burgers manhaftigh ontfangen. Hy moeſt aſtrekken, en ſoo volk en ſchepen daarenboven noch achterlaaten. Boxhorn. Stedeb. 280 bl.

2.23.21 SCHOONEBURG

SCHOONEBURG; wel eer een ſchoon Huis in Suid Holland, by Nieuw Lekkerland. Heden niet anders als alleenlyk een heuvel, het fatſoen der ſelve op haar kruin vertoonende. Immers was deeſe burg verlaaten, ſedert het ſpaaſteeken van het jaar, 1456; ſynde de materialen, hout en ſteen, naar Streefkerken en elders vervoerd. Oudenhove, Suid-Holl. 310 bl. uit het Boek van Salvators kerk, te Uitrecht, 1 en 37 bl.

2.23.22 SCHOREL

SCHOREL; in Kennemerland, duinwaars gelegen, tuſſen Kamp en Bergen,

Soo men het Schoorlder Kronycxken van den chirurgyn, Dirk Burger, kan geloven, was dit dorp eerſt Rell geheeten; maar toen Radbout, Egmonds eerſten Heer, A. 760, hier een ſchool oprechte, en het door oudheid vervallene dorp verboude, noemde men het ſelve School-Rel, of de School te Rell, en by verkortinge Schoorl.

A. 1168, verſamelde graaf Floris de III, in eenen harden winter, ſyn leger te Schoorel, om de Frieſen op te ſlaan, die nu driemaal Alkmaar hadden verbrand. 'T ſelve Kronykxkos.

<blz 330 | 313>

A. 1477, verſamelde de graaf van Holland ſyn krygsmagt te Schoorel, trok naar Schagen, om Heer Albrecht van Schagen te vangen, naar den Haag te vervoeren, aldaar in de boeyen te ſmyten; wegens ſyn ongehoorſaamheid. 'T ſelve.

2.23.23 SCHOUT

SCHOUT, Schidt, ſchiult of Schulte; een ſeer oud Gotiſch woord, ſoo veel geſegt als ſchult eiſcher. Junius, Batav. 16 cap. 391 pag. Kiliaan, Dictionar. 472 bl.

Sommige noemen den ſelven baljuw, maar, by Pikart, Drents Oudh. 29 H. 114 bl. is een baljuw, naar de Roomſſe wyſe, een bylhouder; als het hoofd van de juſtitie.

Soo is Droſſaart, en Ruwaart, een ruſtbewaarder en hoofd over ſeeker land; Grietman gerichtsman of rechter, &c. Deſelve Pikart, 114 bl.

2.23.24 SEIST

SEIST; een dorp in het Sticht, ten Ooſten van Uitrecht; by welke is gelegen de luſtplaats van den Heer van Seiſt, ſoon van den overledenen Heer Odyk.

A. 1707, den 14 Julii, ging ik het ſelve beſien, onder een dichten ſlaghregen komende van het Amisforder gebergt. Bevond het Voorhof met een hek van overeind ſtaande ſpietſen afgeſlooten; ſynde alle de Beelden, van Specht, in een Print van het jaar 1698, verbeeld, aldaar niet meer geplaatſt. Deeſe Specht vertoond het Huis van vooren en van achteren.

2.23.25 SEVENBERGEN

SEVENBERGEN; wel eer een zeeſtad in Suid-Holland. Van Leeuwen, Batav. 1235 bl. niet verre van de Klundert, tuſſen de Roo-vaart en het water de Merk.

Had wel eer een deftigh ſlot; A. 1426, met een belegh gewonnen, door hertogh Philip van Burgondie, beſtrydende de aanhangers van het ongelukkige Japikje; voorts geruïneerd en nooit weder opgeboud. Oudenhoven, Suid-Holl. 207 bl.

Immers was een voornaam aanhanger van Vrouw Jakoba, Gerrit van Stryen, Heer van Sevenbergen, welken genoemde Philip, naa 't veroveren van de ſtad gevangen nam, en, met den ridder, Jan van Ooſtende, naar Vlaanderen voerde; alwaar ſy beide, op het kaſteel van Ryſſel, thien jaaren bleven ſitten; naa de dood van de gravin eerſt los gelaaten.

Toen is die ſtad tot een vlek geraakt, en ſederd onbemuird gebleven; terwyl heden onder het graven en landbouwen, haar ontdekte grondſlagen de groote van den <blz 331 | 314> ouden ſtad genoegſaam te kennen geven. Gemelde Van Leeuwen, uit Oudenhoven, 1236 bl.

2.23.26 SIKAMBERS

SIKAMBERS niet ſonder oordeel, van Van Leeuwen genoemd de Suid-Cimbers. Batav. 30, 40 en 91 bl.

Sy worden van Slichtenhorſt (Gelders. G. 1 B. 16 bl.) geſet by Siegburg, aan het ſtroomtje de Roer, in het Land van der Mark. Siet den ſelven ook, 3 B. 27 bl. alwaar hy aantoond dat de Franken, van oorſpronk eigentlyk Duitſers ſyn geweeſt.

De H. Remigius, ſegt hy, te Rheims, de Franſſe koning Klodoveus ſullende doopen, ſprak hem aan, met deeſe woorden: Mitis depone colla, Sicamber! Dat is; Gy, Sicamber, buig uw hoofd demoedigh neder. Dit heeft ook Junius, Batav. 9 cap 167 pag.

Van de Sikambers gewaagt mede Sidonius, 7 carm. Avito aug 13 carm. ad imp. Majorianum; en weder, 23 carm. ad Conſentium.

2.23.27 SYLE

SYLE; anders de Zeile, een watertje, by Leiden, loopende uit den Rhyn en vallende in het Haarlemmermeer. Het geeft, in de ſtad, ook de naam aan de Zeil-poort. Stoke, in Ada, 74 bl. Beka, in Diderik de II, 65 pag. Alting, Notit. 2 Part. 213 pag. Van Leeuwen, Batav. 97 bl. en Matheus, ad Wilh. Procuratorem, Analector. IV Tom. 36 pag. ſpreekende, met Stoke en Beka, van het geſlagen leger van de graaf Van Loon, ontrent Leiden, en van de vluchtende, in dit water meereldeels verſmoorende.

2.23.28 SYLHOF

SYLHOF op de bovengenoemde Zeil, N. O. tuſſen Leiden en Leyerdorp. Goudhoeve, 82 bl. Van Leeuwen, Rhynl. Koſtuim. Inleid. 52 bl. Junius, Batav. 8 cap. 110 pag. 18 cap97 524 pag. 19 cap. 563 pag. Alting. Notit. gemelde 213 pag.

Ontrent A. 1480, wierde dit Huis van de Hoekſſe veroverd en beſet; daar op plonderende het Huis ter Does en het Huis te Swieten. Doch het wierde ook korts daar aan van den artshertogh Maximiliaan hernoomen. Van Spaan, Rotterd. 6 H. 137 bl.

2.23.29 SIMPOL

SIMPOL; dien onbeſuisden en onnutten tooren, te Vianen, aan haar kaſteel gehecht, is boven omſtandelyk beſchreven, nevens het Afbeeldſel, 28 bl.

2.23.30 SLAGEN

SLAGEN, Treffen en Gevechten; van welke wy de voornaamſte ſullen optellen, de order voegende naar het A. B. C. der Plaatſen, waar ontrent deſelve, in ons beſtek, ſyn voorgevallen. Namelyk, te

<blz 332 | 315>

I. ALFEN; alwaar, A. 1425, Vrouw Jakoba, als een moedige amazone, Burgondie de krygslaurieren ontrukte. Boven, 153 bl.

II. BODEGRAVEN; alwaar, A. 1018, graaf Diderik de III den biskop Adelbold verwon. Boven, 57 bl. hoewel het verwinnen van Adelbold word ontkend by Buchelius, over Beka, 38 pag. houdende ſich aan de Rym chronyk van Melis Stoke.

III. BROUWERSHAVEN; ontrent welke ſtad, A. 1426, was het vechten der Engelſſe ende Zeeuwen, voor Jakoba, en tegens hertogh Filip van Burgondie. Boven, 49 bl.

IV. de Wyde en Harde GEEST by Vronen; alwaar de Frieſen, A. 1272, den graaf Floris de V de nederlage deden hebben; den ſelven dryvende tot in Alkmaar. Van der Woude, Alkm. 25 bl. Vronens Op en Onderg. 2 B. 12 H. 131 bl.

V. GRAVESANDE; tuſſen welken plaats en den Briel is gevochten tuſſen Moeder en Soon. Boven, 141 bl. in de Vaerſſen van P. Verhoek.

VI. HEILOO; hier ſloeg Diderik de IV, A. 1018. Boven, 57 bl. en Vrouw Helena queet ſich hier manhaftelyk, A. 1024. Boven, 80 bl.

VII. HEMERT, ontrent Heusden; alwaar, A. 1062, graaf Floris de I wierd overvallen. Boven, 86 bl.

VIII. HOGEWOERD; alwaar, A. 1301, is geſneuveld de biskop, Willem van Mechelen. Boven, 142 bl.

IX. HOOGWOUDE; ontrent welke plaats, A. 1256, koning Willem ſneuvelde, in de winter. Boven, 145 bl.

X. YSSELMONDE; alwaar graaf Diderik, van ſyn ſtiefvaêr geholpen, A. 1076, de Stichtſe en Gelderſſe dede vluchten. Boven, 158 bl.

XI. OUDTDORP; A. 1071 verſloegen hier Govert de Bultenaar en Willem, de 21ſte biskop van Uitrecht, de Frieſen. Boven, 110 en 260 bl.

XII. SCHAGEN; alwaar, A. 1168, de Vrieſen veel edele Heeren en daar onder, Allard (of, gelyk andere, Albrecht) den 10den Heer van Egmond, verſloegen, op het ys. Annales Egmundani, van Joh. Van Leiden, in het jaar 1692, door Matheus uitgegeven, 32 pag. De Gouwenaar, 40 bl.

XIII. SCHELLINGHOUT; A. 1281, ſloeg hier Floris <blz 333 | 316> de V de Frieſen. Beſchryv. van Hoorn. 32 bl. Vronen Op en Onderg. 2 B. 12 H. 134 bl.

XIV. SCOTERZYL, in Frieſland; hier kreeg, A. 1396, hertogh Albrecht de nederlage; verſlaande de Frieſen ſyne Hollanders. Scotanus, Fries. G. 7 B. 217 bl,

XV. SOEST; alwaar, A. 1336, de Heer Gysbrecht van Nyenrode, van Naarden met ſyne troepen komende en het dorp in brand ſteekende, wierd gequetſt. Matheus, in Amisfurt. Theodor. Verhoeven, 217 pag. Buchelius, ad Hedam, 255 pag. uit een oud Mſ.

XVI. STAVOREN, ontrent de kapell van S. Olof; hier ſloeg, A. 1396, hertogh Albrecht wederom de Frieſen. Scotanus, Fries. G. 7 B. 218 bl.

XVII. WIERINGEN; ontrent welk eiland A. 1427, een ſcheepsſtryd is geweeſt; Vrouw Jakobaas ſyde het verlieſende en haar hoofdman, Brederode, in der vyanden handen geraakende. Scotanus, Fries. G. 9 B. 299 bl.

XVIII. WINKEL, of Winkelmade, alwaar, A. 993, onder graaf Arnoud, de Hollanders, door de Weſt Frieſen ſyn vermeeſterd; hy ſelf door een pyl gequetſt. Boven, 22 bl.

Deeſe ſyn de voornaamfte Slagen; vinden wy noch andere, wy ſullenſe u tot ſyner tyd ook mededeelen.

2.23.31 SLOTEN

SLOTEN; een dorp niet verre van Amſteldam, aan het Haarlemmermeer. Haar kerk was wel eer S. Pankras toegewyd. Op ſyn dagh, den 12​. May, wierde, door den paſtoor van het dorp, ſyn gebenedyd Hoofd, met deeſe woorden, den volke vertoond: 'T en is geen oſſenhoofd, myne Katelyken! 't en is geen paardehoofd; maar 't is het hoofd van ſinte Pankras!

Maar, wie ſal nu durven den paſtoor afvraagen hoe is dat lieve Hoofd te Sloten gekoomen? is niet S. Pankras, of Pankratius, te Rome, onder den keiſer Diokletiaan onthalſt? te Romen, in de kerk van S. Jan te Lateraan begraven? en nu ſyn Hoofd te Sloten? Uit Kommelyns Byvoegſelen, Amſteldam, 873 bl.

Soo magh ook niemand vraagen; hoe en wanneer quam het gebeente van S. Katryn, uit Alexandrien, hier binnen Amſteldam? Boven, 18 bl. of de ſteene doodkiſt, van S. Pieternelle, van Rome, hier in het kapelletje van Albrechtsbergh? Boven 11 bl.

2.23.32 SNOYEN-TOORN

SNOYEN-TOORN, anders Oud-Gein, nu een <blz 334 | 317> Hofſtede, boven Uitrecht. Buchelius, over Hedaas 46 en 47ſte biskop. 255 pag. een wapentooren, in vico Gano, dat is, in het dorp Gein, geheeten, van gemelden Heda, 245 pag.

Heeft ſyn naam, geenſins van Dirk Sonoy, wegens Oranje, Stadhouder in Noord-Holland; van welke, onder andere, de Saanl. Arkad. 5 B. 537 bl. maar van het oude Stamhuis der Snoyen, in het algemeen; in welke ridderen en oorlogslieden hebben geleefd, A. 1288, 1290 en 1381. Deſelve Buchelius, 255 bl.

Sie verder van het Gein, boven, 101 bl.

2.23.33 SOEST

SOEST; een oud dorp, in het Sticht, tuſſen Baren en Leusden, ontrent Amisfoort; A. 1356, door oorlogsrampen een naam verkrygende. Boven, 316 bl. uit Heda, &c.

2.23.34 SOESTDYK

SOESTDYK; een koninglyk Jagthuys, tegen Soeſt en Baren gelegen; door C. Specht, in het jaar 1698 afgebeeld; op die wyſe gelyk ik het heb geſien, den 23 Julii, des jaars 1707.

2.23.35 SONNEVELD

SONNEVELD; een Heeren-huys in Rhynland, binnen Valkenburg, en een leen van de Graaflykheid van Holland; door verleidingen al bekend, ontrent het jaar 1396. Van Leeuwen, Rhynl. Koſtuim. Inleid. 32 bl. Goudhoeve, 82 bl.

2.23.36 SOUBURG

SOUBURG, anders het Hof te Souburg, een vermaarde plaats in Suid-Holland; ook een leen van de Graaflykheid van Holland, wel eer, volgens uitwyſen der grondſlagen, een oud en ſwaar gebouw, uit het water weder opgehaald; heden vernieuwd. Goudhoeve, 78 bl. Boxhorn. Stedeb. 95 bl. Meurs, XVII Provinc. 456 bl. en Oudenhove, Suid-Holl. ſchryvende over het ambacht Alblaſſerdam, 287 bl.

Draagt, ſeer waarſchynlyk, ſyn naam, van Souburg, in Zeeland, op het eiland Walcheren. Deſelve. 413 bl. Sie van het Zeeuwſſe Souburg, Smallegange, 664 bl.

2.23.37 SPANGEN

SPANGEN; een Huis in Schieland, nevens andere ſloten, A. 1359, door die van Delft geruineerd. Junius, Batav. 17 cap. 492 bl. de Handveſt chron. 1 D. 135 bl. Van Leeuwen, Batav. 1298 bl.

Het word ons door Rochman in een Geſicht vertoond; doch ik geef u hier een andere, uit de 4 Geſichten genoomen, welke, den 3 en 4 den Juny, des jaars 1576, getekend, my van myn Boeſemvriend, ANDRIES SCHOEMAKER (nevens die, waar af boven, 179 bl.) gulhertigh ſyn vereerd.

<blz 335 | 318>

Ondertuſſen is het, door de Heeren van Spangen, wel namaals weder opgeboud; doch evenwel weder, A. 1573, in den Spaanſſen krygh verwoeſt. Goudhoeve, 87 bl.

2.23.38 SPAAR

SPAAR; een aangenaam water, uit de Leidſſe Rhyn of liever uit het Meer, boven Heemſtee, door Haarlem, loopende, naar Spaarendam. Boven, 125 bl. Heet ook van ſpieren en rietwortelen, de Spirne. Oudenhove. Haarl. Wiegh. 25 Bedenk. 97 bl.

2.23.39 SPAARWOUW

SPAARWOUW, anders Spirnerwald; een ſeer oud dorp, onder myn Hollandſe Dorpen, in een Geſicht van Eſyas van den Velde. Junius, Batav. 17 cap. 422 pag.

Uit dit dorp was oorſprongkelyk Klaas Kieten, anders de Spaarwouwer reus, van welken boven, 174 en 276 bl.

2.23.40 SPIERING

Het Huis van SPIERING; onder de geſichten van C. Elands, buiten s'Gravenhage gelegen, heeft in de Hiſtorie geen belangen, alleenlyk ſtrekkende tot een vermaaklyk Landgeſicht.

2.23.41 SPIERINGHOEK

SPIERINGHOEK; een Huis in Schieland, tuſſen Schiedam en Vlaardingen; wel eer van aanſien, daar op een ruïne, en heden weer een landhoeve. Junius, Batav. 17 cap. 492 pag. Goudhoeve, 87 bl. Van Leeuwen, Batav. 1298 bl.

2.23.42 SPYK

SPYK; een oud Slot, door Rochman, in vier Geſichten afgebeeld, is een Huis, in den Lande van Arkel en Altena, tuſſen Heukelom en Gorkom; voor eenige tyd vernieuwd. Goudhoeve, 86 bl. Van Leeuwen, Batav. 1304 bl.

2.23.43 SPREEKWOORDEN

SPREEKWOORDEN; van deeſe ſou men een beſonder werkje konnen opmaaken, tot vergrootinge van de geheele Adagia, of Proverbiorum Collectio van onſen Rotterdammer, Deſiderius Eraſmus; in Folio, 1670, in Duitſland uitgegeven. Doch hier alleen eenige weinige ſtaaltjes, tot uw vermaak:

I. 'T is een manneken om op een prauw te ſetten. Dat is; een mooye jongen, Een Haarlemmer ſpreekwys. Boven, uit Screvelius, 53 bl.

II. Hy heeft al wel geturft. Dat is; hy kan leven; hy heeft het verre gebracht, op ſyn muiltjes op en neergaande en van ſyn opkomſten levende: Schookius, de Turfis, 20 cap. 169 bl.

III. 'T komt op een turf niet aan, als men in het veen is. Dat is; daar overvloed is, kan men lichtelyk iets mede deelen. Deſelve, 170 pag.

IV. Hy weet een turf in drieën te kloven. Dat is; het is een <blz 336 | 319> vrek, een Warner met de Pot, of een Gierige Gerrit. Deſelve, 170 pag.

V. Dat was in Marten van Roſſum tyden. Dat is; in een tyd van de hedendaagſſe wereld ſeer verſchillende. Van Marten van Roſſum boven 223 en 298 bl.

VI. Hy ſuipt als een Tempelier. Screvelius, Haarl. 17 bl. ſpreekende van den Hout. Dit ſpreekwoord heeft ſyn oorſprong van de Tempeliers, ſeekere geeſtlyke, bewaarders van de kerk van het H. Graf te Jeruſalem, A. 1308, met goedvinden van Klemens de V, paus van Rome, en Philip de Schoone, koning van Vrankryk, door geheel Europa, gedood en uitgeroeid; meer uit baatſucht ontrent haar ſwaare middelen, als om eenige groote miſdaad. Heda, in bisk. Guido, 231 pag. Æmilius, de Geſtis Francor. 361 pag. Guicciardin. XVII. Provinc. in Traject. ad Moſam, 267 pag. Polydor. Virgil. Rerum Invent. 7 lib. 5 cap. W. Goeree, Geeſtl. en Wereldl. Hiſtor. 577 bl. behalven de opgetelde, by Buchelius 237 pag. &c. echter meeſt alle deeſe van ſuipen en ontuchtigheden beſchuldigende.

VII. Ik wil 'er om kampen; Een ſpreekwyfe, de duelliſten of tweevechters ontleend, welke, of om een prys te winnen, of om een beklaagde te verdedigen, malkanderen, in campo, dat is, in het veld, beriepen. Boven, 67 bl. Siet Stoke, in Jan den I, 161 bl. by Alkemade, Kamprecht, 93 bl.

VIII. Al konje kallen als Bruchman. Deeſe was, ontrent A. 1464, een Franciskaner monik te Groningen; van ſoo een welſpreekenheid, dat hy ſyn gefelſchap of order, binnen Amſteldam, daar mede voerde Slichtenhorſt, Gelders. G. 9 B. 254 bl. Kommelyn, in de Aanteekening. over Amſteldam, &c.

IX. Mechelen my, Heusden dy. Soo ſpreekt een inhaalige gierigaart, het beſte voor ſich ſelven uitkieſende. Boven, 139 bl.

X. Muiden ſal wel Muiden blyven. Uit Antonides, boven 236 bl.

XI. Naa hooge vloeden komen laage ebben. Dat is; naar groote voorſpoed komt wel tegenſpoed. Hooghmoed komt voor den val. W. à Winſchootens Zeeman, 55 bl.

XII. Eerſt in de boot, keur van riemen. Dat is; die eerſt komt die eerſt maald; die heeft de voortogt. Deſelve, 33 bl.

<blz 337 | 320>

XIII. Het anker achter de kat ſetten. Dat is; ſyn ſchaapjes op het droogh hebben. Een kat is hier een paal op de kaai, om de touwen van de ſchepen daar aan te beleggen. Roemer Viſſer heeft het dan niet wel gevat, in ſyn 2de Schok, een anker, nevens een kat, aan den haard leggende. Weder defelve. 8 bl.

XIV. Hy ligt in Jaffa. Dat is; hy ligt in onmagt. Jaffa of Joppe is een zeeſteedjen in het Heilighe Land; alwaar de reiſigers, by gebrek van vaartuigen en vracht, tot haar leedweeſen, ſeer lang ſomwylen worden opgehouden. Ondertuſſen de vrienden, ſynde gevraagd waar is die of die, antwoorden, niet ſonder ongeduld: waar ſou hy weeſen, hy leit in Jaffa. Noch deſelve, 91 bl.

XV. Hy fiet of hy Wieringen in ſou; tegens iemand, ſeer te onvreden ſynde dat hy niet tot ſyn oogmerk kan geraaken. Want die uit Teſſel naar Amſteldam willen, komt het ongelegen op de reê van Wieringen te moeten koomen. Noch eens deſelve, 360 bl.

XVI. Hy ſal je de loef afſteeken. Dat is; hy ſal u overtreffen; want die de loef heeft, is boven de wind en kan ten allen tyden ſyn vyand op het lyf komen; daar die geene die in ly is, door rook en damp niet kan ſien, wat hem te doen ſtaat. Weder Winſchoten, 142, bl.

XVII. Dat it een klouwer van een os. Dat is; meer als gemeen. Klouwen is by den ſcheepstimmerluiden, ſlaan, breeuwen, kalfaaten. Klouwer is een breeuwer, ja ook de klavaat of de kalfaathamer. Soo ſeggenfe, al pocchende, tegens haar medebreeuwers: Dat is een wakkere klouwer. Winſchoten, 108 bl.

XVIII. Onder de Huik getrouwd. Huik of falie is by de Neerlanders, ſoo hier als in Braband, geweeſt een vrouwe mantel, van het hoofd tot de voeten haar overdekkende. Een gewaad, dat ik, in myn jonge jaaren, te Groningen, langs de ſtraat noch heb ſien gebruiken.

Siet hier nu een oude gewoonte. Een mooje meit, met haar tegenwoordigen bruigom in onecht hebbende geleeft, was genoodſaakt die kindertjes, by hem ter wereld gebracht, te voorſchyn te brengen (in facie eccleſiæ) op den trouwdagh. Dit was een harde ſaak voor een bedroogen maagd. Wat raad? onder het trouwen wierd het kind of de kinderen, met den huik gedekt, en ſoo voor echt erkent. Winſchoten, 90 bl.

XIX. Hy vreet als een dykker; teweeten een delver, aan <blz 338 | 321> de de dykken arbeidende, alſoo die luiden een ſwaar werk doende ook hartigh in het eeten ſyn. Winchoten, 43 bl.

XX. Hy ſiet'er uit of hy uit een gieter had gedronken. Dat is, hy ſiet 'er uit als de bittere dood: om dat men nooit op zee uit een gieter ſal drinken, ſoo lang 'er, binnen ſcheepsboort, ſoet water of andere dranken ſyn. Winſchoten, 68 bl.

XXI. Sy ſullen dat geld moeten opdokken. Dat is, voor den dagh brengen, wedergeven. Dok, is een kom of beſlooten plaats, daar ſchepen gemaakt worden. Dokken, is de ſchepen in een kom op het droogh ſetten. Winſchooten, 45 bl.

XXII. Hy quam ons dwars voor de boeg. Dat is eigentlyk; hy quam vaaren voor ons ſchip over; hy ontmoete ons. Boeg (van buigen) is de borſt van het ſchip. Winſchooten, 28 bl.

XXIII. Hy ſtond bekaaid. Bekaajen is ſchande behaalen. De vis is bekaaid; Dat is, de vis heeft ſoo lang op de kaai, of de wal gelegen, dat ſe begint te ſterven. Bekaaide vis is een ſlecht onthaal. Winſchoten, 18 bl.

XXIV. Hy heeft de koſt by S. Joris. Dat is; hy heeft de onbeſorgde koſt; ſyn koſt is gekocht. Dit is louter Amſteldams; ſynde de Doelen van S. Joris (patroon van hand- en voet boog) hier tot een Proveniers-huys gemaakt. Winſchooten, 243 bl.

XXV. Ik heb hoek. Dat is; ik heb al een vis aan den hoek bytende. Hoek is een weerhaak, daar men mede hengeld. Winſchooten, 84 bl. Hoeks te ſyn, wat dat is te ſeggen, ſchrevenwe boven, 139 bl.

En dit ſoo verre, tot een proefje; want moogelyk ſal hier een Tweede Druk een meerder getal van Spreekwyſen bybrengen.

2.23.44 STADHOUDERLYKE Regeeringe

STADHOUDERLYKE Regeeringe; in Holland, onder de Graven; te weeten:

A. 1062, onder Diderik de V.98

A. 1200, onder Diderik de VII.

A. 1235, onder Floris de IV.

A. 1255, onder Willem de II.

A. 1389, onder Albert van Beyeren.

A. 1433, onder Philip van Burgondie.

A. 1465, onder Karel van Burgondie.

A. 1477, onder Vrouw Maria.

A. 1480, onder Maximiliaan en ſyn ſoon, Philip.

A. 1484, onder Philip en ſyn ſoon, Karel.

A. 1515, onder Karel de V, Keiſer.

A. 1556, ondere Philip de II.

<blz 339 | 322>

Daalende eindlyk deeſe Succeſſie, naa het afwyken van Spanje, A. 1572, op Willem den I, prins van Oranje. Van Leeuwen, Batav. 1384 en 1391 bl.

2.23.45 STARKENBURG

STARKENBURG, door Rochman in 2 Geſichten vertoond en door C. Specht weder op een ander wys verbeeld, kende ik, den 26 Junii, A. 1706, aan haar ronden tooren, by naar van weeſen als Loenerſloot.

Voorts is dit Heeren Huis gelegen aan den Krommen Rhyn, in het Sticht, niet verre van Driebergen. Ontrent de Hiſtorie, is het my leet geen ſchryfſtoffe te hebben, wegens dit aanſienlyk hoofdgebouw,

2.23.46 STAVRIA

STAVRIA; een ſtad in Frieſland, aan zee gelegen en ſiende naar Enkhuiſen en Medenblik; een ſtad, door de Frieſſe Schryvers, met beuſelpraat menigtnaal beſoedeld.

Van de gewaande Stavo, haar afgod, gewaagd Scotanus, Frieſſ: G. 2 B. 48 bl. Soeteboom, Staveren, 1 B. 2 bl.

Van de verweende kinderen van Stavoren, het Vrouwen Sand, en van haar verdichten oorſprong, quanſuis op het jaar, 1350, gewaagen Scotanus, 5 B. 195 bl. en Soeteboom, 4 B. 107 bl.

Sy is echter een oude ſtad, geboud, gelyk ſy voorgeven, A. 313, volgens deſelve Scotanus, 2 B. 48 bl. en 5 B. 174 bl. vertoonende een Vergunbrief van Waldemar, koning van Deenmarken, A. 1300, verleend aan die van Staveren; en Alting, Notit. 2 Part. 163 bl. gewagende van Henrik de IVden keiſerlyke Gunſtbrief, van het jaar, 1077.

Vorders het jus Stauriæ, of het recht van den ſtuir (van deeſe tolnaam komt het woordeken, ſtuiver) geenſins Staveren raakende, gewaagd Slichtenhorſt, Gelderſſe G. 1 B. 34 bl. het bewyſende met de benaamingen vap roemerſtuir en Turkenſtuir.

Het was, ſeg ik, een toll, ſich tot aan Nimmegen uitſtrekkende. Sie nu, welke een lelyke mis-taſtinge van die geloven, dat het gebied van het koninglyk Staveren van Frieſland tot aan de Maas en de Waal heeft gereikt. Soeteboom, Staver. 3 B. 54 bl. Meteren, 10 B. 196 bl. Maar ſie Scriverius, by Hegenitz, in Itinerar. Friſ. Holland. 47 pag.

A. 1076, is deeſe ſtad, van graaf Diderik de V, vermeeſterd. Emmius, Friſicar. 6 lib. A. 1345, is graaf Willem, door die van Stavoren, by het klooſter van <blz 340 | 323> S. Odulfus, verſlagen; waar af Beneden.

Van het klooſter van S. Olof of Odulfus, is boven omſtandelyk geſprooken, 252 bl. en wilje nu noch meerder weeten van Staveren, gaa by Meurs, XVII Provinc. 2 D. 929 bl. Alting. Notit. 2 Part. 163 pag. Matheus, Analector. VI Tom. 68 pag.

2.23.47 STAVRII

STAVRII; of Sturii, die van het gemelde Stavoren. Plinius, Hiſt. Natur. 4 lib. 15 cap. Maar, ſiet hier een ſwarigheid, by de Letterklovers. Onſe Junius (Batav. 3 lib. 65 pag.) leeſt aldaar Thuſii; mis benje met jou Stavoren! of geloofje noch teekenen van de benaaminge Sturii of Urii te hebben in de naam van 't eilandeken Urik, anders Urk? Flud à Ghilde, over Kluverius, Rhynmond. 2 D. 215 bl. aantrekkende Pontanus en Haemrodius.

De Hr. Alting (Notit. 1 Part. 117 pag.) ſchryft liever Sturii, woonende aan de Flevus ten Weſten; en verwerpt ten eenemaal de Thuſii, volgens de leeſinge van gemelde Junius. Sulk een ſpook, gelyk gy hier en elders aanmerkt, maaken ons de Critici, volgens de verſcheidene leeſinge van ſoodanigen codex, ſoodaanige membrana, ſoodaanige conjecturen. Maar, dit ſal, in dit werkjen, ons noch al meermaalen voor de boegh koomen.

2.23.48 STEDEBOUW

STEDEBOUW; is, volgens de leeringen van het Heidendom, aangevangen, onder Orfeus en andere; de menſſen aanmoedigende, om, in vrede en vriendſchap; ſich by malkanderen neder te ſetten. Lucretius, Rer. Natur. 5 lib. Plinius, Hiſt. Natur. 7 lib. 57 cap.

Doch toen waaren de Steden (ſiet ook haar oorſprong in de H. H. bladeren, Geneſis, 4 H. 17 vers. van Hanoch, de ſtad van Kain, behalven by Joſephus, Joods. Oudh. 1 B. 3 H. Druſius, over Sulpicius Severus, 17 pag. Hornius, over den ſelven, 1 lib. 2 cap.) niet anders als een gehuchte of buirſchap, met den ploegh (en deeſe bepaalinge wierd voor heiligh gehouden) omtrokken. Siet myn Verklaaringen over den Almanak van Ovidius, 4 B. 255 bl. behalven Junius, Batav. 27 lib. 406 bl.

Laater heeft men deeſe met muiren omvangen; want dit wierde geheelyk veracht en als te wyfachtigh verworpen van de Spartaaners; wiens Sparta was ſonder muiren en veſtingen. Ja toen ſy eindlyk ook op muiren dachten, was het met hen en hunne ſoo lang ontſachlyke heerſchappy ten einde geloopen. Juſtinus, 14 B. 5 H. Livius, <blz 341 | 324> 34 lib. 37 cap. Pauſanias, in Achaic. Seneca, Suaſoriar. 2 cap. 12 pag.

Immers, moedigh hand aan hand te vechten was toen de boodſchap; en dit ging tot ſoo verre, dat Archidamus, ſiende een catapulta, ſteenwerper of blyde, uit Sicilien overgebracht, volmondigh uitſchreeuwde: 't is met de dapperheid gedaan!

Als of die manhaftige Spartaaner wilde ſeggen: Nu men krygtuigh, van verre den vyanden treffende, bybrengt, nu is 'er geen kracht, geen ſterkte, geen ſtrydbaarheid nodigh.

Maar hoe ſou Archidamus ſich gekruiſt en geſegend hebben, had hy het ſwaare grof geſchut, ſlangen en kartouwen, op de beukeryen ſien planten? de grove bomben uit de mortieren werpen? door aangeſtooken mynen, gelederen van krygsliên gelykelyk nedervellen? en . . . . doch hola! dit niet verder; ſiet Plutarchus, in Apophthegmat. Reg. & Imp. by Lipſius, Poliorcet. 3 lib. 2 Dialog.

Voorts waaren ook van deſelve gedachten onſe Germaanen of Duitſchers. Kirchmayer, over Tacitus, Germ. uit Kluverius, Conringius, &c. 16 cap. 146 pag. en vervolgens ook de Alemannen en Swaben. Ammianus, 16 lib. 1 cap. en eindlyk de Frieſen; onder welke naam, in laatere tyden, ook de Hollanders. Junius, Batav. 17 lib. 408 bl.

Sie meer van het Stedebouwen, by Polydor. Virgilius, Invent. Rerum, 31 lib. 9 cap. en Oudenhove, Dordrecht, 3 H. 106 bl.

2.23.49 STEENHOOPEN

STEENHOOPEN, anders Huinebedden, van welke boven al is geſchreven, 105, 236, en 277 bl. doch wy ſullen hier de Aanmerkingen over deſelve, in 4 Hoofdſtukjes verdeelen en ſpreeken. I. van haar gedaante. II. van de landſchappen, in welke ſy gevonden worden. III. van de opſtapelaars deeſer ſteenen. IV. van het opgegravene, onder deſelve.

Beginne dan met I; aantoonende dat het ſeer groote keyen ſyn, met menſſen handen, op malkanderen geplaatſt.

Datſe alle ſyn ſich ſtrekkende van het O tot het W. meerendeels 18 of 20 treden lang, en 5 of 6 treden breed.

Dat de kleenſte keiſteenen onderleggen, voor pilaaren verſtrekkende om de grootſte te dragen; van welke eenige wel 9 vademen in haar omvang hebben; welverſtaande dat de grootſte altyd aan het hoofdeinde ſyn gevoegd.

Datſe in het W. meerendeels hebben een vierkante <blz 342 | 325> opening; ſoo dat men, of met een geboogen nek, of op ſyn knyen, daar kan binnen kruipen. Pikart; Drenth. Oudh. 5 H. 22 en 23 bl.

Ga nu tot myn II. verdeelinge.

Men vindſe leggen in het landſchap Drenthe, ſommige op de ruime en woeſte heide; ſommige op de bouwakkeren, ſommige in de boſſen, en ſommige weder aan de wagenwegh, onder het eene en ander dorp. By voorbeeld; te

  1. ANLOO; hier ligt een vry groote ſteenhoop, in het veld.
  2. ANNEN; heeft eene aan het einde van den eſs en eene even aan de brinke.
  3. BALLOO; weder eene van een gemeene grootte.
  4. BENTHEM; verſcheidene.
  5. BORGER; negen, van een ongelyke grootte.
  6. DROUVEN; wel ſesthien, binnen een bolwerkje geſlooten.
  7. EMSBUIREN; eene, ongemeen groot en geweldigh.
  8. HUMMELING; alwaar, by tyde van ſtorm en regen, 100 ſchapen onder die ſteenen ſchuilen.
  9. HUNE; ontrent den aanvang van den Huneſus; hoewel ſy daar als elders, van de boeren dagelyks worden wegh genomen; alleenlyk de grootſte ſteenen blyvende.
  10. ONNEN; eene, van gemeenen trant.
  11. ROLDE; twee, ſynde de grootſte met een vlierboom overſchaduwd.
  12. SALTSBERGEN; ongemeen groot.
  13. STEENWYK; van een verwonderens waardige hoogte.
  14. SUIDLAAREN; eene, van gemeenen trant.
  15. TEKLENBURG; verſcheidene, waarlyk geen kleene ophoopingen.
  16. TINAARLE; vyf ophoopingen, even buiten de ſchutting van den eſs, binnen een bolwerkje; doch ſynde de vyfde een weinig daar van af gelegen.
  17. ULSEN, aan de Vecht; ook weder meer als eene. Pikard. 5 H. 23 bl.

Daar en boven ontmoetenſe den reiſiger in Overyſſel en Weſtfalen; gelyk ik reeds eenige haarer dorpen onder den Drentſſen heb gemengd. Junius, aangehaald boven, op het 136 bl. Sim. de Vries, Wonderen der Zeën, 521 bl. Joh. Menſinga, in Saxa agri Trentini, carmîne, edito 1687. en Slichtenhorſt, Gelders. G. 1 B. 78 bl.

<blz 343 | 326>

Gelyk mede aan de Elbe, tuſſen Maagdenburg en Halberſtad. Jac. Tollius, Epiſt. Itinerar. ad Nic. Witſen, Coſ. 19 pag.

Weder, in het Meklenburgerland; aldaar der Wenden kerkhoven geheeten. Henr. Rantzovius, Meth. Apodemic. 9 Num. 3 art.

Eindlyk in de meeſte Noordlyke deelen van Duitſland. Joh. Daniel Major, lib. de Cimbris pop. en Joh. Riſt, in Colloq. Junior. op Schoonen en elders in Deenmarken, Sweden en Noorwegen; alwaar menſe, niet ſonder yſen, van verre ſiet ſelf op ſeer hooge en ſteile ſteenrotſen, Pikard. 5 H. 31 bl.

Ja ſelf in Engeland, ontrent Salsburry; met de naam van Stone Henge. Cambden. Britann. Epitom. 109 bl. Welke ik ook kan toonen in een groote Print, nevens een verhaal vol onbeſchaamde verdichſelen en beuſelpraat.

Keere van het IIde tot het IIIde Hoofdſtukje; vragende, wie deeſe ſteenen hier dus op malkanderen ſtapelde. De Hunnen? neen, alſoo die nimmer tot onſen landſtreek afquamen; maar de Huinen, dat is, in het oud Celtiſch, reuſen; van welke wy boven ſpraaken, 277 bl.

Gewiſlyk is de ophoopinge deeſer Steenen door menſſen handen geſchied; want wat werktuigen ſou men hier, in afgelegene heiden, en ontoeganglyke woeſtenyen ſich konnen verbeelden? immers, ſou men noch, op de effene gronden onſer heiden en ſaailanden, machinen, werktuigen gebruikt hebben; maar hoe konden die gebeeſigd worden in Noorwegen, gelyk we ſoo eeven verhaalden, op die ſteile klippen? doch, elk ſy ſyn oordeel vry. Deeſe Steenhoopen, Huine- of Reuſe-bedden kan ieder, in het reiſen, beſchouwen; en, van verwondering opgetoogen, een luttel ſtilſtaan en geloven dus ſyn oogen.

Maar, laat ons tot het IVde en laatſte Verdeelingkjen overſtappen; deeſe Steenhoopen, waaren het, by onſe alleroudſte voorvaderen, altaaren of grafſteden? mogelyk beide; want waarom ſou men jaarlyks, gelyk de Roomſe, op deeſe Steenen niet konnen gelykofferd hebben? Maar,

A. 1685, ging myn hertvriendin, Juff. TITIA BRONGERSMA (door haar uitgegevene Bronſwaan by onſe Kunſtgenooten bekend) in de Pinxſterdagen, by haare vrienden, tot Borger, boven genoemd. Beſagh, met opmerkingh, de <blz 344 | 327> aldaar leggende Steenhoopen. Kreeg een luſt om onder deſelve te graven; of daar mogelyk eenige oudheden mogten gevonden worden. En ſiet! ſy ontdekt, in het byſyn van den jongen Heer Lenting (by wiens vader ſy was gehuisveſt) voor eerſt veel kleene keiſelſteenen, ſtraat gewys nevens malkanderen geſet. Hier onder ſtonden veel ronde potten, ſeer ruw en plomp gevormd, bruinblaauw of donker rood van verf; ſommige 2 en ſommige 4 oortjes hebbende. Wat moeite ſy ondertuſſen deede, om ſulk een aſchkannetje geheel uit deeſen hoop te lichten, ſy vielen toch alle in ſcherven; alleenlyk een menigte doodbeenderen en aſſen uitſtortende. Wierd deſwegen genoodſaakt met de roof van eenige onkennelyke ſtukken en brokken ſich te vernoegen, en daar van een gedeelte my by te ſetten.

Ondertuſſen, ſoo veel ik weet, is ſy de allereerſte geweeſt, die het aardryk onder deeſe Keyen heeft omgewroed. Waarlyk een daad, om door de Dichtkonſt vereeuwigd te worden! Heb dan een SWABISCHE LYKBUS ingevoerd, by brokken, tot Borger, uit de grond gehaald, gemelde Jongvrouw in deeſer voegen aanſpreekende:

K' heb op een boeſem, eer men my begroef, geruſt, Die melk, ja leliën in witheid ging te boven! Dit treurig aardenvat is van een mond gekuſt, Een mond, wiens vriendlykheid men nooit genoeg kon loven.   K' ſag my, ô TITIA, van heete traanen nat, Terwyl een Noordſſe bruid myn buik vol beendren propte, Daar ſy, voor99 't lyk altaar, op keiſelſteenen ſat, En 's minnaars aſſen uit verbrande kleed'ren klopte.   Sy ſcheen te ſtikken in haar droefheid, in haar rouw, En, in 't omhelſen van de grauwe Bus, te ſterven, Die Gy, geklommen in het onbeſuiſt gebouw, Nieuwsgierig opgraaft en beklaaglyk ſtoot aan ſcherven.   Foei, wreede wysheid! daar ik nimmer daghlicht ſagh, Daar ik, ſoo ſorgeloos, dook onder deeſe Steenen, Zint hier de Sax, de Deen, de woeſte Swabe lagh; O Maagd! waar wiltge nu met deeſe ſcherven heenen?

<blz 345 | 328>

Leg neder! overdek de beend'ren en de fles! En ſtrek my wederom een trouwe minnares!

En dit ſoo verre van die Drentſſe Steenhoopen. Siet verder de Aanteekeningen op deeſe Lykklacht, in myn Poëſye, 58 bl. en myn Aanmerkinge, ontrent de verſteendheid deeſer doodbeenderen, by Steph. Blankard, in het VIIIſte Honderdtal van ſyn Jaarregiſter, de 96ſte Medecinaale Aanmerkinge; behalven Anton. Schonhovius, de Origine & Sedibus Francor. by Matheus, Analector. 1 Tom. 63 pag. Schildius. de Cauchis, 2 lib. 11 cap. 203 pag. en Van Leeuwen, Batav. 293 bl. &c.

2.23.50 STEENHUISEN

STEENHUISEN; een Heeren Huis in Schieland, ontrent Flardingen; over lange jaaren al verdweenen. Goudhoeve, 87 bl. Van Leeuwen, Batav. 1298 bl.

2.23.51 STEENE DOODKISTEN

STEENE DOODKISTEN; welke ſeer dikwils in het Duin worden gevonden van de boeren, van deeſe drinkbakken voor de beeſten maakende. Saanl. Arkad. 1 B. 22 bl. ſpreekende van die te Bennebroek waaren opgegraven.

Soodanige waaren bykans de ſtulpen, te Breukelen ondekt, van welke boven, 44 bl.

Soodaanige was ook de kiſt van S. Albert; van welken Alkemade, Grave-Munt. in Dirk den II. 5 bl.

Sommige deeſer waaren ſeer eng en ſmal, terwyl men als toen gewoon was op ſy de lyken daar in te leggen; doch voeg dit by de Lykplichten, boven, 203 bl. en elders.

2.23.52 STERRENBERG

STERRENBERG, door Rochman uitgeteekend; wel eer een oud Heeren huis, der Duivenvoorders, in Schieland aan de Schie, onder Schiedam; nu al lang een puinhoop. Van Leeuwen, Batav. 1298 bl.

Was ſoo geheeten, of naar eenige geſchilderde ſterren, of liever naar haar torens, ſterr-gewys geſet in een ſeshoek. Junius, Batav. 18 cap. 523 bl.

2.23.53 MELIS STOKE

MELIS STOKE; was geen Vlaming maar een Hollander; een Egmonder monik, of liever een Haarlemmer Karmeliet; prieſter, biechtvader, hofprediker en der Graven geheime raad; de tydgenood van 4 graven, Floris de V, Jan den I, Jan den II en Willem den III.

Syn Rymchronyk (wiens oorſpronkelyken handſchrift word vermiſt) droegh hy op, ſynde al een oud man <blz 346 | 329> geworden, aan de jonge graaf Willem. Alkemade, over Stoke, 262 bl. Pars Naamrol, 33 en 37 bl.

Vorders is hy in weeſen geweeſt tot in den jaare, 1305. De Rym chronyk quam uit, in het jaar 1591, te Amſteldam; en weder, in het jaar, 1620, in s'Gravenhage; doch ſonder de naam van Melis Stoke; alleenlyk met de benaaminge van den Onbekenden. Scriverius ondekte allereerſt ſyn naam, op een ſtuk parkement. Alkemade, in het voorbericht over Stoke, 1, 2 en 4 bl.

2.23.54 STOKLEGGINGE

STOKLEGGINGE; van welke boven, 259 bl. Siet mede Goldaſtus, ad Leges veteres, en Freherus, in Gloſſario Vocum Semilatinar. van de Stoklegging en de Brief daar over opgeſteld gelyk Schook, de Turfis, 10 cap. 59 pag. Miræus, Diplomat. Belgicor. 1: 90. van de overgegevene ſoode met de groene tak.

2.23.55 STOOP

STOOP; een Huis in Rhynland, by Kaukerk, op de hoek van de Weſtvaart, in Haſerwoude. Goudhoeve, 82 bl. Van Leeuwen, Rhynl. Koſtuim. Inleid. 50 bl.

2.23.56 STORMTUIGEN

STORMTUIGEN; gelyk de Blyden, Tuimelaars, en Evenhogen. Van deeſe boven, 252 bl.

2.23.57 STOUTENBURG

STOUTENBURG; een ſlot by Amisfoort, van Hoeflaken ten Z. afgelegen; vernieuwd en verſterkt, tegens een aanval van vyandlyke troupen, A. 1259. Matheus, Obſerv. in Amisfurt. Deſcript. en Analector. VI Tom. 315 pag. aldaar ſpreekende van haar afloſſinge uit een Brief van den jaare, 1340.

2.23.58 STRAFFEN

STRAFFEN; Smaatſtraffen, de verwonnene aangedaan wegens een ontydige halſterkheid, en moedwillige ongehoorſaamheid. Siet hier eenige ſtaaltjes, en onder deeſe mede weinige, de buitenlandſſe Hiſtorie ontleend.

  1. Laage deuren te moeten maaken aan hunne behuiſingen. Boven, 56 bl.
  2. Met ſtroppen om de hals, in het hemd genade te verſoeken. Pers, Verward. Adelaar, 100 bl. ſpreekende van de oproerige Kreſers, onder de Gentenaars; behalven Goudhoeve, Heuterus, Slichtenhorſt, &c.
  3. Moedernaakt, by koppelen gebonden, al gaande gegeeſeld te worden. Goudhoeve, in koning Willem, 316 bl. ſpreekende van de verwonnen Vlamingen, A. 1253, uit Beka, en den Gouwenaar.
  4. Met linnen klederen omhangen, in een proceſſie te gaan. Soetſtemmende Swaan, 26 H. 109 bl. <blz 347 | 330> ſpreekende van de Waterlanders onder de dwinglandy van Burgondie.
  5. Te gaan, een hond om den hals dragende. Sleidanus IV Monarchyen, 385 bl. ſpreekende van de beteugelden Palatyn; behalven Otto Friſingenſis, Krantzius, Georg. Sabinus, Gunther. Ligurinus, Witekind, &c. in de daaden van keiſer Frederik Barbaroſſa.
  6. 100 Nevens een kus, met de tanden een vygh uit de poort van een eſel te trekken. Kuſpinian. in Fred. Barbaroſſ. ſpreekende van de Milaneefen; het geen Oudaan ook in het 3de Bedryf van ſyn Treurſpel, Konradyn, in Frederiks lange vertellingen heeft te pas gebracht.

    Van dit ſoort van verſmading is ook

  7. Roeden, van de ſtadsmuiren, de vyanden toe te werpen. Alkemade, in Willem de IV. 72 bl. ſpreekende van die van Uitrecht, op het jaar, 1345.
  8. 'T wapenſchild te breeken en te veranderen. Alkemade, weder in Albert, 90 bl. ſpreekende van die van Delff; behalven Bleiswyk, Delff, 64 bl.
  9. Een ontaarden wapentuir, op een ſchandelyke wyſe te ontwapenen. P. Verhoek, in ſyn meergeroemd Treurſpel, in het 4de Ton. van het 2de Bedr. den vroomen Burgerhard deeſe woorden in de mond gevende:

    Ach, of den Hertogh quam' die licht haaſt op ſal daagen, Ik ſoude u in een kamp beroepen en u valſch En ſnoô betigting u doen haalen door uw hals; 'K had moed, met ſpeer en ſwaard, u 't ſchelmſtuk te doen klappen, En ſagh uw helm en ſchild en wapen ſtukken kappen Te morſel; den heraut uw lans de punt in de aard Verbreeken; op een hoop van meſt, uw ros den ſtaart Afſnyden; tot uw ſchand, de draagband en uw ſpooren Van 't lyf gerukt, begraauwd, een ſchelm in 't hart gebooren.

  10. Het ſervett of tafellaken, voor iemand, door den heraut, te laaten in ſtukken ſnyden. De Gouwenaar, in Albert, 112 bl. Goudhoeve, 408 bl. behalven Kemp, Scotanus, &c. alle ſpreekende van Willem van Beyere, grave van Oſtervant, gr. Alberts ſoon, in Vrankryk aan 's konings tafel gehoond.

En dit ſoo verre van de Smaatſtraffen; welkers getal in <blz 348 | 331> deeſe Bloemleeſinge (gelyk ik ook, 201 bl. heb aangehaald) van een keurigh Liefhebber dagelyks vermeerderd konnen worden.

2.23.59 STRYEN

STRYEN; anders het Huis te Ooſterhout, was wel eer in Suid-Holland, wiens grondſlagen noch ontrent het Scholferenboſch gevonden worden. Oudenhove, Suid-Holland, 413 bl.

2.23.60 STURII

STURII; of Staurii, ſoo men meend, die van Stavoren; want hier over word gepleit. Sie boven, 323 bl.

2.23.61 STURMERDYK

STURMERDYK; een Huis in het Sticht, ontrent Jutfaas, door Rochman afgeteekend. Hier af is verder by my niemendall.

2.23.62 SUIDERZEE

SUIDERZEE; wiens begin en oorſprong by de Schryver duiſter is en geheel onſeeker. Moogelyk is ſy ontſtaan uit een ſtorm en noodweer,

A. 360; Gabbema, Nederlandſſe vloeden, 9 bl. of

A. 1169; Deſelve, 37 bl. of

A. 1400; Deſelve, 143 bl. of

A. 1421; Deſelve, 147 bl. en Kommelyn, in de Byvoegſelen van Amſteldam, 158 bl.

Ik ſou konnen geloven, dat, niet de watervloed van A. 1169. maar die van A. 1170 (teweeten toen men de bolk voor Uitrecht heeft gevangen; volgens alle Schryvers) deeſe binnenzee heeft verwekt. Doch wy ſullen beneden, in de letter Z, deeſe Suider Zee noch eens met onſe Aanteekeningen doorkruiſſen.

Ondertuſſen bewyſen ons de ſandplaaten en banken in de ſelve genoegſaam, dat ſy, in haar toeneemen, ſeer groote ſtukken lands heeft overſtroomd. Sie, boven, het geſchrevene, ontrent het eiland Flevum, 85 bl. en het Kreiler-boſch, 183 bl.

Terwyl ſy ook de loop van den Iſla en den Flevus aldaar heeft afgebrooken en vernietigd. Alting. Notit. 2 Part. 57 & 103 pag. en ſiet daar op de 9de ſyner netgeſnedene Konſtkaarten.

2.23.63 SUIK

SUIK; of Suidwyk in Rhynland, tuſſen den Haagh en Leiden, ontrent het Huis te Weer; een ſeer oud Huis, door Rochman bykans in ruïnen afgebeeld. In haar heerlykheid is gelegen Waſſenaar, Van Leeuwen, Rhynl. Koſtuim. Inleid. 30 bl. Pars, Katw. Oudh. 22 bl. Goudhoeve, 81 bl.

2.23.64 SULLEN

SULLEN; of Soelen, tweemaal door Rochman uitgeteekend; en, door Geertruid Rochmans bewerkt, van Nic. <blz 349 | 332> Viſſcher eenmaal uitgegeven. Is ook door C. Specht, uit een oude Print van Vinkebooms, in het licht gebracht, niettemin geenſins ſoo wel verkooſen als in het Schilderytje, daar ik myn Boekekamer meê heb vercierd.

Dit Huis is gelegen in het dorp van deeſe naam, even beneden Uitrecht, Z. W. ontrent de Rhyn ter rechterhand; geheeten Thule in een Donatie-brief van den jaare, 838 by Alting, Notit. Germ. Inferior. 2 Part. 173 bl. aldaar ook meldende dat het wel eer onder Bracolæ Prætorium, of het Gericht van Breukelen, was behoorende.

Het Hiſtoriale heeft, mynes weetens, hier niets te verhandelen.

2.23.65 SUILENBORG, SUILESTEIN

SUILENBORG, SUILESTEIN101 in het Sticht, aan of ontrent den Rhyn; beide door Rochman uitgeteekend. Heb 'er niets af te ſeggen.

2.23.66 SUTERDESHAGE

SUTERDESHAGE; is een grensſcheidinge van de Rhyn af tot aan de Maſe en de zee; in een Geſchrifte van keiſer Arnulphus, van den jaare, 889, by Alting, Notit. 2 Part. 215 pag.

Maar, waar was deeſe plaats toen in weeſen? was het de Hillegommer beek? of liever, was het Suiderwouw, by verkortinge Suirwouw, in Waterland? of mogelyk Suidſcherwoud, onder het Baljuwſchap van Nieuwburgh? O Neerland te vol onſeekerheden! Sie de Notæ in Chronic. Egmondan. 180 pag. Saanl. Arkad. 1 B. 28 bl. Douſa by Scriverius, Inleid. tot de Graven, 65 bl. Van der Wouw, Alkmaar, 133 bl.

2.23.67 SWAANE-BROEDERS

SWAANE-BROEDERS; binnen s'Hertogenboſch oorſprongkelyk uit het Swaanemaal, dat is, een vredemaaltyd, waar op een Swaan de gaſten wierd opgediſcht.

Nu rees dit gaſtmaal uit een bevredinge der burgertwiſt tuſſen de Koptyters en de Berkerdynen; hunne naamen hebbende van eenen Jakob Koptyten, en Henrik Berkerdyn, twee welhebbende edellieden. Oudenhove, s' Hertogen-Boſch, 9 bl.

2.23.68 SWAANEBURG (Waterland)

SWAANEBURG, het kaſteel der Perſynen, in Waterland; van de ingeſetene omver geworpen, volgens verdragh, des jaars 1285, van nooit herboud te worden. Soetſtemmende Swaan, 2 H. 39 bl. en 4 H. 41 bl. Vronens Onderg. 2 B. 11 H. 130 bl.

2.23.69 SWAANEBURG (Rhynland)

SWAANEBURG naderhand geheeten <blz 350 | 333> Swammerdams-burg, in Rhynland, by Bodengraven; in den alverdervenden oorlogh der Hoekſe en Kabeljauſſe geraſeerd. Van Leeuwen, Rhynl. Koſtuim. Inleid. 51 bl. ſpreekende van de ſlagh te Weſtbroek, A. 1481, en den Hr. Vincent van Swaanenburg; uit Arn. Buchelius.

2.23.70 SWAANENBURG (Huis ter Hart)

SWAANEBURG anders het Huis ter Hart of, by ſommige, het Huis Polaanen, van welke boven, 267 bl. en van Swaaneburg ook boven, in de klacht van Vondels Gyſbrecht, 90 bl.

2.23.71 SWAANE-RECHT

SWAANE-RECHT; dit raakte de pluimgraaf in Delfs- en Rhynland; waar toe mede behoorde het Gruitgeld van de brouwers, (ſie boven 119 bl.) voor het ſuiveren van het water, ontrent het weghneemen van de kroos. Matheus, Nobilitat. 4 lib. 1 cap. 910 pag.

Voorts Swaanen aan te queeken en in het water te mogen houden was een byſonder voorrecht aan groote Huiſen. Boven, in Leeuwen, 197 bl. en in Ruwiel, 204 bl. behalven, Junius, Batav. 19 cap. 540 pag, Pars, Katw. Oudh. 204 bl. ſpreekende van de Waſſenaaren.

Van de Swaanen ſchryft ook Merula, in het Boek van de Wilderniſſen (voorwaar een geleerde Verhandelinge en vol nuttigheid!) 2 D. 3 B. 42 bl. hebbende ook aldaar plakkaaten, van geen ſwaaneryen te ontruſten, te verjaagen en met de boog of met de bus te ſchieten; desgelyken, van geen ſwaanen te merkt te brengen, als met veeren, bek en pooten, in Kennemerland. Siet deeſen Merula, 55 en 56 bl.

2.23.72 SWARTEN HOOP

SWARTEN HOOP; of bende, Gelderſſe en Frieſen, was een getal van 4400 koppen en 1000 jongens, door de graaf van Benthem, Groeningerland poogende aan te doen, uit oude compagnyen ſaamgeraapt. Scotanus, Frieſſe G. 16 B. 538 bl.

Deeſe dienden onder Heer Fioris van Egmond, geſegt Floorke Dunbier. Gabbema, Leeuwarden, 305 bl. de Scoreler, Medenbl. 32 bl. Soeteboom, Stavoren, 5 B. 174 bl. de Oude Brabandſſe Chronyk, op het jaar, 1518.

Van Floorke Dunbier ſpreeken wy boven, 241 bl.

2.23.73 SWIETEN

SWIETEN; door Rochman in 4 Geſichten afgebeeld, is een Landhuis, wel 300 jaaren bekend, gelegen aan den Hoogen Rhyndyk, in Soeterwoude, ontrent Leyerdorp. Boxhorn. Stedeb. 219 bl. Goudhoeve, 81 bl. Van Spaan; Rotterd. 137 bl. en van Leeuwen, Rhynl. Koſtuim. Inleid. 39 bl. ſpreekende van haar hedendaagſſe beſitters.

2.24 T

<blz 351 | 334>

T.

2.24.1 TAAL

TAAL; van deere ſpraaken wy boven, 70 en 71 bl. doch het is jammer, dat de Taalgeleerde niet eens ſyn, ſoo in de ſpellingen; ſettende deeſe hi voor hy, en die weder ſchryvt voor ſchryft &c. als in de woorden ſelf, en haare vooruitgaande ledewoordtjes, de en den of een en het van welke boven, 109 bl. en verder ſchryvende deeſe, hunne en hen en die daarentegen, haar, &c. ſchryvende in het verledene, doorſtooken voor doorſteeken, &c. maar ondertuſſen hou ik het aan de ſyde van J. Goeree, ontrent ſynen Alkander, of Gewaanden Zeeroover, deeſe woorden in den Opdragt gebruikende.

Hy durft ten Schouwburg treeden, Dog wat beſwaard van tong en met beſchroomde ſchreden Voor 't neetelige volk, zo vrugtbaar in onze eeuw, Dat, om een Letterſeil, met haatelyk geſchreeuw, Hem vallen zal op 't lyf, als of een ſtad wou zinken. Hier ſal een De, of Den, niet wel in de ooren klinken: Daar zal de Spelkonſt niet geſchoeid zyn op de leeſt, Van hun gefronſt verſtand en kibbelende geeſt, Daar ſal hy tegens Taal en tegens maatklank ſpreeken, Of elders hem een Punt, of Letterſtip ontbreeken, Om welk, naar hun begrip, een land zelfs moeſt vergaan: Maar, 't ga daar meê zo 't wil, 'k ſteur my daar weinig aan.

Ondertuſſen ſyn hier weder de Latynſſe Letterklovers gelukkiger; ſchryvende nu eenpaarigh, Gellius en niet Agellius, Vlyſſes en niet Vlixes, Virgilîus en niet Vergilius, &c. Doch hier af elders breeder.

2.24.2 TABUDA

TABUDA; is de Schelde, tuſſen de eilanden, Schouwen en Walcheren. Eindius, Zeland. 11 cap. 61 pag. Siet de Kaart van het Belgium Vetus, uitgegeven door Abrah. Ortelius.

De naam ſou ſyn oorſprongkelyk van de woorden; Sta buiten, volgens Marchant, by Alting, Notit. 2 Part. 121 pag. die deeſe giſſinge mistrouwende, by Ptolemëus, niet Tabuda, maar liever Amuda (dat is, de mond van den Aa. boven 1 bl.) ſou, willen leeſen.

En waarlyk, ſoo gaat 'er hier meerendeels; is 'er een naamwoord, die de Letterkundige deeſer tyd alleenlyk by eenen <blz 352 | 335> ſchryver ondekken, ſy peuteren dagelyk aan een onrechtmaatige leeſinge, gelyk boven is gebleeken, in Nabalia, 244 bl.102 in Staurii of Sturii, 323 bl. en verder beneden, in de volgende letter, by Vidrus ſal worden aangeweeſen.

2.24.3 TAL der Dooden

TAL der Dooden, ſomwylen by onſe Klooſter-ſchryvers buitenſpoorigh en ongelooflyk, daar ſy van eenige treffens of veldſlagen gewagh maaken. Scriverius, in de Aanteekeningen op Diderik de V, 123 bl. by dewelke Snoyus ſpreekt van 40000 ja van 60000, op het ys, en wel op eenen dagh, geſneuvelde Frieſen; terwyl Barlandus, het ſelve gevecht verhaalende, alleenlyk van 4000 en 6000 vermeld. Siet ook ſyn aardigh Toetſteentjen over den Gouwenaar, in het leven van denfelven Diderik 240 bl.

2.24.4 TANFANA

TANFANA; Aanvang alter ſaaken. Waarlyk een groote godin! Boven, 107 bl.

Deeſe Hoogduitſſe godheid, by Freinshemius, Diana geheeten; had een tempel in ten Ham, een oud dorp in Weſtfaalen. Saubertus, Sacrificior. 5 cap. behalven Loccenius, over de gemelde plaats van Tacitus, Kluverius, Scedius, &c.

2.24.5 TEISTERBAND

TEISTERBAND, anders Teſtrebrant, een ſeer oud graafſchap der Franken, tuſſen de Lek en de Waal, of liever ontrent de Maas en Demer, grenſſende aan de Veluwe en begrypende de ſteden; Gorkom, Leerdam, Aſperen en Heukelom, &c. Boxhorn. Stedeb. 47 bl. Matheus, Not. in Amisfurt. 188 pag. ex Heda, 95 pag. & J. van Leiden, 4 lib. 12 cap. Alting, Notit. 2 part. ex Aimonio, Hiſt. Francor. 5 lib. 25 cap. en de Brieven der Biskoppen van de jaaren, 997, 998, 1006 en 1013.

2.24.6 TEMPEL

TEMPEL; een Huis in Delfsland, ontrent Rodenrys, Berkel en Overſchie; ons ook ontmoetende in den titel van boven meer als eens genoemde Barneveld. Goudhoeven, 82 bl. Van Leeuwen, Batav, 1291 bl.

2.24.7 TESSEL

TESSEL; ander Texel of ook wel Exel, een groot en ruim eiland tuſſen Noord-Hollands uithoek en het Vlieland; een ſlot hebbende, waar op, A. 1211, de rampſalige Ada was gebannen. Boven, 7 bl.

Dat het wel eer aan Frieſland, nevens de bygelegene eilanden, is gehecht geweeſt, gelyk ook Zeeland aan Vlaanderen, bewyſt genoegſaam de reeks der buitenduinen; loopende nevens de zeeſtrand, van de Somme tot aan den Elbe; volgens het geſchrevene, 69 bl. doch hier af wat naukeuriger in de letter W. by de Watervloeden.

<blz 353 | 336>

Ondertuſſen gewagen van dit eiland, Boxhorn. Stedeb. 34 bl. Alting. Notit. 2 part. 170 pag. uit de Brief van keiſer Otto den III, des jaars, 985.

Van de boomtronken, aldaar uit de grond gehaald, is geſprooken, 39 bl.

Eindlyk heeft van dit eiland haar naam bekoomen de geleerde Teſſelſchaade Viſſchers, ſuſter van Anna Roemers Viſſchers; beide dichtereſſen, en dochteren van den geeſtryken Roemer Viſſcher; van welke Beverwyk, Uitneemenh. der Vrouwen, 2 B. 283 bl. teweeten wegens een merkelyke ſchade, voor Teſſel geleden, A. . . .103 maar hier dut myn geheugen, niet konnende den ſchryver achterhaalen, het ongemak in ſyn Cronycsken aantekenende. Gedult! ten minſten ik vinder af gewagh gemaakt in het dertele Blyſpel van Zabinaja.

2.24.8 TEILINGEN (Nieuw)

TEILINGEN; of Thelingen, (ik ſagh het in het verbyryden van achteren, den 30 May, A. 1705.) in een dichte boſchagie, nevens een nieuwe Luſtplaats, een oud Jagthuis, in het dorp Saſſehem, anders Saſſem. Boxhorn. Stedeb. 219 bl. Van Leeuwen, Rhynl. Koſtuim. Inleid. 33 bl.

Het is in een Print uitgegeven in het jaar, 1616, door Frederik de Wit, van eenen J. W. ook heeft Rochman het op 2 ſyden afgebeeld; maar ik vertoon het u, volgens een mooye Teekening van eenen Onbekenden; nevens 10 a 12 andere, door myn hooghwaarde Letterkonſtgenoot, de Hr. Adv. LAURENS ARMINIUS, my mildaadigh by geſet.

Dit is het Huis, waar op dat ongelukkige Japikje leefde met haaren lieven Frank van Borſelen; van Gravinne ſynde geworden Houtveſterinne van Holland. Hier heeft ſy haar hartſeer moeten opkroppen en met ſomwylen een konyntje te vangen, haar leet vergeeten! Hier plagh ſy de kannetjes uit te drinken, en deſelve over haar hoofd gooyende, in den vyver te werpen! Heemskerk, Batav. Arkad. 569 bl. Sie van de ſteene kruikjes boven, 152 en 154 bl.

Vorders gewagen ook van dit Heeren huis Van Spaan, Rotterd. 119 bl. ſpreekende van Jakobaas overlyden. Junius, Batav. 18 cap. 516 pag. ſpreekende van de gewaande ſpookeryen en nachtgeſichten op deeſen burg; behalven Bokkenberg, Soeteboom, Schook, &c.

Eindelyk is dit Huis, door het geduirigh oorlogen vervallen; doch ook, A. 1296, van de Graaflykheid <blz 354 | 337> geconfiſkeerd, als behoorigh aan de medeſtanders van Geraard van Velſen. Voorts tot een Jagthuis gemaakt, en Nieuw Teilingen geheeten, tot het onderſcheid van Oud-Teilingen, anders Lokhorſt. Goudhoeve, 81 en 427 bl. &c.

2.24.9 TEILINGEN (Oud, Lokhorst)

TEILINGEN; Oud-Teilingen of Lokhorſt is by Warmond gelegen; A. 1447, ſynde geweeſt aan het Stamhuis van Poelgeeſt. Deſelve Goudhoeve, 81 bl. Van Leeuwen Koſtuim. Rhynl. Inleid. 34 bl. Parivall. Vermaak van Holl. 8 H. 88 bl. is ook onder de Teekeningen van Rochman, doch ik bewaare een Geſichtje van dit Huis, onder de bovengemelde van ARMINIUS.

2.24.10 TEKLENBURG

TEKLENBURG; een Huis in Weſtfalen tuſſen Munſter en Oſnabrugge, (om haar aaloudheid binnen den omtrek van deeſe Schryfſtoffe ingehaald) van een ſeer hoogen ouderdom, en mogelyk al voor de Cimberſſe waternood geſticht. Pikard, Drenth. Oudh. 19 cap. 86 bl.

Sy heeft, in haar wapenſchild, een gulden anker, in blaauw zeewater, nevens 3 plompebladen; omdat men geloofd, dat hier, in ſulke een afgelegenheid van de zee, door ſeekere hooge vloed (waar af de gebuirige veenen noch klaare getuigen ſyn) een ſchip met menſſen is geſtrand.

Voorts ſyn de deelen van dit hooge ſlot niet van eenen ouderdom; alſoo die ſeldſaame tooren is het alleroudſte me[t]ſelwerk. Maar, wat is het my nu een hartſeer, dat ik, A. 1667, te Munſter ſchool leggende, dit vreemd gebouw niet naukeurigh heb gaan beſchouwen. O jeugd! ô domme en onbedachte jeugd!

Eindelyk heeft men hier ook, ontrent den berg, dit ſeer oude kaſteel dragende, de groote Steenhoopen; van welke boven omſtandelyk, boven, 324 bl.

2.24.11 TETRODE

TETRODE; een Heeren Huis in Kennemerland niet verre van Haarlem, ontrent de wegh naar Santvoort, en niet, volgens Goudhoeve (80 bl.) by Brederode. Van Leeuwen, Batav. 1249 bl. behalven Heemskerk, &c. Siet de Kaart van het Deſſein over het Haarlemmermeer.

2.24.12 THEOLF

THEOLF; is de ſtad Delf, A. 899, alleen een manſe of rentehoeve. Maar, A. 1260, was ſy al een ſtad; doch wanneer ſy het begon te worden, is nooit beweeſen. Alting. Notit. 2 Part. 170 pag.

Van Delft is boven geſchreven, 53 bl.

2.24.13 THIEL

THIEL; Thile geſegt in de keiſerlyke Brieven van Otto de Groot, Otto den II en Lothaar den II; by Alting Notit. 2 Part. <blz 355 | 338> 186 pag. een ſtad in de Tielerwaart, aan de Waal, een driehoek maakende met Bommel en Buiren; A. 890, allereerſt genoemd, in de Brief van Zuentibolchus. Alting. Notit. 2 Part. 171 pag.

Voorts wierdſe noch, A. 1009, ſoo wel als Uitrecht, Rhynburg en Flardingen, in Frieſland geplaatſt. Boxhorn. Stedeb. 7 bl. Van Leeuwen, Batav. 43 bl.

Sie van Frieſlands uitbreidinge, boven, 94 bl. en den Brief van Zuentibolchus, of Zuentiboldus, koning van Lotharingen, by Heda, 93 pag. en eindlyk ſelf van Zuentiboldus, beneden, in den laatſten letter.

2.24.14 THURINGERS

THURINGERS; die van Thuridrecht, anders Dordrecht; van welke ſtad boven, 63 bl

2.24.15 THUSII

THUSII; volkeren (noemſe geen Staurii, van welke boven, 323 bl.) heden in de zee weghgeſonken. Junius, Batav. 3 cap 65 pag.

Sy worden geſet niet verr van Huisduinen; ſoo dat die nu verdronkene landſtreek is geheeten het Thuiſenland: ja ſy ſtrekte ſelf tot aan Medenblik, alwaar noch een dorpjen Opper-Toes word geſegt. Van Royen, over Verſteges 2 H. 33 bl.

2.24.16 TOL (heffing)

TOL; van welke men de boeken der Rechtgeleerde diend naar te ſien. Van de Katertol, op den Iſſelſtroom is boven geſchreven, 168 bl. gelyk van die van Geervliet, 100 bl. doch ſie mede, by Buchelius over Heda de Brief van Otto, 85 en 87 pag. &c.

2.24.17 TOL (Rhynland)

TOL; een Heeren Huis in Rhynland, onder Leyerdorp, by Kaukerk, in de Laage Waart. Van Leeuwen, Rhynl. Koſtuim, Inleid. 33 bl. en Batav. 1270 bl.

2.24.18 TONGEREN

TONGEREN, een ſtedeken in Braband, maakende met Maaſtricht en Luik een driehoek, aan de Jecker. Siet Viſſchers Braband.

Ontrent deeſe plaats ſweeft een geſchil over de vraag: of oit de zee tot aan Tongeren toe is over gevloeid? Deeſe verklaard van jaa; en die ſegt weder neen: daar by voegende, dat de ringen aan de ſtadsmuiren niet hebben gediend om daar ſchepen aan vaſt te maaken, maar om de ſtormtuigen en het ſchutgevaarte daar aan te hechten. Siet de Ray, Werelds begin en einde, Verſteges Neerlandſſe Oudheden aantrekkende, 15 bl. en Hubert. Thomas, beſtreden van Eindius, Zeeland. 1 lib. 1 cap. en Guicciardin. Balg. 2 Part. 504 pag.

Ik geloof het volkoomen, juiſt niet ſoo ſeer om de ringen in de muiren: maar om dat aldaar een ſoo genaamde Zeedyk <blz 356 | 339> is leggende, uit welke, noch ſeer onlangs, groote, ſoo gladde als geſtreepte, ſchelpen ſyn opgegraven. Meergenoemde Schynvoet, over de Amboinſſe Rariteitk. 317 bl.

Hier hebben ook wel eer de Romeinen gehuisveſt; aangeſien, in het jaar 1693, in de maand van Mey, ſeeker akkerman, binnen de oude ſtads muiren (buiten de ſtad tegenwoordigh gelegen) ſpittende, een ſchoon hoogh rood potje vol kopere penningen heeft opgehaald. Behalven een brok van het potje (de jongens hadden het in ſtukken geſtooten) bewaar ik ſelve daar af noch eenen Hadrianus, eenen Antoninus, en eenen Marcus Aurelius, nevens jonge Fauſtine.

2.24.19 TORENBURG

TORENBURG; een ſlot in Noord-Holland, dicht by Alkmaar gelegen; al lang verwoeſt, A. 1255, door koning Willem geboud, en wegens een eeuwige toorn tegens de Frieſe ſoo genaamd. Van Leeuwen, Batav. 1306 bl. Saanl. Arkad. 2 B. 73 bl. Goudhoeve, 85 bl. Veronaas Onderg. 2 B. 9. H. 118 bl.

Op dit Huis is ook de vrede getroffen, A. 1288, tuſſen Floris de V, koning Willems ſoon en de Frieſen. Gemelde Veronaas Onderg. 2 B. 13 H. 139 en 141 bl.

2.24.20 TOORENVLIET

TOORENVLIET; een Huis in Rhynland, en wel juiſt in Valkenburg. Goudhoeve, 82 bl. Van Leeuwen, Rhynl. Koſtuin. 33 bl. en Batav. 1270 bl.

2.24.21 TOUTENBURG

TOUTENBURG; ſeer roemruchtigh door twee Heeren, die haar naam gevoerd hebben, is gelegen aan de boeſem van de Suiderzee, in Overyſſel, dicht aan de muiren van de ſtad Vollenhove: A. 1170, geſticht, om de Frieſen het ſtroopen te beletten, door Govaard van Rhenen, de 28ſte biskop van Uitrecht. Joh. de Beka, in Godefrido, 55 pag.

Voorts hebben de Frieſen wel meermaalen dit ſlot aangetaſt, doch hebben het nooit konnen bemagtigen, veel minder verdelgen. Meurs, XVII Provinc. 2 D. 964 bl.

Het is, al voor langen tyd, in een mooi ſtantjen, door J. C. Viſſer, in het licht gebracht.